# Specialiteiten

## Part 8

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/specialiteiten-10664/index.md

Wie de aanbevelingen der kandidaten ontleendt, staat verbaasd over de botheid van lezers en de onbeschaamdheid van dagbladschryvers. Deze heeren geven zich niet eens de moeite hun felonie te verbergen, en dringen brutaal aan op de verkiezing van dezen of genen, om redenen die juist den kandidaat het lidmaatschap in de Kamer zouden ónwaardig maken, indien hy inderdaad schuldig ware aan de Kamerdeugden waarvan-i beticht wordt. Laat ons hopen dat er veel gelasterd wordt in die aanbevelingen! Maar in dit geval is 't vreemd dat de betrokkenen zich niet verdedigen. Nooit las ik te-dier-zake 'n rechtvaardiging. Nooit werd 'n dagbladschryver door den kandidaat van z'n krant voor den rechter gedaagd, omdat hy hem in-staat achtte als Kamerlid het algemeen welzyn opteofferen aan ondergeschikte belangen, nu zeer in 't byzonder aan die van z'n distrikt. Nooit eischte een aanstaand vertegenwoordiger des Volks, herstel van eer na de aantyging dat-i gereed-stond dat Volk naar de maat van z'n vermogen te verraden als _Specialiteit_. Integendeel, de Fritsjens leggen vry onnoozel hun schitterenden _Staat-van-Dienst_ over, en schynen heusch te gelooven dat na hùn verkiezing, _tout sera pour le mieux dans le meilleur des parlements possible_.

Het best-mogelyk parlement? Dit verkrygen wy op die manier _niet_!

Wie als _specialiteit_ de Kamer betreedt, voelt zich genoopt z'n kiezers te doen zien dat hy wel terdege de man is waarvoor hy zich ... in de societeit _Gezelligheid_ uitgaf. Men was gewoon hem daar gekleed te zien in iets dat naar uniform geleek. Ook schoor de barbier z'n nekharen weg. En z'n rok werd geborsteld door 'n gewezen wachtmeester- titulair, 'n krygskameraad uit de dagen van 't oorlogzuchtig garnizoensleven. Zou, na dit alles, het geacht lid uit de _Gezelligheid_ mogen zwygen by 't behandelen van de vraag, hoe wy de Pruisen uit het land houden? Dat zy verre! _Specialité oblige_! Het ruischt hem in de ooren hoe z'n kiezers elkaar toeroepen: 't zal me benieuwen wat _onze_ man zegt over de linie van defensie. Zoo-iets is juist z'n _fort_.

Nu, die kiezers krygen hun zin. «Onze man» praat terdeeg mee. En waarom zoud-i niet? Hy heeft immers--de gelukkige!--verstand van «linien» waarop zich de vredelievende krygsman terugtrekt, en hy weet wat de rug van 'n leger is ... 'n ding, naar 't schynt, waarin iemand vallen kan zonder zich te bezeeren, jazelfs voor z'n plezier. Hy licht dus de vergadering voor, zy 't dan niet met technische kennis, dan toch met wat kennis van de meestal zinledige terminologie der techniek. De kruienier van z'n dorp voelt iets in zich van 'n CAESAR of NAPOLEON by 't verondersteld _hear, hear_! dat de aandacht scherpt op de oorlogswysheid van _zyn_ afgevaardigde. De geldwisselaar op den hoek is wat huiverig geworden in 't aannemen van _Cassenscheine_, na die redevoering van «onzen man.» 't Is toch maar zeker dat VON MOLTKE, uit het veld geslagen door die fameuze nieuwe linie, geen raad weten zal met z'n armeerug, en dat alzoo de solvabiliteit van den Pruisischen Staat ...

«Onderwys? Wacht even, straks zal onze dominee die zaak eens behandelen. We zonden hem naar den Haag omdat het preeken hem wat lastig viel[8]--hy moest zoo, en kan de stovenlucht niet verdragen --_maar onderwys_ z'n stokpaardje, daar kan je-n-op aan! Hy katechizeerde altyd 'n kwartier over den tyd, en op z'n zesde jaar al kon m'n kleine jongen 't heele gebed van MANASSE van-buiten, zoodat nu die reorganizatie van de hooge scholen wel in orde komen zal. Liberaal is-i ... van belang! Hy preekte zonder bef, en z'n vrouw heeft 'n _cotillon_ meegedanst op den zilveren bruiloft van onzen burgemeester.»

«Accynsen? Nu, dàt is 'n kolfje naar de hand van onzen X! Hy is graanhandelaar, en heeft molens ook. Altyd lag-i overhoop met de komiezen van 't gemaal. Hy is door-en-door thuis in die zaken ... doorkneed! Alles weet-i «binnen» te krygen, en de ambtenaar die hèm iets bewyzen kan, moet nog geboren worden. Lees eens wat onze «provinciale» van 'm zei toen-i gekozen worden zou. De «provinciale» zei, dat ... dat ... iemand zoo byzonder thuis was in de accynsen als X. De behouders zullen 't hard te verantwoorden hebben als hy begint. Want ... praten kan-i ... kyk! Verleden by den brand heeft hy 'n toespraak gehouden, wel 'n half uur lang. De spuitgasten stonden perplex, en toen 't dak instortte, had-i nog niet gedaan. Ik verzeker je dat-i niet voor niemendal naar den Haag is gezonden.»

't Is nu maar te hopen dat er geen brand ontstaat in den Haag of in Nederland, in de Kamer of onder 't Volk. De welsprekende gemaal-specialiteit mocht de spuitgasten eens roerloos praten![9]

Het doet my overigens genoegen dat die X zoo'n goede spreker is, daar-i me hierdoor aanleiding geeft om terugtekomen op de specialiteit van mooipraters, 'n ras dat ons moest doen gloeien van eerbied voor den uitvinder van 't Persisch-insectenpoeier. De mensenvriend HAKIM HHAFIZ--daar ik niet weet hoe de man heette, willen wy aannemen dat die naam hem is toegekend door de meerderheid van 'n Vergadering die 't ook niet wist--die HHAFIZ heeft aanspraak op onze dankbaarheid, al ontwaren we dan by warm weer en Kamerzittingen, dat z'n pogingen nog altijd gedeeltelyk onbekroond bleven. _In magnis voluisse_ ... o edele HAKIM, troost u daarmee!

De specialiteit van mooipraten, publiekspreken, oratorisch talent, welsprekendheid--de frekwentste onder alle specialiteiten--is 'n ware ziekte, 'n besmetting, 'n pest die uitgeroeid behoort te worden, 'n vloek die men bezweren moet.

Ik heb my onlangs in de IDEEN (Bundel III) hiermee te lang bezig gehouden, om daarby nu te blyven stilstaan. De belangstellende lezer wordt naar dat werk verwezen, en ik zal dus hierover nu niet meer zeggen dan noodig is tot het aanwyzen van den nadeeligen invloed dezer soort van specialiteit op de Vertegenwoordiging des Volks.

Welsprekendheid in den zin die men gewoonlyk aan dit woord hecht, behoort te-huis op den kansel. Het opdringen van ongerymdheden kan niet gelukken, zonder zeker _flux de bouche_ dat we aan goochelaars, geestelyken en biologen moesten overlaten. By 't nuchter behandelen van zaken--en dit is zoowel voor de balie als op de Volkstribune een vereischte--komt het aan op de zaken-zelf, en niet op de manier waarop deze of gene praatspecialiteit die zaken weet voortestellen. De aangevoerde _feiten_ behooren wèl te spreken, en kunnen dan de welsprekendheid van den rhetor zonder scha missen niet alleen, maar worden daardoor in het duister gesteld. Welke waarde heeft de vryspraak van den beschuldigde, indien men daarby de bekwaamheid van z'n verdediger op den voorgrond zet? Welk vertrouwen kan 't Volk stellen in de doelmatigheid van 'n genomen maatregel, wanneer daartoe beslist is onder den indruk der redevoering van 'n mooiprater? Men bedenke dat het by behandeling van zaken niet om overreding te doen is, niet om 'n kinderachtigen triumf over tegenstanders, niet om de problematische eer van van 't laatste woord. De vraag is hoe de _feiten_ zyn. Hoe die van elkander afhangen? Hoe er moet gehandeld worden om ze in de toekomst naar wensch te leiden? En dit doel wordt niet bereikt door oratorische inspanning of overspanning.

Erger nog, op dat doel wordt onder 't regime der mooi-pratery niet eens aangelegd. Het spreken-zelf staat dikwyls 't belang der zaak waaròver men spreekt in den weg, zooals in den schouwburg 't luid gesis òm stilte, _de_ stilte. Het is den specialiteit-prater minder om 't welzyn des Vaderlands te doen, dan om den bloei van z'n redenary. En ook z'n tegenstanders slaan meer acht op de rhetorische waarde van z'n arbeid, dan op den invloed dien z'n redeneering behoorde te hebben op hun oordeel, een invloed die dan ook zeer gering is. Lang voor 't openen der debatten kan men vry nauwkeurig weten hoe de uitslag van de stemming wezen zal, waaruit mag worden opgemaakt dat de advokatery der pleiters geen enkele overtuiging wijzigt. Liever: geen enkel _parti pris_, want van «overtuiging» kan in zóó'n bedorven kring geen spraak zyn.

De waarde die in-weerwil hiervan, nog byna overal aan publiek-spreken gehecht wordt, legt 'n droevig getuigenis af van den ernst waarmee men _waarheid_ naspoort. Als meest eenvoudig geneesmiddel voel ik me alweer genoopt te wyzen op de wiskundige, die in de harmonie van 't _Zyn_, uitgedrukt in hoeveelheden of uitgebreidheid, de schoonheid van het stipte, de poëzie der juistheid najaagt. Hy vindt dit alles niet in 'n byzondere wyze van voorstelling, maar in de eenvoudige vermelding van 't gevondene dat hem uitdrukkingen in den mond legt welke steeds, en in veel hooger zin dan we gewoonlyk dit woord gebruiken, wél-sprekend zyn. Wat daartegen strydt, noemt hy _Leugen_. En zelfs zonder bepaalde tegenstelling, al wat afwykt van 't eenvoudig ware, is hem ónwaarheid, en als zoodanig 'n gruwel.

Mooipraten? In de couranten, die verraderlyke fotografien van onzen maatschappelyken toestand--de oplettende lezer begrypt dat ik nu bepaald van de advertentien spreek, daar fotografien aan iets als juistheid doen denken--in de couranten wordt nu-en-dan _eine gewandte Verkäuferinn_ gevraagd. Hoe men zoo'n ding in 't Hollandsch noemt, weet ik niet. De zaak zal wel hierop neerkomen, dat men 'n schepsel zoekt die het talent heeft 'n onbedreven klant verschoten lapjes aantepraten. Heeft de specialiteit van zoo'n winkelmeubel werkelyk voor den patroon eenige waarde? Oefent zoo'n geacht lid van de toonbank inderdaad 'n goeden invloed uit op het geluk des Volks dat wat welvaart komt opdoen uit haar voorraad?

Op _my_ niet! Ik tart de meest _gewandte Verkäuferinn_ van 't heele nieuwe Duitsche Ryk, my 'n kadaster-wetsontwerp of 'n reorganizatie van de Preanger in de hand te stoppen voor 'n waardig antwoord op den _Havelaar_, en ik zou geen slaapmuts aannemen uit haar hand, al verzekerde ze my op eerewoord dat VAN TWIST--bygestaan dan door andere specialiteiten, omdat hyzelf de specialiteit van volslagen onbekwaamheid beoefent--dat ding had gebreid.

Maar onze kieskollegien en Kamers zyn zoo keurig niet. In _die_ winkels stelt men zich met de nieuwe juffrouw tevreden, zoodra zy zeker soort van omstanders tot handgeklap weet te bewegen, en vraagt er zóó weinig naar of ze overigens verstand van de zaken heeft _in_ 't _algemeen_, dat men ten-laatste die zaken met het effekt van haar praatjes verwart. Dit nu is in 'n winkelier begrypelyk. Hy slyt z'n waren door de gladmondigheid van z'n vertegenwoordigster, en daarom alleen is 't hem te doen. Doch behoorde niet het Volk aan z'n afgevaardigden àndere eischen te stellen?

«De redevoering van A, van B, van C, was mooi ...

Heel mooi! Maar, eilieve, zyn we daardoor een graad veiliger voor de Pruisen?

«Onze D heeft daar eens weer perfekt gesproken!»

«O ja, byna zoo mooi als onlangs in de «_Gezelligheid_» maar de werkman is ontevreden. Kan hy voedsel koopen voor D's prachtige oratie! Is de kans op algemeene welvaart verbeterd?

«Heb je gelezen hoe onze E dien F op z'n plaats heeft gezet? Dàt was taal!»

Zeker, zeker! Maar ... de Javaan wordt mishandeld, met of zonder akkompagnement van kamerspeeches, met of zonder de _Gewandtheit_ der Bataafsche toko-specialiteit die z'n diepe kennis van Indische zaken te luchten hangt.

Maar niet alle mooipratery riekt juist naar den winkel. Ook, en vooral, de _balie_ levert gewoonlyk 'n kontingent sprekers die de toonbank zouden doen blozen, wanneer 'n toonbank blozen kon.

«De rechten, myne heeren, de rechten ...

Nu ja, de rechten. We kennen ze, die vadermoordende bastaarden van het _Recht_! De rechten vullen alle plaatsen die openbleven tusschen de bezette botertonnetjes en de vertegenwoordigers van Vlaardingsche haring! Zoo'n man van rechten spreekt, spreekt, spreekt ... tot in 't oneindige. En daarna spreekt-i. Dat is z'n vak, z'n roeping, z'n beroep, z'n gewoonte, z'n hebbelykheid, z'n behoefte, z'n _tic_. Het spreken is z'n zeer speciale _specialiteit_ ...

Daartoe werd-i dan ook afgevaardigd!

Waarover spreekt hy? 't Is hem om 't even. Hoe? Het scheelt hem niet. Hy spreekt niet om iets op tehelderen, iets meetedeelen, hy spreekt òm te spreken. Z'n kiezers wachten van hem zooveel kolommen Byblad in de week. Levert-i minder, ze fronzen het voorhoofd: hm, hm, onze Z gaat achteruit. Draaft hy z'n _penmus_ 'n paar regels voorby: «zie zoo, Z is terdeeg op z'n dreef geweest».

De arme Z wordt martelaar van z'n dorpsroem. 't Is met hem: «spreken kunt ge, spreken wilt ge, spreken zult ge ... tot er de dood na volgt, en dan wachten wy uit uw eigen mond de lykrede.» De ongelukkige allemans-babbelaar is nog rampzaliger dan z'n mede-specialiteiten in andere vakken. Deze toch behoeven zich slechts op den voorgrond te stellen wanneer hun _métier_ wordt aangeroerd. Maar Mr. Z is van àlle vakken, juist omdat de eigenaardigheid van z'n welspreken meebrengt dat-i redevoeren kan over zaken waarvan hy òf weinig weet, òf byna niets, òf volstrekt niemendal. Waartoe zou de gaaf van spreken dienen, als men daarby nog verstand noodig had van 't behandelde ook? De zeeman mag zwygen over tienden ... al doet hy 't niet immer. De bankier kan neutraal blyven by 't kibbelen over armenverzorging ... al doet hy 't niet immer. De afgevaardigde uit de veenen mag op z'n lauwren rusten zoodra de turf afgehandeld is ... al doet hy 't niet immer. De kiezers gunnen al die heeren den tyd tot kraamuitleggen na 't verlossen van hun vakwysheid. Maar de praatspecialiteit is gedoemd zich te laten braden op èlken rooster. Hy heeft na 't afhandelen van eenig onderwerp, nauwelyks den tyd zich als St. Laurens, op z'n andere zy te leggen. Turf, armenbederf, eeredienst, verstopte zeegaten, koninklyk prerogatief, volkenrecht, buitenlandsche zaken, vrye-arbeid, pensioenen, strafwet, onderwys ... alles is van z'n gading. Of liever, alles is van de gading zyner kiezers die «_onzen man_ ook wel eens over dat onderwerp willen hooren.»

We zullen niet toegeven in ziekelyk medelyden met het praatorgel, dat veroordeeld is tot het afspelen van meer deunen dan er op één cylinder kunnen gezet zyn. Wie zich voor universeele deunmachine uitgaf, moet dan maar de bittere gevolgen van z'n triumf dragen. Maar we vragen wat er terecht komt van de _zaken_ die op zulke wys worden behandeld? We vragen of 't _Volk_ gebaat wordt door de mondknapheid van zoo'n babbelaar?

Misschien werpt men my tegen dat ik die aan _specialiteiten_ hun bekrompenheid verwyt, genoegen moest nemen met de ... _generaliteit_ van iemand die over _alles_ meespreekt, en dien men dus niet verwyten kan dat de kring waarin hy zich beweegt, te nauw is. Die ruimte moge wyder zyn dan van anderen, ze is--grootendeels ten-gevolge van 't eigenaardig hersenbederf dat de studie der zoogenaamde «_Rechten_» meebrengt--gewoonlyk minder goed gevuld. Heeft men by vakmannen te klagen over _penurie van zaken_ hier hebben we met _profuzie van woorden_ te doen. Het is de eersten onmogelyk zekere enge grenzen te overschryden, maar praters kunnen zich binnen geen enkele grens tot iets wezenlyks bepalen, en wanneer men de zaakkennis van dezulken, en 't licht dat ze verspreiden, kondenseert, voelt men iets als sympathie voor de andere specialiteiten, die wel-is-waar slechts één zaak reprezenteeren, maar zich daarover dan ook niet behoorlyk weten uittedrukken en dus meer kans hebben om door zwygen tot 'n schyntje van iets degelyks te geraken. In dit laatste geval blyft hun tenminste de verdienste, het woord te laten aan den enkele die inderdaad iets te zeggen heeft waardoor misschien het Volk kan worden gebaat.

Uit m'n IDEEN kan men weten hoe ik de staatkundige waarde van den heer THORBECKE beoordeel. Toch heb ik onlangs z'n handelwyze in zekeren zin goedgekeurd, toen hy zich onttrok aan het praatduel waartoe 'n debatteer-specialiteit van de ergste soort hem aanhoudend dwingen wilde. De poging van den aanvaller om zich tot «iets» te maken, door 't voortdurend mikken op 'n persoon die naar de meening van 'n groot deel des Volks sedert langen tyd iets _is_, noem ik ... kwajongensachtig. Ik moet gelooven dat de man by z'n kiezers eer heeft ingelegd met z'n sarren, daar de rol die hy spelen zou, te voorzien, en waarschynlyk een der voorwaarden van z'n verkiezing geweest was. Het is dan ook mogelyk dat-i nu-en-dan z'n tegenstander gekwetst heeft. Maar de grootere eer, door dien tegenstander gekwetst te worden, is hem ontgaan. De in dit geval door de liberale specialiteit in-achtgenomen terughouding zou ons byna stemmen tot wat vergevensgezindheid voor de zotternyen van '48, indien hier aan iets anders dan zeer persoonlijke beweegredenen te denken viel. De _persoon_ THORBECKE wilde niet tournooien met het individu dat zich als «geacht lid» uit ... een-of-ander, zoo indiskreet opdrong in z'n vyandschap, maar 't _Kamerlid_ THORBECKE gaf te dikwyls bewyzen van onkunde omtrent de ware roeping der Volksvertegenwoordigers, dan dat z'n terughouding aan staatkundig _bon sens_ mag worden toegeschreven. Dit is dan ook niet te verwachten in den schepper onzer kieswet, die volgens zyn beginselen, _als lid der Kamer_ het recht niet had zich te ontrekken aan de noodzakelyke gevolgen van z'n eigen werk. Zulke verkiezingen brengen zùlke geachte leden voort! _Patere legum quam fecisti_!

Of 't overigens waar is, dat het bedoeld _ad hoc_ afgevaardigd kemphaantje z'n kiezers behaagd hebbe? Ik gis ja. Waarschynlyk zyn z'n herhaalde provokatien met innig welgevallen gelezen. Me dunkt ik hoor zeggen: «dat is _onze_ man!» Welnu, deze ingenomenheid vloeit voor 'n deel uit onkunde voort. De meerderheid der kiezers nog altyd van meening dat praten, spreken, publiekspreken, redevoeren, enz. uitstekende zaken zyn. Men schynt nog altyd niet te weten dat niets gewoner is dan dit talentje. 't Gaat daarmee als met muskaatnoten, versenmaken en speciaalkennis van «de-n-oost» altemaal kruieryen die eens tegen goud werden opgewogen, en tegenwoordig in 't burgerlykst huishouden tot vervelens toe worden voortgezet. Voedsel zit er in al die dingen niet, en overvoer deed den prys dalen. Dat is gelukkig. Want al vloeit hieruit verhooging van konsumtie voort, het stemt de waardeering van 't gebruik wat lager, en dit is _iets_ gewonnen.

Maar zóóver zyn we nog altyd niet met debatspecery. Nog immer vinden mensen en ... kiezers, 'n _haut goût_ van talent in de hebbelykheid van frazenlymen. Ze schynen niet te weten dat de prys van dit artikel sedert de afschaffing van 't monopolie zoo verbazend gedaald is. Wat onbevangenheid, 'n beetje gewoonte z'n eigen stem te hooren, _le désir de se voir imprimé_, 'n twintigtal gelegenheids-frazen, 'n wel geprepareerd slotwoord, _et le tour est fait_!

Voedsel zit er in dat alles niet, zei ik zoo-even, toen ik van andere goedkoope produkten sprak. Zit er voedsel in wat we zien voortbrengen door zulke publieksprekers? Om te blyven by 't voorbeeld dat ik aanhaalde, durf ik vragen of er in al die aanvallen van 't geacht lid KOORDERS tegen den heer THORBECKE, één nieuw denkbeeld is ontwikkeld? Of er één oud denkbeeld in nieuw licht werd gesteld? Of er _iets_ is overgebleven van die telkens tevergeefs afgestoken vuurwerkjes? Werd er in 't grenzeloos ryk der IDEEN 'n nieuw werelddeel ontdekt? Een vreemde kust? Een onbekenden klip? Een dorp, 'n rots, 'n zodenbankjen, 'n zandkorrel? Niets van dat alles! Niet eenmaal 'n nieuw kiesdistrikt. Geen _mot_ zelfs is blyven bestaan van al de projektielen waarmee de arme THORBECKE uit z'n eigen _kies-mitrailleuse_ beschoten werd. Wind zyt ge, o praat-specialiteit, tot wind zult ge wederkeeren. Dat zy zoo!

De wensch is vroom. Van alle specialiteiten is de redevoerspecialiteit de verderfelykste, de onuitroeibaarste! In-weerwil der uitvinding van den beroemden HAKIM HHAFIZ, is de kans op genezing van de ziekte nog zeer gering. Ge moet weten, lezer, dat die man te stryden heeft met boosaardige vyanden. Venynige tegenstanders hebben in Perzie z'n pogingen verydeld door 't oprichten van dispuut-kollegien en debatings-klubs. Men ziet het, iemand die z'n tyd vooruit is, stuit gewoonlyk op boosaardige tegenwerking. Ook ik heb 'n uitvinding gedaan. Ik wilde de publieksprekers inenten met de tranen van 'n berouwhebbenden ekster. Maar ik houd de ontdekking geheim, uit vrees dat broodnyd en zucht tot zelfbehoud zich zullen wreken door 't oprichten van instituten als die in Perzie den armen HHAFIZ het leven verbitteren. Ik denk dat-i naar Wiesbaden vluchten zal.

Wie overigens nog niet voldoende doordrongen is van den noodlottigen invloed der praatspecialiteiten, sla het oog op 't ongelukkig Frankryk waar men, na al de bittere ondervinding van 't laatste jaar, nog altyd niet van de kwaal genezen is. Toen dezer dagen de generaal VINOY met al de duizende vechtmannen die hy onder z'n bevelen had, gevlucht was voor de opstandelingen te Parys, gaf 'n frazensmid van die gebeurtenis aan de _Assemblée Nationale_ kennis met de woorden: _le général a concentré ses forces à Versailles_. Indien de Fransche afgevaardigden Duitsch lazen, zouden ze weten dat sedert maanden hun vechtende en gevechtbeschryvende landgenooten door den vyand over zulke frazen worden bespot, en dat de uitdrukking: _sich rückwärts konzentriren_, op Franschen toegepast, in den mond der opgeblazen onderdanen van Keizer WILHELM--die op hun beurt óók met frazen weten omtegaan! --identiek is geworden met schandelyk wegloopen. De vaderlandredders in de _Assemblée_ slikken nog altyd zulke woorden, en zetten daarby een gezicht alsof ze doordrongen zyn van 't besef der strategische waarde van zoo'n militaire retrovolutie. JULES FAVRE, een pleit-en praatman, spreekspecialiteit van den eersten rang, vond 'n andere manier uit om lafhartige vlucht te eufonizeeren. Hy, lid van de Regeering, had--even als al z'n ambtgenooten trouwens--'t hazenpad gekozen voor de oproerlingen van '_t Hôtel de Ville_, en met majestueuze deftigheid stelde hy die rugwaartsche koncentratie aan de Volksvertegenwoordiging voor, als 'n heroïsche poging om den vyand te verdelgen: _en créant autour de lui le vide le plus absolu_. 't Doet waarlyk denken aan 'n muisjen onder de luchtpomp. Maar ... als nu eens die vyand, aangetrokken door 't zoo heldhaftig geschapen _vacuum_, zich liet voorttrekken naar _Versailles_, en verder, verder, zoo vèr de door voortdurende vlucht veroorzaakte ylheid toelaat of eischt ... wat dan? _Que usque_, o dappere JULIUS FRAZE? Hoe lang wilt ge den vyand op u toe zuigen? Ik heb ongelyk. Er staat: _autour_, luchtledige zuiging dus aan alle kanten tegelyk ... 't is om te bersten.

De _Assemblée_ neemt genoegen met zulke _cant_, zy die optreedt als redster van 't bedrogen Frankryk dat te-gronde werd gericht door praatjes van gelyke soort. Die mensen hebben niets geleerd en niets afgeleerd. Doch waarom 't hùn te wyten? Werden ze niet door 'n _wettelyk bevoegd verklaard deel des Volks_ waardig en bekwaam gekeurd, de belangen van dat Volk te behartigen?

Tot-nog-toe ging het ten-onzent niet beter. En 't is te betwyfelen of dit veranderen zal. Maar, in-weerwil myner moedeloosheid zal ik blyven waarschuwen zoo goed ik kan. Wie meenen mocht dat ik by veel gelegenheden, en ook nu weer in deze bladen, onze Volksvertegenwoordiging te hard val, vrage zich of de Kamers by 't Volk in aanzien zijn? Dit is het geval _niet_. De kiezers minachten hun eigen werk. Vreemd is 't zeker, dat koks de spijzen niet lusten die zij anderen voorzetten. Reeds het bywonen van 't vuil geknoei in de keuken, maakt het onmogelijk die met smaak te nuttigen, hoe veel te meer moet dit het geval zyn als men heeft deelgenomen aan dat gemors.

En ... 't oordeel der Kamerleden-zelf! Wie slechts eenmaal gelet heeft op den toon waarop buiten 's kamers zoo'n uitverkorene zijn mede-uitverkorenen «ze» noemt, zal my ten-goede houden dat ik met die heeren weinig omslag maak, waartoe geen groote moed vereischt wordt, daar ieder hunner in 't byzonder volkomen instemt met m'n oordeel over z'n «geachte» kollegaas _en-bloc_. Dagelyks hoort men:

«Dat begrypen _ze_ niet ... dáártoe zyn _ze_ niet te bewegen ... zoo-iets is _hun_ te hoog!»

