Chapter 12
De twee anderen hadden den jongsten voor zóó onnoozel gehouden, dat zij meenden, dat hij nooit tegen hen op zou kunnen. »Wat zullen wij de moeite doen lang te zoeken!« zeiden zij; en de eerste de beste herdersvrouw, die zij tegen kwamen namen zij haar grove doek af, en namen die meê naar den koning. Dommerik kwam ook met zijn prachtig tapijt, en toen de koning dat zag stond hij verbaasd en zeide: »het rijk is voor den jongsten.« Maar de twee anderen lieten den koning niet met rust; zij zeiden, het was niet mogelijk, dat Dommerik koning zou worden, en zij vroegen hem nog een voorwaarde te stellen. Toen zeide de vader: »hij zal het rijk erven, die mij den fraaisten ring brengt.« Toen nam hij zijne drie zonen meê naar buiten, en blies drie veêren in de lucht, die zij achterna zouden gaan. De twee oudsten trokken weêr naar het oosten en westen, en Dommerik's veêr vloog rechtuit, en viel weer naast de deur neêr, die in de aarde was. Hij ging toen weêr de trap af naar de dikke pad en vertelde haar, dat hij den mooisten ring moest hebben. Zij liet haar groote doos halen, en gaf hem daaruit een ring, zóó mooi als geen goudsmid op aarde er een maken kon. Maar de twee oudsten hadden Dommerik uitgelachen, dat hij een ring woû zoeken, en zij gaven zich niet de minste moeite; maar zij sloegen de spijkers uit den eersten den besten wielband, en brachten dien aan den koning. Toen die Dommerik's mooien ring zag, zei hij: »Hem behoort het rijk.« Nu kwelden weêr de twee oudsten den koning zóó lang tot hij nog eén derde voorwaarde stelde, dat het rijk nu gegeven worde aan hem, die de schoonste vrouw thuis bracht. Hij blies weêr drie veêren in de lucht, en zij vlogen gelijk de vorigen.
Toen ging Dommerik ten derden male naar de dikke pad en zei: »ik moet de schoonste vrouw thuis brengen.« »Zoo,« zei de dikke pad, »de schoonste vrouw? je zult haar hebben.« En zij gaf hem een gele raap met zes muisjes bespannen. Maar Dommerik zei treurig: »wat moet ik daar nu meê doen?« »Zet er maar een van de kleine padjes in,« zei de dikke toen. Hij greep er op goed geluk een uit den kring, en zette die op de gele raap; maar nauwelijks had zij de raap aangeraakt of zij werd een wonderschoone jonkvrouw, de raap werd een koets, en de zes muisjes werden paarden. Toen stapten zij in de koets en hij kuste haar, en zij reden naar den koning. Zijn broeders kwamen ook; zij hadden Dommerik zóó zeer veracht, dat zij de eerste de beste boerin maar meê naar huis hadden genomen. En de koning sprak: »voor den jongsten is het rijk na mijn dood.« Maar de twee oudsten maakten oproer, zij konden het niet goedkeuren, zeiden zij. En zij verlangden, dat de geen wiens vrouw door een ring, die midden in de zaal hing, zou kunnen springen, de voorkeur zou hebben. »Want,« dachten zij, »die boerinnen kunnen dat wel, die zijn sterk; maar dat fijne juffertje springt zich dood.« Eindelijk liet de koning zich overhalen. Eerst sprongen de twee boerenmeiden; zij kwamen er door; maar zij waren zóó plomp, dat zij vielen en armen en beenen braken. Toen sprong de schoone jonkvrouw, die Dommerik had meêgebracht, en zij sprong heel luchtig door den ring en won het rijk voor hem. En toen de koning stierf heeft hij de kroon mogen dragen, en heeft lang met wijsheid het rijk bestuurd.
LXIV.
DE GOUDEN GANS.
Er was eens een man, die had drie zonen, de jongste heette Domoor, en hij werd veracht en bespot, en altijd achtergezet bij anderen. Eens zou de oudste het bosch ingaan om hout te halen; vóór hij ging gaf zijn moeder hem een kostelijke eierkoek mee, en een flesch wijn, dat hij geen honger en dorst zou lijden. In het bosch ontmoette hij een oud, grijs mannetje: »goeden dag,« zei het, »geef mij toch een stuk van je koek en laat mij een slok van je wijn drinken, ik heb zoo'n dorst en honger.» Maar de slimme jongen zei: »als ik jou van mijn eierkoek en van mijn wijn geef, dan heb ik zelfs niets; maak maar gauw, dat je wegkomt!« en hij liet het mannetje staan, en liep door. Toen hij nu begon een boom om te hakken, heeft hij al heel gauw mis geslagen, en de bijl drong in zijn arm. Toen moest hij naar huis om zich te laten verbinden. Maar dat kwam van het grijze mannetje.
Nu ging de tweede zoon het bosch in, en de moeder gaf hem, even als den oudsten, een eierkoek en een flesch wijn. Hem kwam ook het oude, grijze mannetje tegen, en vroeg om een stuk koek en een slokje wijn. Maar de tweede zoon zei ook heel verstandig: »wat ik jou geef, dat heb ik zelf niet, maak dat je weg komt!« en hij liet het mannetje staan, en ging verder. De straf bleef niet uit: toen hij een paar slagen met de bijl gedaan had, hakte hij zich in zijn been en moest naar huis gedragen worden. Toen zei Domoor: »vader, laat mij ook eens hout gaan hakken.» Maar de vader antwoordde: »Dat hoef jij niet te beginnen, je broêrs hebben het er niet eens goed afgebracht, blijf jij nu maar stil thuis.« Maar Domoor hield niet op te bedelen, dat hij hem zou laten gaan, en eindelijk zei de vader: »Ga dan maar; door schade en schande moet je wijs worden.« De moeder gaf hem een koek meê, die met water en in de asch gebakken was, en daarbij een flesch zuur bier. In het bosch was weêr het oude mannetje; het groette hem en zei: »geef mij een stuk van je koek en een slok uit je flesch, ik heb zoo'n dorst en honger.« Toen antwoordde Domoor: »ik heb maar een aschkoek en zuur bier, als je dat hebben wilt, kom dan maar bij mij zitten, dan gaan wij eten en drinken.« En zij zijn gaan zitten en hebben gegeten en gedronken, en daarna zei het mannetje: »omdat je zoo'n goed hart hebt, en graag van het jouwe wat meedeelt, zal ik je geluk geven. Daar staat een oude boom, hak dien om, dan zul je in de wortels iets vinden.« Toen nam het mannetje afscheid. Domoor hakte den boom om, en toen hij gevallen was, zat er tusschen de wortels een gans, en die gans had veêren van het zuiverste goud. Hij pakte de gans op, en ging een herberg binnen waar hij overnachten wilde. Nu had de waard drie dochters; zij waren nieuwsgierig toen zij de gans zagen; zij wilden weten wat het voor een wonderlijke vogel was, en zij wilden ook graag een van zijn veêren hebben. En de oudste dacht: »ik zal en moet een gouden veer hebben,« zij wachtte tot Domoor uitgegaan was, en toen pakte zij de gans bij een vleugel; maar haar hand en vingers bleven er aan vastkleven. Kort daarop kwam de tweede dochter, en die had ook geen rust of zij moest een gouden veêr hebben; maar nauwelijks had zij haar zuster aangeraakt of haar hand bleef vastzitten. Eindelijk kwam ook de derde om een veêr; toen riepen de twee anderen: »blijf weg, blijf toch in godsnaam weg!« maar zij begreep niet, waarom zij weg zou blijven en zij dacht: »als zij er bij zijn kan ik er ook bij,« en toen sprong zij er heên. Maar toen zij haar zuster had aangeraakt, zat zij ook vast. En zoo moesten zij dien nacht bij de gans blijven.
Den volgenden morgen pakte Domoor zijn gans op, en ging er meê weg, en om de meisjes, die er aanhingen bekreunde hij zich in het minst niet. Zij moesten maar meêloopen, links en rechts, zooals het uitkwam. Midden op den landweg kwam hen de dominee tegen, en toen hij het spektakel zag, riep hij: »schaamt je toch, jelui onkuische meisjes, met een jongen knaap zoo door het veld te loopen, past je dat?« En hij nam de jongste bij de hand, en wilde haar wegtrekken, maar toen hij haar aanraakte bleef hij ook kleven, en moest zelf meêloopen. Niet lang daarna kwam de koster, en zag hoe de dominee drie jonge meisjes vlak achteraan liep. Dat verwonderde hem en hij riep: »wel, dominee, waar gaat dàt naar toe? denk er aan, dat er van daag nog een kind gedoopt moet!« en hij liep op hem toe en trok hem bij zijn mouw, maar toen zat hij ook vast. Toen die vijf zoo achter elkaâr aan draafden, kwamen twee boeren met hun hakken van het land. De dominee riep hen toe, of zij hem en den koster los wilden maken. Maar nauwelijks hadden zij den koster aangeraakt, of zij bleven vastzitten en nu waren er zeven, die Domoor en zijn gans achterna liepen.
Hij kwam al gauw in een stad; daar regeerde een koning die had zóó'n ernstige dochter, dat niemand haar kon laten lachen. Daarom had hij een wet afgekondigd, dat hij, die haar aan het lachen kon brengen, met haar zou mogen trouwen. Toen Domoor dat hoorde, ging hij met de gans en toebehooren, naar de prinses, en toen die nu die zeven menschen zoo al maar achter elkaâr aan zag loopen, begon zij hard te lachen en kon niet meer bedaren. Toen verlangde Domoor haar als zijn bruid; maar de koning had allerlei uitvluchten, en zei, hij moest eerst een man brengen, die een heele kelder met wijn kon uitdrinken. Domoor dacht aan het grijze mannetje, dat zou hem wel kunnen helpen, en hij ging het bosch weêr in, en naar de plaats waar hij den boom had geveld; dáár zag hij een man zitten, die trok een allerdroevigst gezicht. Domoor vraagde wat hem toch zoo vreeselijk aan zijn hart ging. »Ik heb zoo'n dorst,« antwoordde hij, »en ik kan maar niet genoeg te drinken krijgen; een vat wijn heb ik leeg, maar wat is een druppel op een gloeienden steen?« »Dan kan ik je helpen,« zei Domoor, »ga maar meê, dan kun je je genoegen drinken.« Hij bracht hem toen in 's koning's kelder, en de man viel op de groote vaten aan, en dronk en dronk, tot hij geen adem meer had, en vóór den dag om was, had hij de heele kelder leeggedronken. Nu verlangde Domoor zijn bruid weêr; maar de koning ergerde zich, dat zoo'n gewone jongen, die door iedereen Domoor genoemd werd, zijn dochter zou krijgen. Hij maakte weêr nieuwe voorwaarden: Eerst zou hij een man zoeken, die een heelen berg brood eten kon. Domoor ging weêr naar het bosch waar hij den boom had omgehakt; op die plaats zat een man, die zich met een riem het lijf samen snoerde en een verdrietig gezicht zette. »Ik heb een oven vol brood gegeten, maar wat helpt dat, zoo'n honger als ik heb! Ik voel altijd nog een leege maag, en ik moet mij insnoeren om niet van honger te sterven.« Toen Domoor dat hoorde, had hij schik: »sta maar op en ga mee, dan kun je je genoegen eten!« Hij bracht hem bij den koning; die had al het meel uit het heele rijk laten aanvoeren, en er een kolossalen berg van laten bakken. De man uit het bosch ging er vóór staan, en begon te eten: in één dag was de heele berg verdwenen. Nu eischte Domoor zijn bruid op; maar de koning zocht nog een uitvlucht: hij verlangde een schip, dat te land en te water kon varen. Wist hij dat te krijgen dan zou hij de koningsdochter mogen trouwen. Domoor ging maar weêr naar het bosch; daar zat het oude mannetje, dat hij zijn koek had gegeven en het zeide: »Ik heb voor je gedronken en gegeten, ik zal je ook het schip geven; en dat doe ik allemaal, omdat je zoo goed voor mij zijt geweest.« En hij gaf hem het schip, dat te land en te water kon varen, en toen de koning dat zag, kon hij hem zijn dochter niet langer onthouden. De bruiloft werd gevierd, en Domoor leefde nog langen tijd heel vergenoegd met zijn vrouw.
LXV.
ALBONTJE.
Een koning had een vrouw met haren van louter goud, en zoo mooi was zij, dat zij haar gelijke op aarde niet had. Maar zij werd ziek; en toen zij voelde dat zij ging sterven, riep zij den koning en sprak: »Als ge na mijn dood een vrouw wilt nemen moet het geen andere zijn dan eene, die zoo mooi is als ik, en ook zulke gouden haren heeft.« Toen de koning het beloofd had, sloot zij haar oogen en stierf.
Lang was de koning troosteloos, en hij dacht niet aan een andere vrouw. Maar eindelijk sprak 's koning's raad: »het gaat niet anders, de koning moet weêr trouwen, dat wij een koningin hebben.« En nu werden boden uitgezonden heinde en ver, om een bruid te zoeken, die zoo mooi was als de gestorven koningin. Maar in de geheele wereld was er geen zoo mooi, en al was er een zoo mooi geweest, zulke gouden haren waren toch niet meer te vinden. En de boden kwamen onverrichter zake weêr thuis.
Maar de koning had een dochter, die was juist zoo mooi als hare moeder geweest was, en zij had ook zulk gouden haar. Toen zij was opgegroeid heeft de koning haar eens aangezien, en hij zag, dat zij geheel gelijk was aan de gestorven koningin. Toen voelde hij opeens liefde voor haar, en hij sprak tot zijn raad: »ik wil mijn dochter trouwen, want zij is het evenbeeld van mijn gestorven vrouw en anders kan ik toch geen bruid op aarde vinden.« Toen de raad dat hoorde, was er groote ontsteltenis en zij spraken: »God heeft verboden, dat een vader zijn dochter trouwt, en uit zonde kan geen goed voortkomen.« De dochter schrikte ook, en zij hoopte haar vader's hart te doen keeren. Daarom zeide zij: »voor ik uw wensch vervul, moet ik eerst drie kleedjes hebben: één gulden als de zon, één zilver als de maan, en één glanzend als de sterren. Ook verlang ik een mantel, van alle soorten van pelswerk en bont in elkaâr gezet; ieder dier in uw rijk moet een stuk van zijn huid er voor geven.« En zij dacht bij zichzelve: »dát is zeker niet te krijgen, en mijn vader zal zijn plan moeten opgeven.« Maar de koning hield vol, en de handigste vrouwen uit zijn rijk moesten de drie gewaden weven: het ééne, gulden als de zon, het tweede, zilver als de maan, en het derde glanzend als de sterren. En de jagers moesten alle dieren uit het rijk opvangen, en een stuk van hun huid af nemen, en daaruit werd een bonten mantel gemaakt. Toen alles klaar was, heeft de koning het haar laten brengen en heeft gezegd: »morgen zal de bruiloft zijn.«
Toen nu de koningsdochter begreep, dat haar vader's gedachten niet te keeren waren, is zij in den nacht opgestaan, terwijl alles sliep; en van hare kostbaarheden nam zij drieërlei: een gouden ring, een gouden spinnewieltje, en een gouden haspeltje. De drie kleedjes als zon, maan en sterren, borg zij in een notenschaal, trok den bonten mantel aan, en maakte haar gezicht en handen zwart, met roet. En zij heeft God aangeroepen en is toen heêngegaan, zij liep den ganschen nacht, tot zij in een groot bosch kwam. Zij was zoo moê, en toen zette zij zich in een hollen boom en sliep in.
Zij sliep nog altijd, toen het al ver in den dag was. Nu gebeurde het, dat de koning wien dit bosch behoorde, er in op jacht was, en zijn honden kwamen bij den boom, en snuffelden, liepen er rondom en blaften. Toen sprak de koning tot de jagers: »ga toch eens zien, wat voor wild zich daar schuil houdt.« De jagers gingen en kwamen weêr terug en zij spraken: »in den hollen boom ligt een wonderlijk dier; wij kennen het niet, en hebben er nooit zoo een gezien. Zijn huid heeft duizenderlei pels, het ligt te slapen.« Toen sprak de koning weêr: »Probeer het levend te vangen, en bindt het vast op den wagen en neemt het meê.« Toen de jagers het meisje aanpakten, ontwaakte zij en zij was verschrikt, en riep: »ik ben een arm kind door vader en moeder verlaten, heb medelijden en neem mij meê!« Toen zeiden zij: »Albontje, je bent goed voor de keuken, ga maar meê dan kun je de asch bijvegen.« En zij zetten haar op de wagen en brachten haar naar het koninklijk slot. Daar wezen zij haar een hokje onder de trap, waar geen daglicht binnen kwam, en zij zeiden: »pelsdiertje, daar kun je wonen en slapen!« Toen zonden zij haar naar de keuken en zij moest hout en water dragen, het vuur oppoken, de hoenders plukken, de groenten schoonmaken, de asch vegen, en al het mindere werk doen.
Daar leefde Albontje een tijd heel ellendig. Ach, schoone koningsdochter, wat moet er nog van u worden!--Eens gebeurde het, dat er feest gevierd werd in het slot; toen zeide zij tot den kok: »mag ik eens naar boven gaan en kijken? ik zal achter de deur gaan staan.«
»Ja, ga dan maar!« zei de kok, »maar binnen een half uur moet je terug zijn, om de asch op te vegen.« Zij nam haar olielampje en ging naar haar hokje, en zij trok den pelsmantel uit, en zij wiesch zich het roet van haar gezicht en handen, dat haar schoonheid te voorschijn kwam, niet anders dan de helle zon uit de zwarte wolken verschijnt. Toen maakte zij de noot open, en haalde het kleed er uit dat gulden was als de zon. En toen dat gebeurd was, ging zij op naar het feest, en allen gingen haar uit den weg, want niemand kende haar, en zij meenden, dat zij een koningsdochter was. Maar de koning kwam haar te gemoet, en reikte haar de hand en hij danste met haar en daarbij dacht hij: »Zulk een schoone vrouw hebben mijn oogen nog niet gezien.« En toen de dans gedaan was, neigde zij, en was op eens verdwenen, niemand wist waarheên. De wachten werden geroepen, die voor het slot stonden, maar zij hadden niets gezien. Zij was echter naar haar hokje gegaan, en had gauw haar kleed uitgetrokken, gezicht en handen zwart gemaakt, en den pelsmantel omgedaan, en nu was zij weêr »Albontje.« Toen zij nu in de keuken kwam en aan haar werk wilde gaan, en de asch opvegen, zeî de kok »wacht daar maar meê tot morgen, en kook eerst de soep voor den koning; ik wil ook eens boven gaan kijken. Maar laat geen haar in de soep vallen, of ik geef je niet meer te eten.« De kok ging weg, en Albontje kookte soep voor den koning, zij kookte een broodsoep zoo goed zij kon, en toen zij die klaar had haalde zij uit haar hokje den gouden ring en legde dien in den schotel, waarin de soep was aangerecht. Toen de dans gedaan was, liet de koning zich de soep brengen en at ze, en zij smaakte hem zóó goed, dat hij geloofde nooit smakelijker soep gegeten te hebben. Maar toen hij op den bodem van het bord kwam, zag hij daarop een gouden ring liggen, en kon niet begrijpen hoe die in de soep gekomen was. Hij gaf bevel, dat de kok vóór hem zou komen. De kok schrikte, en zei tegen Albontje: »je hebt zeker een haar in de soep laten vallen; als dát waar is, krijg je slaag!« Toen hij bij den koning kwam, vroeg die, wie de soep gekookt had. »Ik heb ze gekookt,« antwoordde de kok. Maar de koning sprak: »dat is niet waar, want ze was anders en beter gekookt dan gewoonlijk.« Toen zei de kok: »ik moet bekennen dat ik ze niet gekookt heb, maar het pelsdiertje.« »Ga,« zei de koning toen, »en laat haar hier komen!« Toen Albontje kwam, zei de koning: »wie zijt ge?« »Ik ben een arm kind, van vader en moeder verlaten,« antwoordde zij. En de koning vroeg verder: »waarom zijt ge in mijn slot?« en zij antwoordde weêr: »om met de laarzen naar het hoofd gegooid te worden, daar ben ik alleen maar goed voor!« En weêr vroeg de koning: »vanwaar was de ring, dien ik in de soep vond?« En zij antwoordde: »van den ring weet ik niets.« Dus kon de koning niet achter de waarheid komen, en moest haar weêr wegzenden.
Na een poosje was er weêr een feest, en Albontje vroeg den kok of zij wel weêr zou mogen kijken. »Ja,« zei hij, »maar kom over een half uur terug, en kook dan voor den koning de broodsoep, die hij zoo graag eet.« Zij liep toen naar haar hokje, en wiesch zich vlug, en nam uit de noot het kleedje, dat zilver was als de maan en trok het aan. En zij ging als een koningsdochter naar boven en de koning trad haar te gemoet, en verheugde zich, dat hij haar weêrzag, en daar juist de dans begon, dansten zij samen.
Maar toen de dans gedaan was, verdween zij weer even vlug, zoodat de koning niet kon bemerken, wat er van haar geworden was. Zij liep gauw naar haar hokje, en maakte zich weer tot een pelsdiertje, en toen ging zij naar de keuken om de broodsoep te koken. Terwijl de kok boven was, haalde zij het gouden spinnewieltje, en legde het in de schaal en de soep goot zij er over heen. De koning kreeg de soep en at ze, en zij smaakte hem zoo goed als de vorige keer, en hij liet den kok komen, en die moest weer bekennen, dat Albontje ze gekookt had. Albontje kwam toen weer voor den koning, maar zij antwoordde, dat zij alléén maar goed was om met de laarzen naar het hoofd gegooid te worden, en dat zij van het gouden spinnewieltje niets afwist.
Toen de koning ten derden male een feest gaf, ging het niet anders dan de vorige keeren.
Wèl zei de kok nu: »je bent een heks, pelsdiertje, want je doet iedere keer wat in de soep waar ze zoo lekker van wordt, en de koning beter smaakt, dan wanneer ik ze gekookt heb;« maar zij vroeg het zoo dringend, dat hij haar ook deze keer weer liet gaan. Nu trok zij het kleed aan, dat als de sterren glansde, en trad daarmee de zaal binnen. De koning danste weer met de schoone jonkvrouw, en geloofde, dat zij nog nooit zoo mooi was geweest. En terwijl hij met haar danste, stak hij haar zonder dat zij het merkte een gouden ring aan den vinger, en hij had bevolen, dat de dans heel lang zoude duren. En toen die geëindigd was, wilde hij haar aan haar handen vasthouden, maar zij trok zich los, en sprong zoo vlug tusschen de menschen door, dat zij uit zijn oogen verdwenen was. Zij liep zoo gauw zij kon naar haar hokje onder de trap; maar zij was over het half uur weggebleven, en kon haar mooie kleed niet meer uittrekken, daarom sloeg zij er den pelsmantel maar overheen; en in de haast heeft zij ook het roet niet overal goed kunnen aanbrengen, en één vinger bleef blank. Albontje ging nu naar de keuken, en kookte voor den koning de broodsoep, en toen de kok weg was, legde zij het gouden haspeltje er in. Toen de koning het haspeltje op den bodem vond, liet hij Albontje weer roepen; en hij zag den blanken vinger, en den ring, die hij onder den dans er aan had gestoken. Toen greep hij haar bij de hand, en hield die vast, en toen zij zich wilde lostrekken, en wegloopen, viel de pelsmantel open en het sterrenkleed schitterde er tusschen door. Toen trok de koning den mantel af, en de gouden haren, en het prachtige gewaad kwamen te voorschijn. Nu kon zij zich niet meer verbergen en zij veegde de asch en het roet van haar gezicht; toen was zij de schoonste koningsdochter, die ooit op de aarde te zien is geweest. Maar de koning sprak: »Gij zijt mijn lieve bruid, en wij scheiden nimmermeer!« Er werd bruiloft gevierd, en zij leefden vergenoegd tot aan hun dood.
LXVI.
HAZEBRUIDJE.
Er woonde eens een vrouw met haar dochter in een mooien tuin met kool. De vrouw zegt tegen de dochter: »ga naar buiten en jaag 't haasje weg.« »Ksj-ksj!« zegt het meisje tegen 't haasje, »je eet nog al de kool op!« »Kom meisje,« zegt 't haasje: »ga op mijn hazestaartje zitten en kom mee naar mijn hazehutje!« 't Meisje wil niet. Den volgenden dag komt het haasje weer en eet van de kool. Toen zegt de vrouw tegen de dochter: »ga naar buiten en jaag 't haasje weg!« »Ksj-ksj,« zegt het meisje tegen 't haasje, »je eet nog al de kool op!«
»Kom meisje,« zegt 't haasje, »zit op mijn hazestaartje en ga mee naar mijn hazehutje!« 't Meisje wil niet. Den derden dag komt 't haasje weer en eet van de kool. Toen zegt de vrouw tegen de dochter: »ga naar buiten en jaag 't haasje weg!« »Ksj-ksj.« zegt het meisje tegen 't haasje, »je eet nog al de kool op.« »Kom meisje,« zegt 't haasje: »zit op mijn hazestaartje, en ga mee naar mijn hazehutje.« 't Meisje ging toen zitten op 't hazestaartje, en het haasje bracht haar heel ver weg, naar zijn hutje. »Kook nu kool en gerstebrij,« zegt 't haasje, »dan zal ik de bruiloftsgasten nooden.« Toen kwamen al de bruiloftsgasten tegelijk. (Wie waren de bruiloftsgasten? dat kan ik je vertellen, zooals een ander het mij verteld heeft. Het waren allemaal hazen; en de kraai was er bij als priester om het bruidspaar te trouwen, en de vos was er bij als koster, en het altaar was onder den regenboog.)
Maar het meisje was treurig toen ze nu alleen was. Het haasje komt, en zegt: »doe open, doe open, de bruiloftsgasten zijn lastig!« De bruid zegt niets, en ze huilt. Haasje gaat weg, haasje komt terug en zegt: »doe open, doe open! de gasten hebben honger!« De bruid zegt weêr niets, en ze huilt. Haasje gaat weg, haasje komt terug: »doe open, doe open! de gasten wachten!« De bruid zegt niets en haasje gaat weg; maar ze maakt een pop van stroo, trekt die haar kleêren aan, en ze geeft ze een potlepel in de hand. Toen zet ze haar bij de pan met breî en ze loopt weg naar haar moeder. Haasje komt nog eens, en zegt: »doe open, doe open!« en hij doet open, en smijt de pop naar haar hoofd, dat haar muts afvalt.
Nu ziet haasje, dat zijn bruid weg is, en hij gaat ook weg en is treurig.
LXVII.
DE TWAALF JAGERS.