Sprookjes: Tweede verzameling

Chapter 14

Chapter 142,440 wordsPublic domain

De looper en de prinses kregen nu ieder een kruik en ze begonnen te gelijkertijd te loopen; maar in een oogenblik, toen de prinses nog pas een heel klein eindje weg was, kon de looper al niet meer zien waar de toeschouwers stonden, het was of de wind voorbij suisde. Hij was in heel korten tijd bij de bron, schepte de kruik vol water, en keerde weer om. Maar midden op den terugweg overviel hem de vermoeidheid; hij zette toen de kruik neer, ging liggen en sliep in. Hij had zich met het hoofd op een paardenschedel gelegd, zoodat hij gauw wakker kon worden. Intusschen was de prinses, die ook goed loopen kon, zoo goed als een gewoon mensch het kan, bij de bron aangekomen en liep met haar kruik vol water terug; toen zag zij den looper liggen slapen, en ze had schik en dacht: »de vijand is in mijn hand; zij liet zijn kruik leeg loopen en sprong weg. Nu zou alles verloren zijn geweest, als niet gelukkig, de jager met zijn scherpe oogen, boven op het slot gestaan had, en alles had gezien, »die prinses zal toch ons niet de baas zijn!« zeide hij, en hij laadde zijn geweer, en schoot zóó handig, dat hij den looper den paardenschedel onder het hoofd wegschoot, zonder hem pijn te doen. Toen werd de looper wakker en sprong op; en toen zag hij dat zijn kruik leeg was, en de prinses al een heel eind weg. Doch hij verloor den moed niet, pakte de kruik op, liep weer naar de bron, en schepte opnieuw water, en toen was hij nog tien minuten vóór de prinses weer terug, en hij won haar dus voor zijn meester. »Zie jelui,« zei hij, »nu heb ik pas mijn beenen gebruikt, het vorige kon je geen loopen noemen.«

Maar den koning ergerde het, en zijn dochter nog meer, dat zij met zoo'n gewonen afgedankten soldaat mee zou moeten, en zij beraadslaagden samen, hoe zij van hem en van zijn gezellen zouden afkomen. »Ik weet een middel!« zei de koning eindelijk, »wees maar niet bang, zij zullen niet meer hier terug komen.«

En hij sprak tot hen: »Nu moet jelui samen eerst eens vroolijk zijn en eten en drinken,« en hij bracht hen naar een vertrek, dat had een ijzeren vloer, en de deuren waren van ijzer en de venster met ijzeren staven verzekerd. In dat vertrek stond een tafel, vol met de kostelijkste gerechten. »Ga maar naar binnen,« zei de koning, »en laat het je smaken.« Toen zij nu binnen waren liet hij de deuren afsluiten en grendelen. Hij liet daarna den kok komen, en gaf hem bevel, zóó lang onder den vloer te stoken tot het ijzer gloeiend zou zijn. Dat deed de kok en de zes begonnen het aan tafel flink warm te krijgen. Zij dachten, dat het door het eten kwam; maar toen de hitte al grooter werd, dat zij er uit wilden, en toen deuren en vensters gesloten vonden, begrepen zij, dat de koning kwaad in den zin had, en hen wilde laten stikken.

»Maar dat zal hem niet lukken,« zei die met het hoedje; »ik zal het laten vriezen dat het vuur zich er voor schamen zal, en wegkrimpen.« Hij zette zijn hoedje recht, en plotseling was het met alle hitte gedaan, en de spijzen bevroren in de schotels. Toen er nu een paar uur verloopen waren, dacht de koning, dat ze wel gestikt zouden zijn in de hitte, en hij liet de deur openen en wilde zelf gaan zien. Maar toen de deur open ging, stonden ze daar alle zes paraat, en zeiden, dat zij blij waren, dat zij er uit konden om zich eens te warmen; want door de hevige kou in de kamer, was het eten bevroren in de schotels. Toen ging de koning woedend naar den kok en vroeg waarom hij zijn bevelen niet had gehoorzaamd. Maar de kok antwoordde: »er is gloed genoeg, kijk zelf maar.«

En de koning zag, dat er een geweldig vuur onder de ijzeren kamer brandde, en toen begreep hij, dat hij op deze manier het met de zes niet klaar zou spelen.

Nu begon hij opnieuw te verzinnen, hoe hij de lastige gasten kwijt zou kunnen worden, en hij liet den meester komen en sprak: »wil je goud hebben en dan je aanspraak op mijn dochter opgeven? dan kun je zooveel krijgen als je wilt.« En hij antwoordde: »ja, heer koning, geef mij zooveel als mijn dienaar dragen kan, dan verlang ik uw dochter niet meer.« Dat vond de koning goed, en de andere zei toen verder: »Over veertien dagen zal ik het komen halen.« Nu liet hij alle kleermakers uit het heele rijk bij elkaar komen, die moesten veertien dagen samen zitten naaien aan een zak. En toen die zak klaar was, moest de sterke, die boomen uit kon trekken, de zak op zijn schouders nemen, en er mee naar den koning gaan.

De koning zei: »wat is dat voor een geweldige kerel, die daar die baal linnen op zijn rug draagt zoo hoog als een huis?« en hij kreeg een schrik, want hij dacht: »wat zal die een goud meesleepen!« Hij liet een ton gouds komen; zestien van de sterkste mannen moesten die dragen, maar de sterke pakte hem met één hand, en duwde hem in den zak: »waarom breng jelui niet wat meer tegelijk?« vroeg hij toen, »het bedekt den bodem nauwelijks!« En de koning zag gaandeweg zijn heele schatkist in de zak verdwijnen, en die was toen nog niet half vol. »Breng meer tegelijk!« riep de sterke, »met die beetjes krijg ik hem niet vol!« Toen moesten er nog zeven duizend wagens met goud, uit het geheele rijk bijeen gereden worden, en de sterke schoof ze met de ossen, die er voorgespannen waren er bij, in de zak. »Ik zal maar niet te precies zijn,« zei hij, »en nemen wat komt, dat ik de zak ten minste vol krijg.« Toen dat alles er in was, kon er nog veel meer bij en toen zei hij: »ik zal er maar een eind aan maken; er wordt wel meer een zak toegebonden, al is hij nog niet heelemaal vol.« Hij gooide hem toen over den schouder en ging met zijn gezellen weg.

Toen de koning nu zag, hoe die ééne man al de schatten van het rijk wegdroeg, werd hij toornig, en liet zijn ruiterij opzitten, die moesten de zes nazetten, en den sterke de zak weer afnemen. Twee regimenten hadden hen spoedig ingehaald en riepen hun toe:

»Gij zijt onze gevangenen, leg de zak met goud neer of ge wordt neergesabeld!« »Wat zeg jelui?« riep de blazer: »zijn wij gevangenen? eerder zul jelui allemaal samen in de lucht rond dansen!« en hij hield een neusgat dicht, en blies met het andere naar de twee regimenten; zij stoven uit elkaar, en de lucht in, over alle bergen, ieder een kant uit. Een sergeant riep om genade: »hij had negen wonden, hij was een brave kerel, hij verdiende die schande niet.« Toen hield de blazer eventjes op, zoodat hij zoetjes en zonder verlet neerzakte, en hij sprak tot den sergeant: »nu ga jij naar den koning en je zegt maar dat hij nog meer ruiterij kan sturen, dan zal ik ze allemaal in de lucht blazen.« Toen de koning die boodschap kreeg, zeide hij: »Laat hen gaan, 't is met hen niet pluis.«

En de zes kwamen met hunne rijkdommen thuis, verdeelden ze, en leefden genoegelijk tot aan hun dood.

LXXII

DE WOLF EN DE MENSCH.

De vos vertelde eens aan den wolf hoe sterk wel de mensch was: geen dier kon tegen hem op, en er moest list gebruikt worden om zich tegen hem staande te houden. Toen antwoordde de wolf: »als ik maar eens een mensch te zien kreeg, zou ik wel op hem los gaan.« »Daar kan ik je mee dienen,« zei de vos, »kom morgen vroeg maar bij mij, dan zal ik je er een laten zien.« De wolf was al vroeg op zijn post, en de vos bracht hem op den weg, waar alle dag de jager voorbij ging. Eerst kwam een afgedankte soldaat. »Is dat een mensch?« vroeg de wolf. »Neen, dat is er een geweest.« Toen kwam een kleine jongen. »Is dat een mensch?« »Neen, die moet er nog een worden.« Eindelijk kwam de jager, de buks met dubbelen loop op den schouder, het jachtmes op zij. Nu zei de vos tegen den wolf: »Kijk daar komt een mensch, ga daar nu maar op los, maar ik maak, dat ik in mijn hol kom.« De wolf ging nu op den mensch los. Toen de jager hem zag, dacht hij: »jammer, dat ik geen kogel op mijn buks heb,« hij legde aan en schoot den wolf den hagel in het gezicht. De wolf grijnsde leelijk; maar hij liet zich niet van de wijs brengen, en ging recht vooruit; toen kreeg hij een tweede lading. De wolf verbeet de pijn, en wou den jager te lijf; die trok toen het blanke jachtmes, en gaf hem een paar houwen links en rechts, dat hij bloedend en huilend naar den vos afzakte. »Wel broeder wolf,« zei die, »heb je het met den mensch klaargespeeld?« »Och neen,« zei de wolf, »zoo heb ik mij de sterkte van den mensch niet voorgesteld; eerst nam hij een stok van zijn schouder, en daar blies hij in, en er vloog mij iets in mijn gezicht, dat verschrikkelijk kietelde; toen heeft hij nog eens in den stok geblazen, en 't ratelde om mijn neus als bliksem en hagel; maar toen ik heel dicht bij hem was, trok hij een blanke rib uit zijn lijf, en daar heeft hij mij zóó mee geslagen, dat ik haast dood ben blijven liggen.«

»Nu zie je,« zei de vos, »wat een pocher je bent, je gooit je bijl zóó ver weg, dat je hem niet meer terug kunt halen.«

LXXIII.

DE WOLF EN DE VOS.

De wolf had den vos bij zich; en wat de wolf wilde, dat moest de vos doen; want de vos was de zwakste, en hij was graag zijn meester kwijt geweest. Het gebeurde eens, dat zij samen in het bosch liepen; de wolf zei: »Rooievos, schaf eten, óf ik eet jou!« En de vos antwoordde: »ik weet een boerensteê, waar jonge lammeren zijn, als je zin hebt zullen wij er een gaan halen.« De wolf vond het goed en zij gingen op weg. De vos stal het lammetje, bracht het voor den wolf en ging aan den haal. De wolf at het op, maar hij was nog niet voldaan en ging een tweede halen. Maar hij deed het zoo onbekookt, dat de moeder van het lammetje het bemerkte, en verschrikkelijk begon te schreeuwen en te blaten, zoodat de boeren kwamen aangeloopen. Zij pakten den wolf en sloegen hem zoo erbarmelijk, dat hij hinkend en huilend bij den vos aankwam. »Je hebt mij eens mooi er in laten loopen; ik wilde een tweede lam halen, en toen hebben de boeren mij betrapt en zij hebben mij murw geslagen.« De vos antwoordde: »waarom ben je ook zoo'n veelvraat!« Den volgenden dag gingen zij weer naar buiten, en de onverzadelijke wolf zei weer: »Rooievos schaf eten, of ik eet jou.« En de vos antwoordde: »ik weet een boerderij, daar bakt de vrouw van avond pannekoeken, daar zullen wij er van gaan halen.« Zij gingen er heen, en de vos sloop rond het huis, en snoof en snuffelde zoolang, tot hij uitvond waar de schotel stond; hij haalde er zes pannekoeken af, en bracht ze aan den wolf. »Daar heb je te eten,« zei hij, en maakte rechts omkeert. De wolf had in een oogenblik de pannekoeken opgeslokt, »zij smaken naar meer,« zei hij, en hij trok zoo maar den heelen schotel naar beneden, dat hij in scherven viel. Dat maakte zoo'n helsch lawaai, dat de vrouw kwam aangeloopen, en toen zij den wolf zag, riep zij het manvolk, die gaven hem er zoo van langs, dat hij met lamme pooten en luid jammerend bij de vos in het bosch kwam.

»Wat heb je mij nu weer voor een poets gebakken! de boeren hebben mij gesnapt en mij de huid vol geslagen!« Maar de vos antwoordde: »waarom ben je ook zoo'n veelvraat.«

Den derden dag waren zij weer samen er op uit, en de wolf hinkte met moeite, maar toch zei hij weer: »Rooievos, schaf eten, of ik eet jou!« De vos antwoordde: »ik weet een man, die geslacht heeft; en het gepekelde vleesch ligt in een vat in de kelder, dat zullen wij gaan halen.« »Maar ik zal dadelijk meegaan,« zei de wolf, »dan kun je mij helpen, als ik niet meer voort kan.« »Mij goed,« zei de vos, en hij wees hem allerlei sluipwegen om in de kelder te komen. Daar was vleesch in overvloed, en de wolf viel dadelijk aan en dacht: vooreerst schei ik nog niet uit.« De vos at ook smakelijk, maar gluurde aanhoudend rond, en liep dikwijls naar het gat, waar zij doorgekomen waren, en hij probeerde of zijn lijf nog dun genoeg was om er door te kruipen. »Lieve vos,« zei de wolf, »waarom zie je toch zoo rond en kruipt in en uit?«

»Ik moet toch kijken of er niemand komt,« zei de rakker, »eet maar niet te veel.« »Ik ga niet weg, voordat het vat leeg is,« zei de wolf. Op eens kwam de boer in de kelder; hij had het leven gehoord, van het uit en inspringen van den vos. De vos zag hem, en was in één sprong buiten. De wolf wilde hem achterna, maar hij had zich zóó dik gegeten, dat hij er niet meer door kon, en bleef steken. Toen nam de boer zijn knuppel en sloeg hem dood. Maar de vos liep het bosch in, en was blij, dat hij van den ouden veelvraat verlost was.

Einde

INHOUD.

De kleermaker in den hemel Tafeltje dek je, Goudezel, en Knuppel uit de zak Duimpje De bruiloft van vrouw Vos De Kaboutertjes De Rooverbruigom Mijnheer Korbes De Peet Vrouw Trude Peet de Dood Hoe Duimpje op reis ging Fitscher's Vogel Van den Amandelboom De oude Sultan De zes Zwanen Doornenroosje Vogelbuit Koning Lijsterbaard Sneeuwwitje De Ransel, het Hoedje en het Hoorntje Rompelsteeltje De liefste Roland De gouden Vogel De Hond en de Musch Frieder en Katerliesje De twee Broeders Het Boerke De Bijenkoningin De drie Veeren De gouden Gans Albontje Hazebruidje De twaalf Jagers De Gauwdief en zijn Meester Jorinde en Joringel De drie Gelukskinderen Hoe er zes door de wereld kwamen De Wolf en de Mensch De Wolf en de Vos