Chapter 2
Deugniet vond 't wel jammer, dat 't boek, waar die mooie verhalen in stonden, voortaan voor hem gesloten zou blijven--de andere boeken konden hem minder schelen; hij was nog niet verstandig genoeg om er 't nut van in te zien--maar weet je wat hem 't ergst van alles hinderde?--Dat zijn moeder zoo bedroefd was!
Daardoor werd hij ook verdrietig en schreide met haar mee, terwijl hij haar beloofde nooit meer ongehoorzaam te zullen zijn.
Ondertusschen was zijn vader thuisgekomen, 't Werd tijd voor 't avondeten. Van 's middags af had hij met groote stappen buiten de stad gewandeld, ieder bekend gezicht vermijdend, omdat hij niet over 't bezoek der fee, waarvan men natuurlijk reeds overal op de hoogte zou zijn, aangesproken wou worden.
Hij was moe van de lange wandeling en ontstemd door de herinnering aan het tooneel van dien middag. Geen wonder, dat hij den kwâjongen, die dit op zijn geweten had, niet al te vriendelijk gezind was. Maar toen hij hem zóó aan tafel zag verschijnen, ontredderd, slordig en vuil als hij was met zijn gescheurde kleeren, verwarde krullen en nog grootendeels met vla besmeerd gezicht, steeg zijn toorn ten top.
"Wat beteekent dat?" zoo wendde hij zich op barschen toon tot zijn vrouw. "Zijn wij nog niet genoeg aan de kaak gesteld? Moeten we nog dieper vernederd worden, dat je het klaarblijkelijk aan vreemde menschen wilt overlaten dien kleinen schelm te komen wasschen?"
Deugniets moeder hoorde dit onverdiende verwijt geduldig aan. Zij durfde hem niet te vertellen, hoe de vork in den steel zat, bevreesd als zij was, dat zijn toorn zich dan op 't kind zou ontladen. Hoe graag wilde zij zelf onrecht lijden, wanneer zij er den kleinen jongen maar straf door zou kunnen besparen!
En hieraan had zij nog eens weer ongelijk, want nu kwam 't kind, dat haar onrechtvaardig bejegend zag, in opstand tegen zijn goeden vader, wiens ontevredenheid immers onder deze omstandigheden zoo vanzelfsprekend was. Hoe toch kon hij zuiver oordeelen, zoo lang hem de ware toedracht der zaak niet opgehelderd was?--Had Deugniet maar bedacht, dat zijn eigen stoutheid de oorzaak van alles was en hij zijn liefde voor zijn moeder niet beter zou kunnen bewijzen, dan door eerlijk op te biechten, hoe alles zich had toegedragen! Nu deze opstandige geest echter eenmaal, met een schijn van recht, in hem was gevaren, verzette hij zich uit alle macht tegen zijn vader, zoodat hij, brutaal-kortaf, 't bord soep afwees, dat deze voor hem had opgeschept.
"Neen," riep Deugniet, "'k wil geen soep."
Je moet weten, dat hij juist niet veel van deze soep hield; des te gemakkelijker kon hij er dus voor bedanken.
Nauwelijks had hij echter weer dat noodlottige "'k wil niet" gezegd, of de soep vloog van 't bord en viel met zoo'n plons in de terrine terug, dat ieder vol spatten kwam.
't Vest van Deugniets vader werd 't ergst bespat. Deze dacht, dat de jongen hem de soep in 't gezicht had willen gooien--van zoo'n stout kind kon men immers alles verwachten--en stond driftig op, om hem een flinke kastijding te geven.
Zijn vrouw hield hem echter nog bijtijds tegen.
"Straf hem niet!" riep zij uit. "'t Arme ventje kan het niet helpen. Hij is er toch al ongelukkig genoeg aan toe. Nu zal hij ook nooit meer soep kunnen eten!"
Door dit voorval kwam de geheele waarheid aan 't licht; zij kon nu niet langer voor Deugniets vader verborgen blijven.
Je kunt begrijpen, dat dit hem niet kalmer stemde.
"'t Is wat moois," zei hij, "wat moeten we nu met dien bengel beginnen? Ik wil zoo'n vuilpoes niet langer onder mijn oogen hebben, dat is zeker. De aschman moet hem maar meenemen, of, als die niet van hem gediend is, kan hij als scheepsjongen gaan varen. Aan boord weten ze met zulke schelmen wel raad. Morgen zal ik er dadelijk werk van maken. Nu moet hij naar bed; als hij slaapt, kan hij tenminste geen streken uithalen."
Deugniets moeder nam den jongen al bij de hand, om hem, uit vrees voor een nieuwe ramp, zelf naar boven te brengen, maar dáár wou haar man niets van hooren.
"Volstrekt niet," zei hij, "dat zou maar verwennen wezen. Op zoo'n manier zou hij zich nog gaan verbeelden een arm, beklagenswaardig slachtoffer te zijn. Jij blijft hier; Marianne moet hem naar bed brengen."
Marianne was een stevige boerendeerne met een gezond, blozend uiterlijk. Zij had al heel wat trappen en schoppen van Deugniet gehad, maar wist hem toch nog altijd de baas te blijven. Ook nu pakte zij hem met haar sterke armen eenvoudig op en droeg hem weg, alsof hij een veertje was.
Zoo gauw Deugniets moeder met haar man alleen was, deed zij al wat in haar vermogen stond om hem, ten opzichte van zijn plannen met den kleinen jongen, te vermurwen. Eindelijk slaagde zij er in hem er af te brengen. 't Kind behoefde dan voorloopig nog niet naar 't schip. Maar--'t was de laatste keer, dat hij genade voor recht liet gelden, zoo sprak Deugniets vader met nadruk. Wanneer er weer iets met den bengel voorviel, zou hij onverbiddelijk zijn.
Onderwijl verliep de tijd. Een half uur was voorbij gegaan, sedert Marianne den jongen had meegenomen--een uur zelfs was 't nu reeds geleden, en nòg kwam zij niet terug!
De arme moeder kon 't van ongerustheid niet langer uithouden. Zij liep naar boven, naar de kamer van den kleinen jongen. Ik geef je te raden, wat voor schouwspel zij daar zag!
De dikke Marianne had zich aan 't ledikant vastgeklemd en probeerde nu tevergeefs het tegen te houden, terwijl het haar, onder 't maken van allerlei bokkesprongen, door de heele kamer meetrok.
Natuurlijk had Deugniet dit weer op zijn geweten!
Hij was zoo boos geweest, omdat hij zonder avondeten naar boven was gezonden--'s middags had hij ook al niets gehad, zooals je je zult herinneren--dat hij eerst ook niet naar bed had willen gaan, en----nu hield het bed hem aan zijn woord.
Al wou hij nù ook nog zoo graag gaan slapen, hij kwam er niet in, hoor, geen denken aan! Zoo gauw hij maar naar het ledikant toeliep, begon het te steigeren als een vurig paard. De matrassen golfden op en neer als de baren van een onstuimige zee en de dekens dansten dwarrelend door elkaar, waarbij ze den kleinen, ongehoorzamen bengel telkens lustig om de ooren sloegen.
Er was klaarblijkelijk niets aan te doen--hij zou den nacht op een stoel moeten doorbrengen.
Deze opeenhooping van ongelukken werd Deugniet te veel. Als hagel waren de tegenspoeden sedert vanochtend op hem neergekomen.
Hij verviel in een van zijn hevige driftbuien en rolde, woest om zich heen slaande, over den grond.
Zijn moeder, die erg veel medelijden met hem had, stak haar armen naar hem uit. "Kom hier, kind," sprak ze met haar zachte, vriendelijke stem, "dan zal ik je dicht tegen mij aandrukken en in mijn japon wikkelen, om je vannacht warm te houden."
Maar Deugniet wilde niet naar haar luisteren. Hij was buiten zichzelf van drift en stiet zeker wel meer dan twintigmaal de beschermende armen terug, die naar hem werden uitgestrekt.
Eindelijk kwam hij wat tot bedaren. Doodmoe van al zijn schreien en misbaar-maken, voelde hij nù groote behoefte aan rust. Zijn moeder hield nog altijd haar armen open en zag hem met een weemoedigen glimlach aan. Wat was er natuurlijker, dan dat Deugniet nu, in zijn kalmere stemming, niet langer aan haar stille uitnoodiging weerstand bood. Hij maakte reeds aanstalten om naar haar toe te vliegen, maar werd door een onzichtbare hand teruggehouden, zoodat het hem onmogelijk was ook maar één stap in de richting van zijn moeder te doen.
Dit was de genadeslag! Zijn laatste ongehoorzaamheid beroofde hem voor altijd van 't voorrecht zijn moeder te omhelzen.
Moeder en kind brachten den nacht op zes voet afstands van elkaar door, en waren onmachtig dichter tot elkaar te naderen.
Hoe droevig keken zij elkaar aan!
Deugniet deed zich de bitterste verwijten en was zóó terneergeslagen, als hij nooit eerder na een ondeugende bui was geweest. Geen wonder; de toestand was nu ook veel en veel ernstiger: voor altijd uit moeders armen buitengesloten te zijn, is dat niet het vreeselijkste, wat een kind overkomen kan?
Maar wie zal de wanhoop van zijn moeder beschrijven?
Zij schreide niet en sprak geen woord--ze kon enkel het uit haar armen verbannen kind met een verwilderden, ontzetten blik aanstaren, vreezend, dat haar verstand deze groote smart niet zou kunnen verwerken.
II.
Toen de morgen eindelijk was aangebroken, stond zij op en zei met vermoeide, treurige stem: "kom kind, wij zullen fee Goed-Hart gaan opzoeken; ik zal je voorspraak bij haar zijn."
Onwillekeurig stak zij den arm uit, om hem bij de hand te nemen, doch deze werd door iets onzichtbaars teruggeduwd; zoo verliet zij dus het huis, op eenigen afstand gevolgd door den kleinen jongen, die niet meer het recht had naast zijn moeder te loopen.
Fee Goed-Hart woonde op een mijl afstands van de stad in een groot, door een prachtig park omgeven kasteel. Ieder had vrijen toegang tot haar. Slechts een gewone, op manshoogte afgeschoren heg scheidde het park van den weg en het hek was enkel met een klink gesloten. Moeder en zoon ondervonden dus niet de minste verhindering op hun tocht naar 't kasteel.
Weldra stonden zij aan den voet van het bordes, waar Grauwbaard een luchtje schepte. Het was vroeg in den ochtend. De oude fee was nog niet bij de hand. Zij hield er van 's morgens haar gemak te nemen, een zwakje, dat de goede dame zich te eerder veroorloofde, daar niemand er immers schade door had.
Zoo gauw vernam zij echter niet, dat er iemand was om haar te spreken, of zij stond schielijk op en was in een oogwenk klaar, om de smeekbede der bedroefde moeder aan te hooren.
"Och mevrouw," sprak deze, haast zonder zich den tijd te gunnen haar te begroeten, "och mevrouw, red ons, erbarm u over ons en neem de vreeselijke gave toch terug, die ge mijn kind gisteren geschonken hebt."
"Ik zie 't al," zei de fee, met een zijdelingschen blik op Deugniets ontredderd voorkomen, "hier hebben we een kleinen jongen, die zich niet heeft willen laten opknappen. Nu, hij heeft zijn straf al beet. Des te erger voor hem. Wat ik gezegd heb, blijft gezegd."
"Och," hernam Deugniets moeder, "och mevrouw, is er dan geen enkel middel om hem van dezen ban te ontheffen?"
"Er is er wel een, maar dat is hard. Iemand zal zich voor hem moeten opofferen, door gewillig en uit eigen beweging, de straf, voor wat hij misdreven heeft, op zich te nemen."
"O, is 't anders niet? Dàt is een kleinigheid. Ik ben er dadelijk toe bereid, mevrouw. Wat moet er met mij gebeuren, opdat hij gewasschen zal kunnen worden en weer een lief, schoon gezichtje zal kunnen krijgen?"
"Om zijn gezichtje weer schoon en lief te maken, heb ik uw mooie gelaatskleur noodig."
"Neem mijn gelaatskleur, mevrouw, neem haar gerust! Wat zal ik met schoonheid doen, als mijn dierbaar kind altijd vuil en onooglijk zal moeten blijven!"
Nog had zij niet uitgesproken, toen Grauwbaard naar voren kwam. In de eene hand hield hij een schaal van bergkristal en in de andere een Levantijnsche spons, die zoo zacht was als het fijnste batist.
Met één handbeweging had de fee Deugniet gereinigd. Glimlachend keek hij nu in den spiegel, dien Grauwbaard hem voorhield. Hij vond 't zoo prettig er weer frisch en blozend uit te zien.
Doch de lach bestierf hem op de lippen, toen hij zijn moeder wilde aanzien, om haar op zijn beurt toe te lachen.
Haar schoone koonen waren eensklaps verwelkt en haar eertijds zoo blanke, zachte huid was nu taankleurig en gerimpeld, als die van een stokoude vrouw.
Zijzelf scheen er echter geen verdriet van te hebben; integendeel, haar oogen straalden van blijdschap, terwijl zij naar haar kleinen jongen keek, die er nu weer zoo frisch en aardig uitzag.
"Wat hebt ge van 't mijne noodig," zoo vervolgde zij, "opdat zijn mooie krullen gekamd en netjes in orde gebracht zullen kunnen worden?"
"Om zijn krullebol netjes in orde te kunnen brengen, heb ik uw zware haartressen noodig."
"Neem ze mevrouw, o, neem ze gerust. Wat zal ik met een mooi kapsel doen, als mijn lief kind altijd met wanordelijk haar zal moeten blijven rondloopen."
Nu kwam Grauwbaard met een diamanten kam aanzetten, waarmee de fee Deugniets krullen in een oogwenk uit de war had gehaald, 't Kind liet zich helpen, zonder zijn moeder te durven aanzien. Toen hij evenwel klaar was en zich vermande de oogen naar haar op te heffen, kromp zijn hartje ineen. Haar mooie, gitzwarte vlechten waren verdwenen en een paar grijze pieken, die haar wanordelijk om 't hoofd fladderden, hadden hun plaats ingenomen. Maar zij bemerkte 't niet eens.
"Wat kan ik u geven, opdat hij weer mooie kleeren zal kunnen dragen?" vroeg zij.
"Om hem mooie kleeren te kunnen geven, heb ik de uwe noodig."
"O mevrouw, neem ze, neem ze gerust! Wat behoef ik nog fraaie kleeren te hebben, als mijn dierbaar kind er altijd slordig zal moeten blijven uitzien!"
Oogenblikkelijk bracht Grauwbaard de fee een met goud geborduurd, miniatuur heerenrokje van fijn laken, een wit zijden broekje, een fluweelen, met zilver afgezette muts en schoenen, die rijk met edelgesteenten waren versierd. In twee tellen hadden die prachtige kleeren Deugniets verkreukeld en gescheurd huispakje vervangen. Nog nooit was de kleine jongen zoo mooi geweest.
Hij kon een kreet van blijdschap niet weerhouden. Helaas veranderde deze heel spoedig in een kreet van smart, toen hij bemerkte, dat zijn moeder in lompen gehuld was, als een bedelares.
Zij had evenwel voor niets anders oog, dan voor 't rijke kostuum van haar zoon en lachte hem toe, waarbij haar witte tanden, 't eenige overblijfsel van haar vroegere schoonheid, als parels blonken.
"Wat vraagt ge van mij," zoo sprak zij nu tot de fee, "opdat hij voortaan weer soep zal kunnen eten? De dokter heeft verklaard, dat zijn gezondheid er van afhangt."
"Opdat hij soep zal kunnen eten, heb ik uw tanden noodig."
"Neem mijn tanden, ik sta ze graag af, mevrouw. Wat zal ik nog met tanden doen, als mijn dierbaar kind niet het voedsel zal kunnen gebruiken, dat goed voor hem is!"
Zij had nog niet uitgesproken, toen Grauwbaard reeds met een blad van koralijn kwam aandragen, waar een sierlijke schaal van Japansch porselein op stond. Deze schaal, waarin de meest smakelijke soep geurde, die ooit onder den neus van een kleinen jongen gedampt heeft, bood hij Deugniet aan.
't Kind, dat in vier-en-twintig uur niets gegeten had, liet zich den lepel niet tweemaal in de hand geven. Zijn verrukking was echter van korten duur. Bij elken lepelvol, dien hij nam, hoorde men een tand op den grond vallen. Niettegenstaande zijn ergen honger zou hij wel dadelijk met eten hebben willen ophouden, maar hiervan wilde zijn moeder, die er van genoot, dat haar kleine jongen, na alles wat hij had doorgemaakt, zulk verkwikkend voedsel kreeg, volstrekt niets weten.
Wat haarzelf betrof, zij hield 't dapper vol tot aan haar laatsten tand.
"En hiermee is 't toch, hoop ik, uit?" vroeg de fee. "Meer hebt ge toch zeker niet te vragen?"
"Niet meer?----O, mevrouw----!"
"Maar ongelukkige vrouw, welke opofferingen wilt ge u dan nog meer voor dat ondeugende kind getroosten?"
"Het zijn geen opofferingen. Het maakt mij innig gelukkig hem aan 't treurige lot, waarin hij zich verwikkeld had, te kunnen ontrukken. Laat eens zien----Wat zult ge van mij moeten hebben, opdat hij in 't vervolg weer in een bed zal kunnen slapen?"
"Opdat hij in een bed zal kunnen slapen, moet gij afstand doen van het uwe."
"O, mevrouw, neem mijn bed toch! Waartoe zal ik een bed hebben, als mijn dierbaar kind zijn nachten op den harden grond zal moeten doorbrengen?"
"Is er nog iets, dat ge mij wilt vragen?"
"Ja mevrouw. Wat moet ik doen, opdat zijn boeken niet langer voor hem gesloten zullen blijven en hij er uit zal kunnen leeren?"
"Opdat zijn boeken niet langer voor hem gesloten zullen blijven, moet gijzelf alles geven wat gij weet."
"Ontneem mij gerust 't geen ik weet, mevrouw! Wat toch zal ik er mee doen, als mijn dierbaar kind dom zal moeten blijven?"
"Laat dit nu tenminste uw laatste verzoek zijn geweest!"
"O, mevrouw, sta mij in 's Hemels naam nog één vraag toe! Dezen keer is 't een bede voor mijzelf.-- Wat wilt gij van mij hebben, opdat ik weer 't geluk zal mogen smaken, hem in mijn armen te drukken?"
"Opdat gij 't geluk zult mogen smaken hem in uw armen te drukken, moet gij afstand doen van al uw andere geluk."
"Neem al 't andere, dat mij gelukkig maakt, mevrouw! Welk geluk kan er nog voor mij bestaan, als ik mijn lief kind niet zal kunnen omhelzen?"
Op een wenk van de fee wierp de kleine jongen zich nu, bevend, in de armen zijner moeder. Hij huiverde, ondanks zichzelf, toen hij met haar schamel kleed en geel, rimpelig vel in aanraking kwam en had moeite niet terug te deinzen voor de kussen van haar tandeloozen mond. Maar zóóvele bewijzen van liefde waren niet verloren geweest. Juist dit alles wat zijn afkeer opwekte, vervulde hem terzelfder tijd met onuitsprekelijke dankbaarheid en groote bewondering voor de goede moeder, die zich zóó voor hem had opgeofferd. En toch besefte hij er nog niet eens ten volle den omvang van.--
Wat haarzelf betrof, zij gaf zich geheel over aan 't haar teruggeschonken geluk den kleinen jongen in haar armen te hebben en drukte hem onstuimig aan haar hart, terwijl zij niet moede werd het uit te roepen, hoe goed hij er nu weer uitzag.
Zoo geheel ging zij op in wat hij herwonnen had, dat ze er volkomen door vergat, wat zij er allemaal voor had moeten verliezen.
Eindelijk namen zij afscheid. De gelukkige moeder wist maar niet hoe zij de fee, die ze haar weldoenster noemde, genoeg zou kunnen bedanken.
Grauwbaard, die niet voor niet in dienst bij fee Goed-Hart was, schreide van ontroering.
De fee zelf was ook zeer getroffen. Zij kon zich niet langer inhouden en liep naar haar toe, op 't oogenblik dat zij de laatste trede van 't bordes afdaalde, om haar op 't voorhoofd te kussen.
"Schep moed, edele vrouw, en reken op mij,"--zoo sprak zij.
Moed?--De verheugde moeder achtte zich te gelukkig om dien nog noodig te hebben. Met lichten tred liep zij voort. Eindelijk kon zij haar schat immers weer welverzadigd, gereinigd, ja, zelfs als een prinsje gekleed, bij de hand houden----naar hartelust kon zij hem liefkoozen----wat bekommerde zij zich dan over 't overige? Met innige blijdschap dacht zij er aan, dat hij vanavond weer in zijn lekker bedje zou kunnen slapen en genoot al bij voorbaat, wanneer zij zich voorstelde, hoe knap en beroemd hij mettertijd zou worden. Zij zag 't mooie boek, dat hij schrijven zou, als 't ware al voor zich en verlustigde zich in allerlei droomen, waarin hij, als beroemde schrijver of geleerde, de hoofdrol speelde.----De eerste firma van 't land had zijn boek op extra zwaar papier gedrukt--'t sprak vanzelf, dat zijn naam met groote letters op den band prijkte.--Zóó lag 't bij alle boekhandelaren voor de ramen en trok ieders aandacht. De koning liet hem zelfs bij zich ontbieden, om hem er mee geluk te wenschen en de heeren van de Academie der Letterkunde beijverden zich hun kaartjes bij den beroemden schrijver af te geven, als bewijs, hoezeer zij 't op prijs zouden stellen, hem als lid in hun kring op te nemen.----Zóó droomde de arme moeder, die, helaas, zelf niets meer wist.
Dit werd zij gewaar, zoo gauw zij buiten 't park der fee waren gekomen. Zij was den weg vergeten, ja, herinnerde zich zelfs niet meer welken kant de stad uit lag----nog sterker, zij had de herinnering aan haar huis totaal verloren.
Deugniet besefte nu, beter dan zooeven, hoe groot 't offer was, dat haar liefde hem had gebracht. Tevergeefs trachtte hij haar tot geleider te strekken. Hij wist zelf den weg niet. Toen zij hierheen kwamen, had hij er, als naar gewoonte, volstrekt geen acht op geslagen. Als een onnadenkend, zorgeloos kind, dat gewend is in alles op anderen te steunen, was hij meegeloopen.----
Zoo dwaalden zij nu den heelen dag buiten rond, zonder kans te zien de stad weer te bereiken.
Hoe meer de zon daalde, des te angstiger werd de kleine jongen; zijn moeder voelde echter niets anders dan geluk over de bevrijding van haar kind uit al zijn ellende.
Tegen den avond werden zij eindelijk, nog ronddolend, door de bedienden van het huis aangetroffen, die door Deugniets doodelijk ongerusten vader waren uitgezonden, om zijn op zoo raadselachtige wijze verdwenen vrouw en kind te zoeken.
Eerst herkenden zij hen echter niet, zóó waren ze allebei veranderd. Misschien zouden ze 't tweetal niet eens hebben opgemerkt, als Deugniet, die naar alle kanten uitkeek, den koetsier niet in 't oog gekregen en hem bij zijn naam geroepen had. Op zijn zeggen wie hij was, betoonde de man zich heel verheugd hem terug te zien, maar vroeg tevens, op een toon van verbazing, wie dan toch wel de oude bedelares was, die hem zoo ver van huis had meegetroond.
"Wel, 't is moeder!" riep hij uit.
De koetsier en ook de andere bedienden begonnen ongeloovig te lachen, maar de politie-agent, die de leiding van de expeditie had, gaf het kind een ernstige berisping over zijn ongepaste aardigheid. Hoe kon hij zulken zottepraat uitslaan, sprak de man; was 't al niet erg genoeg, dat hij zoo maar met een wildvreemde vrouw van 't minste allooi was weggeloopen? Moest hij haar nu ook nog voor zijn moeder uitgeven? Hoe kon hij zóó den naam der brave, edele vrouw, die werkelijk zijn moeder was, door het slijk sleuren.--
--Ieders toorn en verontwaardiging keerde zich nu tot de vreemde bedelares, die den kleinen jongen zeker had willen ontvoeren. Er was zelfs sprake van haar als kinderdievegge naar de gevangenis te zullen brengen.
Zij wist niets tot haar verdediging te zeggen, daar zij immers alles, wat haarzelf betrof, vergeten was. Ze vergenoegde zich er mee, 't kind in haar armen te drukken onder herhaalde betuigingen, dat hij haar zoon was, haar dierbaar kind, dat zij aan zijn ongeluk ontrukt had en dat door niets ter wereld meer van haar zou kunnen worden gescheiden.
't Was een geluk, dat men haar ten slotte voor iemand met gekrenkte geestvermogens begon te houden. Dit stemde allen zachter jegens haar en zoo werd 't nu ook oogluikend toegelaten, dat zij Deugniet, die naar zijn vader terug werd gebracht, bleef vergezellen.
Het was bijna nacht, toen zij in de stad kwamen.
Marianne stond in de deur.
"Zoo, ben je daar weer," riep zij uit, toen ze den kleinen jongen gewaar werd. "Waar heb je toch gezeten, Deugniet? Je vader is zóó ongerust. Juist is hij weer weggereden om de omstreken van den grooten vijver af te zoeken; 't is al het derde paard, dat hij sedert vanochtend berijdt. Als 't niet om je lieve moeder was geweest, van wie we allen zooveel houden, zou ik hem misschien wel geraden hebben nu maar rustig thuis te blijven en den Hemel te danken, dat hij van je af was.----Maar vertel me eerst eens gauw, waar je je moeder toch wel gelaten hebt!"
"Moeder is hier," riep Deugniet, geheel van streek, uit, ontsteld als hij was over den keer, dien de zaken nu schenen te nemen. "Hier is zij; ik ben aldoor bij haar gebleven."
"Foei, kind, houd dadelijk op met die flauwe grappen! Schaam je je niet, je moeder, op een oogenblik als dit, nu we allen buiten onszelf van ongerustheid over haar zijn, nog zoo te bespotten?----Ga maar gauw naar bed. Je zult wel aan rust toe zijn."
Toen Deugniets goede moeder over zijn bed hoorde spreken, herinnerde zij zich weer, wat zij met de fee overeengekomen was, en maakte een eind aan de woordenwisseling, door tot haar zoon te zeggen: "ja, ga naar bed, mijn jongen; je weet, dat de fee je dat nu heeft toegestaan. Je zult zoo moe wezen! Slaap zacht. Ik zal hier op je blijven wachten."
Hij wilde er wat tegen inbrengen, maar waarschuwend hief zij den vinger op en sprak met haar mooie, klankvol en welluidend gebleven stem niets anders dan dit ééne woord: "gehoorzaam!"
Bij 't vernemen van dit ernstige: "gehoorzaam!" doken tal van schrikwekkende herinneringen voor hem op. Gedwee boog hij 't hoofd en ging met Marianne mee, die hem wel wat hardhandiger aanpakte, dan noodig was.