Sprotje

Part 3

Chapter 34,028 wordsPublic domain

Ze sidderde, kneep 'r handen in elkaar, terwijl ze doorklaagde, wat kalmer weer: "en zoo zwart.... en zoo smerig.... en al de manne, as die er uitkomme... ze zou'e je doodloope.... ik droom er soms van.... altijd vloeke en lol...."

"Hoho maar," zei de jongen, die 'r als een gek had zitten aankijken, "die lol, die kenne ze wel op. Hard werken en 'n beetje verdienste...."

Toen schoot het kind opeens in haar plooi van plezierige oud-vrouwtjes-praat. Ze borg haar spullen in de krant, haar naaigerei in den sitszak, zat kleintjes gedoken, met kouwelijk 'r handen kruiselings onder de oksels, doodmoe van den langen dag, van al de opwinding en al 't verdriet, haar oogjes slaperig flets, en diepe, blauwige kringen ingezakt boven het strakgespannen vel der jukbeenen.

"Een beetje verdienste.... en een groot huishou'e," kwam ze zachtjes bij-femelen, "armoe lij'e.... en dan worden 't sociale...."

"Niet allemaal," zei de jongen.... "ikke niet."

"Jij dan niet... maar later... as ze getrouwd zijn..."

"En dán," zei de jongen, "'n werkman mag toch wel voor z'n rechte opkomme...."

"Nou.... ja...." rekte zeurig-bedenkelijk de kinderstem.

Toen, met blinkende oogen en bebloosde wangen van den frisschen avondwind, kwam Sien binnen-gevallen.

Ze ontstelde wel even, als ze Hein zag zitten, maar dadelijk was ze klaar met 'n brutaal-spottend:

"Nou, as jij liever met me zussie vrijt...."

De jongen stoof op! Zoo'n beest.... nou dorst ze nog zoo te beginnen.... had hij niet 'n uur op 'r loopen wachten?.... een heel uur op en neer geloopen?.... nou hier nog 'n uur zitten wachten....? Gemeen kreng!

Het kind, met wakker-geschrikte oogjes, was achteruit geschuurd, de stoof omver trappend, had 'r pak gegrepen, stond achter de tafel 't aan te zien.... hoe dorst ze, die Sien,.... nou nog terug te schreeuwen.... en die stakkerd van 'n Hein, hij had toch gelijk.... Kijk-tie paars worden in z'n gezicht.... en die astrante meid.... die was nou mooi, die meid!.... oogen waar je bang van werdt, en die ragebol van dat haar, en die tanden met dat tandvleesch allemaal bloot als ze lachte.... nou lachte ze weer.... kijk nou.... ze lacht 'm in z'n gezicht uit.... en tjee, kijk die Hein nou woeiend worden.... als-t-ie maar nie slaan ging, tjééee....!

Dan, klak, klak, vielen de luiken van 't kamerraam dicht,.... daar hadt je moeder!

Sien, Hein 'r achterna, 't kamertje door, liep in 't portaaltje de vrouw tegen 't lijf....

"Heila! waar mot jij na toe?" baasde die ruw; maar Sien, dol, gilde van lol en angst door elkaar, "hij slaat me! help! hij slaat me!" en rende door de open deur het dijkje op.

En Hein, die even had willen gaan sussen: "Hoor nou, vrouw Plas...." razend 'r achterna.... "Sien! toe nou, Sien!" hoorde 't kind hem nog roepen.

"Wel voor den donder," gromde de moeder, die 'r leege mand ijlings neerzette, de volle greep.

"Ben jij daar, Merie?"

"Ja moeder."

Maar ze haastte zich al 't portaal door, de twee achteraan, de deuren openlatend.

Even klonken nog hooge stemmen langs den dijkweg, dan lag het huisje leeg-stil in huivere holheid.

"Hu!" zuchtte 't kind door 'n rillertje heen: "zullie liever dan ik!"

Wat verwezen was ze op den stoel bij de kamerdeur gaan zitten, voelde dan weer, in de nacht-kilte, de rillingen over haar pijnlijke ruggetje loopen; haar oogen staken van den slaap.

Het pak had ze nog op schoot; dat ging ze eerst vóór, op den stoel bij 't bedstee-deurtje leggen. Dan kwam zij de lamp van de keukentafel halen, droeg 'm met twee handen, voorzichtig over den drempel stappend, op de tafel voor 't raam .... hèèè, daar lag die rol gordijnen nou.... die nare Sien ook.... en "ffff" zoog ze de lucht weer door 'r tanden: de voordeur stond open....!

Op 'r teenen sloop ze òm langs den muur, leunde tegen den post van de kamerdeur, en helde met 'r uitgestrekten arm 't portaaltje in.... Net bereikte 'r hand de voordeur.... met twee vingertoppen trok ze 'm moeielijk aan, keek even huiverig naar buiten--'t was koud.... nachtvorsten.... dacht ze--en duwde 'm zachtjes, gauw, in 't slot. Ook de kamerdeur sloot ze goed, ging dan de bedsteedeurtjes openzetten.

Van binnen waren die, als het achterbeschot en de beddeplank, donker gras-groen geverfd. Daartusschen, als in een groen-afgeschut kamertje, den stoel met haar pak tegen het voeteneind-deurtje naast zich, voelde ze zich veilig, ging zich snel uitkleeden.

't Bruine merinos-jakje, met de lichtere lapjes op de ellebogen en onder de oksels, wou nooit dan met omzichtig en stroef trekken uit; dan hing ze 't over de stoel-leuning als over een kapstok; 't rokje was al uitgegleden.... de grijs-en-blauw baaien onderrok zakte na; ze stapte er uit, en stopte ze zorgvuldig om haar kostelijke pak.

De laarzen waren gauw losgeveterd, de roodbruine kousen afgestroopt en omgetrokken.

En nu, vaal-wit schimmetje in 'r groen-schemerigen hoek buiten den lampe-schijn, stond ze op 'r bleeke voetjes voor de bedstee, die kleine Sprot.... 't Staartje, langs den dunnen bruinigen hals, puntte neer over het witte keper, dat 'r smalle lijfje omspande; uit de half-lange mouwen van dat borstrokje pijpten de magere armen; en sluik om 'r heupjes weg, viel plooiend 'r gestreept wit-katoenen onderbroekje tot laag op de dunne kuiten.

Even stond ze zoo, 't kippevel op 'r armen.... Ze schoot haar nachtjakje aan, sloeg het dek open; dan, met een geeuwtje draaide ze zich om naar de kamer toe, tilde zich op den bedstee-rand, en met 't zelfde vieze vissche-snoetje, dat ze elken avond trok als ze in bed kwam, wipte ze om, en schoof zich op haar plekje tegen het keukenbeschot.

Maar slapen kon ze niet.... hè, als ze nou later is 'n groote dienst had, en ze had 'r eigen bed, een open ledikantje met lekker beddegoed, op een lief zolderkamertje,.... en d'r eigen kastje.... als er nou maar gauw een dienstje kwàm, al was 't dan maar voor dagmeisje 't eerste jaar.... En zoo dwaalden al 'r zorgjes 'r door 't hoofd.... de achteveertig stuivers.... wat er Maandag voor werk zou zijn.... of ze nog wat mee zou krijgen van 't ringen naaien van dien middag....

Dan dacht ze er aan, dat 't morgen Zondag was.... het witte kerkje zou wel vol zon staan.... in de zijbanken, waar behalve zij nog maar twee of drie menschen zaten, in haar hoekje dat de stovenzetster 'r altijd gaf, zou ze wegduiken in den koesterenden groen-gouden schemer van het toegehaalde saaien gordijn.... als ze noù nog 's een nieuwe jurk had om aan te trekken.... ze zou maar vroeg gaan.... lang het orgel hooren voor domeni binnen kwam, het orgel, waarin zoo'n heerlijk-zacht fluitje kon kwinkeleeren... en zoo sliep ze in.

Den volgenden Maandag-middag, opgewonden, kwam Ant met nieuws uit 't fabriek.

Ze waren met 'r drieën op 't kleine, bruine klinker-plaatsje, dat aan het weiland grensde; Ant stond in de open keukendeur, de moeder, in den schaduwhoek bij 't pleetje, was aan 't tobben boenen, en warmpjes in de zon, leunde Marietje met de handen op 'r rug tegen het achterhekje, een grijs-geverfd staketseltje, dat even wiebelend meeboog onder haar zwaarte.

"Die meid van de Nijs.... die is nou al wéér gesnapt"--vertelde Ant, "van mòrgen vroeg;.... die zalle we óók niet werom zien.... de patroon, die is op stelen.... nou!.... en zoo astrant.... weer in 'r vuile schort gepakt.... een heele kluit wol.... d'r broertje stond aan de poort te wachten...."

"Tjee, hoe durft ze!" deed Marietje overdreven méé met het verhaal, om het voort te dringen en voorbij de oppering van een mogelijkheid.... maar ze moest slikken onder 't zeggen; haar grijze oogjes sperden bang in 't smalle gezicht.

Toen--daar wás 't--voelde het kind zich koud worden en heet tegelijk; het bloed schoot weg uit haar hoofdje, dat raar en ijl stond op 'r zinderend lijf.... Onder het verder-vertellen van Ant had zij haar moeder zich half zien oprichten van de druipende tobbe, even hoofd-wenken háár kant uit, en dan, vragend met 'r oogen, kijken naar Ant....

"O! O!" kermde het kind inwendig, alsof zij kromp van 'n plots in-vlijmende pijn.

Maar Ant, goddank, knikte van nee.

"Nee," zei ze, "'t is een meid van zestien, en groot voor d'r jaren.... Merietje ken d'r wel drie keer uit!... en werken dat die meid kon!"

Ant praatte nog door, de moeder gaf antwoord en vroeg, maar het kind had zich afgewend, stond stijf-aangedrukt tegen het hekje, 'r handen geklemd om de schilfer-splinterige punten, tuurde duizelig uit in het bezinken van den angst-schok.... wat 'r hart klopte!.... 't bloed voelde ze bonzend jagen langs het hout.... parelige sliertjes versprongen en tril-dreven over de helle lucht....

Dan, langzamerhand, kwam ze tot een leege, gedachtelooze rust, waarin 'n vage naarheid zachtjes verdreinde, bleef ze staan kijken, zonder wil, naar al de bekende dingen van hun achteruit....

In de Hanekamp hoorde ze de ringen van den schommel knarsen; ze boog wat over; rechts, boven de hooge haag, wist ze het zware paalwerk opstaan tusschen de loover-dakjes der prieelen. De touwen zwingden hevig toe en weg, en een hoed tuimelde telkens boven het groen uit.

De timmerwerf naast de uitspanning blaakte in de middagzon, laag met zijn platte, open schuren vol stapeling van blanke planken; er liep niemand....

Maar van-achter die werf, onder de bolle kruinen van een rij kastanjes-in-bloei, kwam de lijnbaan een eindweegs het weiland ingehoekt; daar, onder het lage, lichte gebladerte, door-strepeld van roomgele kaarsjes, zag het kind den touwslager, handfrutselend boven zijn wijde schort vol gevezelte, langzaam stappend de baan afkomen, keeren bij 't zwart-houten huisje aan 't eind, en terug-gaan weer onder het boomen-groen langs de deinende touw-lijnen.

In de verte waren er woninkjes achter zwart-geteerde schuttingen, en een zwart terrein met kolen-loodsen van 't spoor.

Doch recht voor haar uit tot aan den nauw-zichtbaren trein-dijk, en links-af zoo ver het oog maar mat, wemelde, groen en vlijend zilver in zon en zachte wind, de vlakke wijdheid der weiden, waar alleen diep-weg wat flauwe vlekken waren van blank vee.

Het gras stond malsch en hoog, met kleine pluimen in den top. Over een paar weken zouden ze wel gaan maaien, dacht het kind. Dan kregen ze misschien weer zoo'n hooge hooiberg vlak voor hun hekje, als 't laatste jaar. Dat rook nog lekkerder dan een schoone wasch.... ze zouen nou wel gauw maaien gaan....

En met dat plezierige gedachtetje op streek weer, liep ze 't huis in.

De moeder en Ant hadden het stille kind nagekeken, moesten even lachen om dat sluike wegloopen.

"Ze zal nog wel 's loskomme," zei Ant, "ze is bijdehand genog,.... laat ze eerst maar 's op 't fabriek weze...."

Een evene besluiteloosheid kwam over 't gezicht van de vrouw:

"'k Had anders net zoo gedacht, van morrege...." zei ze, "às Merietje nou 'r heele hart op diene heit gezet.... wat zou jij nou zegge....?"

"Malligheid," zei Ant, beslist, "je mot er geen bang-schieter van maken.... wat hei je nou voor leve as je dien.... altijd alleen.... ze telle je de aardappels in je mond.... En je mot ommers zoo'n kind niet toegeven, om 'r bestwil."

"Nee," zei de moeder, "dat mòt je ook niet."

Hoog en breed stonden de twee vrouwen in de schaduw-en-zon van het plaatsje. Beiden hadden hetzelfde soort grof-pluizig, zwart krulhaar boven een hoog voorhoofd, dezelfde beenig-breede, koonen-gezichten, de moeder wat geliger alleen, en dezelfde mager-forsche vormen van lijf.

Met leege staar-oogen bleven ze vaag over de verre weilanden kijken, zoo, zonder dat zij 't zelf wisten, doende uitrusten even hun lichamen van den langen morgen hard werk.

Dan, bijna tegelijk, met een diepen, zuchtenden ademhaal en een stijf-rukkende lende-rekking, zetten zij zich weer in postuur, als paarden, die aan-trekken in 't gareel. Even verstreek door de oogen der vrouw een vleug van vreemde verdrietelijkheid. En dan, achter elkander aan, gingen zij het keukentje binnen.

Het kind naaide dien dag haar schort af, omdat er geen ander werk voor haar was.

Den volgenden morgen mocht ze wiegelakentjes letteren voor de vrouw uit de Hanekamp, die op bevallen stond, en verdiende een kwartje.

's Middags deed ze een boodschap voor de buurmenschen en kreeg drie centen. De drie centen waren voor haar, maar 't kwartje moest ze afgeven.

Den dag daarop bracht haar moeder uit een werkhuis een pak kapotte kousen mee. In één avond stopte ze alle gaten en gaatjes dicht, ging 's and'rendaags ze terugbrengen, kreeg dertig centen; ze mocht er niets van houden.

Ze had daar wel hartzeer van, maar 't was ook billijk vond ze, en ze zei geen woord van beklag.

Toen kwam er weer een dag, dat er géén werk voor haar was, dat ze maar stil in veilige hoekjes, op 't plaatsje, op de vliering, aan 'r schorten zat te pikken, telkens haar rol goed ergens anders verstekend. Ze sleepte er mee, zei Ant, als een kat met 'r jong.

Maar ook Vrijdags was er weer geen uitkijk op een verdienstetje....

"Je mot vragen, wanneer dàt wurm eris zal verdienen als de anderen," praatte ineens, ongewoon bits, de vrouw hardop, terwijl zij in 't keukentje de vaten van den vorigen dag stond te wasschen, en 't kind, muis-stil achter in den stoel aan het voorkamerraam, haar vragen voor de catechisatie leerde.

"Zou je niet eens opkomme.... zou je je moeder niet eris helpe," begon de vrouw weer, ongeduldig, met een boozen blik schuin het kamertje in.... Er was die week acht stuivers op de huur tekort, omdat ze een werkhuis had gemist; ze tobde daar in haar eentje over....; en nou zat dat kind maar thuis, en had nog wat te commandeeren van dit niet willen en dàt motten; dat zat maar te dreinen over een dienstje, al zei ze niks, en over een lichte jurk.... kè-je begrijpe, as-t-er niet eens genog voor de huur was!

"Zeg! hóór je me niet?" snauwde ze nu ruw.

't Kind kwam onwillig overeind; 'n mokkend-koppige uitdrukking was er op haar bleeke gezichtje. Zij gleed het vragenboekje in 'r jurkzak en met een vinnige genepenheid in 'r flets-grijze oogjes, ging ze naar achter.

Verdienen.... verdienen.... had ze niet, op die drie centen na, alles afgegeven wat ze die week verdiend had, heel de elf stuivers?.. had ze niet gewerkt wat ze kon?.... en zij was er zelf toch ook nog.... aan háár dacht niemand.... moest die japon van háár niet gemaakt worden?

Een vijandige geslotenheid trok haar heele gezichtje strak; zonder één woord tegen elkaar, redderden de vrouw en het kind den keukenrommel aan kant.

Toen het klaar was, ging ze weer vóór haar vragen leeren.

Zachtjes-raffelend fluister-las ze aldoor hetzelfde, aldoor hetzelfde; maar eerst drongen tusschen en dwars-over die toonlooze woord-reeksjes nog telkens haar verbitterde gedachten van daareven, herhaalde ze zonder den zin te vatten; langzaam dan begon 't geen aan dat klein, blank-bladig boekje verbonden was, het dénkbeeld van: de catechisatie, het witte boogramen-zaaltje naast de kerk, de damping en de vale reuk van domeni's pijp, de goedige stem van domeni, het te winnen,--en ze leerde nu ijverig, keek even omhoog met half-dichte oogjes, dreunde op uit het hoofd: "Gij zult niet stelen, wat is dat, wij moeten God vreezen en liefhebben, dat wij onzen naaste zijn geld niet...." tot ze steken bleef, even neer-oogde: "o-ja, dat wij onzen naaste zijn geld of goed.... niet nemen, noch het door valsche waar....," turend onder het door-ruddelen, zonder zien, naar den bovenpost van de deur.

En als eindelijk, met 't dun, grijs boekje dicht op tafel, zoo stoorloos-vlot 'lijk een vlietend watertje, de rijtjes catechismus-woorden door haar geheugen liepen, zij zonder één hapering kon afprevelen: "Het zevende gebod, gij zult niet stelen, wat is dat, wij moeten God vreezen en liefhebben, dat wij onzen naasten zijn geld of goed niet nemen, noch het door valsche waar of handelingen aan ons brengen, maar hem zijn goed en nering helpen verbeteren en bewaren; het achtste gebod, gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste, wat is dat,".... als zij ten slotte het "of goed" niet meer vergat en elken keer dacht om de "handelingen," dan was alle spanning weggetrokken van haar hersens.

Montertjes ging zij in den namiddag naar haar catechisatie; nog monterder kwam ze er weer uit. Ze ging graag naar catechisatie, luisterde graag naar de vertellingen van domeni, veel mooier als-'t-ie 't in de kerk dee, en als ze dan haar beurten goed wist en domeni, onder een haal aan zijn pijp, knikte goedkeurend....

Nu óók had ze haar vraag pront gekend, en 'r gezichtje stond stil-open opgeruimd, toen, in den vooravond door de leege kleine-stads-straten naar huis gaand, zij àl maar de woordrijtjes nog in haar hoofdje voelde na-vlotten, "het zevende gebod, gij zult niet stelen, wat is dat".... maar zij had nu geen zin in haar geboden, en als van zelf, in de guldene klaarheid om haar heen, gingen 'r gedachtetjes zich rijen in het rhythme van 'r versje van deze week:

Daar is uit 's werelds duistere wolken Een Licht der lichten opgegaan. Komt tót zijn schijnsel àlle volken! En gij, mijn ziele, bíd het aan! Het komt de schaduwen beschijnen De zwarte schaduw ván den dood, De nacht der zónde zal verdwijnen Genàde spreidt haar mòrgenrood.

Ze vond 't een erg mooi versje, vroeger had ze 't in de kerk ook wel eens gezongen, en 'r moeder had 't ook écht mooi gevonden, toen ze 't Zondagavond zat te leeren. 'r Versje, dat leerde ze altijd dadelijk,--'t was veel gemakkelijker te onthouden, en ze vond 't ook te prettig, om er tot 't lest van de week mee te wachten. Ze kon er nu al zooveel, ook van vroeger van zondagschool! Dat van verleden week

Hoog omhoog, het hart naar boven,

dat was ook erg mooi; hartverheffend was 't, had domeni gezegd; en dat van onderlaatst

Zoo blij de landman móe van 't ploegen,

maar dat begreep ze eigenlijk niet goed.

Zoo, door de lange, verlaten buiten-straat, waarin alleen haar zachte pasjes even verklonken,--in de avond-kalme atmosfeer vol voorjaars-zoelte en verschen groen-geur uit de tuintjes vóór en tusschen de lage huizen, liep het kind genoegelijk haar versjes op te zeggen, stil in-zich-zelf, met nauw-bewegende lippen, òm 't andere regeltje, mee met haar ademing, inhalend met hijg-geluid.

Zoetjes-aan kuierde ze voort; 't was lekker buiten, ze had geen haast om naar huis te keeren....

Toen, voor 'r schrik-verbaasde oogen, liepen plotseling, een huis of tien voor haar uit in de stille straat, twee meiden in lichte japonnen, uit een zij-steeg gekomen.... Oooo! kreunde 't kind.... 't waren naaischool-meiden; ze hadden 'r uitzetkleeren aan; die gingen naar de naai-juffrouw; die gingen om een dienstje.... Ze kende ze goed; 't was de meid van de Weert en de meid van Karseboom.... 't waren de robbedoezigste en slonzigste meiden van heel de naaischool geweest.... en kijk ze nou groot lijken in die lange jurken....

"Hèèè, kijk nou toch...." zei het kind zacht-hardop. Ze had zoo'n verdriet! "Kijk ze nou loopen," dacht ze dan weer.

Midden op de straat, even van elkaar af, om elkanders gloednieuwe jurken niet te kreuken, gingen de meiden met gauwe, stramme passen, recht-op, en keken recht voor zich uit, de hoofden stijf en schuin geheven. Met de volle hand, maar nauw het goed aanrakend toch, hielden ze beide gelijkelijk, als samen vooraf geleerd, de jurken een ietsje van den grond. Ze hadden tulen mutsjes op, en 'r haarvlechtjes zaten nu in keurige, vaste knoetjes tusschen het japon-kraagje en den mutsrand gedraaid; 't leken gróóte meiden.... volwàssen meiden....

"Och-och, hoe mooi," zei het kind nog eens. Het schreien kropte haar heet in de keel. Zij zag zichzelf loopen in haar korte, gelapte merinos-jurk, onder haar flaphoedje met verkleurd lint, en haar staartje op den rug. Ze vond zich 't armoedigste meisje van de heele stad....

Een van de twee meiden zag even om, keek dan weer met 'r trotschig, stijf-schuin geheven hoofd recht-uit.

Haar gang inhoudend kwam het kind met een groot, mokkend verdriet achter de twee aan.

Niets was er voor haar in de straat dan die twee benijde lichtheden.

En toen de meiden al de zij-steeg naar het Turfgrachtje waren ingeslagen, bleef het kind, langzamer loopend, zonder weten, met hopeloos-begeerige oogen staren, of nog altijd dat klare water-blauw en dat glanzende wit voor haar uit deinde.

Maar de zij-steeg langs komend, keek zij er niet meer binnen......

Thuis zaten ze al om de tafel; ze zei niemand goeden dag, ging met een strak-bleek gezichtje aanzitten, om haar avondbrood te eten. De zusters letten er niet op; vrouw Plas zei: "Kè je niet genavond zeggen? mot je niet bidden? leer je dat op catechisatie?" maar ze lei 'r toch, een oogenblik later, nog een boterham op 'r bord, omdat 't wicht zoo pips zag.

's Avonds, in den flauwen lantaren-schijn op de vliering, lag 't kind op de knieën bij haar lap goed, die ze uitlei en vouwde en mat.... maar ze zag wel, dat het niet gaan zou, en toen begon er een ander plan te broeien in haar hoofd.

Daar liep ze dan vele dagen mee rond, vele dagen van moeizaam overleg in haar moeë, pijn-zware hersens.

Ze zou naar de naai-juffrouw gaan, zóó als ze was, ze zou zeggen, dat 'r schorten al klaar waren, en dat 'r japon ook wel gauw gemaakt zou worden.... òf de juffrouw nou niet een dienstje open had.... als moeder maar wist dat ze een dienstje kòn krijgen, ziet u, dat dàn de kleeren wel gemaakt zouen worden.... als ze had kunnen knippen, nou dat wist de juffrouw wel, dan zou de japon al wel een week af wezen, de schorten had ze ook zelf gemaakt, de juffrouw moest maar 's zien of 't netjes was.... Dat zou ze zeggen; ze zou de schorten in een rolletje meenemen.... ze zou goed haar woord doen....

Maar als ze dan, een oogenblik, volkomen zich wegdacht midden in de gebeurtenis: hoe ze zou aanbellen, binnen gaan, in de kamer komen bij de juffrouw, hoe die met het strenge gezicht, dat ze zoo goed kende, zou vragen: zoo Marie Plas, en wat kom jij doen?--dan voelde ze weer, dat ze toch nooit zou durven....

Tot, op een middag, feller dan ooit, de gedachte in haar neersloeg, dat straks, of morgen, of overmorgen, Sien of Ant moest thuis komen met de boodschap, dat er een plaats was op 'r fabriek, dat er een plaats was op de fabriek van 'n vrindin.... dat ze dan mee zou moèten,.... dat ze dan onherroepelijk naar de fabriek ging....

En dien middag liet de angst haar niet meer los.

'r Moeder was uit werken en ze was alleen thuis.

Bij het keuken-aanrecht, te zenuwachtig om voort te komen, ging ze haar toebereidselen maken tot den grooten tocht.

Ze begon met zich te wasschen, haar jurklijfje uit; ze poetste haar gezichtje en haar hals, poetste en wreef, eerst met groene zeep, dan nà met de rauw-natte handdoekpunt, boende moeilijk zich droog met den dunnen lap, tot het vel heet-roodig beet over de koonen, en er onder haar gloeiende oortjes, waarin van binnen de kneukeltjes jeukten, fijne pijn-striemen brandden in haar schrielen hals.

Dan ving het haar-opmaken aan, de toch al erge levensverandering van 't "opgestoken" haar, waarmee ze voor 't eerst zou worden gezien, gek-anders en oud, voor 't eerst op straat zou loopen, raar-trotsch en akelig-naakt tegelijk; nu, door de àl-beslissende rol, die 't zou hebben te vervullen, een angst-droom, waarin ze met krampachtige inspanning iets moèst bereiken. En 't was zoo moèilijk! 'r Bevende vingers togen wriemelend aan 't werk. Ze had 't al zoo vaak, heimelijk, geprobeerd, sinds ze dien avond de twee naaischool-meiden voor zich uit zag loopen. Maar meestal ging 't niet!

De drie stugge achterhoofd-strengetjes van 'r vlecht, die kon ze maar niet gelijkelijk, met de kam-halen mee, omhoog krijgen; en àls zij al 't achterhaar gladjes in haar linkerhand tot aan de kruin had opgegrepen, dan zakten de voor-haren aan de slapen weer als piekerige slierten uit 't vastgehouden bosseltje los; hàd ze dan eindelijk al 't haar stijf beet, dat rond voorhoofd en nek 't alles in roodige pukkeltjes weggetrokken zat, dan wisten 'r ongewende vingers nog maar amper om het dunne haar-bundeltje het bandje te strikken.

Telkens en telkens moest ze het overdoen.