Sprotje

Part 4

Chapter 44,011 wordsPublic domain

Ten leste hing het; 't zweet, met een zwoel-opslaande wàlm van warmte, brak haar uit, prikkelde hittig op 't strakke vel; schokkerig schikten en wonden de handen dan het knoetje rond, lagen het uit op 't achterhoofd, staken het vast met de paar haarspelden, die er in Siens naai-doosje over waren.

Bij het raam, want 't begon al te schemeren, keek ze in 't krom-golvig spiegeltje van den deksel; nog altijd sprongen er zij-haren los; en òm er maar netjes uit te zien, plakte zij met haast-dringerige streekjes van water ze tusschen de andere vast; donkere vegen liepen over 't bleeke blond omhoog.

Dan krabde en veegde ze alle vlekjes en spatjes uit haar jurk, borstelde en blies haar hoedje af, stofte haar schoenen schoon, waschte nog eens haar handen, vijlde het vuil, dat er door 't smerige bombazijn-naaien van dien morgen ingezwart was, met puimsteen weg.

Zij was wel een uur bezig; en willens hield ze al haar denken zoo sterk ze kon bij dat werk, om te vergeten, waartoe het gebeurde.

Toen ging ze op weg.

Zij liep maar, jachtig, wetend wel, dat ze niet tot kalmte moest komen, want dat ze dan niet durven zou.

Haar smalle gezichtje, met de vlekkerig-trekkende waschplekken onder de heete oogjes, was aan de kaken nog spitser dan anders, nu elk piekertje haar, nat-gekleefd, naar het dunne knoetje hoog op het achterhoofd weggespannen was. In haar hevige ontdaanheid voelde ze de velschroeiing ternauwernood: "'t is niks," dacht ze, "dan zie 'k er gezonder uit."

Soms merkte ze, aan de avond-koelte die er fijntjes in-streek, 'r nu kale, even uitgeholde nekje; en ook hinderde haar wel 't onwennig en onvast voorover staan, door 't hooge haardotje, van 'r hoed, waarvan de rand scherp op 't voorhoofd drukte.

En terwijl de beenen zwoegend voort-repten, was in haar wonderlijk-klaar hoofd een vlucht van woorden en stukjes gesprek, heele einden verhaal, dat ze houden zou, straks, als ze voor de juffrouw stond.

Toen ze dicht bij het Turfgrachtje kwam, begon ze schichtig te kijken naar de menschen, die haar langs gingen, maar te haastiger liep ze door, het hoofd neer, even de oogen onder den hoed-rand uit.

Hier was 't; zonder bedenken stapte ze de stoep op, trok de bel over.

Hoog boven haar geelde de daklijst nog aan den wit-groenen hemel, maar de stoep met de grijs-arduinen paaltjes stond al in schemer-vaalte.

Een meisje deed open, het dienstmeisje van de menschen, bij wie de juffrouw in huis was. Die liet haar in de gang komen, een hooge, witte gang, òveral weifelig licht-doorreikt van het kaarsje, dat, in een hooge glazen ballon aan koperen kettingen, helder brandde.

Voor den tweeden keer vroeg het meisje, wie ze zeggen moest, dat er was.

Het kind fluisterde, kortaf, haar naam, en de meid ging heen, onhoorbaar tredend over den zachten looper.

Toen, van het oogenblik af, dat zij daar stond, alleen, in de hooge, bevend-blanke gang, kwam er een bedwelmende bewondering over haar, waarin al haar denken en bewegen als verstolde, en waarin zij maar vaag meer wist van den angst, die haar gedreven had tot dezen tocht.

Ze zag een oude juffrouw de gang inkomen, als recht op haar toe, haar aankijken, even knikken, wenden en de trap opgaan; zij was bewegeloos gebleven, zonder goedendag-zeggen, met een verbijsterde staring in de starre oogbollen.

Zonder gedachten stond ze, de voeten vast aaneengesloten, op de deurmat.

De meid, die in 't verschiet van 't smaller en donkerder gang-einde een kamer was binnengegaan, kwam weer naar buiten, de deur achter zich latende aanstaan, liep als de juffrouw van daareven eerst op haar toe, en zei dan, wendend ook naar de trap, met een wijsknik van het hoofd achterom: "daar mot je wezen." Toen ging ze de trap op.

Het kind, weer alleen in het licht-wemerende voorhuis, dorst zich niet te verroeren; de gang-blankte sloot als een betoovering om haar toe; met dezelfde schril-verdwaasde oogjes bleef zij staan turen.

Dan klonk achter uit de op een kier gelaten deur een ongeduldige roep, de roep van haar naam, door een stem, die ze kende.

En dat bekende verbrak eensklaps de benauwing. Vanzelf zetten zich nu haar voeten in beweging, kwam zij de dood-stille, kerkachtige blankte door, en het vertrouwelijker halflicht van de achtergang, tot aan het schijnsel voor de schelle kier. En opeens was de deurknop in haar hand, en stond ze op den drempel der kamer.

Het kind zag een groot vertrek, waarin laag sterk licht was, veel rood in dat licht, en boven schemer. Aan den wand vóór haar zag ze een zwart scherm met gouden vogels; tusschen het laatste schotje en den muur vaagde iets wits van een bed.

Toen, van achter de deur, kwam nog eenmaal de bekende stem-klank: "Nou, Marie Plas...."

Het kind sloot werktuigelijk de deur, en stond in 't volle licht voor de tafel. Ze dorst niet opzien.

"Zoo" .... zei de stem weer, maar snijdend-bits nu, zooals ze 't vaak tegen de ondeugende meiden gehoord had: "Kom je nou zóó bij mij.... dat had ik anders verwacht...."

't Kind stond als in een ijlte, zonder den grond te voelen onder haar voeten, en de stem kwam van ver, in een droom. Als vervluchtigende vlokken vielen de bestraffende klanken in haar wonderlijk-leeg hoofd.

Zij bracht geen woord uit, bleef strak vóór zich kijken.

"Wat kwam je nu eigenlijk doen?" vroeg de stem opnieuw, maar wat aanmoedigender.

Het kind waagde een blik.

Op een schuin in den hoek gezetten canapé, achter tafel, zat de juffrouw. Zij leunde met de beide voorarmen, de ellebogen uiteen, de handen bij elkaar, op het donker-mahonihouten blad, en ze droeg dezelfde bruin-en-zwarte japon, die ze vaak in de naai-les aanhad. De licht-en-schaduw-scheiding van den lampekap-rand viel midden over haar gezicht. Als ze wat onderuit keek, om, onder de lamp door, het kind op te nemen, kwam het licht-lijntje tot schuin over haar oogen. Zij knipperde even, en, terug met 't hoofd, zat ze weer als te voren.

Met schrille, genepen oogjes moest het kind naar die verschuivende licht-en-schaduw-lijn kijken. Toen voelde zij, dat ze zelf in den baren lampeschijn stond, als naakt in haar sjofele kleeren.

En in die plotselinge schaamte kwam zij tot haar volle bewustzijn.

"De schorten zijn wel klaar," zei ze met een haperende stem, "maar de jurk is nog niet gemaakt...."

"Zoo...." zei de juffrouw "en waarom niet?"

Nu, gesteld voor die vlakke vraag in 't schelle licht, was 't kind weer heelemaal in de war. Al haar duidelijke en begrijpelijke verklaringen was ze vergeten. Ze was duizelig.

"Nou, waarom kon die japon niet gemaakt worden?"

"'k Had geen tijd, juffrouw."

Zonder begrip te hebben van wat ze zei, viel dàt uit haar mond.

"Hadt je geen tijd om dat goed weg te brengen? En heb je wel tijd, om hier in je ouwe kleeren te komen?"

"Nee juffrouw," zei het kind.

"Hè?" vroeg de juffrouw.

"Nee, juffrouw, me moeder wou 't niet," bracht het kind uit.

De juffrouw begreep 't niet wel. 't Verwonderde haar. Ze had altijd gemeend, dat ze 't van Plas nog al goed hadden, wist van d'r vaders ongeluk, van de flinke moeder.... zij had voor een paar stille, knappe dienstjes vaak aan dit kind gedacht, dat altijd zoo netjes op school was geweest, zoo oppassend en gewillig....

"Zóo," zei de juffrouw, "kon je moeder dat geld niet missen....?"

't Kind kleurde fél.

"Nou, vertel nou maar eens," drong de juffrouw aan, wat korzelig.

Zij had ook dikwijls iets tègen dat kind gehad,.... dat kind had iets stiekems, iets wonderlijks; wat stond ze nu weer raar onder dien hoed uit te kijken. Je wist nooit recht wat je aan 'r had....

Toen, met een rilling door 'r schouwertjes, een schok-scheut in 'r beenen, zei 't kind:

"Me moeder wil, dat ik naar 't fabriek ga; me zusters zijn er ook op; me moeder wil niet, dat 'k ga dienen."

't Gezicht van de juffrouw trok bedenkelijk: Jaaa... als 't zóó zat.... Haar wat bol-uitstaande, bruine oogen tuurden, half-neer, naar den uitersten tafelhoek.

't Kind, midden door haar verwarring heen, voelde toch, dat ze iets verkeerds had gezegd.

De juffrouw rimpelde het voorhoofd op....

Even gingen, aan de rusten-blijvende polsen, de beide vleezige handen omhoog, vielen dan, met een plofje, op de vingertoppen weer neer.... ja.... als 't zóó zat.... als de ouders, als de moeder niet meewerkte.... dáár kon zij niet tegen-ingaan.... zij kon die kinderen niet tegen hun ouders op gaan zetten.... zij kon niet zeggen: kind, ga niet naar de fabriek.... de menschen schenen daar niets meer in te vinden.... vroeger, een fatsoenlijk meisje, niewaar?.... maar tegenwoordig.... dit kind scheen nou liever te gaan dienen.... maar zij kon er de dames toch niet in laten loopen.... ze kwamen bij haar om wat knaps te krijgen.... die bij haar om zoo'n kind kwamen, deden 't ook al niet uit overdaad.... zoo'n kind moest toch allereerst fatsoenlijk voor den dag komen.... kostte eerst meer dan ze verdiende.... bonte japonnen, mutsjes.... pantoffels.... tegen 't winter een regenmantel.... ja, als de moeder niet wou meewerken.... 't was jammer.... 't was toch geen kwaad kind.... 't was erg jammer....

En nog eens, met een schouderbeweging van "niets aan te doen," gingen de beide breede handen aan de rustende polsen op, vielen met een nadrukkelijk, afdoend plofje der vingertoppen op tafel weer neer.... 't was geen sterk kind.... wat bloed-arm.... in een stil dienstje zou ze.... maar als de moeder 'r naar de fabriek wou....

De bolle bruine oogen keken dan recht het kind aan, dat zich niet te bergen wist onder dien blik, zoo vernederd als zij zich voelde.... voor hoe arm moest de juffrouw hun wel aanzien....

"Moeder zoù 't geld voor de japon wel kunnen geven...." stootte ze nog uit.

"Ja, juist...." zei, practisch, de juffrouw.

Even keken de bruine oogen en de kleine grijze in elkaar.

"Wil je moeder nog eens bij me komen?" vroeg de juffrouw.

Heftig knikte het kind van nee.

Toen schoof er voor de starre pupilletjes plotseling een fel-glinsterend waas, en zonder een woord meer of een knik draaide het kind zich om en liep, de kamerdeur openlatend, de gang in.

"Je mag zelf óók nog wel eens terugkomen over een tijdje," riep de juffrouw, die opgestaan was, in de open kamerdeur haar na.

't Kind morrelde even, met trillende handen, aan het voordeur-slot, kreeg het open. En toen liep ze weer op straat.

Ze liep, ze liep, gauw naar huis, als om bescherming en troost te zoeken dáár, vanwaar ze de angst-vervolging ontvlucht was; ze kon niet meer denken, hoe alles eigenlijk was, en 'r heele hoofd was vol heet geschrei.

Diep-neer met 'r gezichtje liep ze, dat de menschen niet zien zouen hoe ze huilde.

Toen ze thuis kwam, wat bedaard, maar met brandende oogen en een zoute keelpijn van 't schreien, vond ze haar bordje met boterhammen op een hoekje der alweer opgeredderde kleptafel, en de vrouwen, bij elkaar, er achter, saam aan een groot werk bezig.

De moeder en Sien hielpen Ant met het afhechten der draadjes aan de gebreide kleeren, waarvan zij een gestampte mudzak vol, als overwerk, mee naar huis had gekregen.

Over hun wijde schooten met goed zaten ze gebogen, terwijl de vingers friemelden, om de korte eindjes wol, onhandelbaar aan de groote stukken, in de stopnaalden te krijgen.

Op tafel lag al een stapel afgewerkte borstrokken en lijfjes. En boven den zak, opstaande tegen den wal van hun knieën, bewogen groot in het kleine bestek de zes bedrijvige handen.

"Eet maar gauw, Merietje," zei Ant, "dan mag je meedoen; d'r zalle nog wel een paar centen op overschieten voor je."

De vrouw was aan 't vertellen geweest, vertelde door:

"Nou, en toen zeit je oom, nee, zeit-ie, dat doen ik niet, en je vader kwaad; die was te fesoendelijk; die had nou graag...."

"Heeremejeetje!" schetterde opeens Sien 'r schelle stem door 't verhaal heen, "kijk die Sprot er uitzien!"

't Kind, aan de andere zijde der tafel, met haar roode oogen en bleek-getrokken, vlekkerig gezichtje, bukte nog dieper boven haar bord, voelde het bloed opjagen onder de blikken der drie vrouwen.

"Háár, waar mot je met dat kind naar toe!" gilde Sien weer, en werktuigelijk tastten Marietje's handen naar het kleine knoetje, waarvan de plukjes sprietsel rondom uitpiekten.... en plotseling voelde ze nu ook aan haar slapen en midden op 't voorhoofd de prikkende trekking der te strak gespannen haartjes, en de weeë pijn, die daarvan klopte hoog in 'r hoofd.

"Kind, wat mòt dat?" had de moeder gevraagd, met haar blik van goedigen spot.

"Ze lijkent wel een stekelverreken," relde Sien.

"Ik wed...." plaagde Ant, die in haar sas was over het buitenkansje van de fabriek, "ik wèd.... dat jij op een dienstje ben uitgeweest!"

"Toe," zei Sien, "ga door! zoo'n klein merakel, wie zou daaran willen?"

En Ant er weer tegen in: "de kleintjes motte d'r ook weze, wat zeg jij, Merietje? En de een krijg veel haar van onze lieve Heer, en de ander weinig.... kom, allé meid, laat Sien praten, help maar gauw mee...."

Doch Ants wijdloopige troosterigheid maakte de maat vol; de dikke tranen sprongen 't kind in de oogen; een laatste, uitgebeten boterham viel terug naast haar bordje; losbarstend in gesnik vluchtte zij het plaatsje op.... En terwijl in een bevenden grijns haar lippen wijd om de klapperende tandjes trokken, vloog links de eene haarspeld tegen de steenen, tikkelde rechts de andere neer. In de zwakke licht-geling door 't keuken-gordijn hing als een dun, asch-bleek, sluik-sliertig vachtje het haar 'r tot even over de schouders. Al snikkend vlocht ze het weer in een staartje, en dan, gedrukt tegen het staketsel aan, huilde ze nog lang, stiller en milder, tot ze zag, hoe in haar tranen de lantarens op den singel achter de "Hanekamp" goudene sterren geleken, die wijd-uit trillende stralen schoten, en ze daar naar ging kijken....

Zoo stond ze in donker te suffen. Ze had hoofdpijn, pijn overal.

Een uurtje later, toen het werk voor de fabriek af was, kwam Ant eens kijken. Die lachte wat met haar, troonde haar mee naar binnen. Sien was uit, hoor!

"Zeg," zei ze tegen het kind, "heb jij gezien, dat Sien een goue kettinkie had?.... Hein was er.... 'n opstand dat die maakte.... hei je niks gehoord? hij zei maar, dat Sien nou tòch 'n goue kettinkie had,.... op de azijnmakerij had ze 't angehad,.... 'n jongen had 't 'm verteld.... en hij wou weten van wie ze 't had..."

"Fff" trok het kind haar adem op tusschen de tanden. Dan volgde ze willig, huiverig van 't huilen en 't lange staan in den frisschen meinacht, waardoor nog 'n vinnig windje sneed.

Maar den Zondag daarop was heel de ruzie tusschen Sien en Hein weer bijgelegd. Hein kwam om vier uur een kommetje koffie drinken, en de moeder gaf--ze had een goede week gehad--er 'n snee zoete koek bij, en Sien was welgemutst, en Hein zei, dat hij voor 'n kettinkie spaarde, en hij liet twee nieuwe guldens zien, die hij in een papiertje in zijn vestjeszak droeg. Driemaal liet hij dien middag de guldens rinken, en ieder was in zijn schik.

Alleen de oogen van het kind hadden een zonderlinge gluring....

En ook nà dien Zondag bleef een ongewone gedachten-broeiing bij haar omgaan.

Als een licht-schuw rotje kon ze tijden in den duisteren hoek bij de bedstee zitten, zóó stil, dat de moeder, die haar uit dacht, schrok, als ze een beweging maakte.

En de zachte avonden, dat ze allen hun stoelen buiten haalden, schoof zij haar lage tabouret zoo ver mogelijk van de anderen af, en haar stijfgenepen lippen waren van 't zelfde flets-bleek als haar wangetjes, waar nog geen sproeten die kleurden. Twee gleufjes diepten er dan tusschen de wenkbrauwen, van 't tobbend gedenk; en den ganschen dag door stonden haar oogjes zoo bloo-verschrikt, hadden plots zoo'n schichtigheid van betrapt-worden, dat Ant, onwillekeurig, op een morgen "kleine Judas" tegen haar zei.

Dat was wat geweest! 't Kind had zóó onbedaarlijk gehuild, dat de moeder, die eerst van de fratsen niets weten wilde, met kopjes water haar zenuwen weer onder bedwang moest krijgen.

Een dag lang had zij toen haar best gedaan, om opgeruimd te wezen en gewoon met de anderen mee. Maar den volgenden morgen, toen ze op boodschappen uit was, had ze weer een naaischoolkind in 'r nieuwe kleeren gezien.

"Heb jij nog geen dienst?" had die gevraagd, "ikke wel.... bij twee dames.... twaalf stuivers in de week, en de halve kost...."

"Hei je 'n mooi keukentje?" vroeg 't kind belust.

"Nou!--en wat 'n groote!" gichelde de ander, "je ken der je net in keeren.... maar 't is een lief keukentje hoor!.... netjes.... kopere knoppe aan 't fornuis, en twee kopere krane.... en een kopere poffertjespan aan de muur.... en een spiegeltje op de schoorsteen....

"Hei je 'n mooi kamertje?" vroeg het kind weer, in nog grooter spanning.

"Nee ommers.... 'k ben er niet voor dag en nacht... maar later wel.... als ik goed beval.... dan krijg ik een kamertje op zolder.... met een groot raam en rooie blommen op 't behang...."

Toen was 't bleeke snoetje van het kind saamgetrokken in een strakke spichtigheid van onverzettelijk besluit.

En heel den weg over naar huis had haar gezichtje dien trek als ingegroefd gehouden.

Dien avond--'t was een druilig-koude avond met telkens buien van motregen--wachtte het kind bij den ingang van een doodloopend paadje naast de Hanekamp, Sien 'r vrijer op.

Tusschen de twee hooge hagen stond ze, opzij in 't gras, waar de kringende wiebel-schijn van de singellantaren niet meer viel. Er kwam daar nooit iemand dan overdag kinderen. Achterin was een altijd op-slot-zittend hekje, dat in den tuin van de Hanekamp uitkwam, en er lag kolengruis en vuilnis.

'r Voeten koud in 't drassig gras, 'r goed klam van den stofregen, 'r hoofdje heet, wachtte ze....

"Hein!" riep ze, "Hein!" toen de jongen eindelijk langs kwam om het Dijkje op te gaan, "Hein!"

De jongen, die zachtjes te fluiten liep langs den eenzamen singel-weg, keek, opgeschrikt, om zich heen, ontwaarde dan, achter den lantarenschijn, het kind, sluik in 'r natte kleeren, tusschen de hagen.

Haar oogen, als twee flakkerende kooltjes, koortsten hem tegemoet.

"....Nou?.... wat wou je......?" vroeg hij, onwillig, met een paar ingehouden stappen het pad opkomend.

"Sien.... ik weet wat van Sien...." stootte schor 't kind uit, en haar oogen waren strak naar 't gezicht van den naderende.

De jongen, ontstellend, keek gespannen terug haar aan, vroeg fél met zijn oogen....

"Sien vrijt met een ander," stootte nog eens 't kind uit.

"Godver...." De jongen beet zijn vloek af; dan streek hij verbijsterd met zijn hand over zijn oogen. Het kind was achteruit geweken, trapte door 't gruis tusschen de schemerige hagen.

Met een bruusken hoofd-gooi kwam de jongen weer tot bezinning: kóm, en Zondag dan!....

"Je liegt," snauwde hij van zich af, en hij maakte 'n beweging, of hij terug wou gaan.

Maar het wonderlijk-helle kijken van het kind trok hem nog verder het wegje in.

"Wat?.... wat dan....?" hakkelde hij, weer van streek geraakt.

"Sien.... het een andere jongen.... al een week... ik weet 't.... verleden Zaterdag.... 'k heb 'n briefie gevonden," stamelde 't kind, en haar genepen hand bibberde tegen haar jurk, waar papier kraakte achter het merinos.

De jongen schoot naar voren: "Hier! geef op...."

Maar het kind, met de uiterste stuwing van haar opgedreven wil, weerstond de uitbarsting.

"'k Mot geld hebben," joeg het uit haar verwrongen mondje.

"Wat? geld?"

"De twee guldens," fluisterde ze, heet-heesch.

"O!" smaalde de jongen, opeens weer bedaard, "o!... is 't dáárom te doen?.... Ozóó....!"

Hij weifelde; zijn rood voorhoofd trok moeilijk van gedachten, die hij ontwarren moest.

"Je liegt," zei hij dan nog eens.

Het kind zag hem omdraaien en met groote zomp-stappen het hagenpad uitgaan.

Even was dat een verademing; duizel-licht van hoofd zuchtte ze diep en in een oogenblikkelijke zenuw-uitviering sperde haar mondje tot een flauwen grijns, die half haar lachen was en half een sidderende snik.

Dan, kijkend weer, zag zij, aan de weghelling onder den lantarenschijn, den jongen den singel opslaan; zijn hand ging in het vestzakje, als voelend naar de gespaarde guldens, die hij daar borg....; dan was hij weg.

Het geld! het geld!.... ze moest hem na.... ze moest hem achterna.... ze moest.... ze moest het geld.... Maar toen ze, met 'n wanhopige krachts-inspanning, haar bevende beenen in draf zette, kwam, 't zelfde oogenblik, de jongen het pad weer op.... Ze schrok achteruit.

"Wàt weet je van Sien?.... toe.... Merietje....," smeekte hij.

"'k Heb 'n briefie," zei het kind weer met stuggen drang.

"Wàt toch voor briefie?"

En toen, heet in één adem, kwam 't verhaal: ze had een briefje gevonden, Zaterdag-avond.... op Sien 'r bed.... zeker uit 'r zak gevallen.... Sien ging met 'n andere jongen vrijen.... Barend heette-d-ie.... meer wist ze er niet van.... als zij de twee gulden kreeg, dan kreeg hij het briefje....

"Als 't waar is, zàl je ze hebben," zei de jongen wild.

"Zal je geen herrie maken, Hein, zal je mij niet noeme.... zal je me niet verraje?" smeekte op haar beurt het kind.

"Geef dan op! hier!" bulderde nu de jongen, en in zijn rooien kop staken als van 'n stier de lichte, naakte oogen. Hij deed een boosaardigen greep naar den arm van het kind.

Opschreiend ineens van angst, week die terug. "'k Heb niks.... 'k heb niks.." griende ze, doodsbang, den brief met het knuistje verfrommelend in haar zak.

"Verdomme!" donderde nog eens de jongen; met een driftigen vinger-graai haalde hij 't pakje uit zijn vestzak, ketste het op 't kolen-pad. 't Papiertje scheurde in den nijdigen worp; even tolden, al kantelend, de geldstukken over den grond; dan, twee blinkende witte schijfjes, lagen ze, onder 't veeg lantaren-licht, stil in 't doorgruisde gras terzijde.

't Kind, door die twee witte vlekjes van heftige begeerte als bezeten, had de oogen er niet af. Werktuigelijk ging haar hand vooruit, het brief-flardje er nog in. Hij greep haar bij den pols in een stalen omklemming. Ze liet het vallen. Maar voor hij 't op kon rapen, had zij al de twee geldstukken van den grond gegrist, en rende, ze klemmend in haar vuist, den weg op naar huis.

"Nou heb ik 't geld!" dacht ze met een woeste vreugde.... "nou ga ik naar de naaister!.... nou heb ik 't geld!" Doch nauwlijks de Hanekamp voorbij, hoorde zij de zware gramme stappen van Hein al klatsen achter zich aan.

Bij hun deur had hij haar ingehaald.

"Niet zegge.... niet zegge, Hein," fluisterde het kind.

De jongen grauwde alleen een onverstaanbaar woord terug, rukte, dol van woede, de kamerdeur open.

"O God!" zei het kind.

Toen, klappertandend, sloop ze de krakende treedjes van de vlieringtrap op....

In het hoekje, achter de kist waar haar rol jurkegoed verstopt lag, bleef ze gehurkt zitten. Ze wist vaag dat er iets vreeselijks gebeuren ging.

Van beneden klonk, na een eerste spoedig gedempte los-tiering, 'n dof gerucht; 't schenen enkel de zware stemmen van moeder en Hein.

't Kind rilde in die stilte, die haar nog onheilspellender leek dan 't aanvankelijk geweld.

Ze luisterde met ingehouden adem; ze kon niets onderscheiden.

Haar rechter, stijfgenepen hand hield ze tegen haar borst gedrukt; in de linker zaten de twee guldens geklemd.

Dan klapte weer de voordeur open.... het stemmengeluid in de keuken sloeg even neer, brak dadelijk er na opnieuw uit in een opgier van geraas.... God! nou was Sien thuis.... Sien schreeuwde.... toen was er een bolderend gestommel.... een woest geschrei.... schreeuwen van moeder, schreeuwen van Ant.... God! hij had 'r geslagen....

Weer een stilte, die het kind in ijskoude gudsing langs den rug schoot.

En plotseling, uit die stilte op, hoorde ze Ant, die zei: "Waar zit die Judas?"

"O God! O Onze-Lieve-Heer! ik ben zoo slecht geweest," bad het kind, radeloos. "O God, help mij toch.... vergeving, God, o lieve Heere Jezus, o God...."

En eenmaal de uitzinnige bidwoorden van haar lippen gehijgd, bleef ze, tegen het weer oploeiend krakeel van beneden in, vol angst en zelf-afschuw de aanroepen uit-stamelen, zonder ophouden.