Chapter 11
Toen de jonge koning maar niet terug kwam, namen de angst en onrust van de koningin steeds toe. Nu gebeurde het, dat juist in dezen tijd, de andere broeder, die bij de scheiding naar het oosten getrokken was, in het koninkrijk kwam. Hij had een dienst gezocht, maar niet gevonden, had heen en weer getrokken en zijn dieren laten dansen. Toen was het hem ingevallen, eens naar het mes te kijken, dat zij bij de scheiding in een boomstam hadden gestooten, om te weten hoe het met zijn broeder stond. Toen hij daar kwam was de kant van zijn broêr half verroest en half nog blank. Toen schrikte hij en dacht: »er moet mijn broeder een groot ongeluk overkomen zijn; maar misschien kan ik hem nog redden, want de helft van het mes is nog blank,« en hij trok met zijn dieren naar het westen. Toen hij de stadspoort binnenging, presenteerde de wacht het geweer, en vroeg of zij hem bij de koningin zouden aanmelden; want de jonge koningin was al sedert een paar dagen in grooten angst over zijn uitblijven, en zij meende, dat hij in het betooverde bosch was omgekomen. De wacht dacht niet anders of het was de jonge koning zelf, zoo geleek hij hem, en hij had ook de wilde dieren achter zich aan loopen. Hij bemerkte toen, dat er van zijn broêr gesproken werd en dacht: »het zal het beste zijn, dat ik mij maar houd of het zoo is, dan kan ik hem misschien nog gemakkelijker redden.« Hij liet zich nu door de wacht naar het slot geleiden en werd er met groote vreugde ontvangen. De jonge koningin meende niet anders dan dat hij haar echtgenoot was. Hij vertelde haar, dat hij in het bosch verdwaald was geweest en er niet eerder weer uit had kunnen komen. Des avonds werd hij naar het koninklijke bed geleid, maar hij legde een tweesnijdend zwaard tusschen zich en de jonge koningin. Zij begreep niet wat dat beduiden moest, maar heeft het niet durven vragen. Hij bleef een paar dagen, en in dien tijd kwam hij alles te weten, wat betrekking had op het betooverde bosch, en eindelijk zei hij: »ik moet daar toch nog eens jagen.« De koning en de jonge koningin wilden het hem uit zijn hoofd praten, maar hij stond er op, en trok met een groot gevolg er op uit. Toen hij in het bosch kwam, zag hij even als zijn broeder een witte hertekoe en hij sprak tot zijn gevolg: »houdt hier halt tot ik terug kom, dat fraaie wild wil ik jagen,« en hij reed verder het bosch in; zijne dieren volgden hem. Nu ging het hem even als zijn broeder: het hert kan hij niet inhalen, en hij raakte zóó diep in het bosch, dat hij er overnachten moest. En toen hij een vuur had aangemaakt, hoorde hij boven zich steunen: »hu-u-u! wat heb ik het koud!«
Toen keek hij naar boven en zag dezelfde heks boven in den boom en hij riep: »als je 't koud hebt moedertje, kom dan naar beneden en warm je.« »Neen,« riep zij, »je dieren bijten mij.« Maar hij antwoordde: »zij doen je niets.« Toen riep zij: »ik zal een tak naar beneden gooien, als je ze daarmee slaat, bijten zij niet.« Toen de jager dat hoorde vertrouwde hij de oude niet, en zei: »mijne dieren sla ik niet, kom naar beneden, of ik haal je.« Toen riep zij: »wat denk je wel, je doet mij toch niets!« En hij antwoordde: »als je niet komt, schiet ik je er uit.« En zij: »schiet maar toe, ik maal niet om je kogels.« Hij legde toen aan en schoot, maar de heks was voor looden kogels onkwetsbaar, en gilde van 't lachen en ze riep: »je kunt mij toch niet treffen!« Maar de jager wist raad: hij trok drie zilveren knoopen van zijn jas en laadde daarmee het geweer, want daartegen vermocht haar kunst niets, en toen hij losdrukte viel zij akelig schreeuwend uit den boom. Toen zette hij zijn voet boven op haar en zei: »oude heks, als je niet dadelijk zegt waar mijn broêr is, dan pak ik je op, en gooi je in het vuur.« Zij was in groote angst en smeekte om genade en zeide: »hij ligt met zijn dieren versteend in een kuil.« Toen dwong hij haar meê te gaan, »oude meerkat, nu maak je mijn broer en alle schepsels die hier liggen, weêr levend, of je komt in 't vuur.« Zij nam een stok, en roerde de steenen aan; toen werden zijn broeder en de dieren weer levend en ook vele anderen, kooplieden, handwerkers, herders, stonden op, bedankten hem voor hun verlossing en trokken huiswaarts. Maar de tweelingbroeders kusten elkander, toen zij elkaâr terug zagen, en verheugden zich van ganscher harte. Toen grepen zij de heks, bonden haar, en legden haar in 't vuur, en toen zij verbrand was, opende zich het bosch van zelf, het werd er licht en zonnig en het koninklijk slot kon men op drie uur afstand zien.
Nu gingen de twee broeders te zamen naar huis en vertelden elkander onderweg hun lotgevallen. En toen de jongste zei dat hij 's konings plaats vervulde in het heele land, zei de andere: »dat heb ik wel gedacht, want toen ik in de stad kwam, en voor jou werd aangezien, geschiedde mij alle koninklijke eer; de jonge koningin hield mij voor haar gemaal, en ik moest aan hare zijde eten en in je bed slapen.« Toen de andere dat hoorde werd hij zoo jaloersch en toornig dat hij zijn zwaard trok, en zijn broer het hoofd afsloeg. Maar toen hij nu dood lag en het roode bloed vloede, werd zijn berouw geweldig en hij sprak: »Mijn broeder heeft mij verlost, en daarvoor heb ik hem gedood!« en hij jammerde luid. Toen kwam zijn haas en zeide, dat hij den levenswortel zou halen, en sprong weg en kwam nog te rechter tijd, en de doode werd weer levend, en bemerkte niet eens de wond.
Toen trokken zij verder, en de jongste sprak: »ge ziet er uit als ik: ge draagt als ik koninklijke kleeren, en de dieren volgen u als mij. Wij zullen de tegen-overgestelde poorten binnengaan, en van verschillende kanten bij den ouden koning aankomen.« Toen gingen zij van elkaar; en bij den ouden koning kwam tegelijk de wacht van de eene en van de andere poort, en meldde dat de jonge koning met zijn dieren van de jacht teruggekeerd was. Toen zei de koning: »dat is niet mogelijk: de poorten liggen een uur van elkaar.« Juist kwamen de twee broeders van twee kanten het slotplein oprijden en stegen beiden de trappen op. Toen sprak de koning tot zijn dochter; »Zeg nu, welke is je echtgenoot? De eene ziet er uit als de andere; ik kan het niet zeggen.« Toen was zij in grooten angst, want zij wist het niet, maar daar dacht zij opeens aan den halsketting, dien zij de dieren gegeven had, en aan den leeuw van haar echtgenoot zag zij het gouden slootje; toen sprak zij vergenoegd: »deze is mijn echte man!« Toen lachte de jonge koning en zei: »ja, het is de rechte,« en ze zetten zich allen te zamen aan tafel, en aten en dronken en waren vroolijk. 's Avonds toen de jonge koning naar bed ging, zeide zijn vrouw: »waarom heb je de vorige nachten altijd een tweesnijdend zwaard in het bed gelegd? Ik heb gedacht, dat je mij wilde doodsteken.« Nu begreep hij, hoe trouw zijn broeder hem geweest was.
LXI.
HET BOERKE.
Er was een dorp, daar woonden enkel rijke boeren, en maar één arme: dien noemden zij het »boerke«. Hij bezat niet eens een koe, en nog minder geld om er een te koopen; en hij en zijn vrouw hadden er toch zoo graag een gehad. Maar eens zei hij tegen zijn vrouw: hoor eens, ik heb daar een goeden inval; wij hebben toch onzen neef de schrijnwerker, die moet ons eens een kalf van hout maken, en het bruin schilderen, dat het er als een gewoon kalf uitziet; het zal mettertijd wel groot worden, dan is het een koe. Dat beviel de vrouw ook wel, en neef de schrijnwerker timmerde en schaafde het kalf, en schilderde het naar den aard, en hij maakte het zoo, dat de kop naar beneden hing, alsof het vrat.
Toen den volgenden morgen de koeien naar buiten gingen, riep het boerke den herder binnen, en zei: »kijk, hier heb ik een kalfje, maar het is nog klein en moet gedragen worden.« »Goed,« zei de herder, en hij nam het op zijn arm en droeg het naar de wei; daar zette hij het neer op het gras. Het kalfje bleef daar al maar staan, of het graasde, en de herder zei: »dat zal gauw kunnen loopen, kijk het al eens vreten.« 's Avonds toen hij de kudde weer naar huis zou drijven, sprak hij tot het kalf: »kun je daar staan en je genoegen eten, dan kun je ook op je vier pooten loopen, ik sleep je niet weer op mijn arm mee!« Maar het boerke stond voor de huisdeur en wachtte op zijn kalfje; en toen nu de herder door het dorp kwam, en het kalfje er niet bij was, vroeg hij er naar. De herder antwoordde: »dat staat nog altijd buiten te vreten, het wou niet ophouden en ook niet meegaan.« Maar boerke zei: »neen hoor, ik moet mijn beest terug hebben!« Zij gingen toen samen naar de wei terug; maar iemand had het kalf gestolen, het was weg. »Het zal wel ergens heen geloopen zijn,« zei de herder. »Oele!« zei het boerke, en bracht den herder voor den schout, en die veroordeelde den herder om voor zijn onachtzaamheid het boerke een koe te vergoeden voor het verloren kalf.
Nu hadden boerke en zijn vrouw de lang gewenschte koe; zij waren machtig verheugd er mee; maar zij hadden geen voêr; zij konden haar niets te eten geven, en zoo moest ze al dadelijk weer geslacht worden. Ze pekelden het vleesch, en boerke ging naar de stad om daar de huid te verkoopen, en voor het geld een nieuw kalfje te bestellen. Onderweg moest hij langs een molen; daar zat een raaf met lamme vleugels; boerke nam hem uit medelijden op en wikkelde hem in de huid. Maar het was zulk boos weer, storm en regen, dat hij niet verder kon, en hij ging den molen binnen en vroeg of hij er schuilen mocht. De molenaarsvrouw was alléén thuis en zei tot het boerke: »ga daar maar op het stroo liggen,« en ze gaf hem een boterham met kaas. Het boerke at en ging toen liggen en de vrouw dacht: »die is moe en slaapt.« Nu kwam de pastoor binnen en de vrouw ontving hem vriendelijk en zei: »mijn man is uit, nu gaan wij smullen!« Boerke had het gehoord, en bij »smullen« dacht hij aan de boterham met kaas, die voor hem goed genoeg was geweest, en dat ergerde hem. De vrouw droeg nu op, vierderlei gebraad, sla, gebak en wijn.
Toen zij gezeten waren, en 't eten zou beginnen, klopte men buiten aan de deur.
»O, jeè, dat is mijn man!« zei de vrouw. En vlug ging het gebraad in de kachel, de wijn onder het hoofdkussen, de sla op het bed, het gebak onder het bed en de pastoor in de kast op den deel. Daarna maakte zij den man de deur open en sprak: »gelukkig, dat je weer thuis bent!«
De molenaar zag boerke op het stroo liggen, en vroeg: »wat moet die kerel daar?« »Och,« zei de vrouw, »de arme stakker kwam in dat hondenweer en vroeg om nachtverblijf, toen heb ik hem een boterham met kaas gegeven, en het stroo om op te liggen.« Toen zei de man: »ik heb er niets tegen, maar geef mij maar gauw wat te eten!«
De vrouw antwoordde: »ik heb alleen maar kaas en brood.« »Wat mij betreft, dan maar kaas en brood,« zei de man, »als 't maar eten is,« en hij riep naar het boerke: »kom, eet nog maar eens mee!« Dat liet boerke zich geen tweemaal zeggen, en hij stond op en at mee. »Wat heb je daar bij je in de huid?« vroeg de molenaar. »O,« zei boerke, »daar heb ik een waarzegger in.« »Kan hij mij ook waarzeggen?« vroeg de molenaar. »Waarom niet,« zei het boerke, »maar hij zegt maar vier dingen, en het vijfde houdt hij voor zich.« De molenaar was nieuwsgierig, en zei: »laat hem eens waarzeggen.»
Toen drukte het boerke den raaf op zijn kop, dat hij kwakte en »kerr, kerr,« zei. »Wat heeft hij gezegd?« vroeg de molenaar. »Ten eerste heeft hij gezegd dat er wijn onder het hoofdkussen ligt.« »Wat, koekoek!« zei de molenaar, en hij ging en vond den wijn. »Nu verder,« zei de molenaar. Het boerke liet den raaf weer krassen en zei: »ten tweede, zegt hij, dat er gebraad in de kachel staat.« »Wat koekoek!« zei de molenaar, en hij ging en vond het gebraad. Boerke liet de raaf nog meer waarzeggen, en zei: »ten derde, zegt hij, dat er sla in het bed is.« »Wat koekoek!« zei de molenaar en hij vond de sla. Eindelijk drukte boerke den raaf nog éénmaal dat hij kraste, en zei toen: »en ten vierde, is er gebak onder het bed.« »Wat koekoek!« riep de molenaar, en hij ging en vond het gebak.
Nu zetten de twee zich samen aan tafel, maar de molenaarsvrouw bekroop de doodsangst, zij ging in bed liggen en nam alle sleutels bij zich. De molenaar woû wel graâg het vijfde ook weten maar boerke zei: »eerst moeten wij deze vier dingen rustig opeten, want het vijfde is iets heel ergs.« Zij aten dus, en terwijl werd er gehandeld, hoe veel de molenaar voor de vijfde waarzegging zou geven; voor driehonderd rijksdaalders werden zij het eens. Toen drukte het boerke den raaf nog eens op zijn kop, dat het hard kwakte. »Wat heeft hij gezegd?« vroeg de molenaar. Het boerke antwoordde: »hij heeft gezegd: »»op den deel in de kast, daar zit de duivel!«« Toen zei de molenaar: »de duivel moet er uit!« en hij sloot de huisdeur open. De vrouw moest de sleutels geven, en boerke maakte de kast open. Toen liep de pastoor zoo gauw hij kon er uit, en de molenaar zei: »ik heb den zwarten kerel gezien.« Maar den volgenden morgen in de schemering pakte boerke zich met zijn driehonderd rijksdaalders gauw weg.
Boerke ging het nu goed, hij werd een rijk man en de boeren zeiden: »boerke is zeker geweest, waar de gouden sneeuw valt, en men het geld in schepels thuis brengt.« Toen werd boerke voor den schout geroepen; nu moest hij zeggen waar al die rijkdom van daan kwam. Hij antwoordde: »ik heb mijn koeienhuid voor driehonderd rijksdaalders in de stad verkocht.« Toen de boeren dat hoorden, wilden zij dat voordeeltje ook hebben; zij sloegen allemaal hun koeien dood, en trokken hen de huid af, om ze in de stad met groote winst te verkoopen. »Mijn meid moet het eerst gaan,« zei de schout. Toen zij bij den koopman in de stad kwam, gaf die haar niet meer dan twee rijksdaalders voor een huid, en de anderen gaf hij niet eens zooveel, »wat moest hij met al die huiden doen,« zei hij. Nu waren de boeren kwaad, dat het boerke hen er zoo tusschen had genomen, en zij wilden wraak nemen, en klaagden hem bij den schout aan wegens bedrog. Het onschuldig boerke werd nu ter dood veroordeeld; hij zou in een doorboord vat, in het water gerold worden. Boerke werd weggebracht en er kwam een geestelijke om een mis voor zijn ziel te lezen. Al de anderen moesten zich nu verwijderen. Toen boerke nu den geestelijke aankeek, zag hij, dat het de pastoor van de molenaarsvrouw was. »Ik heb je uit de kast bevrijd,« zei hij toen, »bevrijd mij nu uit het vat.« Er kwam juist een herder met een kudde schapen voorbij; boerke wist van hem, dat hij erg graâg schout zou zijn, en hij riep luid: »Neen, ik doe het niet, en al zou de heele wereld het willen, ik doe het niet!« De schaapherder hoorde het en kwam er bij en vroeg: »Wat meen je? wat wil je niet?«
»Ze willen mij schout maken, als ik in dat vat kruip,« zei boerke, »maar ik doe het niet.« De schaapherder zei: »anders niet? om schout te worden, wil ik wel in dat vat gaan zitten.« »Als je er in gaat zitten,« zei boerke, »wordt je ook schout.« De herder vond het goed, en kroop er in en boerke sloeg het deksel goed dicht en dreef toen de kudde schapen zelf verder. Nu ging de pastoor tot de gemeente en zei, dat de mis gelezen was. Zij kwamen, en rolden het vat naar het water. Toen het vat begon te rollen, riep de herder: »ik wil graâg schout worden!« en zij dachten, dat het 't boerke was en riepen terug: »Best hoor, maar eerst moet je daar beneden eens rondkijken!« en zij rolden het vat in het water.
De boeren gingen toen naar huis, en in het dorp zagen zij boerke, die heel bedaard een kudde schapen voor zich uitdreef en een erg tevreden gezicht zette. Toen stonden de boeren te kijken: »boerke,« zeiden ze, »waar kom je van daan, kom je uit het water?« »Zeker,« zei boerke, »ik ben gezonken, diep, diep, tot ik eindelijk op den grond kwam; ik trapte den bodem uit het vat, en kroop er uit: ik zag mooie weilanden waar veel schapen weidden; deze kudde heb ik er van meêgebracht.« »Zijn er nog meer?« vroegen de boeren. »O, ja,« zei boerke, »meer dan je gebruiken kunt.« Toen bespraken de boeren, dat zij ook schapen zouden gaan halen, ieder een kudde; maar de schout zei: »ik ga eerst!« Zij gingen nu allemaal samen naar het water, en juist stonden er aan de blauwe lucht van die kleine vlokjeswolken, die men schaapjes noemt. Zij spiegelden zich in het water, en toen riepen de boeren: »wij zien de schapen al onder in het water!« De schout drong naar voren en zei: »ik moet er eerst in, en eens rondkijken; als het waar is zal ik jelui roepen.« Hij sprong er in: »plomp!« zei het in het water. »Kom!« dachten ze, dat hij riep, en de heele bende sprong met een vaart achter hem aan. Toen was het heele dorp uitgestorven, en boerke was de eenige erfgenaam, en een rijk man.
LXII.
DE BIJENKONINGIN.
Twee prinsen gingen op avontuur uit; maar zij geraakten in een woest en losbandig leven, zoodat zij in 't geheel niet meer thuis kwamen. De jongste, die Dommertje genoemd werd, trok uit om zijn broêrs te zoeken; maar toen hij hen vond, bespotten zij hem, dat hij zoo onnoozel als hij was, zijn weg door de wereld wilde vinden; zij waren zóóveel slimmer en zij konden het niet eens. Te zamen trokken zij toen verder en kwamen aan een mierenhoop. De twee oudsten wilden die door elkaar woelen, om te zien hoe de mieren in hun angst zouden rondscharrelen en hunne eieren wegdragen; maar Dommertje zei: »laat de diertjes met rust en stoor ze niet; ik verdraag het niet, als je ze kwaad doet!« Toen gingen ze verder en ze kwamen aan een meer; daarop zwommen vele eenden. De twee broeders wilden er een paar vangen en braden; maar Dommertje zei weêr: »laat de dieren met rust: ik verdraag het niet, als je ze doodt.« Eindelijk vonden zij een bijennest; er was zooveel honing in, dat het langs den stam naar beneden liep. De twee oudsten wilden vuur onder den boom aanleggen, en de bijen doen stikken, zoodat zij de honing konden wegnemen. Maar Dommertje hield hen er weêr van af en sprak: »laat die dieren met rust, ik verdraag het niet als je ze verbrandt.«
Toen kwamen de drie broêrs aan een slot: daar stonden in de stallen enkel steenen paarden; maar er was geen mensch te zien, en zij gingen door alle zalen. Aan het eind kwamen zij voor een deur, waaraan drie sloten hingen; midden in de deur was een luikje, daardoor kon men in de kamer zien. Zij zagen een oud mannetje aan de tafel zitten en riepen hem aan, éénmaal, tweemaal, maar hij hoorde hen niet. Toen riepen zij voor de derde maal, hij stond op, en kwam er uit. Hij sprak geen woord, maar hij vatte hen aan en leidde hen naar een rijkbezette tafel. Toen zij gegeten en gedronken hadden bracht hij hen ieder in een afzonderlijk slaapvertrek. Den volgenden morgen kwam hij bij den oudste, wenkte hem en bracht hem naar een steenen zerk; daarop stonden de drie opgaven geschreven, waardoor het slot verlost kon worden.
De eerste was deze: in het woud onder het mos, lagen de paarlen van de koningin, duizend in getal; die moesten opgezocht worden; maar als er met zonsondergang ook maar een enkele ontbrak, werd hij, die gezocht had, tot steen. De oudste ging, en zocht den geheelen dag; maar toen de dag ten einde was, had hij er pas honderd gevonden, en er gebeurde wat op de zerk stond: hij werd in steen veranderd. Den volgenden dag ondernam de tweede broeder het avontuur; het ging hem niet veel beter dan den oudste: hij vond maar tweehonderd paarlen en werd eveneens tot steen. Eindelijk kwam ook aan Dommertje de beurt; hij zocht in het mos; maar het was zoo moeilijk de paarlen te vinden en het ging zoo langzaam. Toen zette hij zich op een steen, en schreide.
Terwijl hij nu zoo zat, kwam de mierenkoning, dien hij eens het leven gered had, met vijfduizend mieren, en heel gauw hadden de diertjes de paarlen gevonden en op een hoop gebracht. De tweede opgaaf was: de sleutel van de slaapkamer der prinses uit het meer te halen. Toen Dommertje bij het meer was, kwamen de eenden aangezwommen, die hij eens gered had; zij doken onder, en haalden den sleutel uit de diepte. De derde opgaaf was de moeilijkste: uit drie slapende prinsesjes moest de jongste en liefste gekozen worden. Zij geleken elkander sprekend, en waren alleen te onderscheiden omdat zij vóór het inslapen verschillende zoetigheden gegeten hadden: de oudste een stukje suiker, de tweede een beetje stroop, en de jongste een lepel honing. Daar kwam de bijenkoningin, die de jongste van de broeders gered had van het vuur, en zette zich op den mond van alle drie de jonkvrouwen; maar zij bleef zitten op degene, die de honing gegeten had, en zoo herkende de prins de rechte. Nu was alle betoovering verbroken, en allen uit de slaap verlost; en wie steen was, kreeg weder zijn menschelijke gedaante. En Dommertje nam de jongste en liefste tot vrouw en werd koning na haar vader's dood. Zijne twee broeders trouwden met de oudste zusters.
LXIII.
DE DRIE VEEREN.
Er was eens een koning, die drie zonen had. De twee oudsten waren knap en slim; maar de jongste zei niet veel en was een beetje onnoozel: hij werd Dommerik genoemd. Toen de koning nu oud werd en aan zijn einde ging denken, wist hij niet, wien van zijn zonen hij het rijk zou laten erven. Toen sprak hij tot hen: »Gaat alle drie er op uit, en die mij het mooiste tapijt mee terugbrengt, zal na mijn dood koning zijn.« En opdat er geen oneenigheid tusschen hen mocht komen, nam hij ze mede tot voor het slot; daar blies hij drie veertjes in de lucht, en hij sprak: »zoo als die vliegen moet gij heentrekken.« Het eene veertje vloog naar het oosten, het andere naar het westen, en het derde recht vooruit; maar het vloog niet zoo ver als de anderen en het viel op den grond. Nu ging de eene broeder rechts, de andere ging links; en zij hebben Dommerik uitgelachen, die bij zijn derde veer op den grond moest blijven zitten.
Dommerik zette zich neêr en was treurig. Daar bemerkte hij op eens, naast het veêrtje, een deur in den grond. Die heeft hij geopend, en vond een trap, die hij afging. Toen kwam hij voor een andere deur; daar klopte hij aan; en van binnen werd toen geroepen:
»Jonkvrouw, teêr en kleen, Hutselbeen, Hutselbeen's hondje, Hutsel hier en hutsel daar Ga eens zien, wie klopt daar.«
De deur ging open, en hij zag een groote dikke pad zitten en daar omheen een heelen kring van kleine padjes. De dikke pad vroeg hem wat hij wenschte. Hij antwoordde: »Ik zou graag het mooiste en fijnste tapijt hebben.« Toen riep de oude pad een jonkie en zeî:
»Jonkvrouw teêr en kleen, Hutselbeen, Hutselbeen's hondje, Hutsel hier en Hutsel daar, Geef de groote doos maar.«
De jonge pad haalde de doos, en de dikke maakte de doos open, en ze gaf er Dommerik een tapijt uit, zoo fraai en fijn als er boven op de aarde geen kon geweven worden. Hij dankte en ging weêr weg.