Chapter 13
Er was eens een koningszoon; hij had eene bruid en had haar zéér lief. Toen hij nu bij haar zat, en heel vergenoegd was, kwam het bericht, dat zijn vader doodziek lag en hem vóór het einde nog wenschte te zien. Toen sprak de prins tot zijn liefste: »ik moet nu heêngaan, ik moet je verlaten; nu geef ik je een ring tot aandenken. Als ik koning ben, kom ik terug en haal je thuis als mijn bruid.« Hij reed nu weg, en toen hij bij zijn vader kwam vond hij hem den dood nabij. «Liefste zoon,« zei de oude koning, »ik heb je voor mijn dood nog eens willen zien, beloof mij, dat je een vrouw zult nemen naar mijn wensch.» En hij noemde eene prinses, die de prins zou trouwen. De zoon was zóó bedroefd, dat hij er in 't geheel niet met zijn gedachten bij was, en hij zeide: »ja, lieve vader, zooals het uw wil is, zal het gebeuren.» Toen sloot de koning de oogen en stierf.
Toen nu de prins tot koning was uitgeroepen, en de rouwtijd voorbij was, moest hij de belofte houden, die hij zijn vader had gedaan; hij liet om de konings- dochter vragen en zij werd hem ook toegezegd. Dat hoorde zijn eerste bruid, en zij leed zóózeer onder zijn ontrouw, dat zij bijna verging. Toen sprak haar vader tot haar: »Mijn lief kind waarom ben je zoo treurig? wat je wenscht zal toch immers gebeuren?« Zij bedacht zich een oogenblik, toen zeide zij: »lieve vader, ik zou een meisje wenschen, volkomen aan mij gelijk in gelaat, en gestalte en gang.« »Als het mogelijk is wordt die wensch vervuld,« zei de koning, en hij liet zijn geheele rijk zóó lang doorzoeken, tot er elf jonkvrouwen gevonden waren, zijn dochter volkomen gelijk in gelaat, gestalte en gang. Toen die nu bij de prinses kwamen, bestelde zij kleeding voor twaalf jagers; alles volkomen gelijk; en de elf jonkvrouwen moesten die elf jagerspakken aantrekken; zij zelve trok het twaalfde aan. Toen nam zij afscheid van haar vader, en reed met hen weg; en zij reden naar het hof van haar vroegeren bruidegom, dien zij zéér lief had. Daar liet zij aanvragen of hij jagers noodig had en of hij haar dan niet alle te zamen in zijn dienst wilde nemen. De koning zag haar aan en herkende haar niet, maar omdat het knappe menschen waren zeide hij, dat hij ze gaarne nemen wilde. En nu waren zij de twaalf jagers des konings.
De koning had een leeuw, dat was een wonderlijk dier, hij wist alles wat geheim en verborgen was. En op een avond sprak hij tot den koning »Ge gelooft, dat ge twaalf jagers hebt?« »Ja,« zei de koning, »het zijn twaalf jagers.« »Ge dwaalt,« zei de leeuw, »het zijn twaalf meisjes!« »Dat is niet waar!« zei de koning, »hoe kun je dat bewijzen.« »O, laat maar eens erwten strooien in de voorzaal,« zei de leeuw, »dan zult ge het dadelijk zien. Mannen hebben een vasten tred; als ze over erwten loopen beweegt er geen een van; maar meisjes, die trippelen en trappelen en schuifelen, en de erwten rollen.« Dien raad beviel den koning wel, en hij liet de erwten strooien.
Maar de koning had een dienaar, die goed stond met de jagers, en toen die hoorde, dat er een proef met hen zou worden gedaan is hij tot haar gegaan, en heeft haar alles verteld, en hij zeide: »de leeuw wil den koning wijs maken, dat ge meisjes zijt.« Toen dankte hem de koningsdochter, en zij zeide tot haar jonkvrouwen: »Bedwing je, en trap met vasten stap op de erwten.« Toen nu de koning den volgenden morgen de twaalf jagers bij zich liet roepen, en zij door de voorzaal moesten, waar de erwten lagen, hebben zij er over geloopen met vasten tred, en zóó krachtig en zeker was hun stap, dat er niet een enkele wegrolde of bewoog. Toen zij weer weg waren gegaan sprak de koning tot den leeuw: »Je hebt mij bedrogen, zij loopen als mannen.« Maar de leeuw antwoordde: »zij hebben 't geweten, dat zij beproefd zouden worden, en zij hebben zich bedwongen. Laat nu eens twaalf spinnewieltjes in het voorvertrek brengen; zij zullen er naar toe loopen, en er pleizier in hebben, dat doet geen man.« De raad beviel de koning en hij liet de spinnewielen in het voorvertrek neerzetten.
Maar de dienaar, die het goed met de jagers meende, ging heen, en ontdekte toen den aanslag. En de koningsdochter zei tot de elf meisjes toen zij alleen waren: »Bedwing je en zie niet om naar de spinnewielen!« Toen men den volgenden morgen de koning zijn twaalf jagers liet roepen, kwamen zij door het voorvertrek en keken niet naar de spinnewielen. Weer zei toen de koning tot den leeuw: »Ge hebt gelogen: het zijn mannen, want zij hebben niet naar de spinnewielen gekeken.« De leeuw zeide: »zij hebben 't geweten, dat zij beproefd zouden worden en zij hebben zich bedwongen.« Maar de koning wilde den leeuw niet meer gelooven.
De twaalf jagers volgden steeds den koning ter jacht, want zij werden hem hoe langer hoe liever. Nu gebeurde het, toen zij eens op de jacht waren, dat het bericht kwam, dat 's koning's bruid in aantocht was. Toen de echte bruid dat hoorde leed zij zoo groote smart, dat het hart haar stilstond, en zij viel in onmacht ter aarde. De koning meende, dat zijn lieve jager iets overkomen was, hij liep naar hem toe en wilde hem helpen, en hij trok hem zijn handschoen uit. Daar zag hij den ring, dien hij zijn eerste bruid gegeven had, en toen hij haar goed aankeek herkende hij haar. Toen werd zijn hart zoo geroerd, dat hij haar kuste, en toen zij de oogen opsloeg, sprak hij: »gij zijt mijn, en ik ben dijn, en niemand ter wereld kan dat veranderen.« Maar naar de andere bruid zond hij een bode, en hij liet haar verzoeken naar haar rijk terug te keeren, want hij had al een vrouw, »en wie een oude sleutel heeft teruggevonden, kan de nieuwe missen.« Toen werd de bruiloft gevierd en de leeuw kwam weer in gunst, omdat hij toch de waarheid gezegd had.
LXVIII.
DE GAUWDIEF EN ZIJN MEESTER.
Jan wou zijn zoon een handwerk laten leeren; toen ging Jan naar de kerk en bad onzen Lieve Heer, wat Hem wel het beste leek voor zijn zoon. De koster stond achter het altaar en zei: »het gauwdieven, het gauwdieven!« Toen ging Jan met zijn zoon op de zoek van een man, die verstand had van gauwdieven. Zij liepen een heelen tijd tot zij in zoo'n groot bosch kwamen; daar stond een klein huisje met een oude vrouw er in. »Weet je een man die verstand heeft van gauwdieven?« zei Jan.
»Dat kun je hier wel leeren,« zei de vrouw, »mijn zoon is er meester in.« Toen sprak Jan met den zoon, of hij wel heel knap was in 't gauwdieven. De gauwdiefmeester zei: »ik wil het je zoon wel leeren. Kom over een jaar maar terug; als je dan je zoon nog kent, wil ik in 't geheel geen leergeld hebben, en ken je hem niet, dan kun je mij tweehonderd rijksdaalders geven.«
De vader gaat weer naar huis, en de zoon leert goed heksen en gauwdieven. Als het jaar om is, loopt de vader te grienen, hoe hij het klaar moet spelen om zijn zoon te kennen. Toen hij nu zoo loopt te grienen komt hem zoo'n klein manneke tegen, dat zei: »man wat grien je, ben je zoo bedroeft?» »O,« zei Jan, »ik heb mijn zoon voor een jaar bij een gauwdiefmeester in de leer gedaan, en die heeft mij gezegd, dat ik over een jaar terug moet komen, en als ik dan mijn zoon niet ken, zou ik hem tweehonderd rijksdaalders geven, en als ik hem ken, hoef ik niks te geven. Nu ben ik zoo bang, dat ik hem niet ken, en dan weet ik niet waar ik het geld vandaan moet halen.« Toen zei het manneke, hij zou een korstje brood meenemen, en onder den schoorsteen gaan staan: »daar staat een mandje, daar kijkt een vogeltje uit, en dat is je zoon.«
Toen gaat Jan heen, en gooit een korstje rogge-brood voor het mandje. Het vogeltje komt er uit en kijkt naar het brood. »Héla! mijn zoon, ben jij; daar?« zegt de vader. Maar de leermeester zei: »dat heeft je de duivel ingegeven, hoe kun je anders je zoon kennen?« »Vader laat ons gaan,« zegt de jongen.
De vader gaat met zijn zoon weer naar huis. Onderweg komt er een koets aangereden. De zoon zegt tegen zijn vader: »Nu zal ik een groote hazewind worden, dan kun je veel geld met mij verdienen.« De heer uit de koets roept: »man, wil je dien hond verkoopen?« »Ja,« zegt de vader. »Hoeveel geld moet je er voor hebben?« »Dertig rijksdaalders.« »Nou, dat is veel! maar omdat het zoo'n deksels mooi dier is zal ik hem nemen.« De heer neemt den hond in de koets. Als zij een eindje zijn doorgereden, springt de hond uit de koets door het glas, en toen was hij geen hazewind meer, en hij kwam weer bij zijn vader.
Zij gingen toen samen naar huis. Den volgenden dag is er in het naaste dorp markt. Toen zegt de jongen tegen zijn vader: »ik zal mij in een mooi paard veranderen, dan moet je mij verkoopen; maar als je mij verkoopt dan moet je mij eerst den toom af doen, anders kan ik geen mensch meer worden.« De vader gaat met het paard naar de markt. Daar komt de gauwdiefmeester en koopt het paard voor honderd rijksdaalders; en de vader is 't vergeten en doet hem den toom niet af. De man gaat met het paard naar huis, en brengt het in den stal. Als de meid over den deel komt, zegt het paard: »doe den toom af, doe den toom af!« De meid blijft staan luisteren: »wat! kan jij praten?» en ze gaat heen en doet hem den toom af, toen werd het paard een musch, en die vliegt boven over de deur weg, en de gauwdiefmeester wordt ook een musch en vliegt hem achterna. Ze komen bij elkaar, en vechten, maar de meester verspeelt het, en hij gaat in 't water en wordt een visch. Toen werd de jongen ook een visch, en gaat ook in 't water, en ze vechten weer, tot de meester het verspeelt. Toen werd de meester een kip, en de jongen een vos, en hij bijt den meester den kop af; toen is hij gestorven, en hij ligt dood tot op den huidigen dag.
LXIX.
JORINDE EN JORINGEL.
Er was eens een oud kasteel, midden in een groot dicht woud, daar woonde een oude vrouw heel alleen, en die vrouw was een aartstooverkol. Over dag was ze een uil en 's avonds kreeg zij weer haar gewone menschelijke gedaante. Zij kon het wild en de vogels lokken, en dan slachtte en kookte zij hen, en at ze op. Als iemand tot op honderd pas van het slot gekomen was, moest hij stil staan, en kon niet van die plaats komen, tot zij hem vrijsprak. Maar als een reine jonkvrouw binnen dien kring kwam, veranderde zij die in een vogel en sloot haar dan in een mand en droeg die mand naar een kamer van het slot. Zij had wel zeven duizend van zulke mandjes met die zeldzame vogels, in het slot.
Nu was er eens een jonkvrouw, die heette Jorinde; zij was schooner dan alle andere meisjes, en zij en een schoon jongeling, Joringel, hadden zich verloofd. Zij waren in de bruidsdagen, en zij hadden groote vreugde in elkaar. Om nu eens vertrouwelijk te kunnen spreken, gingen zij te zamen in het woud. »Pas op,« zeide Joringel, »dat je niet te dicht bij het slot komt.« Het was een mooie avond: de zon scheen licht tusschen de stammen op het donkere groen van het loof, en de tortelduif koerde klagelijk op de oude meibeuken.
Jorinde schreide, en zette zich in den zonneschijn en weeklaagde. En Joringel weeklaagde ook; zij voelden zich zoo verward alsof zij sterven moesten. Zij keken om zich, waren verdwaald, en wisten niet naar huis te komen. Half stond de zon nog boven den berg, half was zij onder. Joringel blikte door de struiken, en zag den oude slotmuur dicht bij zich; hij schrikte en werd doodsbang.
Jorinde zong:
»Mijn vogeltje met ringetje rood, »Zingt droef, droef, droef! »Het zingt voor 't duifje, zingt zijn dood, »Zingt droef, droef, ti-uut, ti-uut.«
Joringel keek naar Jorinde. Jorinde was veranderd in een nachtegaal die zong »ti-uut, ti-uut.« Een uil met gloeiende oogen, vloog driemaal om haar heen, en krijschte driemaal »hoe-oe-oe!«
Joringel kon zich niet bewegen; hij stond daar als een steen, hij kon niet schreien, niet spreken, hand noch voet verroeren. Nu was de zon onder. De uil vloog in een struik, en dadelijk daarna kwam een oude kromme vrouw uit die struik te voorschijn: geel en mager, groote roode oogen, en een kromme neus, die met de punt de kin aanraakte. Zij mompelde en ving den nachtegaal en droeg dien op de hand weg. Joringel kon niets zeggen, niet van de plaats komen; de nachtegaal was weg. Eindelijk kwam de vrouw terug en ze sprak met een doffe stem: »gegroet Zachiël, als de deern in de korf steekt, bind los, Zachiël, te rechtertijd!« Toen was Joringel los; hij viel voor de vrouw op de knieën en smeekte, dat zij hem zijn Jorinde zou terug geven; maar zij zeide, dat hij haar nooit terug kreeg, en toen ging zij weg. Hij riep en schreide, en jammerde, maar alles vergeefs. »Ach, wat moet mij gebeuren!« Joringel ging heen, en liep, en kwam eindelijk in een vreemd dorp. Daar heeft hij langen tijd de schapen gehoed. Dikwijls liep hij rond het slot, maar niet te dicht er bij. Toen heeft hij eens 's nachts gedroomd, dat hij een bloedroode bloem vond, in het midden was een mooie groote parel. De bloem heeft hij afgeplukt en is er mee naar het slot gegaan. Alles wat hij aanraakte met die bloem, was verlost van tooverij. Ook droomde hij, dat hij door die bloem zijn Jorinde terug kreeg. 's Morgens toen hij wakker werd, is hij gaan zoeken, en doorzocht berg en dal of hij zulk een bloem kon vinden. Hij zocht tot aan den negenden dag, toen vond hij des morgens een bloedroode bloem. In het midden was een heldere dauwdrop, zoo groot als de mooiste parel. Die bloem droeg hij dag en nacht tot naar het slot. Toen hij op honderd pas van het slot was, bleef hij niet vast staan, maar kon doorloopen tot aan de poort. O, hoe vol vreugde was Joringel! hij raakte de poort aan met de bloem, en de poort sprong open. Hij ging binnen over het slotplein en luisterde of hij vogels hoorde; en hij hoorde ze. Hij vond de zaal; daar was de heks en voederde de vogels in zevenduizend mandjes. Toen zij Joringel zag werd zij boos, heel boos, en ze schold en spuwde gif en gal, maar ze kon niet bij hem, en moest op twee pas afstand blijven staan. Hij bekreunde zich niet om haar, maar bekeek de mandjes met de vogels. Er waren vele honderd nachtegalen; hoe zou hij nu zijne Jorinde terug vinden? Nu zag hij dat de oude stilletjes een mandje met een vogel nam, en er mee naar de deur ging. Hij springt er heen, en raakt het korfje met de bloem en ook de oude heks. Nu kon zij niet meer tooveren, en daar stond Jorinde! zij hield hem om zijn hals en zij was zoo mooi als ooit vroeger. Toen maakte hij al de andere vogels jonkvrouwen; en hij ging met Jorinde naar huis; en zij leefden nog lang te zamen heel vergenoegd.
LXX.
DE DRIE GELUKSKINDEREN.
Een vader riep zijne drie zonen bij zich; den eenen gaf hij een haan, den tweeden een zeis, den derden een kat. »Ik ben al oud,« zeide hij, »mijn dood nadert; en eerst wilde ik jelui verzorgd hebben. Geld heb ik niet, en wat ik je nu geef, schijnt waardeloos; maar het komt er enkel op aan, dat je het met verstand gebruikt. Ga een land zoeken, waar deze dingen nog onbekend zijn, dan is je fortuin gemaakt.« Toen de vader gestorven was, ging de oudste zoon met zijn haan op weg. Maar waar hij kwam was een haan al bekend. In de steden zag hij ze al van verre op den toren zitten en zich draaien met den wind; in de dorpen hoorde hij er verscheidene kraaien, en niemand kon zich over het dier verwonderen; het leek er dus niet veel naar, dat hij er zijn geluk mee zou maken. Maar eindelijk heeft hij het toch getroffen, dat hij op een eiland kwam, waar de menschen nooit van een haan gehoord hadden en ook hun tijd niet wisten in te deelen. Zij wisten wel wanneer het morgen en avond was, maar 's nachts wisten zij geen tijd uit te vinden.
»Zie eens,« zei hij, »wat een fiere vogel, hij draagt een robijnkleurige kroon, en sporen heeft hij als een ridder. 's Nachts roept hij driemaal op een bepaalden tijd, en als hij voor de derde maal roept gaat haast de zon op. Maar roept hij bij klaarlichten dag, houdt u dan bereid, want dan komt er zeker verandering in het weer.« Dat beviel de menschen; zij sliepen den heelen nacht niet, en luisterden met welgevallen, hoe de haan om twee, vier en zes uur, luid en duidelijk den tijd afriep. Zij vroegen of het dier niet te koop was, en hoeveel hij er voor verlangde. »Ongeveer zooveel als een ezel goud draagt,« antwoordde hij. »Spotgoedkoop voor zulk een kostelijk dier,« riepen ze allen tegelijk, en zij voldeden gaarne aan zijn eisch.
Toen hij met dien rijkdom naar huis kwam, verwonderden zich zijn broeders, en de tweede sprak: »nu wil ik toch eens zien of ik van mijn zeis ook zoo goed kan afkomen.« Daar had het ook niet veel van, want hij kwam aldoor boeren tegen, die een zeis op hun schouder droegen zoo goed als hij.
Maar op het laatst is het toch gelukt, op een eiland waar de menschen niets van een zeis afwisten. Als het koren rijp was, brachten zij kanonnen voor de akkers en schoten het er af. Dat was een heel onzeker werk, want soms schoten zij er over heen en soms schoten zij ook de aren in plaats van de halmen, die raakten dan weg en er ging veel verloren, en bovendien gaf het ook een heidensch lawaai. Toen kwam die man, en maaide zoo stil en vlug de halmen neer, dat de menschen er bij stonden met mond en neus opengesperd van verbazing. Zij waren bereid hem te geven wat hij verlangde: en hij kreeg een paard zoo zwaar beladen met goud als het maar dragen kon. Nu wilde de derde broeder zijn kat ook aan den rechten man brengen. Het ging hem als de anderen; zoo lang hij op het vaste land bleef, was er voor hem niets te verdienen; overal waren katten, en zelfs zóóveel dat de pasgeboren jongen gewoonlijk verdronken werden. Ten laatste liet hij zich naar een eiland overvaren, en het trof, dat er daar nog nooit een kat gezien was, en de muizen waren zoo de baas geworden dat ze dansten op tafels en stoelen, of de huisheer thuis was of niet. De menschen jammerden vreeselijk over die plaag, en de koning zelfs wist geen raad in zijn paleis; in alle hoeken piepten de muizen en knabbelden alles stuk, waar zij hun tanden maar in konden zetten. Nu begon de kat haar jacht! in een oogenblik had zij eenige zalen van muizen gezuiverd, en het volk smeekte den koning het wonderdier voor het rijk aan te koopen. De koning gaf gaarne wat er voor geëischt werd, en dat was een met goud beladen muilezel; de derde broeder kwam met den grootsten rijkdom naar huis.
De kat maakte het zich met de muizen eens echt naar haar zin in het koninklijk paleis, en beet er zooveel dood, dat zij niet meer te tellen waren. Zij werd warm van dat harde werken en kreeg dorst; toen bleef zij staan en riep: »miauw, miauw,« met de kop in de hoogte. De koning en het geheele volk verschrikten toen zij dat rare geschreeuw hoorden, en liepen in hun angst allemaal weg.
De koning hield raad wat er gedaan moest worden en er werd besloten een heraut tot de kat te zenden, die haar zou gelasten, het slot te verlaten, of anders zou men geweld gebruiken. De raadsleden zeiden: »liever willen wij ons door de muizen laten plagen, aan dat kwaad zijn wij gewend, dan ons leven prijs geven aan zulk een ondier!« Een page moest naar boven gaan en de kat vragen of zij het slot »goedwillig« zou ruimen. Maar de kat, die steeds heviger dorst kreeg, antwoordde niets dan: »miauw, miauw.« De page verstond »ga gauw, ga gauw!« en bracht het antwoord den koning over. »Nu,« sprak de raad, »moet zij wijken voor geweld!« Er werden kanonnen naar boven gebracht en het paleis werd in brand geschoten. Toen het vuur in de zaal kwam waar de kat was, sprong zij gelukkig door het venster; maar de belegeraars hielden niet op, voor het geheele paleis in elkaar geschoten was.
LXXI.
HOE ER ZES DOOR DE WERELD KWAMEN.
Er was eens een man, die kon van alles; hij diende toen er oorlog was en heeft zich braaf en dapper gehouden; maar toen de oorlog uit was kreeg hij zijn afscheid en nog drie dubbeltjes teergeld mee op weg. »Wacht eens eventjes,« zei hij: »met mij wordt zoo niet omgegaan; als ik maar de rechte menschen vind, dan zal de koning mij nog al de schatten van het heele rijk moeten uitleveren.« En hij liep kwaad het bosch in. Daar zag hij er een staan die had zes boomen uit den grond getrokken, of 't korenhalmen waren. »Wil je meetrekken en mijn dienaar zijn?« vroeg de man. »Ja,« zei de andere, maar eerst moet ik mijn moeder dat bosje hout brengen,« en hij nam een van de boomen en wikkelde dien om de vijf anderen, nam het vrachtje op zijn schouder en droeg het weg. Toen kwam hij terug en ging met zijn meester mee. »Wij met zijn beiden zullen wel door de wereld komen!« zei die. Toen zij een tijdje geloopen hadden, zagen zij een jager; die lag op de knieën, had zijn geweer aangelegd en mikte. »Jager, wat ga je schieten?« vroeg de baas. »Twee uur van hier, zit een vlieg op den tak van een eikeboom, die wil ik het linker oog uitschieten. »O, ga maar mee!« zei de soldaat, »als wij drieën bij elkaar zijn, komen wij de heele wereld door!«
De jager was bereid en ging mee; zij kwamen bij zeven windmolens: hun wieken draaiden hard; en toch was er nergens wind, en geen blaadje bewoog. »Ik begrip niet wat die windmolens drijft,« zei de man, »er in geen zuchtje aan de lucht,« en hij ging met zijn dienaren verder.
Toen zij nog twee uur geloopen haden zagen zij er een op een boom zitten, die zijn linker neusgat dicht hield, en hij blies met het andere. »Zeg wat voer jij daar boven uit?« vroeg de man. En hij antwoordde: »twee uur van hier staan zeven windmolens, en die blaas ik een beetje aan, dat ze draaien.« »O, ga met ons mee,« zei de man, »wij met zijn vieren komen de heele wereld door.« De blazer kwam van den boom af en liep mee, en na een poosje zagen zij er een die op één been stond, het andere had hij afgegespt en naast zich gelegd. »Je hebt het je makkelijk gemaakt om uit te rusten!« zei de baas.
»Ik ben een hardlooper,« zei de ander, en om niet te gauw vooruit te komen, heb ik een been afgelegd; want als ik met twee beenen loop, gaat het vlugger dan de vogel vliegt.« »O, ga mee, als wij vijven bij elkaar bleven, komen wij de heele wereld door!« Hij ging mee, en heel gauw kwamen zij er een tegen, die had een hoedje op, dat heelemaal scheef boven zijn ééne oor zat. »Een beetje fatsoenlijk!« zei de baas, »zet je hoed toch wat recht, je ziet er uit als een hansworst!« »Dat durf ik niet te doen,« zei die van het hoedje, »want als ik mijn hoed recht zet, dan komt er een vreeselijke, geweldige vorst en de vogels vallen bevroren en dood uit de lucht.« »O, ga mee,« zei de baas, »met zijn zessen komen wij zeker de heele wereld door!«
Nu ging het zestal door de stad, waar de koning bekend had laten maken, dat wie een wedloop met zijn dochter hield en overwinnaar was, haar gemaal zou worden; maar verloor hij, dan moest zijn hoofd er aan.
De man meldde zich aan, en sprak: »ik wil mijn dienaar voor mij laten loopen.« De koning antwoordde: »dan moet ge voor zijn hoofd ook borg staan, en als hij verliest gaat uw hoofd en het zijne er aan.« Dat werd nu afgesproken en vastgesteld, en de man gespte den hardlooper zijn tweeden been aan en zei: »rep je nu flink en zorg, dat wij overwinnen!« De bepaling was, dat wie het eerst water terugbracht uit een ver gelegen bron, de overwinnaar zoude zijn.