Part 2
Ze was zelf ook zoo gekleed, nog wel in een uitgestukte aflegger van Sien, maar of ze alles, tot in de kleinste bizonderheden toe, van die zoo hevig begeerde meiden-kleeding af wist! In een oogwenk onderscheidde ze, als zoo'n meid, kieskeurig, met 'r boodschappenmandje onder den arm, haar voorbij ging, of 'r muts een enkelen of een dubbelen gepijpten rand had, en, naardat de tule haar fijner of ordinairder leek, raadde ze binnen die schulp-krans een effen bodempje of eentje van gebloemd batist.... Wat zij zou willen, dat had ze al lang uitgemaakt: niet zoo'n groote, die stond ouwelijk, en ook niet zoo'n hooge prop, net of-i zoo op je haar gewaaid is, nee, er waren er die prachtig als een kroon, los en recht op 't hoofd pasten, met een zwarte hoedespeld door den haarknoet gestoken:... zóó een; maar dan nog mèt de mutsebanden!.... dat blank-gestevene, fijne wit vlak onder 'r gezicht, dat ze zelf zou kunnen zien, als ze naar omlaag keek, en voelen aan 'r kaken... ze zou er wel iederen dag schoone moeten aanspelden, om altijd ordentelijk te zijn.
Lang kon ze voor de winkel-ruiten staan kijken naar al de patroontjes voor de katoenen japonnen; je hadt blauw-en-witte en zwart-en-witte ruitjes; streepjesgoed met witte of blauwe erwtjes, met slangetjes, ankertjes, of klaverblaadjes van vieren; ook gespikkeld donker marine, dat niet zoo gauw vuil wordt, en voor 's-avonds, als 't grof werk aan kant is, het effen licht-blauw en licht-grijs....
En dan de schorten! Ze wist er wel fijne, met kantjes onderaan, met tusschenzetseltjes boven den zoom, met festons rondom. Die met een hartje, dat op de borst wordt gespeld, waren maar flutterig; als je wat degelijks wou hebben, dan nam je een galgeschort, met van die banden, die kruiselings over den rug gingen.... had zij maar vast een paar gewone, dacht ze dan, met een opnaaiseltje of twee!
Honderdveertig.... Honderdeeneveertig.... Het schoteltje op haar schoot liet, door de schaarschere gulden kringetjes heen, al het rood-en-groen haantje kleuren, dat in den bodem stond.
Als zij eindelijk opkeek, was langzaam-aan de zon gezakt tot laag boven de verre badhuis-boomen. Het roode daakje en de witte muur-stukjes, die met het lente-ijle olmen-rijtje zacht-ver over het groen-duistere dijkje te kijk lagen, waren als met teeren schemer beslagen onder de blakende goud-bank, waardoor nog de zon zijn felle straal-kern boorde.
Door het kamertje viel, schuin aan den achterwand, langs de gele bedstee-deuren, en met een hoekje over de roode tichels van den keukenvloer, een breede baan rood-goudige gloed, waarin lang en dwars gerekt het kleine ruitwerk van het raam schaduwde en fijn-zwart de bloem-figuren van het gordijn.
Het kind, onderuit gegleden in haar wijden stoel, had de zware rol linnen nu voor zich op tafel liggen, en bewreef haar vingers, dunne vingertjes met kortgeknipte nagels aan de vierkante toppen, die pijn-prikten van 't pikken door de harde stof.
Haar stille muizen-oogen, grooter en donkerder nu in 't warm-bezonkene avond-licht, volgden spiedend haar moeders doening, hoe die de laatste ijzerhalen over het laatst te vouwen boezeroen streek, luchtigjes het linnen in stapeltjes deelde en handig in de manden schikte; dan ging ze haar plank en haar bouten bergen, en rinkelde in de keuken met kommetjes en een waterketel.
Het kind, met een schrijn-schurend geluid over de hard-gladde zitting, schoof nog verder onderuit in den stoel, trok de tafel naar zich toe, over haar knieën heen; met haar spitse ellebogen op de twee paardenharen armkussentjes, en haar inééngevingerde handen over de ingedrukte borst gespannen, lag zij dan lekkertjes-lui rechtuit-gestrekt.
Nu ging 't weer eens goed worden.... nu was 'r moeder aan 't koffiezetten, kregen ze een kopje vooraf, voor de zusters kwamen.... Zij hoorde het knisterend brijzelen der boontjes in den molen, het bruisend watergutsen in de tinnen kan.
Met halfdichte oogjes snoof zij den geur op, die hartig doordrong, en bleef vaag kijken naar de donkere gedaante van haar moeder, die nog kwam en ging door 't roodige licht, dat in de open keukendeur stond.
Vrouw Plas bracht één kommetje voor, dan nog een.... met de dampende kommetjes in de hand zaten zij nu samen, de vrouw vlakbij geschoven, haar voeten op de breede richel van 't potkacheltje,--het kind, weer overeind-gewerkt, vóór in den stoel, met een klein-ronden rug, waarover 'r haarstaartje, een rossig hagedisje, nog juist wat goud ving.
Zij spraken zacht, met droomerige stemmen en met lange poozen van eensgezinde stilte. De vrouw dacht aan 't afgedane werk, aan 't rondbrengen, dien avond, van de waschjes; het kind, diep in haar hoofd, zag aldoor de kleur en de teekening van het jurkegoed, dat zij dien middag gekregen had, dat water-heldere blauw met de takjes van drie fijne witte blaadjes daarover gespreid....
"Je zal wel moe zijn," zei het kind, "twee zulke manden vol...."
"Och.... zóó...." zei de vrouw.
Dan zwegen zij weer, lipten voorzichtig aan 't heete vocht, zaten peinzend te kijken in den opkrinkenden damp.
"Als 't alle dagen nog Zaterdag was," herbegon mijmerend de vrouw.... "je kon alle dagen je waschjes brengen, je geldje halen...."
"Waschjes op je eige is niet veel meer tegenwoordig," zei ouwelijk-wijs en bedenkelijk-knikkend het kind.
En later de vrouw weer: "Je mot dichter bij de rijke buurte wone.... bekender wone.... 't Dijkje, dat willen ze niet.... En de inrichtingen...."
"De inrichtingen, die doen véél scha," peinsde het kind. Ze vond 't heerlijk, zoo stil met haar moeder te praten, als twee groote menschen, en wat warms drinken, in den schemer, en 't huisje in rust; wàt ze praatten, dat gaf niet, als ze maar zoetjes zoo wat zeiden, om beurten....
"De Antwerpsche wasscherij.... en de Hoop.... en de Nieuwe strijkinrichting...." vaagde, met lange rusten, de stem van de vrouw weer door 't lage kamertje, waar het scheidende zonne-rood in een laatste verdwaalde veeg nog de bruine zoldering bestreek....
"En de wasscherij op de Steengracht...." ging zachtjes de kinderstem.
De vrouw zat flauwtjes, langzaam-nadenkend te knikken, boven haar leege kommetje, stond op en goot beiden nog een warm scheutje bij.
Dan dronken ze weer en zwegen een langen tijd.
Ze zaten hoe langer hoe meer weggewischt voor elkaar in den winnenden schemer; het kind zag nog klaar haar moeders gezicht, en de moeder de kleine handen, die het kind nu in elkaar hield op den tafelrand.
Het licht aan den zolderhoek was weggeslonken, en het kamertje waasde in één grijzige bruinheid van avondduister.
Maar buiten, over het open dijkje en de donkere badhuisboomen, waartusschen zooeven de dof-roode vuur-drop in lood-grijs versmolten was, stond nog de wijde hemel van wonder schemer-rood gepluimte volgewaaid.
"Wát 'n lánge dagen al," zuchtte tevreden de moeder.
"En 't spaart je nog al geen olie uit...." femelde zoetjes de stem van 't kind terug.
Toen, óver half acht,--'t was Zaterdag--kwamen, vlak na elkaar, de twee zusters thuis van 'r fabrieken; eerst Sien, die in de plooien van 'r kleeren altijd de scherp goor-zure lucht meebracht van 'r azijn-makerij, dan Ant, uit 't tricot-fabriek.
Dat was opeens een herrie en volte in 't stille huisje, een lawaaiig loopen, waterkletsen aan de pomp op 't plaatsje, roepen om koffie, om boterhammen.
En de moeder dadelijk in de weer.
In de keuken geelden de muren aan, doofden weer even, stonden dan kalm-belicht. En het kind, uit het voorkamertje komend, keek met een schichtig-knipperende gluring der weer verfletste oogjes in de scherpe lampe-vlam, waar het kapje nog niet over was gezet.
"Dáár hei je Sprot!" lachte plagerig Sien, die 't kleintje niet erg lijden mocht.
Zij zei niets terug, wachtte nog even bij de deur, tot de moeder geen licht meer noodig had in de kast, en ze alle drie goed en wel zàten aan de nu rustig-overschenen kleptafel. Dan sleepte ze haar stoel aan, en hield zich stil, klein en minnetjes tusschen de gezonde posturen van 'r twee zusters,--Ant, breedgebouwd, mager en donker als haar moeder, Sien, blonder, blanker, wat smaller maar molliger ook, en met sterke staal-blauwe oogen onder de zwarte wenkbrauw-streepjes.
Het kind, zonder een woord, zat haar avondbrood te eten, dat zij met zorgvuldig overleg in reepen en blokjes sneed, en in haar aangelengde koffie doopte. Zij scheen daar wel al haar gedachten bij te hebben, niets te hooren van wat Ant en Sien zaten op te praten tegen elkaar en tegen de moeder over een ruzie, waar ze bij waren geweest, tusschen Sien d'r vrijer en z'n famielje.
"En als je dan eindelijk dacht, dat 't gedaan was," vertelde Ant, "dan zeit dat ouwe wijf: "vos, je zel mij nie vange," en dan begon 't spektakel weer van voren af aan."
"Hein ken d'r genéén van z'n eige femilie an," mokte Sien, met 'n teleurgesteld-minachtend lippen-pufje achterna.
Dan aten ze zwijgend een oogenblik.
Toen, opeens, zei het kind, raar van boven haar bord oploenzend naar den vensterhoek, zonder iemand aan te zien, en pratend met een fijn, vies mondje:
"Hein.... die ziet 'r net uit, oftie altijd 'n poepje mot late."
"Vèrrek! hoor háár nou!.... hóór d'r nou...." schaterde Ant, die stampvoette van 't lachen. Ook de moeder lachte met haar goedigen spotlach van: hei je nou ooit!
Maar Sien, felrood op eens, beet van zich af met een venijnig gescholden "Sprot! Zòt!"
"Nou......" zei de moeder, "ze dòet je toch niks?"
't Kind, haar hoofd weer laag over haar bord, zat moeilijk haar lach-sperrinkjes te verbijten; alleen het zenuwachtig saamtrekken van 'r schriele schouwertjes verried haar plezier; en zoo duurde haar stiekeme lolletje tot, na 't eten, ze Sien het voorkamertje zag ingaan en op 't lâ-kastje kijken. Plotseling vloog ze, angst-gestoken, overeind; om klaterde de stoel.
"Kleerkoop!.... kleerkoop!" zong tergend Siens schelle stem, en ze hield hoog boven haar hoofd het pak, terwijl de holle schuit van het afgescheurde papier naar omlaag zeilde.
"Wat?.... wat?" vroeg de moeder....
Het kind, met doodsbleeke wangen en een trillend-verkrompen mondje, kreet, schor van drift, of de klanken haar niet uit de keel wilden.
"Van mij! Van mij!" krijschte ze.
"Toe! laat maar...." goelijkte Ant, die 't van andere meiden d'r zusjes gehoord had, "'t is van de bedeeling op de naaischool...."
Maar dan de moeder aan 't lamenteeren: en God nog en toe, en had ze nou niet een uur wel zitten praten met 'r, en koffie met 'r zitten drinken.... en zou zoo'n naarheid nou ook eens een bek opendoen, eris wat vertellen.... 't eris laten kijken aan d'r moeder? Geen kik had ze gegeven, niet eens gezeid, dat 't de laatste keer was van 't naaien! was 't nou niet God geklaagd....
"As gluiperdje dood is...." sarde Sien, 't kind voorbij de keuken inschietend, en Ant, die nu ook boos op 'r werd, zei schamper, terwijl ze, omkijkend, achter tegen haar elleboog tikte: "Nou! jij heb ze hier, hoor!"
De drie vrouwen, bijeengedrongen, neusden om het goed, dat Sien nog hoog hield voor de grijpvingers van het kleintje, bewreven en bestreken de afgerolde einden, gristen de lappen door elkaar; zwaar vulden de drie groot-breede lichamen het midden van de keuken.... en klein, in hun schaduw, een paar stappen af, stond het kind 't aan te zien, zonder een woord meer of een beweging. Maar 'r oogjes staken kwaad, valsch de schrille pupillen, en haar bleeke mondje was in verbetenheid tezaam geperst...... Zouden ze haar helpen met 'n dienstje? zouden ze haar geld geven voor de naaister?.... dan ging hun dat goed toch ook niet aan?.... 't was haar goed.... van haar alleen.... ze hóefde 't toch niet te laten kijken, als ze niet wou....?
Toen, met een plotseling genoeg hebben van de pret, plof, liet Sien 't heele pak vallen, en liep dan zingende 't schemer-donkere voorkamertje door en de deur uit.
Het kind, zenuw-haastig, scharrelde het los-gevouwene in haar armen bij elkaar, sloeg, terwijl zij de keuken uitvloog, beschermend haar jurk-rokje er rondheen, en door de deur, die Sien opengegooid gelaten had, strompelde ze de smalle treedjes op van de vliering-trap, die, als een ladder met breede sporten dadelijk om den hoek der kamerdeur in het portaaltje steil omhoog stond.
Boven bleef ze eerst versuft in het duffe donker, waar alleen 'n plekje sidderend licht, van de eenige lantaren buiten, bij het dakraampje aan de balken weifelde.
De tranen sprongen haar fel in de oogen. "'t Is gemeen, 't is gemeen," grijnde ze en schopte tegen de vale bult van Sien 'r afgehaalde bed.
Zoo stond ze nog een oogenblik, trillend-gespannen van machtelooze woede, snikkend, 'r twee handen verstijfd aan 'r rokje met 't builende pak.
Plots dan voelde ze wàt ze daar droeg,.... óch-Gód dat goed, dat op die smerige grond was gevallen, dat ze hadden geknoeid en beduimeld.... en met al haar gedachten dáár ineens bij, liep ze op 't raampje toe, kroop op de kist die daarvóór onder de donkere dak-schuining school, en op 'r knieën bij het drein-wiebelend licht, dat achter de twee smalle, grijs-bedropen ruitjes waasde, bekeek ze de lappen-hoop, streek een voor een de stukken uit, veegde ze glad, en paste en plooide, tot haar mooie goedje weer kreukeloos in de vouwen zat, zooals ze 't had gekregen.... Gelukkig, er was niets aan bedorven!
Dan lei ze het voorzichtig naast zich op de kist, liet zich omdraaiend neer-glijen, en bleef zoo zitten, langzamerhand tot 'r zelve komend, zonder veel gedachten meer.
Toen sinds een tijd al het kind beneden zich het huisje gehoord had als een putje van stilte tusschen de kleine, bekende geluiden der buurt, nam ze haar goed op, en, 't voor zich uit houdend, tastte ze de vliering-trap weer af, luisterend toch telkens nog, of wel werkelijk iedereen uit was.
In de keuken brandde als een gloeiend spijkertje de lamp, die ze gauw ging opdraaien. Ze had nu geen trek in vóór zitten, want de luiken waren opengebleven, en naar buiten gaan om ze dicht te doen, dat dorst ze eigenlijk niet goed.
Met knussigheidjes van bedisselen liet zij dan het keukengordijn zakken, zette een schoon blad van de kleptafel op, lei daar nog de Advertentie-bode over, haalde zich de minst doorgezeten stoel en de hoogste stoof, ging even haar naaizak uit 't kamertje krijgen; dan, de lamp vlak achter zich, zat zij opzij van de tafel, haar knieën opgetrokken, haar hoofd wat kouwelijk diep in de schouders, haar halve haartje en haar eene sproetenwang goudig in den lichtschijn.
Nu, eindelijk, op haar verdrag, kon ze dan genieten van haar schatten....
Ze hield 't blank-blauwe katoen, een slag of wat uitgerold, onder haar kinnetje, langs haar borst, streek 't omzichtigjes glad, keek, schuin van boven af, er langs neer.... 't was héél mooi....; dan liet ze het lager, opzij langs haar been afvallen, keek weer, haar bovenlijf scheef achteruit.... keek lang, lachte er tegen; nuffige neepjes van plooivalling gaf ze, poefte de stof op, aaide ze weer effen langs 'r smalle heup.... 't was héél mooi....!
Dan, tusschen haar twee duimen en wijsvingers, vlak met 'r neus erop, wreef ze 'n hoekje van 't katoen, hield het gewrevene onder de lamp: "niks geen pap.... dóórgedrukt.... deugdelijk goed.... wel acht stuivers de el," dacht ze.
Nu kreeg haar witte schortegoed een beurt, en dan het bonte.... "bijna niks geen pap," zei ze nog eens.
Ze liet alles breed-uit voor zich op de schoone krant liggen; ze had alle tijd: 'r moeder was met de grootste van de twee waschmanden uit; 'r zusters kwamen 's Zaterdagsavonds nooit voor tienen thuis.
Ze zat in een genoegelijke verademing van zekere rust.
Het licht, onder de deukige, zwart-gelakte kap uit, lag, om de kern-schaduw der platte porceleinen peer, in een bochtige schijf over tafel en half over haar heen; achter haar stond het in grillige vakking over den tichelvloer en een eindweegs tegen den muur op.
't Was heel stil in 't keukentje; de buurmenschen van weerszij leken wel allemaal op Zaterdagavond-boodschappen uit; alleen klonk bij poozen, dof lang, als een gedempte donder, 't balrollen in de kegelbaan van de Hanekamp, de groote uitspanning, die om den hoek van 't Dijkje lag.
En friemel-plooiend de stof tusschen haar dunne vingertjes, begon juist het kind een zoom te leggen aan haar eerste blauwe schort, als er plotseling een driftig klink-rammelen ging aan de voordeur, en met een paar nijdig-wijde stappen Siens vrijer op den keuken-drempel stond.
"Is Sien uit?" vroeg hij barsch.
't Was een korte, zware jongen, met een rood, stevig gezicht, en met bolle blauwe oogen zonder veel wimper.
Het kind was wel even geschrokken, maar gek, voor die Hein was ze nooit bang; "tjee," lachte ze in 'r zelf, "kijkt-ie weer drukke."
"Is Sien er of niet?" herhaalde de jongen, kwaadaardiger nog dan de eerste maal.
"Nee, ze is uit," zei het kind eindelijk....
"Ze is al wel een uur uit," zei ze nog achterna, toen haar lachertje bezonk; en de jongen, die al weg was, trok met een vloek de voordeur dreunend achter zich dicht.
"Tjee, die Sien!" dacht het kind, "nou zal ze ruzie krijgen!" en door 'r kleine, groenig beslagen tandjes, gedrukt in de onderlip, haalde ze "ffff" de lucht op, terwijl ze, schoudertjes omhoog, even met bedenkelijke oogen groot-strak onderuit keek.... "Nou efijn" zei ze dan, en de nijvere handjes priegelden alweer aan het schortegoed, plooiend den zoom precies op het ruitje af, met 'r eene hand de vouwtjes opeen-voegend tusschen het telkens zich openende kneepje van de andere wijsvinger en duim.
Vijf minuten later was de jongen al weer terug, kwam nu bedaarder de keuken binnen, tot bij de tafel, die warm het lamplicht in zijn gezicht opscheen.
"Zeg nou 's, Merie, waar is Sien heen?" vroeg hij, probeerend zijn stem vriendelijk te maken.
Maar 't kind, niet denkend dat hij 't weer zijn kon, was bij 't klikken van de klink erger geschrokken dan de eerste maal, had instinctmatig het goed bijeen gepakt, de krant er over geslagen.
Schichtig trok ze de schouders op.
"Toe, je weet 't wel," zei de jongen, "wanneer is ze dan uitgegaan?"
Het kind maakte eerst nog een schutterig beweginkje van niet-weten, zei dan plots:
"Ze hadden me getreiterd, toen ben ik naar boven geloopen, en toen ik weer beneden kwam, waren ze allemaal uit...."
"Zoo, had ze je getreiterd...." zei de jongen.
Zij haalde haar bonte schortegoed weer uit de krant, rolde die rond 't andere heen, om er gauw mee weg te kunnen, nam haar naaizak....
De jongen was op een stoel achter de tafel gaan zitten, keek met zijn felle, naakte oogen schril in de lampevlam, terwijl zijn gave, gevulde wangen van te hoogrood vleesch even zacht blonken op de koonen, en de kaken, fijn-blond-overdonsd, een glanzigen schemer vingen óver hun blakende kleur; onder z'n dun, wittig snorretje zat zijn rauw-roode mond met een kwade groef naar beneden getrokken.
't Kind vond hem raar en griezelig als altijd, maar ze had nu ook wel medelij met 'm.
"Wou je wachten tot Sien thuis kwam?" vroeg ze, bedeesd voorkomend, "je ken wel hier wachten...."
Hij zei eerst niets, bleef in de lampevlam staren tot zijn oogen knipperden, keek dan naar 't kind, dat steelsgewijs naar hem keek.
"Je ken toch altijd zoo gek doen, Sprotje," zei hij op eens.... "zoo gek lachen.... maar je meent het niet kwaad."
Het kind, dat begonnen was 'r zoom-steekjes te leggen, bleef diep over haar werk gebogen zitten; ze vond 't niet aardig, dat hij 'r bij d'r scheldnaam noemde, maar hij deed 't zóó vrindelijk, dat 't toch wel prettig was. En te verlegen om op te kijken, zat ze bij zichzelf stil berouw te hebben, dat ze zoo leelijk over hem gedacht had, strakjes.
Een uitval van den jongen deed haar plotseling opschokken.
"Een kreng is je zuster.... een krèng!" snauwde hij, met zijn fellen kop vooruit naar de deuropening, zijn twee vuisten gebald op zijn knieën, "een groot kreng...."
"Ze weet veel te goed, dat ze zoo mooi is!".... mokte hij achterna.
Daar hadt je 't nou weer, dacht 't kind, nou was Sien weer mooi; die wilde, rooie Sien, met haar waaierige haren, die altijd zoo zuur rook, en zulke groote rare tanden had.... net een jodenkerkhof.... als die nou mooi was!
"Ik vin me zusters niks mooi," zei ze met een vies mondje.
De jongen keek haar goedig aan.... "Ant niet, maar Sien.... Sien is 'n mooie meid, Sprotje.... jezes, zoo'n mooie meid! Maar ze weet 't te goed, ze het lak aan de jongens, ze kan d'r krijge zooveel ze maar wil. Na mijn weer 'n ander. Ze geeft er om geneen wat. Ze mot een jonge hebbe, die cente het...."
"Weet je wat ze nou wil," zei hij opeens vertrouwelijk over de tafel leunend, "ze wil 'n goue kettinkie van drievijvetwintig hebbe.... Als ik de cente nou niet heb, ken ik toch zoo'n kettinkie nie koope.... en dan zeit ze maar, Jan Aalders zou 't wèl geve.... en 'n andere dag weer, die jonge van Bertels zou 't wèl geve.... makkelijk genog, die z'n vader het de guldens maar voor 't opscheppe.... die kan mooi geve.... ik heb de cente niet...."
"Jij verdien nog nie veel, wel?" vroeg 't kind.
"Vijf gulde," zei de jongen. Hij zuchtte, en zijn rooie gezicht werd nog rooier.
"Vijf gulde, da's nie veel.... en da's wèl veel" zei nadenkend 't kind, met klem van spreken.
Dan, plotseling, moest ze lachen, omdat hij zoo'n kleur gekregen had.
"Toe," zei de jongen kregel, "begin nou niet weer.... doe nou niet zoo gek!"
"En jij dan?" had 't kind al gezegd voor ze 't wist; toen bloosde ze zelf tot op 'r voorhoofd, en bukte snel weer over 'r werk.
Er was een lange stilte in het keukentje.
Zij, al priegel-pikkend, luisterde aandachtig, of moeder of Ant nog niet terugkwamen. Ze begon 't eng te vinden.
De jongen zat weer te staren in de lampevlam.... nou had-ie nog al z'n nieuwe boezeroen angedaan met dat rood-zije koretje, en z'n goeie pak, omdat 't Zaterdagavond was.... lamme meid!
Hij schoof z'n pet achterover, zoodat zijn kortgeknipt wit haar met een stijf-scheef kuifje er onder uit kwam plukken; dan wreef hij met zijn paarsig-roode hand langs z'n voorhoofd:
"'k Ben wel stapel, dat 'k hier zit te wachte," zei ie, maar hij bleef zitten.
"'k Ga 'n pot bier drinke," zei ie een tijdje later, maar hij bleef nòg al zitten.
Hij haalde een zwarte dikke sigaar uit z'n buiten-bovenzak, draaide 'm rond tusschen z'n lippen, bekeek 'm, stak 'm weer weg.
Het kind begon hard te verlangen, dat er nu een eind aan zou komen; ze was moe, en branderig in 'r gezicht, en rillerig tegelijk....
Het rustige onweer van de kegelbaan pomde nog altijd los met lange, zachte uitrommeling.... In de verte was het dof geruisch, als een eindelooze zucht door wijde eenzaamheden, van een trein; en een vaag gekrijt schreide toen op, vlood met een kort flauw fluitje.
"Kwamen ze nou maar thuis," dacht 't kind.
De jongen begon te schuiven op z'n stoel, wreef met z'n handen over z'n knieën....
"Je zou d'r.... je zou d'r...." barstte hij dan los. Maar hij hield zich in; dat kind had 'm toch niks gedaan.... en hij streek maar eens met z'n zwart-nagelige vinger over 'n hoekje van 't blauwe katoen, dat uit de krant piepte: "netjes," zei ie.... "fijn...."
"Pas op, pas op!" schrok het kind "'t is me goed van de bedeeling, op 't naaien."
"Fijn," zei de jongen nog eens, "maar licht, zal gauw vuil worde op 't fabriek."
"'k Gà niet naar 't fabriek," zei 't kind fel, met ronde schrikoogjes hem aankijkend.
"Zoo," zei de jongen alleen.
"'k Gà niet naar 't fabriek," zei 't kind nog eens, "'k ga dienen."
"Dienen is ook hard werken," kwam nu de jongen bij, "me zus het gediend, maar ze het 't niet kenne volhoue.... ze is nou op 't fabriek van de Lange.... Waarom wou jij niet naar 't fabriek, Sprotje?"
Hij vroeg 't weer zacht-vriendelijk, in een soort ondergrondsche vertrouwelijkheid, omdat hij aldoor dat kind met zich gevoeld had, tegen Sien.
En het kind voelde ook wel de goedgezindheid van den jongen, begon zachtjes klagend te vertellen, dat zij zoo bang was voor 't fabriek, zoo vrééselijk bang....: "altijd zoo'n leven om je heen, en allemaal tussche vreemde," ze ging haast huilen van moeie opwinding.... "allemaal vreemde, en altijd opzichters achter je aan, en overal groote wielen...."