Chapter 5
"'t Is niet om te lachen. Ik spreek in vollen ernst. Dan moet je mij tenminste het verschil tusschen een volstrekten en een betrekkelijken hoofdzin zeggen."
"Gisteren hebben we 't er op school nog over gehad, maar ik weet er niets meer van."
"Zoo, 't is wat moois! Dan zal ik je ook wel niet behoeven te vragen in welk jaar Rome gesticht is?"
"Wat een malle vraag; je weet toch wel, dat we daar nog lang niet aan toe zijn."
"'t Wordt hoe langer hoe fraaier. 'k Zou er haast wat op durven te verwedden, dat je me de Loire-departementen zelfs niet zult kunnen opnoemen."
Zij hield zich stil. Haar aardrijkskundige kennis strekte zich nog niet tot de omgeving van de Loire uit.
"Och, och," zei ze eindelijk tegen haar gestrengen examinator, "wat heb jij vandaag toch! Laten we nu alsjeblieft maar uitscheiden; we zijn immers niet op school! Ga maar mee, dan zal ik je mijn boek laten kijken. Er staan verhalen in, die je wel mooi zult vinden."
"Klein ding," sprak hij op beschermenden toon, "om zulke verhaaltjes geef ik niets; 'k vind er geen steek aan. Je begrijpt toch wel, dat ik er veel te knap voor ben. Neen, we kunnen niet meer met elkaar omgaan. Dat zou heel niet passen."
't Arme, kleine meisje kon geen ander antwoord vinden dan tranen, want zij hield veel van haar geleerd buurtje en vond 't hard hem, ter wille van de Loire-departementen en den volstrekten hoofdzin, als vriendje te moeten verliezen. Zij kon er maar niet toe besluiten zonder hem naar huis terug te keeren.
Terwijl zij hem nog met een smeekenden blik aan stond te kijken, kwam haar petemoei eensklaps binnen.
Zij was een eerwaardige, oude dame, die tal van deugden in 't verborgen bezat; ze trad weinig op den voorgrond en dit zal je niet verwonderen, als je haar naam hoort: zij heette fee Nederigheid. Op prijsuitdeelingen, waar kleine kinderen met lauwerkransen op 't hoofd trotsch en fier, als zegepralende generaals, vandaan komen, had zij 't niet erg begrepen.
Toch wilde zij er niets tegen zeggen, want, al is nederigheid een schoone zaak, in den levensstrijd heeft men ook nog andere wapens noodig en 't kan zijn nut hebben de kiem van ijver en eerzucht in 't hart der kinderen te leggen, als men er menschen van wil maken. Zij liet hen dus maar met hun lauweren gaan, wel wetend, dat de nederigheid mettertijd vanzelf zou komen tot hen, die eens waarlijk groot zouden zijn.
Wat den anderen betrof, vond zij 't wel wat hard hun dit kleine beetje ijdelen roem te ontnemen, dat immers alles was, waarmee zij 't zouden moeten doen.
't Verdriet van haar lief petekind ging haar echter na aan 't hart en daarom kwam zij den onverdragelijken wijsneus, die haar tranen had doen vloeien, eens gauw bestraffen.
"Je weet dus niets, mijn kind?" zoo sprak zij 't kleine meisje vriendelijk aan. "Laat ik je ook eens een vraag voorleggen: zou je mij ook kunnen vertellen wat men moet doen om braaf te leven?"
"O, petemoei, dat is niet moeielijk! Men moet den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben, zooals Hij."
"Dat is al iets. Maar ik heb zoo'n idee, dat dit toch niet voldoende zal wezen om 't kameraadje van zoo'n geleerden bol te zijn."
"Ga eens mee, vriendje," vervolgde zij, zich tot den jongen wendend. "Je bent te knap om bij kleine meisjes op visite te gaan; 't gezelschap van geleerden en letterkundigen zal je nu beter voegen."
Zij nam hem bij de hand.
Plotseling bevond hij zich in een der zalen van het observatorium, waar iemand met een eerbiedwaardig voorkomen, aan een lange tafel, voor een massa papieren vol cijfers, gezeten was.
Deze was voorzeker een groot geleerde.
Hij had aan aardmetingen gewerkt, een arbeid, die nog heel wat meerdere en andere moeielijkheden met zich brengt, dan al de regels van drie te zamen. Hij had het licht, dat 72000 mijl per seconde aflegt, in zijn loop gevolgd en berekend hoeveel jaren 't noodig heeft om van de sterren, die onze naaste buren zijn, tot ons te komen. Hij woog de zon en de maan met de pen in de hand, als op een weegschaal en kon door zijn berekeningen van te voren de baan, die de hemellichamen door de ons omringende, oneindige ruimten af zullen leggen, bepalen.
Toen fee Nederigheid hem goedendag gewenscht had, glimlachte hij vriendschappelijk en begroette haar als een oude bekende.
"Professor," zei ze, "hier breng ik u een geleerde, die gaarne een wetenschappelijk gesprek met u wil voeren."
De professor kende geen grooter genoegen dan zijn kennis mee te deelen aan hen, die dit wenschten. Hij stak den kleinen jongen zijn hand toe.
"Ik maak u mijn compliment," sprak hij, "een geleerde en dat op uw leeftijd, dat is al heel mooi! Wilt ge mij een komeet helpen zoeken, die wij reeds sinds een maand verwachten? Ik tracht juist op dit oogenblik na te speuren, wat haar onderweg heeft kunnen ophouden. Wij zullen onze nasporingen nu te zamen vervolgen."
Kometen zoeken! Dit was wel wat te kras voor onzen scholier, die ternauwernood in de juiste termen zou hebben kunnen omschrijven wat een komeet eigenlijk is.
Blozend wees hij 't voorstel af.
"Wel, dan zullen we eens een vraagstuk op 't gebied van gezichtkunde, of op dat der klankwetenschap of dat der waterweegkunde behandelen, naar uw keus."
't Kind wist zich van verlegenheid en schaamte niet meer te bergen. 't Werd hem groen en geel voor de oogen.
"Ge kent de logarithmen tenminste?"
Half schreiend antwoordde onze knappe bol, dat hij die beesten niet kende, maar wel een gewone breuk in een tiendeelige kon overbrengen.
De echte geleerde keek fee Nederigheid verwonderd aan en wilde haar vragen wat voor soort van geleerde zij toch wel bij hem had gebracht. Doch zij liet er hem niet den tijd toe.
"Professor," sprak ze, "een klein meisje van mijn kennis zegt, dat men om braaf te leven den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben moet zooals Hij. Gaat uw wetenschap de hare nu _ver_ te boven?"
"God beware mij er voor, dat ik mij daarop zou durven te beroemen. 't Lieve kind heeft alles gezegd, wat er te zeggen valt."
"Laten we verder gaan," sprak de fee tot haar metgezel. "Je ziet wel, dat 't hier niets voor je is."
Weldra traden zij een ruim huis binnen, dat door een groot geschiedkundige werd bewoond. 't Was niets dan boeken, wat je er zag. Van beneden tot boven waren op alle mogelijke plaatsen langs de muren planken aangebracht, waar ze in lange rijen, als in slagorde, gerangschikt stonden. Er waren boeken van zulke kolossale afmetingen, dat een volwassen man er nog een heele vracht aan zou hebben; ook waren er exemplaren bij, die zoo klein waren, dat hij ze in zijn vestzakje zou kunnen steken. Je zag er staaltjes van al de boekbanden, die de boekbinders, sedert er boeken ingebonden worden, hebben uitgevonden: gele, roode, witte, zwarte, in alle kleuren waren ze vertegenwoordigd. Je hadt er banden van perkament, van kalfsleer, kunstig uitgesneden hout, bewerkt leer, waar figuren ingedrukt zijn, banden met zilveren sloten, banden van met goud doorstikt marokijn----kortom, een rijken overvloed.
Ook waren er zelfs oude boeken uit den tijd der Romeinen bij. Deze zijn van een lang stuk boomschors gemaakt, dat echter een bijzondere bewerking heeft ondergaan, zoodat het aan beide einden over twee groote, houten rollen kan worden opgerold. Naarmate men met zijn lectuur vordert, laat men de rollen in omgekeerde richting loopen.
Nu, zij, die in deze boeken hebben gelezen, kunnen er zich op beroemen geleerden te zijn; dàt kan je maar gerust gelooven!
Zij gingen eerst naar een groote zaal, die aan de geschiedenis der Egyptenaren, Pheniciërs, Babyloniërs en Perzen gewijd was.
Om de boeken te lezen, die hier te vinden waren, had de eigenaar dezer bibliotheek Hebreeuwsch, Arabisch, Oud- en Nieuw-Perzisch en nog een heeleboel meer talen, waarvan ik den naam vergeten ben, moeten leeren. Hij kon ook de hieroglyphen ontcijferen, die men op de Egyptische obelisken vindt, dat spreekt vanzelf, maar dit alles was hem nog niet voldoende; hij kon er maar niet overheen komen, dat hij geen Chineesch geleerd had,----verbeeldt je!
Dan volgde de zaal der Grieksche geschiedenis; natuurlijk kende de geschiedkundige Grieksch.--Dan de zaal der Romeinsche geschiedenis; ik behoef je niet te zeggen, dat hij Latijn kende, en niet enkel het Latijn, dat men op 't gymnasium leert, maar ook het oude Latijn der vroegste tijden.
Van hieruit zag men nog een heele reeks andere zalen, die alle afzonderlijk aan de geschiedenis van een volk gewijd waren, en op de andere verdiepingen waren er nog veel meer.
Zij gingen echter niet verder.
De geschiedkundige zat in de zaal der Romeinsche geschiedenis in een dik, Duitsch boek verdiept, dat een ander misschien vervelend zou vinden, maar hem zeer scheen te boeien, daar hij de tegenwoordigheid zijner bezoekers niet gewaar werd, voordat zij vlak bij hem stonden.
Geheel en al in de war gebracht door 't gezicht van zooveel boeken, had de kleine jongen de fee gesmeekt hem niet als geleerde voor te stellen;----hij had immers hoogstens nog maar den inhoud van schoolboekjes in zijn bolletje.
Toen de groote geschiedkundige 't hoofd opheffend fee Nederigheid zag, schoof hij zijn boek weg en stak haar haastig beide handen toe, alsof hij een oude vriendin begroette.
"Welkom, welkom," riep hij uit; "ik weet maar al te goed, hoezeer ik u noodig heb!"
"Professor," sprak zij, "hier is een jongen, die nog wel geen geleerde is, maar toch weet in welk jaar Rome gesticht is."
Hij glimlachte even.
"Ben je heel zeker van het jaartal, vriendje?"
"O ja, heel zeker. Gisteren heb ik die heele bladzijde nog opgezegd, zonder een enkele fout te maken."
"Zoo, dan ben je knapper dan ik, want _ik_ voel er me niet volkomen zeker van. Er zijn zelfs menschen, die er door hun studie toe gekomen zijn te beweren, dat Romulus nooit heeft bestaan. Ik geloof echter, dat _zij_ te ver gaan."
Daar 't gezichtje van het kind de grootste verbazing uitdrukte, wees hij naar de boeken in 't rond, die zich als bergruggen tot aan de zoldering der zaal verhieven. "Als je slechts het vierde deel der dwalingen en leugens kende, die daarin staan, zou je je minder over mijn woorden verwonderen, mijn jongen. Zij, die niets weten, zijn de eenigen, die nergens aan twijfelen."
"Professor," sprak de fee toen, "ik ken een klein meisje en zij zegt, dat men om braaf te leven den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben moet zooals Hij.--Twijfelt gij ook _hieraan_?"
"De Hemel beware mij er voor! Er valt niet te twijfelen aan 't geen dat lieve kind gezegd heeft."
Onze jeugdige geleerde begon zich o, zoo klein te voelen.
"Ik zie 't wel, vriendje," zei de fee met een schalksch glimlachje, "dat je in 't gezelschap van professoren toch niet erg op je plaats bent. Nu zal ik je bij de grootste auteur van den tegenwoordigen tijd brengen; die zal je stellig minder vrees inboezemen. Je kunt je hart dan eens aan een gesprek over taalregels ophalen."
De grootste auteur van dien tijd was een vrouw. Zij ontving fee Nederigheid zoo hartelijk mogelijk in een salon, dat op alle andere salons in de wereld geleek.
Onze kleine baas voelde zich aanmerkelijk verlicht in de tegenwoordigheid van zoo'n eenvoudige dame, die geen enkel bijzonder kenmerk had, of 't zouden haar groote, zwarte oogen moeten zijn, waarin vonken schitterden. Zijn beide vorige nederlagen hadden hem evenwel beschroomd gemaakt; hij durfde niet 't eerst te spreken.
"Mevrouw," zoo begon de fee, "hier is een kind, dat zijn taalregels goed geleerd heeft en er wel eens met u over zou willen praten."
De dame, die de welwillendheid zelve tegenover kinderen was, begon te lachen.
"Dat wordt dan een gesprek, waarin ik niet erg zal uitblinken," antwoordde zij. "Ik schrijf maar, zooals 't mij voor den geest komt en houd mij niet precies aan de regels. Doch als je er plezier in hebt, beste jongen, ga dan je gang maar. Waarover wou je praten?"
"Over 't verschil dat er bestaat tusschen een volstrekten en een betrekkelijken hoofdzin."
Zij lachte nog meer.
"Toen ik klein was, hoorde je nooit van deze termen. Ik weet niet eens goed wat zij willen zeggen en kan er trouwens ook best buiten."
De jongen wist niet meer hoe hij kijken moest. De fee, die zijn verlegenheid wel zag, kwam tusschenbeide en sprak: "mevrouw, ik ken een klein meisje, dat zegt: om braaf te leven, moet men den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.--Denkt u, dat men hier ook buiten kan?"
"Er zijn ongelukkig genoeg veel menschen, die dit meenen, maar zij worden er op de een of andere manier toch altijd voor gestraft. Als zij hier was, zou ik dat lieve, kleine ding eens hartelijk omhelzen. Wat zij gezegd heeft, is iets, waar wij 't geen van allen buiten kunnen stellen."
"We hebben vooralsnog wel weinig succes," hernam de fee, terwijl zij zich tot den verbijsterden taalkundige wendde, "maar wij willen daarom den moed toch niet verliezen. We zullen 't heele rijtje van je vakken volgen.
Laat eens zien----nu is dus de aardrijkskunde aan de beurt."
Dadelijk voelde hij zich als door een hevigen warrelwind opgeheven en meegevoerd.
Toen hij weer tot zichzelf kwam, bevond hij zich in een groote, fraai gebouwde zaal, waar overal kaarten aan den wand hingen. Ons vriendje herkende wel in 't algemeen den omtrek en vorm der landen, maar vond er geen der geographische verdeelingen, waaraan zijn oog gewend was, op terug.
"Waar zijn wij?" vroeg hij aan de fee.
"In 't hartje van Afrika, kind, in het meest beschaafde land, dat er op dit oogenblik op de aarde te vinden is. Deze zaal is een der schoollokalen van dat land. Je ziet mij verbaasd aan! Ja, mijn jongen, we hebben een heel tijdperk overgesprongen, tweeduizend jaren liggen er tusschen nu en 't oogenblik, waarop je zooeven leefde."
Terwijl zij nog sprak, gingen de deuren open en traden de scholieren binnen; de kleine jongens kwamen van dezen, de kleine meisjes van genen kant 't lokaal in. Er waren blondjes en bruintjes, blozende en bleeke, kleine en lange, bedaarde en drukke kinderen bij, precies zooals tegenwoordig,--en allen hadden een blanke huid.
"Ik dacht, dat hier enkel maar zwartjes woonden," zei 't kind tegen de fee.
"'t Is al heel, heel lang geleden sinds het blanke ras zich van de heele aarde meester heeft gemaakt. Wat je in je aardrijkskundeboek over de verschillende menschenrassen hebt gelezen, is dus nu van geenerlei beteekenis meer."
De meester verscheen op zijn beurt.
't Was een lange, deftig gekleede mijnheer, die twee ridderordes op de borst droeg; het ambt van onderwijzer was n.l. een der meest eervolle, die men in dit land kende en mannen van de grootste verdienste en beteekenis stroomden in menigte te zamen, als er een plaats vacant was. Zij, die er voor in aanmerking wenschten te komen, hielden dan beurt om beurt school en werden door de kinderen gekozen of wel verworpen.--
De les begon. Onze kleine vent had er zich al op voorbereid er niets van te zullen begrijpen en keek daarom heel verwonderd op, toen hij den meester Fransch hoorde spreken. Weliswaar hielp hem dit nog niet veel, daar al de aardrijkskundige namen veranderd waren en er groote steden, beroemde rivieren en bloeiende gewesten werden opgenoemd, waarvan hij nog nooit had hooren spreken.
De fee, die wel bemerkte hoe verbluft hij keek, nam nu 't woord.
"Meester," zei ze, "leert ge den kinderen de departementen van 't Loire-gebied niet?"
De onderwijzer, die een man van groote verdienste was, boog voor fee Nederigheid, want dat is de gewoonte van verdienstelijke mannen door alle tijden heen.
"Loire, zegt u? Ik heb dien naam wel eens in een heel oud aardrijkskundeboek vol dwaalbegrippen gelezen, waarin zich trouwens ook al de onkunde van dien tijd verraadt, want er staat volstrekt niets in over het groote land, dat wij bewonen, maar de departementen, waarover u spreekt, bestaan al lang niet meer. 't Heele land is tijdens de aardbeving van 't jaar 2500 in den schoot der aarde verzonken en er zwemmen nu visschen over de hoofdsteden dier oude departementen."
De fee wendde zich hierop tot een klein meisje, dat de les zoo aandachtig mogelijk volgde. "Mijn kind," sprak ze, "zou jij me wel kunnen zeggen wat men doen moet om braaf te leven?"
"Men moet," zoo gaf het kind ten antwoord, "den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij."
Ternauwernood had zij deze woorden gesproken, of onze geleerde vriend bevond zich weer thuis, in gezelschap van de fee en zijn verstooten buurtje, dat hem smeekend aankeek.--
"Vindt je nu niet, beste jongen, dat _haar_ kennis die van jou ver te boven gaat?" vroeg de fee. "Je hebt nu zelf de waarde kunnen peilen van wat _jij_ weet en deze menschen van groote beteekenis, tegenover wie _jouw_ kennis in 't niet zonk, bogen zich eerbiedig voor de _hare_. Niemand weet iets, dat hierboven gaat, niemand twijfelt er aan, niemand kan 't er buiten stellen----en dit zal zoo blijven--onwrikbaar vast--duizenden bij duizenden jaren nà ons."
"Zoo," sprak de kleine jongen wat gemelijk, "als dat alles toch niets beteekent, behoef ik me dus op school ook niet zoo in te spannen."
"Hoor me zoo'n schelm eens aan," riep de fee lachend uit. "Ik wist 't wel, dat je die gevolgtrekking zoudt maken! Neen, mijn kind, zoo moet je niet redeneeren. De professoren, wier wetenschap je overweldigde en verschrikte, wisten niets meer dan jij nu, toen ze op jouw leeftijd waren. Als zij toen ook niet zoo flink hadden gewerkt als jij nu doet, zouden zij nooit zoover zijn gekomen. De eenige weg tot geleerdheid is studie, volhardende studie.--En de dame, wie de taalkundige termen, die jij hebt geleerd, onbekend waren, heeft in haar schooltijd weer andere geleerd, die 't zelfde beteekenden! De namen zijn veranderd, maar de zaken zelf niet. 't Zal nog te bezien staan welke wijze van uitdrukking feitelijk de beste is.--Voorts is 't ook niet een reden om niets meer aan aardrijkskunde te doen, dat de aarde, die je bewoont, na jouw tijd zal veranderen. Al je vrienden veranderen, jijzelf ook----vindt je dit een beletsel om nu als kameraden met elkaar om te gaan?----Neen, neen, ik heb je alleen willen doen inzien, hoe dom en verkeerd 't van je was hoogmoedig op je kleine beetje kennis te zijn en dit nog wel hooger te stellen dan de kennis, die men niet in 't hoofd, maar in 't hart bewaart, de eenige, waarbuiten men niet kan, de eenige zekere, de eenige noodige, de eenige, die nooit verandert.--Geef mijn lief petekind nu een kus en ga dan haar prentenboek bekijken; dat heb je wel verdiend."
De kleine jongen omhelsde het kleine meisje, dat hem beide armpjes om den hals sloeg. Daarop ging hij de mooie platen bekijken en las ook de verhalen, die hem nog allerlei soort van dingen leerden, waarvan hij nooit gedroomd had, en later, toen zijn kindermeid weer in zijn bijzijn herhaalde, dat hij een groot geleerde was, zei hij tot zichzelf, dat er slechts één enkele wetenschap is, zoowel voor kleinen als voor grooten:
_Den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.--_
V.
DE WAARHEIDSKETTING
Er was eens een klein meisje, dat jokte alsof het gedrukt stond.
Sommige kinderen jokken zonder blikken of blozen. Een leugentje, desnoods een groote leugen, schijnt hun de meest gewone zaak van de wereld toe en de meest gëoorloofde ook, als zij er maar door geholpen worden; ontheffing van een lastigen plicht of straf, 't verkrijgen van een pleziertje, streeling van hun eigenliefde,----dat zijn allemaal dingen, waarvoor ze dadelijk zoo'n jokken bij de hand hebben.
Ons kleine meisje was daar ook heel sterk in. De waarheid bestond eenvoudig niet voor haar; alle uitvluchten waren wettig, mits zij ze ingang kon doen vinden. Langen tijd namen haar ouders alles voor goede munt aan, wat zij hun verkoos te vertellen, doch toen hun oogen er eindelijk voor gëopend werden, dat zij hun maar wat op de mouw speldde, hadden zij niet meer 't geringste vertrouwen in haar. 't Is wel treurig als ouders geen geloof meer aan de woorden van hun kinderen kunnen hechten. Wat een verdriet moet dit voor hen zijn en wat een zorg ook voor de toekomst! Want hoe gaat 't met leugenaars? Zij vervallen van kwaad tot erger. Een klein, oogenschijnlijk onschuldig jokkentje is misschien 't begin, maar wie zal zeggen tot welke grove ondeugden 't mettertijd voert? Hoe vreeselijk voor ouders zich dan voor hun kinderen te moeten schamen!--Hoe ontzettend toch, als kinderen schande over hun ouders brengen.----
Vruchteloos trachtten de vader en de moeder van deze kleine jokkebrok haar van haar gebrek te genezen. Na allerlei--helaas zonder gevolg--te hebben aangewend, besloten zij met haar naar den alom beroemden toovenaar Merlin te gaan, wiens waarheidsliefde spreekwoordelijk was.
Van alle kanten werden er kleine leugenaars en leugenaarsters naar hem toegebracht, om door hem van hun ondeugd afgeholpen te worden.
Toovenaar Merlin woonde in een glazen paleis, waarvan al de muren doorschijnend waren. Nooit kwam 't hem in den zin een enkele zijner daden te verbloemen of, 't zij door spreken, 't zij door zwijgen, een titteltje van de waarheid af te wijken.
Je weet immers wel, dat je ook kunt jokken door te _zwijgen_, als je zoudt hebben moeten spreken?
Hij kon leugenaars al op een mijl afstands ruiken; denkt eens aan--en toen 't kleine meisje zijn paleis naderde, werd hij zoo onpasselijk, dat hij azijn moest branden, om de lucht te zuiveren.
De moeder van onze kleine jokkebrok begon met een hevig kloppend hart, blozend van schaamte, een vrij verward verhaal. Zij wilde hem uitleggen door welke treurige kwaal haar dochtertje aangetast was, doch geraakte zoo onder den indruk van de schande, die daarin lag, dat zij haar gedachten haast niet onder woorden kon brengen.
Toovenaar Merlin viel haar echter al aanstonds in de rede.
"Ik weet er reeds alles van," sprak hij. "Een uur geleden rook ik haar al; 'k heb het er door te kwaad gehad----dat is een eerste leugenaarster!"
De ouders van 't kleine meisje bemerkten, dat de faam zijn kundigheden niet overdreven had. 't Kind zelf wist zich van verlegenheid niet te bergen en trachtte zich in de plooien van den rok harer moeder te verschuilen. Deze wilde haar maar al te graag een schuilplaats geven, verschrikt als zij was door de wending, die 't onderhoud nam, en haar vader ging vóór haar staan om haar, zoo noodig, te kunnen verdedigen, want het gelaat van den toovenaar scheen niets goeds te voorspellen. Zij wilden allebei wel graag, dat hij hun kind van haar gebrek afhielp, maar 't moest op een zachte manier gebeuren en kwaad mocht hij haar niet doen.
"Stelt u gerust," zei Merlin, die hun angst zag, "ik gebruik geen geweld voor dit soort gebreken. Staat mij slechts toe 't juffertje een geschenk aan te bieden, dat haar wel naar den zin zal wezen."
Hij opende een kast en haalde er een prachtig halssnoer van onvergelijkelijk schoon gezette amethisten uit, dat door een agrave van diamanten van 't zuiverste water, welker schittering verblindend was, gesloten werd.
Toovenaar Merlin deed het kleine meisje dit sieraad om den hals, terwijl hij haar ouders met een welwillend gebaar hun afscheid gaf.
"Weest verder niet bezorgd," zei hij, "uw dochtertje neemt een zekeren waarheidswachter mee."
Met een kleur van plezier wilde 't kind hen volgen, verrukt als ze was er zoo goed afgekomen te zijn, doch Merlin riep haar terug.
"Over een jaar kom ik naar mijn ketting kijken," sprak hij en zag haar aan met oogen, die geen gekheid verstonden. "Tot zoo lang moet je hem onafgebroken dragen. Wee over je, als je 't waagt hem ook maar voor een enkele minuut af te doen; 't ongeluk is dan niet te overzien."
"O, ik wil hem veel te graag altijd om houden; hij is zoo mooi!"
Je moet weten, dat dit halssnoer niets meer of minder dan de beroemde waarheidsketting was--in oude boeken wordt hij meermalen genoemd--die 't vermogen heeft alle soorten leugens te ontmaskeren.