Chapter 9
Tegen twaalf uur kwam Frieder naar huis. »Wel vrouw, wat heb je klaar gemaakt?« »Ach Friedertje, ik zou een worst braden, maar terwijl ik het bier aftapte, heeft de hond de worst weggehaald; en terwijl ik den hond achterna zat, is het vat leeggeloopen; en toen ik het bier met het tarwemeel opdroogde, heb ik de kan ook nog omgestooten. Maar de kelder is weer heelemaal droog.« Toen zei Frieder: »Katerliesje, Katerliesje, dat hadt je niet moeten doen! Je laat de worst opeten, het bier uit het vat loopen, en nu vermors je ook nog ons fijne meel!« »Ja, Friedertje, dat heb ik niet geweten; dat hadt je me ook moeten zeggen.«
De man dacht: »staat het zóó met de vrouw, dan moet ik mijn voorzorgen nemen.« Nu had hij een mooi stapeltje rijksdaalders bij elkaâr, die wisselde hij in voor goud, en hij zei tegen Katerliesje: »Zie je, dat zijn gele gokkels, die zal ik in een potje doen en in den stal achter de koeien begraven; maar kom er niet bij, want dan zou het misloopen.« »Neen Friedertje, dat zal ik zeker niet doen,« zei Katerliesje. Nu, toen dan Frieder weg was kwamen er marskramers met aardewerk in het dorp, en zij vroegen aan de jonge vrouw of zij niets te verhandelen had. »Och, lieve menschen,« zei Katerliesje, »ik heb geen geld en ik kan niets koopen; maar kun je soms gele gokkels gebruiken, dan koop ik wat.« »Gele gokkels, waarom niet, laat eens kijken.« »Ga dan naar den stal en graaf achter de koeien, daar kun je de gele gokkels vinden, maar ik mag er niet bijkomen.« De kerels gingen, en toen zij aan 't graven waren, vonden zij zuiver goud. Zij pakten het bij elkaar en liepen er gauw mee weg, de potten en pannen lieten zij staan. Katerliesje vond dat zij het nieuwe gerij ook gebruiken moest; maar zij had er in de keuken geen gebrek aan. Toen sloeg zij uit iedere pan den bodem, en stak ze allemaal als sieraad op de palen van het hek om het huis heen. Toen nu Frieder thuis kwam en de mooie pronk zag, zei hij: »Katerliesje wat heb je uitgevoerd?« »Dat heb ik gekocht Friedertje voor de gele gokkels van achter de koeien: maar ik ben er niet bij geweest hoor! de marskramers moesten ze netjes zelf opgraven.« »Och, vrouw, wat heb je nu weêr uitgehaald! Het waren geen gokkels, het waren goudstukken, ons heele vermogen; dat hadt je niet mogen doen!« »Ja, Friedertje, dat heb ik niet geweten, dat hadt je mij moeten zeggen.« Katerliesje stond een poosje te denken, toen zeide ze: »hoor eens Friedertje, dat goud zullen wij wel weer terug krijgen, wij zullen de dieven achterna loopen.« »Kom dan maar,« zei Frieder, »dan zullen wij 't probeeren; maar, neem boter en kaas meê, dat wij onderweg iets te eten hebben.« »Ja, Friedertje, ik zal het meênemen.« Zij gingen op weg, maar Frieder was vlugger ter been en daarom kwam Katerliesje achteraan. »Dat komt voor mij goed uit,« dacht ze, »want als wij omkeeren ben ik een heel eind vóór.« Nu ging het een berg op, en aan beide kanten van den weg waren diepe wagensporen. »Kijk nu toch eens aan,« zei Katerliesje, »hoe ze mij dat arme aardrijk, verscheurd en beschadigd en ingedrukt hebben! Dat wordt van zijn leven niet weêr goed,« en de meêlijdende ziel nam haar boter en bestreek er rechts en links de wagensporen meê, dan zouden ze niet zoo 'n last van het drukken van de wagens hebben. En toen zij in haar barmhartigheid zoo neêrbukte, viel er een kaas uit haar zak en rolde den berg af. Toen zei Katerliesje: »ik ben al ééns naar boven geklommen, een tweede keer bedank ik er voor; dan mag hem een ander achterna gaan en terughalen.« Zij nam dus een tweede kaas en rolde hem naar beneden. De twee kazen kwamen niet terug, en toen liet ze nog een derde den berg afrollen, want ze dacht: »mogelijk wachten ze op gezelschap, ze gaan zeker liever niet alléén.« Toen ze nu alle drie wegbleven zei ze: »wat moet dàt nu weêr beteekenen! Maar 't kon wel dat de derde verdwaald is, dan zal ik de vierde maar achterna sturen, die kan ze dan bij elkaâr zoeken.« Maar met de vierde ging het niet beter dan met de derde. Toen werd Katerliesje kwaad, en gooide de vijfde en de zesde ook nog achterna en dat waren de laatsten. Zij bleef eerst een poosje wachten, om te zien of zij nog komen zouden en toen zei ze: »Jelui bent pas goed om op mageren Hein uit te sturen zoo netjes lang als je uitblijft! dacht je soms dat ik nog langer zou wachten? Ik ga mijn weg; jelui hebt jonger beenen dan ik, loop mij dan maar na.« Katerliesje ging, en zij vond Frieder, die was blijven staan om op haar te wachten, want hij wou graag wat eten. »Geef nu maar eens hier wat je hebt meêgenomen.« Zij reikte hem het droge brood. »Waar zijn de boter en de kaas?« vroeg de man. »Och, Friedertje, met de boter heb ik de wagensporen ingesmeerd, en de kazen zullen wel gauw komen; de eene liep weg, en toen heb ik de anderen achterna gestuurd, om hem te roepen.« Toen zei Frieder: »Dat hadt je niet moeten doen Katerliesje, de boter aan den weg smeren, en de kaas den berg afrollen.«
»Ja, Friedertje, dat hadt je mij dan maar moeten zeggen.«
Zoo aten ze samen het droge brood, en Frieder zei: »Katerliesje, heb je ons huis wel verzekerd toen je bent weggegaan?« »Neen, Friedertje, dat had je me eerst moeten zeggen.« »Ga dan weer terug, en verzeker het huis, voor wij verder gaan; en breng dan ook wat ander eten meê; ik zal hier op je wachten.« Katerliesje ging terug, en zij dacht: »Friedertje wil ander eten hebben, boter en kaas smaakt hem zeker niet; dan zal ik een doek vol hussen en een kruik azijn meênemen.« Toen grendelde zij de bovendeur, maar de onderdeur lichtte zij er uit, en droeg hem op haar schouders, want ze dacht, als ze de onderdeur in veiligheid bracht, dan zou het huis wel goed bewaard zijn. Katerliesje haastte zich niet onder weg, en toen ze weer bij Frieder was, zei ze: »Daar Friedertje heb jij de deur, nu kun je zelf op het huis passen.« »O, lieve Heer nog toe,« zei hij, wat heb _ik_ een slimme vrouw! die neemt de onderdeur er uit, dat ieder naar binnen kan loopen, en van boven grendelt zij hem dicht! Het is nu te laat om nog weêr naar huis te gaan, maar heb je de deur meêgebracht dan mag je hem ook zelf dragen.« »De deur zal ik dragen, Friedertje, maar de hussen en de azijnkruik worden mij te zwaar, die hang ik aan de deur, dan kan die ze dragen.«
Ze gingen nu het bosch in, en zochten naar de dieven, maar zij vonden hen niet. Toen het eindelijk te donker was, klommen zij in een boom, en wilden daar overnachten. Nauwelijks waren ze boven, of daar kwamen de kerels, die dragen wat niet loopen wil, en de dingen vinden vóór ze verloren zijn. Zij bleven onder denzelfden boom, maakten een vuur aan en wilden den buit verdeelen. Frieder klom aan den anderen kant van den boom af om steenen te rapen, en de dieven er mee dood te gooien. Maar de steenen troffen niet en de kerels riepen: »Het wordt al morgen, de wind schudt de pijnappels van de boomen.« Katerliesje had nog altijd de deur op haar schouder, en omdat die zoo zwaar drukte, dacht zij dat het van de hussen kwam en zij zei: »Ik wou de hussen weggooien.« »Neen, Katerliesje, dat moet je niet doen, zij zouden ons verraden.« »Ach, Friedertje ik moet wel, zij zijn zoo zwaar.« »Nu, doe het dan maar in God's naam!« De hussen rolden tusschen de takken door en de dieven riepen: »de vogels mesten!« Een poosje daarna toen de deur nog altijd drukte zei Katerliesje: »och, Friedertje, ik moet de azijn uitgieten.« »Neen, Katerliesje, dat moet je niet doen, het zou ons kunnen verraden.« »Ach Friedertje het moet wel, hij drukt mij zoo zwaar.« »Doe het dan maar in God's naam!« Ze goot de azijn uit, dat de kerels er mee bespat werden, en zij zeiden: »de dauw sijpelt al van de boomen.«
Eindelijk dacht Katerliesje: »zou het misschien de deur zijn die zoo zwaar is?« en ze zei: »Friedertje, ik moet de deur naar beneden gooien.« »Neen Katerliesje, nu niet, dat zou ons kunnen verraden.« »Ach, Friedertje, het moet, ze is zoo zwaar!« »Neen, Katerliesje, hou ze maar goed vast.« »O, Friedertje, ik laat ze toch vallen!« »Laat ze dan vallen, voor den duivel!« zei Frieder boos! Toen viel de deur met een geweldig lawaai, en de kerels riepen: »de duivel komt uit den boom!« ze renden weg en lieten alles in de steek. 's Morgens toen de twee naar beneden kwamen, vonden ze al hun goud terug en namen het meê naar huis.
Toen ze thuis waren zei Frieder: »Katerliesje, nu moet je vlijtig zijn en werken.« »Ja, Friedertje, dat zal ik doen, ik zal naar het land gaan en 't koren snijden.« Toen Katerliesje op het land was zei ze in zich zelf: »Wat doe ik nu eerst, eet ik voor ik ga snijden, of snij ik voor ik ga eten? Kom, ik zal eerst eten.« Ze ging eten en werd gaandeweg slaperig en toen begon ze te snijden, en half slapend sneed ze al haar kleêren kapot, haar schort en haar rok en hemd. Toen ze na lang slapen weêr wakker werd, was ze half naakt, en ze dacht: »Ben ik het, of ben ik het niet? och, ik ben het niet!« Intusschen was het nacht geworden en zij liep het dorp in en klopte bij haar man aan het raam en ze riep: »Friedertje!« »Wat is er?« »Is Katerliesje soms binnen?« »Ja, ja,« zei Frieder, »die is zeker binnen en ligt te slapen!« Toen zei ze: »dan ben ik het zeker niet,« en ze liep weg.
Buiten vond ze dieven die gingen stelen, zij ging bij hen en zei: »ik zal jelui helpen stelen.« De dieven dachten, zij zou de plaats wel goed kennen en vonden het best. Katerliesje ging naar de huizen en riep: »Menschen heb jelui wat, wij willen stelen!« »Dat zal goed gaan,« dachten de dieven en ze wilden Katerliesje wel graâg weêr kwijt zijn. Daarom zeiden ze: »de dominee heeft rapen op het land, buiten het dorp, haal ons wat rapen!« Katerliesje ging en begon de rapen uit te trekken, maar ze was te lui om ze naar boven te halen. Toen kwam er een man voorbij, die zag het en bleef stil staan en hij dacht, dat het de duivel was, die zoo in de rapen wroette. Hij liep naar den dominee en zeî: »Dominee, de duivel is in je rapenland en hij trekt de rapen uit.« »Och, Heer,« zei de dominee, »ik heb een pijnlijke voet, en nu kan ik niet naar buiten om den duivel weg te bannen.« Toen zei de man: »dan zal ik je voortduwen,« en hij duwde hem voort. Toen ze bij het land kwamen, kwam Katerliesje in de hoogte en rekte zich uit. »O, de duivel!« riep de dominee, en ze holden allebeî weg, en de dominee kon met zijn zeeren voet nog harder loopen dan de man, die hem had voortgeduwd met zijn heele beenen.
LX.
DE TWEE BROEDERS.
Er waren eens twee broeders: een rijke en een arme. De rijke was een goudsmid en had een boos hart, de arme leefde van bezembinden, en die was goed en verstandig. De arme had twee kinderen, het waren tweelingbroeders, en zij leken op elkaar, als de eene waterdruppel op de andere. De twee jongens kwamen en gingen in het huis van den rijke en kregen dikwijls goed eten van den afval. Nu gebeurde het eens, dat de arme man toen hij het bosch inging om rijsjes, een vogel zag, heelemaal van zuiver goud en zóó mooi als hem nog nooit iets onder de oogen was gekomen. Hij raapte een steentje op en gooide het naar den vogel en hij trof hem ook; maar er viel alléén een gouden veêrtje, en de vogel vloog weg. De man nam het veertje en bracht het aan zijn broeder; die bekeek het en zei; »het is zuiver goud;« en hij gaf hem veel geld er voor. Den volgenden dag klom de man in een berkenboom en wilde een paar takken afhakken; toen vloog dezelfde vogel uit dien boom; de man zocht, en vond een nest en er lag een gouden ei in. Hij nam het ei en bracht het zijn broeder en weêr zei die: »het is zuiver goud,« en hij gaf hem de waarde in geld. Eindelijk zei de goudsmid: »Ik zou den vogel zelf wel willen hebben.« De arme man ging weêr het bosch in, en ten derden male zag hij den gouden vogel op een boom zitten. Toen nam hij een steen en trof hem, dat hij naar beneden viel. Hij bracht hem zijn broeder, en die gaf hem een groote hoop geld in de plaats. »Nu kan ik mij redden!« dacht hij, en ging tevreden naar huis.
De goudsmid was listig en slim, en hij wist wel wat het voor een vogel was. Hij riep zijn vrouw en zei: »braad mij dien vogel en zorg, dat er niets van verloren gaat; ik heb zin hem heelemaal alléén op te eten.« Het was namelijk geen gewone vogel, maar een van wonderbare geaardheid: wie zijn hart en lever had gegeten kon iederen morgen een goudstuk onder zijn hoofdkussen vinden. De vrouw maakte den vogel schoon, stak hem aan het spit, en liet hem braden. Maar nu gebeurde het, dat terwijl hij voor het vuur stond, en de vrouw voor een andere bezigheid even uit de keuken weg was, de twee kinderen van den armen bezembinder naar binnen liepen; zij gingen bij het spit staan en draaiden het een paar maal rond. En toen er nu juist een paar stukjes van den vogel in de pan vielen zei de eene: »laten wij die paar stukjes eten, ik heb zoo'n honger en niemand zal het merken.« Toen aten zij samen de stukjes op; maar de vrouw kwam juist binnen en zag dat zij wat aten en ze zeide: »wat eet jelui daar?« »Een paar stukjes, die van den vogel zijn afgevallen.« »Dat moet het hart en de lever geweest zijn,« zei de vrouw, erg verschrikt, en omdat haar man ze niet missen zou en boos worden, slachtte zij gauw een haantje, nam er hart en lever uit en legde die bij den goudvogel. Toen hij gaar was, droeg zij hem op voor den goudsmid, die hem heelemaal opat, en niets overliet. Maar toen hij den volgenden morgen onder zijn kussen keek en een goudstuk voor den dag dacht te halen, was er evenmin een te vinden als in vroeger dagen. Maar de kinderen wisten niet wat voor een groot geluk hun gebeurd was: toen zij den volgenden ochtend opstonden, viel er iets klinkends op den grond, en toen zij het opraapten waren het twee goudstukken. Zij brachten ze hun vader; hij was erg verwonderd en zei: »wat zou dat wel voor een wonder zijn!«
Maar toen zij er den volgenden morgen en verder iederen dag, weer twee vonden, ging hij naar zijn broeder en vertelde hem de vreemde gebeurtenis. De goudsmid begreep in ééns hoe het gegaan was, en in zijn hardvochtigheid en nijd sprak hij tot den vader: »Je kinderen staan met den Booze in verband; neem het goud niet, maar stuur ze weg; want hij heeft macht over hen, en zou ook jou kunnen verderven.« De vader vreesde den Booze, en hoe hard het hem ook viel, hij bracht de tweelingen buiten in het bosch en liet hen daar alléén; maar zijn hart was bedroefd.
Nu dwaalden de twee kinderen in het bosch rond; zij zochten den weg naar huis, maar zij vonden dien niet en verwarden zich meer en meer. Eindelijk ontmoetten zij een jager. Hij vroeg: »bij wie hoor jelui thuis, kinderen?« »Wij zijn de kinderen van den armen bezembinder,« antwoordden zij, en zij vertelden, dat hun vader hen verlaten had, omdat er iederen ochtend een goudstuk onder hun kussen lag. Nu was de jager een goed man, en de kinderen bevielen hem; hij nam hen daarom meê naar huis en zeî: »ik zal jelui vader zijn en je groot brengen.« Zij leerden toen bij hem het jagersvak; en het goudstuk dat zij 's morgens vonden, bewaarde hij voor hen als zij het later noodig mochten hebben. Toen zij nu opgegroeid waren, nam de jager hen op een dag meê in het bosch en sprak: »Heden zul jelui je proefschot doen, dat ik je vrij kan laten en tot jagers maken.« Zij wachtten op die plaats, en zij wachtten lang, maar er kwam geen wild. De jager keek toen naar boven in de lucht, en hij zag een vlucht wilde ganzen, die een driehoek maakten. »Schiet er nu uit iederen hoek één weg,« zei hij tegen den eenen jongen. Die deed het, en zijn proefschot was gelukt. Kort daarop kwam er weêr een vlucht; die vormden het cijfer twee; daarvan moest de andere er uit iederen hoek een wegschieten, en zijn proefschot gelukte ook. Nu zei de pleegvader: »Ik spreek jelui vrij: je zijt volleerde jagers.« Daarop gingen de twee jongens in het bosch, beraadslaagden samen en spraken iets af.
En toen zij zich 's avonds aan tafel gezet hadden om te eten, zeiden zij tot hun pleegvader: »wij roeren het eten niet aan, voor gij ons eerst een belofte gegeven heb.« »Wat is dan die belofte?» Zij antwoordden: »wij zijn nu volleerd, en nu moeten wij de wereld in; laat ons gaan en rondtrekken.« Toen zei de oude verheugd: »Je spreekt als dappere jongens; ik heb het zelf ook gewenscht. Trek heen, het zal jelui goed gaan!« Daarop aten en dronken zij vroolijk te zamen. Toen de bepaalde dag kwam, kregen zij van hun pleegvader ieder een goed geweer en een hond, en zij mochten van hun gespaarde goudstukken zooveel meenemen als zij wilden. Hij ging toen nog een stuk weg met hen mee, en bij het afscheid gaf hij hun nog een blinkend mes: »als je eens ieder je weg gaat,« zei hij, »stoot dan dit mes aan den kruisweg in een boom, dan kan degeen die terugkomt, zien hoe het zijn afwezigen broeder gegaan is; want de kant naar welken hij heen getrokken is roest als hij sterft; maar zoolang hij leeft, blijft zij blank.« De twee broeders gingen en zij kwamen in een groot bosch, zóó groot, dat zij er onmogelijk in één dag weer uit konden. Zij bleven er dus 's nachts en aten wat zij in hun knapzak bij zich hadden. Zij liepen ook nog den tweeden dag, maar kwamen er niet uit, en hadden niets te eten. Toen zei de ééne: »wij moeten wat schieten, anders lijden wij honger;« hij laadde zijn geweer en keek om zich heen. Er kwam een oude haas geloopen, daarop legde hij aan; maar de haas riep:
«Lieve jager laat mij leven, 'k Zal u ook twee jongen geven,«
en zij sprong het bosch in en bracht twee jongen; maar de beestjes waren zoo aardig en speelden zoo vroolijk, dat de jongens het hart niet hadden ze te dooden. Ze hielden ze bij zich, en de kleine haasjes volgden hen op den voet. Kort daarop kwam een vos; dien wilden zij toen schieten; maar de vos riep:
«Lieve jager laat mij leven, 'k Zal u ook twee jongen geven,«
en hij bracht twee kleine vosjes; de jagers konden die ook niet dooden en gaven ze de haasjes als gezelschap, en de vosjes volgden hen ook. Het duurde niet lang of er kwam een wolf; hij zou geschoten worden, maar hij vroeg om zijn leven en riep:
»Lieve jager laat mij leven, 'k Zal u ook twee jongen geven.«
De twee jonge wolven werden bij de andere dieren gedaan en volgden ook. Daarop kwam een beer, die wou nog wat langer blijven ronddraven en hij riep:
»Lieve jager laat mij leven, 'k Zal u ook twee jongen geven.«
De twee beertjes kwamen ook bij de anderen. Wat kwam er toen?--Er kwam een leeuw. De eene jager legde op hem aan, maar ook de leeuw sprak:
«Lieve jager laat mij leven, 'k Zal u ook twee jongen geven.«
Nu hadden de jongens: twee leeuwen, twee beren, twee wolven, twee vossen en twee hazen, en ze liepen alle met hen meê en dienden hen. Maar hun honger was nog niet gestild, en zij zeiden tegen de vossen: »Hoor eens, jelui sluipers, zoek ons eens wat te eten, jelui zijt slim en uitgeslapen.« Zij antwoordden: »niet ver van hier is een dorp, daar hebben wij al menig hoentje vandaan gesleept; wij zullen u den weg wijzen er heen.« Zoo gingen zij naar het dorp en kochten eten, hunne dieren lieten zij ook voederen, en toen trokken ze verder.
De vossen waren goed op de hoogte van de plaatsen waar kippen gehouden werden, en konden de jongens overal terecht wijzen.
Zij trokken nu een tijdje rond, maar zij konden geen betrekking vinden, waar zij te zamen konden blijven; toen zeiden zij: Het gaat niet anders, wij zullen moeten scheiden. Zij verdeelden toen de dieren, zoodat ieder een leeuw, een beer, een wolf, een vos en een haas kreeg en toen namen zij afscheid. Broederliefde tot in den dood beloofden zij elkander, en het mes, dat hun hun pleegvader gaf, staken zij in een boom; toen trok de een naar het oosten, de andere naar het westen.
De jongste kwam met zijn dieren in een stad, die met zwart floers geheel behangen was. Hij ging in een logement en vroeg den waard of hij ook zijn dieren kon herbergen. De waard gaf hun een stal, waar een gat in den muur was. De haas kroop er door en haalde een kool, de vos haalde een hoen, en toen hij dat op had, ook nog den haan. Maar de wolf, de beer en de leeuw waren te groot en konden er niet uit. Toen liet de waard hen in de wei brengen, waar een koe stond te grazen, dat zij hun genoegen konden eten. Toen de jager eerst zijn dieren verzorgd had, vroeg hij pas aan den waard, waarom de stad zoo met floers behangen was. »Omdat morgen 's koning's éénige dochter sterven moet,« zei toen de waard. »Is zij dan zóó zwaar ziek?« »Neen,« sprak de waard, »zij is heel gezond, maar zij moet toch sterven.« »Hoe dat zoo?« vroeg de jager. »Buiten voor de stad is een hooge berg, daar woont een draak, die moet alle jaar een reine jonkvrouw hebben, of hij verwoest het gansche land. Nu zijn alle jonkvrouwen geofferd; er is er geene meer dan de koningsdochter, maar zonder genade moet zij ook worden gegeven, en dat zal morgen gebeuren.«
»Maar waarom wordt de draak niet gedood?« sprak toen de jager. »Ach,« zei de waard, »zooveel ridders beproefden het, maar het kostte allen het leven. De koning belooft hem, die den draak doodt, zijn dochter tot vrouw, en na zijn dood het rijk als erfgoed.»
De jager zeide toen niets meer, maar den volgenden dag nam hij zijne dieren mee en besteeg den drakenberg. Op den top stond een klein kerkje en voor het altaar stonden drie gevulde bekers; daarbij stond geschreven: »wie de bekers uitdrinkt, wordt de sterkste man op aarde, en zal het zwaard dragen, dat voor den drempel begraven ligt.« De jager dronk niet, maar ging naar buiten en zocht in den grond naar het zwaard, maar hij kon het niet van de plaats bewegen. Toen ging hij binnen en dronk de bekers leeg, nu was hij sterk genoeg om het zwaard op te lichten, en zijn hand kon het gemakkelijk zwaaien. Toen het uur kwam, dat de jonkvrouw den draak moest geofferd worden, geleidde haar de koning, de maarschalk en het geheele hof naar buiten. Zij zag van verre den jager op den drakenberg, en meende, dat daar de draak stond en haar wachtte, en zij wilde niet naar boven; maar toch moest zij eindelijk den zwaren gang doen, opdat niet de geheele stad verloren zou gaan.
De koning en het hof keerden in groote rouw en droefenis terug, maar 's konings maarschalk zoude blijven staan en uit de verte toezien.