Sprookjes: Tweede verzameling

Chapter 10

Chapter 104,402 wordsPublic domain

Toen de koningsdochter op den berg kwam, stond daar boven niet de draak, maar de jonge jager, en hij sprak haar troostwoorden toe en zeide dat hij haar wilde redden, en hij geleide haar toen tot in het kerkje en sloot achter haar de deur af. Heel kort daarop kwam met loeien en brieschen de zeven-koppige draak. Toen hij den jager zag was hij verwonderd en vroeg: »wat zoekt ge hier boven op den berg?« »De jager antwoordde: »ik kom je bestrijden!« Toen sprak de draak: »zoo menig dapper ridder heeft hier het leven moeten laten, met jou zal ik ook gauw hebben afgerekend,« en hij ademde vuur uit zeven muilen. Het vuur moest het dorre gras doen ontbranden, en dan zou de jager in gloed en rook moeten omkomen, maar de dieren kwamen aangeloopen, en trapten het vuur uit. Toen keerde de draak zich tegen den jager, maar hij zwaaide zijn zwaard, dat het suisde en zong door de lucht, en sloeg hem drie koppen af. Toen in ziedende woede verhief de draak zich in de lucht, spuwde vuurvlammen over den jager uit, en wilde zich over hem heênstorten, maar de jager hief het zwaard, en sloeg weer drie koppen af. Nu verloor het ondier zijn weerstand en zonk inéén; maar het wilde toch weêr den jager te lijf; die sloeg hem echter met zijn laatste kracht de staart af en daar hij niet langer vechten kon, riep hij de dieren en zij verscheurden het monster. Toen het gevecht geëindigd was, ontsloot de jager de kerkdeur, en vond de koningsdochter zonder bewustzijn neêrliggen van den schrik en angst bij het gevecht. Hij droeg haar naar buiten, en toen zij weêr tot haarzelve kwam, en de oogen opsloeg, toonde hij haar den verscheurden draak, en zeide haar, dat zij nu verlost was; en zij verheugde zich en sprak: »Nu wordt gij mijn lieve gemaal; want mijn vader heeft mij aan hém beloofd, die den draak zou dooden.« Toen deed zij haar bloedkoralen halsketting af en verdeelde die onder de dieren: de leeuw kreeg er het gouden slootje van. Maar haar zakdoek, waarin haar naam stond, schonk zij den jager; hij ging heên en sneed uit de zeven drakenmuilen de tongen weg, en wikkelde ze in dien zakdoek; hij heeft ze toen goed bewaard.

Toen dat gebeurd was, en hij zich zoo moê en mat voelde van het gevecht, heeft hij tot de jonkvrouw gezegd: »wij zijn beiden zoo mat en moe, wij willen wat gaan slapen.« Zij zeide ja, en zij hebben zich neêrgezet op den grond, en hij sprak tot den leeuw: »gij zult waken, dat niemand ons in den slaap overvalt,« en beiden sliepen in.

De leeuw heeft zich naast hen gelegd om te waken, maar hij was ook moê van het gevecht, en daarom heeft hij den beer geroepen en gezegd; »Ga naast mij liggen, ik moet wat slapen; maar als er wat komt, maak mij dan wakker.« De beer heeft zich naast hem gelegd, maar hij was ook moê, en hij riep den wolf en zeide: »ga naast mij liggen, ik moet wat slapen, maar als er wat komt moet je mij wakker maken.« De wolf heeft zich toen naast hem gelegd, maar hij was ook moê en heeft den vos geroepen en gezegd: »ga naast mij liggen, ik moet wat slapen, maar als er wat komt, maak mij dan wakker.« Toen heeft de vos zich naast hem gelegd, maar hij was ook moê en hij riep den haas en zeide: »ga naast mij liggen, ik moet wat slapen, en als er wat komt moet je mij wekken.« Toen ging de haas naast hem zitten, maar de arme haas was ook moê en hij had niemand dien hij voor zich de wacht kon laten houden, toen is hij ingeslapen. En zoo sliepen nu de koningsdochter, de jager, de leeuw, de beer, de wolf, de vos en de haas, en zij sliepen alle een vasten slaap.

De maarschalk, die van verre had moeten toezien, zag den draak niet met de jonkvrouw wegvliegen, en alles was rustig op den berg; toen vatte hij moed en steeg naar boven. Daar lag de draak in stukken en verscheurd en niet ver van daar de koningsdochter, en een jager met zijn dieren; alle verzonken in diepen slaap. En omdat hij slecht en goddeloos was, nam hij zijn zwaard en sloeg den jager het hoofd af; de jonkvrouw nam hij in zijn armen en droeg haar naar beneden. Zij ontwaakte toen en verschrikte, maar de maarschalk zeide: »Ge zijt in mijn macht, en ge zult zeggen dat ik den draak gedood heb.« »Dat kan ik niet,« antwoordde zij, »want een jager deed het met zijn dieren.« Toen trok hij zijn zwaard, en dreigde haar te dooden, als zij niet gehoorzaamde, en zoo drong hij haar tot de belofte.

Hij bracht haar naar den koning; die was buiten zichzelf van vreugde, toen hij zijn lieve dochter levend voor zich zag, want hij meende zeker dat het ondier haar gedood had. De maarschalk sprak: »Ik heb den draak gedood en de jonkvrouw en het rijk bevrijd, nu eisch ik haar tot mijne vrouw, zooals het is toegezegd.« De koning sprak tot de jonkvrouw: »Is het waar wat hij zegt?« »Ach ja,« antwoordde zij, »maar ik houd het aan mij, eerst over een jaar en een dag bruiloft te vieren, want,« dacht zij, »in dien tijd zal ik misschien iets van mijn lieven jager hooren.«

Maar op den drakenberg lagen nog de dieren naast hun dooden meester, en sliepen; toen kwam een groote hommel, en heeft zich den haas op de neus gezet, maar de haas veegde hem met zijn poot weg, en sliep door.

De hommel kwam weer terug maar de haas veegde hem weer weg en sliep door. Voor den derden maal kwam hij, en stak den haas, dat hij ontwaakte. Toen de haas wakker was, heeft hij den vos gewekt, en die den wolf, en die den beer en die den leeuw. Maar toen de leeuw ontwaakte en zag dat de jonkvrouw weg was, en zijn meester dood, heeft hij ontzettend gebruld en geroepen: »Wie heeft dat gedaan! Beer, waarom heb je mij niet gewekt?« De beer vroeg den wolf: »waarom heb je mij niet gewekt?« en de wolf den vos: «waarom heb je mij niet gewekt?« en de vos den haas: »waarom heb je mij niet gewekt?« De arme haas wist niet te antwoorden en zoo bleef de schuld op hem hangen. Toen wilden zij hem te lijf, maar hij smeekte: »doodt mij niet, ik zal onzen meester het leven teruggeven! Ik weet een berg, daarop groeit een wortel; wie dien wortel in den mond heeft wordt van alle ziekte en wonden genezen. Maar de berg ligt tweehonderd uur van hier.« Toen sprak de leeuw: »In vierentwintig uur moet je heen en terug zijn, en den wortel meebrengen.« Toen sprong de haas weg, en in vierentwintig uur was hij terug en bracht den wortel meê. De leeuw legde den jager het hoofd weer aan, en de haas stak hem den wortel in den mond; toen voegde zich alles weer te zamen, het hart klopte, en het leven keerde terug. De jager ontwaakte toen, en hij schrikte toen hij de jonkvrouw niet meer zag, en hij dacht: »Zij zal zijn weggegaan terwijl ik sliep, om van mij af te komen.« De leeuw had in de groote haast het hoofd verkeerd aangezet, maar de jager merkte dat niet in zijn droevig denken aan de koningsdochter. Eerst 's middags, toen hij wat eten wilde, zag hij, dat zijn hoofd naar den rug stond, en hij begreep het niet, en vroeg aan de dieren, wat er in zijn slaap gebeurd was. Toen vertelde de leeuw, dat zij van vermoeidheid allemaal ingeslapen waren, en bij het ontwaken hadden zij hem dood gevonden met afgeslagen hoofd; de haas had den levenswortel gehaald; hijzelf had in de haast het hoofd verkeerd gehouden; maar hij zou zijn fout weer herstellen. Hij trok toen den jager het hoofd weer af, en draaide het om en de haas heeft het door den wortel weer vast laten groeien.

Maar de jager was treurig; hij trok in de wereld rond en liet zijn dieren dansen voor de menschen. Toen gebeurde het, dat hij na een jaar weer in dezelfde stad kwam, waar hij de koningsdochter van den draak verlost had; maar nu was de stad met scharlaken rood behangen. »Wat beduidt dat?« vroeg hij den waard, »voor een jaar was de stad met zwart floers behangen, en waarom nu met scharlaken?« De waard antwoordde: »Voor een jaar moest 's konings dochter aan den draak worden uitgeleverd, maar de maarschalk heeft hem bevochten en gedood, en nu wordt morgen hun huwelijk gevierd; daarom was verleden jaar de stad met zwart floers behangen, en heden met rood scharlaken, omdat het feest is.«

Den volgenden dag, toen de bruiloft zou gevierd worden, zei de jager in den middag tegen den waard: »zoudt ge wel gelooven heer waard, dat ik hier dezen middag brood van 's konings tafel zal eten?« »Nu,« zei de waard, «daar verwed ik nog wel honderd goudstukken om, dat dat niet waar is.« De jager nam de weddingschap aan, en zette er een beurs met honderd goudstukken tegen. Toen riep hij de haas, en zei: »Ga eens vlug, lieve springer, en haal mij van het brood dat de koning eet.« Nu was het haasje de minste en kon het geen ander opdragen, maar moest zelf beenen maken. En hij dacht bij zichzelf: »Als ik zoo alleen door de straat ga, zal ik gauw de slagershonden achter mij hebben.« En dat gebeurde ook, de honden kwamen hem achterna, en hadden plan hem zijn kostelijke huid uit te stukken. Maar hij rende van wat ben je me, en hij vluchtte in een schilderhuis zonder dat de schildwacht het merkte. Toen kwamen de honden om hem er uit te halen; maar de soldaat verstond geen gekscheeren, en hij sloeg er met zijn geweer oplos, dat zij jankend en huilend wegliepen. Toen de haas merkte, dat de kust vrij was, sprong hij het slot binnen, recht op de koningsdochter af, zette zich onder haar stoel en krabde over haar voet. »Wil je weg gaan!« zei ze, en ze dacht, dat het haar hond was. De haas krabde weer aan haar voet. »Wil je weg gaan,« zeide zij weer, en zij dacht nog, dat het haar hond was. Maar de haas hield vol, en krabde weer. Toen keek ze, en zij herkende den haas aan zijn halsband. Nu nam zij hem op haar schoot en droeg hem naar haar kamer, en daar zeide zij: »lieve haas wat wil je?« En hij antwoordde. »Mijn meester, die den draak gedood heeft is hier, en hij stuurt mij om een brood te vragen, zooals de koning het eet.« En zij verheugde zich en zond om den bakker en gebood hem een brood te brengen, zooals de koning het at. Maar het haasje zei: »de bakker moet het ook voor mij wegbrengen, dat de slagershonden mij geen kwaad doen.« De bakker droeg het brood tot aan de deur van de gelagkamer, en daar ging de haas op zijn achterpooten staan, nam het brood in de voorpooten en bracht het zijn meester. Toen sprak de jager: »ziet ge wel, heer waard, de goudstukken zijn voor mij.« De waard was ten hoogste verbaasd, maar de jager sprak: »ja meester waard, nu heb ik het brood, maar nu wil ik ook het vleesch er bij hebben, dat de koning eet.«

»Dat wou ik wel eens zien,« zei de waard; maar wedden deed hij niet meer. Toen riep de jager den vos, en zei: »vosje, ga eens gauw en haal mij van het vleesch, dat de koning eet.« De vos maakte zijn zaakjes beter en sloop door hoeken en gaten, zonder dat een hond hem zag; en hij kroop onder den stoel van de prinses en krabde haar voet. Toen keek ze, en herkende den vos aan zijn halsband, en zij nam hem meê naar haar kamer en zei: »Vosjelief, wat wil je?« En hij antwoordde: »mijn meester, die den draak gedood heeft, is hier, en hij zendt mij om van het gebraad te halen, dat de koning eet.« Zij zond toen om den kok, die moest een stuk gebraad bereiden zooals de koning het at, en het voor den vos dragen tot aan de deur, daar nam de vos hem de schotel af en bracht die aan zijn meester.

»Zie je heer waard,« zei de jager, »brood en vleesch heb ik nu; nu wil ik ook groenten hebben zooals de koning ze eet.« En hij riep den wolf, en sprak: »lieve wolf, ga eens heen en haal mij groente zooals de koning ze eet.« De wolf ging recht naar het slot, omdat hij voor niemand bang was en toen hij bij de prinses kwam trok hij haar achter aan haar kleed, dat zij moest omkijken. Zij herkende hem aan zijn halsband en nam hem mee naar haar kamer en daar sprak zij: »lieve wolf, wat wil je?« En hij antwoordde: »mijn meester, die den draak gedood heeft, is hier, en zendt mij om groente te vragen zooals de koning ze eet.« Toen liet zij den kok komen, die moest een schaal groenten bereiden, zooals de koning ze at en dien voor den wolf wegbrengen tot aan de deur. Daar nam hem de wolf de schaal af en bracht dien aan zijn meester. »Ziet ge, meester waard, nu heb ik brood, vleesch en groente, maar ik wil ook gebak hebben, zooals de koning het eet.« En hij riep den beer: »Beertje, je snoept wel eens graâg wat zoets, haal mij eens wat gebak zooals de koning het eet.« De beer draafde naar het slot, en iedereen ging hem uit den weg; maar toen hij bij de wacht kwam, legden zij zware geweren op hem aan, en wilden hem niet binnen laten gaan. Toen richtte hij zich op en gaf links en rechts met zijn klauwen een paar patsen, dat de heele wacht door elkaâr viel; en daarop liep hij recht naar de prinses, ging achter haar staan en bromde een beetje. Zij keek achter zich en herkende den beer, en zeide hem meê naar haar kamer te gaan en daar vroeg zij: »lieve beer, wat wil je?« En hij antwoordde: »mijn meester die den draak gedood heeft is hier, en ik moet vragen om het gebak, dat de koning eet.« Zij liet den suikerbakker komen, die moest gebak en suikerwerk maken, zooals de koning het at, en het tot aan de deur dragen; daar richtte de beer zich rechtop, nam hem de schaal af en bracht die aan zijn meester. »Zie je heer waard,« sprak hij, »nu heb ik brood, vleesch, groente en gebak, nu wil ik ook nog wijn drinken zooals de koning ze drinkt.« En hij riep den leeuw en sprak: »lieve leeuw, je drinkt je ook graag een roes, haal mij eens van den wijn, dien de koning drinkt.« Toen de leeuw nu over de straat schreed vluchtte het volk voor hem, en toen hij bij de wacht kwam, wilde die hem den weg versperren; maar hij brulde even en toen gingen zij ook op de vlucht. Nu ging de leeuw naar het koninklijk verblijf en klopte tegen de deur met zijn staart. De koningsdochter kwam er toen uit, en bijna verschrikte zij van den leeuw, maar zij herkende hem aan het gouden slot van haar halsketting, en nam hem meê naar haar kamer en zij sprak: »lieve leeuw, wat wilt ge?« En hij antwoordde: »mijn meester, die den draak gedood heeft, is hier; ik moet vragen om den wijn, dien de koning drinkt.« Zij liet den schenker komen, die moest den leeuw den wijn geven, die de koning gewoon was te drinken. Maar de leeuw zeide: »Ik zal meegaan, en toezien, dat ik de rechte krijg.« Hij ging met den schenker naar de kelder, en beneden gekomen, wilde die hem van den gewonen wijn aftappen, die door 's konings dienaren gedronken werd; maar de leeuw zeide: »wacht een oogenblik, ik wil den wijn eerst proeven,« en hij tapte zich een halve maat af en slokte hem in ééns naar binnen. »Neen,« zeide hij, »dat is niet de rechte.« De schenker keek hem schuin aan, en wilde hem toen uit een ander vat geven, dat voor 's konings maarschalk bestemd was. »Wacht een oogenblik, ik wil eerst den wijn proeven,« sprak de leeuw, en hij tapte zich een halve maat af, en dronk het uit; »hij is beter, maar nog niet de rechte.«

Toen werd de schenker boos, en zei: »Wat kan nu zoo'n beest van wijn afweten!« Maar de leeuw gaf hem toen een slag achter de ooren, dat hij niet heel zacht op den grond kwam, en toen hij weer op zijn beenen stond, bracht hij den leeuw zonder spreken, in een kleine afgeschoten kelder, waar 's konings wijn lag, dien niemand anders ooit te drinken kreeg. De leeuw tapte eerst een halve maat voor zich af, en dronk: »dat kan de rechte zijn,« en hij liet den schenker zes flesschen vullen. Zij gingen nu naar boven; maar toen de leeuw buiten kwam, zwaaide hij heen en weer en was een beetje dronken, en den schenker zeide hij, den wijn tot voor de deur te dragen; dáár nam hij hem de mand af, en bracht die zijn meester. Toen zei de jager: »zie je, heer waard, nu heb ik brood, vleesch, groente, gebak en wijn, zooals de koning het gebruikt, en nu zal ik met mijn dieren het middagmaal houden,« en hij ging zitten, en at en dronk, en gaf den haas, den vos, den wolf, den beer, en den leeuw ook te eten en te drinken; en hij was vroolijk, want hij begreep, dat de prinses hem nog lief had. Toen de maaltijd gehouden was, sprak hij: »heer waard, nu heb ik gegeten en gedronken, zooals de koning eet en drinkt, nu zal ik ook aan het hof gaan en de prinses trouwen.« En de waard zei: »hoe moet dat gaan, als zij al een bruidegom heeft en het van daag haar trouwdag is?« Toen haalde de jager den zakdoek te voorschijn, die de koningsdochter hem op den drakenberg gegeven had, en waarin hij de zeven tongen van het monster bewaarde, en hij zeide: »daarbij zal mij helpen wat ik hier in de hand heb.« De waard keek naar den zakdoek: »al geloofde ik ook alles, dan geloof ik dàt toch niet, ik verwed er huis en hof onder.« Maar de jager nam een buidel met goudstukken, legde die op tafel en zei: »en dit houd ik er tegen.«

Aan de koninklijke tafel sprak de koning tot zijn dochter: »Wat was dat, dat al die wilde dieren bij je kwamen, en in en uit gingen in mijn slot?« Zij antwoordde toen: »ik mag het niet zeggen; maar laat den meester van die dieren ontbieden, dan zult ge wèl doen.« De koning zond een dienaar naar de herberg en liet den vreemdeling uitnoodigen, en de dienaar kwam juist, toen de jager met den waard gewed had. Toen sprak hij: »zie je, heer waard, nu zendt de koning zijn dienaar om mij uit te noodigen, maar zóó ga ik nog niet.« En tot den dienaar zeide hij: »ik laat den Heer koning verzoeken, mij koninklijke kleederen te zenden, een koets met zes paarden en dienaren om mij te bedienen.« Toen de koning dat antwoord hoorde, sprak hij tot zijn dochter: »wat zal ik doen?« En zij antwoordde: »laat hem halen zooals hij het verlangt, ge zult er wèl aan doen.« Toen zond de koning vorstelijke kleeren, een koets met zes paarden, en dienaars om hem te bedienen. Toen de jager hen zag komen zeide hij: »zie je, heer waard, nu word ik afgehaald zooals ik het verlangd heb.« Hij trok de koninklijke kleeren aan, nam den doek met de drakentongen, en reed naar den koning. Toen de koning hem zag komen, zeide hij tot zijn dochter: »hoe zal ik hem ontvangen?« En zij antwoordde: »ga hem tegemoet, ge zult er wèl aan doen.« Toen ging de koning hem tegemoet, en leidde hem naar boven, en zijne dieren volgden. De koning wees hem een plaats aan tusschen zichzelf en zijn dochter. De maarschalk zat aan den anderen kant als bruidegom, maar hij kende hem niet meer. Nu werden juist de zeven drakenkoppen ten toon gesteld, en de koning sprak: deze zeven koppen heeft de maarschalk den draak afgeslagen, daarom geef ik hem heden mijn dochter ten huwelijk. Nu stond de jager op, opende de zeven muilen, en vroeg: »waar zijn de zeven tongen van den draak?« De maarschalk verschrikte; hij werd bleek en wist geen antwoord; maar eindelijk zei hij in zijn angst: »draken hebben geen tongen.» »Leugenaars moesten geen tongen hebben!« sprak de jager, »maar de drakentongen zijn het waarteeken van den overwinnaar,» en toen opende hij den doek, en alle zeven tongen lagen er in. Toen stak hij in iederen muil de tong die er in hoorde, en zij pasten precies. En daarna nam hij den doek, waarin de naamletters van de prinses gestikt waren en toonde het de jonkvrouw; en hij vroeg haar, aan wien zij den zakdoek gegeven had. »Aan hem, die den draak had gedood.« Toen riep hij zijn dieren, nam ieder zijn halsband af, en den leeuw het gouden slot, en toonde ze de jonkvrouw, en vroeg wie dat alles toebehoorde. En zij antwoordde: »de halsketting en het gouden slot behoorden mij toe, ik heb ze onder de dieren verdeeld, die den draak hielpen dooden.« Toen sprak de jager: »Na den strijd, toen ik moe en afgemat was, en rustte en sliep, kwam de maarschalk en heeft mij het hoofd afgehouwen, en de koningsdochter heeft hij weggedragen en hij heeft voorgegeven, dat hijzelf den draak gedood had. Dat hij gelogen heeft, bewijs ik met de tongen, den doek en den halsketting.« En hij vertelde, hoe de dieren hem met een wonderbaren wortel genezen hadden, en dat hij een jaar lang met hen had rondgetrokken en eindelijk weer hier was aangekomen, en dat het bedrog van den maarschalk hem door den waard was verteld geworden. Toen vroeg de koning zijn dochter: »is het waar, dat deze den draak gedood heeft?« En zij antwoordde: »ja, het is waar; nu kan ik ook het schandelijk gedrag van den maarschalk openbaar maken, omdat het zonder mijn toedoen aan het licht kwam; want hij heeft mij met dreigen, tot zwijgen gedwongen. Daarom heb ik volgehouden dat eerst over een jaar en een dag de bruiloft zou gehouden worden.« De koning liet nu twaalf raadsheeren ontbieden, die moesten over den maarschalk richten, en het vonnis werd gesproken, dat hij door vier paarden vanééngereten zou worden. Zoo werd den maarschalk recht gedaan; maar de jager kreeg 's konings dochter tot vrouw, en hij werd tot stadhouder des konings in het geheele rijk uitgeroepen. De bruiloft werd met groote vreugde gevierd; en de jonge koning liet zijn vader en pleegvader halen en overlaadde hen met schatten. Den waard vergat hij ook niet; hij liet hem bij zich ontbieden en zeide: »ziet ge, heer waard, de prinses heb ik getrouwd, en uw huis en hof zijn mijn.« Toen sprak de waard: »Ja, dat zijn zij, naar recht en billijkheid.« Maar de jonge koning zeide: »Maar het moet hier niet naar recht, maar naar genade gaan: uw huis en hof kunt ge behouden, en de duizend goudstukken schenk ik u er bij.«

De jonge koning en de jonge koningin waren gelukkig en hadden het goed. Hij trok dikwijls ter jacht, want dat was zijn groote vreugde, en zijne dieren moesten hem begeleiden. Nu was er in de nabijheid een bosch, daarvan heette het, dat het er niet recht pluis was, en wie er in kwam, kwam er niet gemakkelijk weêr uit. De jonge koning had echter groote lust in dat bosch te jagen, en hij liet den ouden koning niet met rust, voor die het hem vergunde. Hij reed er toen met groot geleide heen, en toen hij in het bosch kwam, zag hij een sneeuwwitte hertekoe, en sprak toen tot zijn gevolg: »houdt hier halt tot ik terugkom, want dat fraaie wild wil ik jagen.« En hij reed haar na, het bosch in; zijne dieren volgden hem. Zijn geleide wachtte tot den avond maar hij kwam niet terug. Toen reden zij naar huis en verhaalden de jonge koningin hoe de koning in het betooverde bosch een witte hertekoe had gevolgd en niet terug was gekomen. Toen was zij in groote zorg. Hij was het schoone wild steeds nagegaan, en kon het niet inhalen; meende hij, dat hij het onder schot had, dan was het op eens heel ver, en eindelijk verdween het heel en al. Nu merkte hij, dat hij diep midden in het bosch geraakt was, en nam zijn hoorn en blies; maar er volgde geen antwoord, want zijn gevolg kon het niet hooren. En toen nu ook de nacht kwam, begreep hij dat hij dezen dag niet meer thuis zou komen. Hij steeg af, en maakte een vuur aan bij een boom: daar wilde hij overnachten. Toen hij bij het vuur zat, en zijn dieren zich naast hem gelegerd hadden, meende hij een menschelijke stem te hooren; hij keek om, maar er was niets. Kort daarop hoorde hij weer steunen, alsof het van boven kwam; hij keek toen in de hoogte, en daar zag hij een oud wijf op den boom zitten, en zij jammerde aan één stuk door: »hu-u-u! wat heb ik het koud!« Toen zeide hij: »wel, kom er dan af, en warm je als je 't koud hebt.« »Neen,« zei ze, »je dieren bijten mij.« En hij antwoordde: »Neen, zij doen je niets moedertje, kom er maar af.« Maar zij was een heks en zeide: »ik zal een takje van den boom af gooien; als je hen daarmeê op hun rug slaat doen zij mij niets.« Zij gooide toen een tak naar beneden, en hij sloeg hen er meê: dadelijk lagen zij stil en zij waren in steen veranderd. En toen de heks nu veilig was voor de dieren, kwam zij naar beneden, en roerde hem ook met een tak aan, toen werd hij ook steen. Toen lachte zij en sleepte hem en de dieren in een kuil, waar meer zulke steenen lagen.