Specialiteiten

Part 6

Chapter 6 3,597 words Public domain Markdown

De eerste modellen van opgedrongen bevoegdheid waarmee wy in 't leven te doen krygen, zyn natuurlyk de ouders. Zy zyn 't die de kinderboekjes koopen en de onderwyzers kiezen, en worden waarschynlyk dáárom in sommige opvoedkundige werken zoo walgelyk gevleid. De lezer staat verbaasd over al de wysheid en al de deugd van Vader en Moeder, die 'n kind volgens die werkjes in z'n binnenkamer te aanschouwen krygt, en behoorde verwonderd te zyn daarvan zoo weinig waartenemen in de maatschappy. Papa en Mama stelen niet, vloeken niet, liegen niet, twisten niet, lasteren niet en gooien geen glazen in. Of ze de specialiteit van onmenselyke bravigheid zóó ver dryven dat ze niet eten en drinken ook, is me nooit gebleken, maar me dunkt het hoort er zoo by. En ... de kunde! Papa weet alles. Hy is de «bevoegde» persoon om alle geheimenissen optelossen, alle duisterheden te verklaren. Niets weet-i niet, precies 'n rechter! Maar, lieve mensen, ziet eens om u heen, en let eens op al de vaders die in hun binnenkamer benoemd werden tot specialiteiten in volkomenheid! Het kind--dat _niet_ om zich heen ziet, en dit dan ook nog niet kàn--schikt zich, en vervalt van de eene specialiteit in de ander. Want weldra neemt de onderwyzer z'n niet zeer bescheiden plaats op den troon der volmaaktheid in. Daarop volgt de dominee, de «bevoegde» persoon alweer om te vertellen wie, wat en hoe God is. Hy weet dit precies, want ... hy is _specialiteit_ in onbegrypelyke dingen. 't Is z'n «vak.»

Aldus voorbereid om genoegen te nemen met het leunen op onvaste steunsels, treedt de jonge mens de wereld in, en zou 'n Herkules van zelfstandigheid moeten wezen om vertrouwen te weigeren aan de tallooze voorgangers die hem als «bevoegd» worden aangewezen. Bovendien, wat zou hem tot wantrouwen opwekken? De verkeerde begrippen die hy ontmoet in de Maatschappy, werden ook gedoceerd door de speciaal-bevoegden die deze Maatschappy aan 't hoofd van haar akademien plaatste. De akademien bevestigden wat er onderwezen werd op de school. En die school was redelyk homogeen met de kinderkamer. Zeker, zeker, de specialiteiten in «bevoegdheid» vormen 'n keten die van 't allerlaagste tot het hoogere, hooge en allerhoogste loopt. Bakers, geneesheeren en professors zyn 't volmaakt eens in hun afschuw van de luchtbeweging die ze brandmerken met den vreeselyken naam van «tocht.» De staatsdienaars in hun redevoeringen, en zelfs de Vorsten op hun troon, stellen zich even kundig aan, even edelmoedig, even rechtvaardig en even zedelyk als de heeren Eerhart en Goedman uit de kinderboekjes. Wie aan de praatjes van al die vorsten, bakers, staatsdienaren en dokters geen geloof slaat, is 'n ketter. Maar de jongeling die zoo-even de maatschappy intrad, denkt niet aan de mogelykheid van verzet, ternauwernood aan oorbaarheid van twyfel. Gebiologeerd tot stompzinnig berusten, raakte hy zoo gewoon aan 't meegaan met anderen, dat-i z'n eigen denkvermogen liet braak liggen. De stad zyner inwoning komt voor rekening van Burgemeester en Wethouders, die wel verstand zullen hebben van gemeentebelangen, want ... ze zyn de bevoegd-verklaarde personen. De Landsregeering? Wèl, daar is de Koning voor ... 'n specialiteit van geboorte. Daar zyn de Ministers voor ... specialiteiten van 't goddelyk _parvenir_. Daar is de volksvertegenwoordiging voor, specialiteit van ... ik weet niet wat, maar «bevoegd» is ze, o gewis! Want de Wet verzekert het ons, en die Wet werd gemaakt door specialiteiten van gelyke bevoegdheid als de bevoegd verklaarde vergadering-zelf. Wie dáárna nog twyfelt!

Er blykt alzoo dat wy in dat alles--en in 't laatst genoemde zeker 't minst niet!--te doen hebben met een der fiktien waaraan onze Maatschappy zoo ryk is. Reeds in den aanvang myner IDEEN wees ik op de eigenlyke strekking van 't vertegenwoordigend Regeeringsstelsel. Het tellen van stemmen--iets als 'n zonderlinge poging om intelligentie, kunde, goede trouw, vaderlandsliefde, e.d. te onderwerpen aan den eersten hoofdregel der rekenkunde--zou eigenlyk kunnen beteekenen: «àls we aan 't vechten gingen, zouden _wy_ winnen, want we hebben de meerderheid op onze hand. Laat ons 't vechten voor gebeurd houden, en aannemen dat wy geslagen hebben. Dit wint vermoeienis, tyd, geld en bloed uit.» Zeker! Maar ... dan blyft toch altyd de eisch: _dat men goed telt_, niet waar? En dit doen we met onze konventioneele kiesdistrikjes alweer _niet_! De fiktie over «bevoegdheid» nu eenmaal niet kunnende missen, behooren wy _in_ die fiktie zoo logisch mogelyk te-werk te gaan. Dat we dit _niet_ doen, meen ik in m'n IDEEN 119, 120, 121, en 133, voldingend bewezen te hebben. Of zou 't er--na eenmaal 'n onjuistheid te hebben aangenomen als punt van uitgang,--niet op aankomen hoe men daarop voortbouwt? 't Is wel mogelyk. Maar dan konden wy onze kiezery vereenvoudigen of, beter nog, geheel achterwege laten, en de beslissing over «bevoegdheid» tot Lands-en Gemeentbestuur overlaten aan 't lot.[7] Dit zou ook hierom misschien de voorkeur verdienen, omdat we dan met gelyke kans op goeden uitslag --waarschynlyk zelfs met grooter kans--tyd en inspanning konden sparen, om nu niet te spreken, van den wrevel, van de zwartmakerij, van al 't _onzedelyke_ dat 'n onvermydelyk gevolg is van onze tegenwoordige kiesmethode. Het heeft er veel van, of de Wetgever bevreesd was dat het Volk hooger zou staan dan z'n gemachtigden, en middel zocht om by 't verlagen van 't peil der Kamer, tevens de burgery te demoralizeeren. En nog beweren sommigen dat de fabrikeurs der achtenveertigste grondwet hun doel niet zouden bereikt hebben! _Allons donc_!

* * * * *

Men zou kunnen aannemen dat er voornamelyk drie manieren zyn, waarop 'n certificaat van _bevoegdheid_--dat is 'n aanstelling tot _specialiteit_--wordt uitgereikt:

1. _Door de spontane publieke opinie, mits zich uitdrukkelyk in een niet al te onbelangryk feit openbarende, daar 't anders twyfelachtig blyft wat eigenlyk de opinie van zoo'n publiek is_?

2. _Door 'n officieel gereglementeerd_ deel _van de publieke opinie, zooals byv. geschiedt naar aanleiding onzer Kieswet_.

3. De par le Roi, _d.i. door den luim van 'n Minister die z'n eigen gezag te danken heeft aan 'n fiktie omtrent_ «_bevoegdheid_.»

De vraag doet zich op, welke van deze drie manieren 't meest vertrouwen verdient, dat is 't minste wantrouwen. Ik weet 't waarlyk niet.

De kompetentie van 't _algemeen_, van «Men» werd nogal dikwyls te-schande gemaakt. Wie den loop der «publieke opinie» in de Geschiedenis nagaat, zou byna op 't denkbeeld komen dat ze _per se_ onjuist is. Maar ook dit is 't geval niet, want by de aanhoudende eb en vloed der meeningen, bestaat altyd zekere _kans_ dat «Men» somtyds juist oordeelt, al blyft het gewaagd dat monster daarvoor grooter eer toetekennen dan de kansrekening meebrengt. En ... die kans is zeer nadeelig, want het aantal en de kracht der invloeden die de publieke meening 'n verkeerden weg opstuwen, is zeer groot. Onwetendheid en vooroordeel spelen daarby 'n groote rol. Eens zeide iemand die door 't publiek van _zyn_ tyd voor _niet_-bevoegd verklaard werd om meetespreken --een vermeende onbevoegdheid die zoo ver ging, dat «Men» hem op wreedaardige wys 't zwygen oplegde--JEZUS dan heeft gezegd: «_niemand geldt voor profeet in z'n vaderland_.» Deze uitspraak is nietvereerend voor de vaderlanden, en te minder omdat er rechtstreeks uit volgt dat zy die in hun vaderland wél geacht, en dus aan 't hoofd der zaken geplaatst worden, geen profeten zyn. Wie dit goed bedenkt en konscientie heeft, zou er tegen opzien de hand te reiken aan een met algemeene stemmen verkozen Gemeenteraadslid, en zeker den moed niet hebben om 'n Kieswet te maken.

Toch hebben oppervlakkige denkers dien moed gehad! Om te weten te komen wie «bevoegd» zyn om 't Volk voortegaan, sloegen zy den weg in, die rechtstreeks op verregaande ònbevoegdheid uitloopt. Als ware het om de kwaal zooveel mogelyk te verergeren, heeft men 't aantal verkeerd oordeelende vaderlanden in kiesdistrikten gesplitst, en alzoo de fouten die zoo'n Vaderland aankleven, zooveel mogelyk vermenigvuldigd. Die fouten immers zyn: onkunde, brood-roem-en opinienyd, in één woord: _Klein-städterei_. Het ligt in de rede dat de «Vaderlanden» hun kandidaat-profeten van te naby zien, en dat dit gebrek te grooter wordt naarmate men de grenzen van zoo'n vaderland inkrimpt, gelyk by ons Distriktenstelseltje dan ook inderdaad het geval is.

* * * * *

Ik gis dat deze laatste opmerking sommigen zal voorkomen als 'n parafraze van 't bekende spreekwoord over groote mannen en kamerdienaars, en dit noopt me tot de uitdrukkelyke verklaring dat ik hier geheel iets anders bedoel. Om dit verschil van meening duidelyk te maken, moet ik me nu wel even met dien vervelenden deun bezighouden. Na den weerslag dien ik jaren geleden reeds daarop gaf en dien ik voor afdoende hield, (IDEE 689) kom ik daarop niet voor m'n genoegen terug. Maar 't moet wel, omdat me telkens blykt dat er nog altyd 'n gansche bende kamerdienaars heel wanhopig loopt te zoeken naar 'n groot man. Eilieve, als die verweesde lakeien-_zelf_ eens die funktie op zich namen? 't Is waar dat ze dan zouden moeten beginnen met 'n eind te maken aan hun knechts-praatjes. De gaping die daaruit te voorzien was op de programmen van _Letterkundige Kongressen_, moest dan maar in 's hemelsnaam worden aangevuld met iets degelyks.

_Voyons_! De grootemannigheid schynt ... 'n hoedanigheid te wezen. We slaan de definitie over, en nemen gemakshalve aan, dat de jammerende knechts 't daarover onderling eens zyn. Ook dat _ik_ 't met hen eens ben ... wat veel gehoopt is, want: 1. Ik weet niet wat men onder 't woord «groot man» verstaat. 2. Als ik 't wist, zou ik zeker moeite hebben m'n opinie duidelyk te maken aan 't volkje dat gewoon is in 't kleine te wroeten. 3.... maar genoeg! We zullen ons aanstellen, alsof ik, wy, zy, allemaal verstand hadden--en 't zelfde verstand--van grootemannigheid. Deze hoedanigheid dan moet het eigendom, het kenschetsende, de eigenaardigheid wezen van 'n _mens_, niet waar? Men kan dus zeggen: «A is 'n groot man» even als men verzekeren kan dat B blond is. Van welke kracht nu zou de tegenwerping wezen: niemand is blond voor z'n keukenmeid? Beteekent dit, dat de blondheid van B in twyfel getrokken of ontkend wordt? Me dunkt dat deze twyfel of ontkenning zich anders moest openbaren. Het aanduiden immers van 'n byzondere personensoort die B's blondheid _niet_ waarneemt of erkent, schynt de meening in zich te sluiten dat B wèl blond is voor alle anderen. Wat is hier de bedoeling van 't woordje: _voor_? Men _is_ iets, of men is 't _niet_. Wil 't hier zeggen: «_in de oogen van_?» Maar ... de schuld kan aan die oogen liggen, en 't spreekwoord moet dan veranderd worden in: «keukenmeiden kunnen geen _blond_ zien.» Arme keukenmeiden! Of zou de wysheid der volkeren bedoeld hebben _dat er geen blonde menschen zyn_? Waartoe dan die keukenmeid er bygehaald? Men zou toch niet in 't hoofd krygen te zeggen: «voor _die, die_ of _die_ bestaat er geen cirkelkwadratuur, geen _perpetuum mobile_» alsof die dingen er wèl waren voor 'n ander.

Een welwillende huisgenoot die me over den schouder ziet, blaast my in 't oor dat ik hier moet afstappen van de _letterlyke_ beteekenis, om overtegaan op den vermoedelyken _zin_ van 't spreekwoord. Goed! Die zin zal wel wezen dat zoo velen--of allen?--die voor groot doorgaan, van naby bezien ...

Het doet me leed, hier 't woordje «van naby» te moeten gebruiken, omdat juist in de verondersteld-onjuiste opvatting dáárvan, de oorzaak ligt die me zoo-even deed verklaren dat ik in myn redeneering over de fout van _te naby_ zien, geenszins het oog had op dat armzalige keukenmeiden-spreekwoord. Ik zal dus wel genoodzaakt wezen daarop terugtekomen, en neem voorloopig dat «van naby zien» in den gewonen zin.

«Velen--of allen?--die _in de verte_ groot schynen, blyken _van naby gezien_ niet groot te wezen?»

Is _dit_ de beteekenis van 't spreekwoord? Dan begryp ik 't alweer niet. Met dat «schynen» immers hebben we niets te maken. «In de verte zien» zou dan, beter uitgedrukt, beteekenen: _verkeerd zien_. En: «van naby beschouwd» had de kracht van: _goed_ beschouwd. De heele zin kwam dan hierop neer, dat 'n zaak, _terdege_ bekeken, zich anders voordoet dan _verkeerd_ gezien. Het is voor de wysheid der volkeren te hopen dat er in dat spreekwoord 'n eenigszins dieper bedoeling ligge. Om met alle welwillendheid die bedoeling optesporen, doen we nu ook van 't ontleden der overdrachtelyke beteekenis afstand, en brengen de zaak over in het stellige, in 't konkrete. De zin van 't spreekwoord zou kunnen zyn:

«Wie in 't publiek menslievendheid predikt, is _van naby gezien_--d.i. alweer: _goed_ beschouwd--'n barbaar.»

Dat «prediken» hoort er niet by. De vraag is niet wat iemand preekt, spreekt of verkondigt--tenzy in de gevallen waar 't woord de waarde van 'n _daad_ heeft--we moeten weten wat de man _is_, die men onderwerpt aan de vuurproef der beschouwing _van naby_. Voor-zoo-ver alweer dat «van naby» beteekent: _terdege, nauwkeurig_, zouden we hier alzoo de volkerenwysheid betrapt hebben op 'n orakelspreuk van de soort als: _wie zoo is, is anders_. Q. A.

Om onze welwillendheid ten aanzien van 't kreupele praatje ten top te voeren, willen we nòg 'n poging wagen om het te verheffen tot iets begrypelyks. Laat ons aannemen dat wy in de toepassing mogen gebruik maken van mitigeerende bywoordjes. _Het gebeurt wel eens_ dat iemand die ... enz. «_Somtyds_ is de man die zich in 't publiek voordoet als ... enz. _Er zyn voorbeelden_ van moralisten, wier zeden ... enz.

Alweer klaag ik hier over gebrek aan diepte. Men zal erkennen, hoop ik, dat al die praatjes neerkomen op de _palisse_-waarheid dat sommige zaken en personen wel eens anders zyn dan ze schynen. 't Was waarachtig wel de moeite waard, aan dit fysiologisch verschynsel 'n spreekwoord te wyden! En toch, dat spreekwoord heeft 'n _zin_, 'n _reden van bestaan_. Waarlyk 't is niet zonder oorzaak--niet zonder _bekende_ oorzaak ook--dat het leeft, groeit, bloeit, van aanhangers overvloeit, en vruchten draagt. Vruchten en redevoeringen! Die oorzaak, lieve lezer--we willen hopen dat geen kongreslid zich de zaak te veel aantrekke--die oorzaak is ... dat er te veel kamerdienaars in de wereld zyn ... ziedaar! Hun treurigheid over gebrek aan groote mannen, is gegrond, waarachtig! Men hoeft nu juist geen jakhals te wezen om meetehuilen als men die interessante diertjes hoort janken en redevoeren over de schaarste van leeuwen.

Wie _goed_ is, _is_ goed, onverschillig op welken afstand men hem beziet. Want z'n eigenaardigheid ligt in hemzelf, en hangt niet af van 't standpunt des waarnemers. De vraag of men van 'n _uitstekend_ persoon eischen kan dat-i ook in 't dagelyks leven hoog sta, is kinderachtig. Met of zonder permissie van den jakhals, is de leeuw 'n leeuw. Met of zonder eischen of vergunningen van dien aard, is 'n appel 'n appel, 'n boom 'n boom, en 'n «groot man»--wat dan ook de beteekenis van dit woord moge zyn--'n groot man. Het is hem geheel onverschillig of dit door z'n kamerdienaar gevorderd of erkend wordt. Hy zou niet anders kunnen zyn dan hy _is_, d.w.z. _uitstekend_. En dit zou zoo blyven, al stond men hem in kongresverhandelingen genadiglyk toe, in z'n binnenkamertje kleiner te wezen dan op straat. Zoo'n vergunning teekent overigens de aspiratien van 'n knecht, die z'n voorzorgen neemt tegen den tyd dat men ook hem eens--by groote vergissing dan--voor 'n heer zal aanzien.

Wie _goed_ is, _is_ goed, binnen'shuis en buiten'shuis. Hy is goed voor z'n medeburgers, voor z'n echtgenoot, voor z'n kinderen, voor z'n vrienden, voor z'n dienstboden. Wie er anders over denkt, mag zich ook wel gaan verbeelden dat 'n goudstuk in 't donker zich amuzeert met in 'n cent te veranderen. Feilen, fouten, vergissingen, dwalingen ... wie heeft ze niet? Maar de bewering dat 'n «groot man» in z'n byzonder leven op-eenmaal zou inkrimpen tot iets kleins ... dat z'n adel by voorkomende gelegenheid eventjes zou overgaan in gemeenheid ... zie, dit is 'n uitvindseltje van den zwerm niet-groote mannen die middel zoeken om _hun_ kleinheid en gemeenheid te doen voorkomen als adel. Ze meenen zich tot Chimborassa's te maken door 't uitkramen van de gissing dat er zeker wel hier of daar 'n spleetje zal wezen in den Montblanc. Hun praatjes, al of niet steunende op 'n zinneloos spreekwoord, zyn oneerlyk, en moeten hoofdzakelyk strekken om den tol van hulde uittewinnen, dien ze hun meerdere schuldig zyn. Wie wat wil afdingen op den roem van COLUMBUS, moet bewyzen dat hy Amerika niet ontdekte. Niet hopen, wenschen of veronderstellen, niet verzinnen of insinueeren, niet _lasteren_ vooral, dat de knecht van dien «grooten man» zeker wel iets kwaads van hem zal geweten hebben. Naar de keuken met zulk gewawel!

* * * * *

Tot m'n groot genoegen neem ik nu afscheid van dat spreekwoord en die huilende kamerdienaars. De zin waarin ik vóór die uitweiding 't woordjen _al te naby_ gebruikte, was ànders. Ik bedoelde de _optische_ fout die 't gevolg is van te naby zien. Even als er tot het juist beoordeelen van schilderstukken, zeker punt is waar de toeschouwer zich plaatsen moet, zoo ook behoort de _mens_ te worden waargenomen op zekeren afstand, klein of groot naarmate van de breedte der trekken waarmee de Natuur z'n ziel geteekend heeft. Wie dezen regel uit het oog verliest, zou gevaar loopen een Rembrand grof te vinden en miniatuurtjes in 't geheel niet te zien. Maar de hoedanigheden van 'n _mens_ zyn ingewikkelder dan van 'n schilderstuk, en daarom is de bepaling van 't juiste standpunt waarop de beoordeelaar zich te plaatsen heeft, zooveel moeielyker. Bovendien ... die beoordeelaar is soms, dikwyls, _altyd_ misschien, eenigszins _mededinger_. Z'n _eigen fouten_, en niet altyd die van 't beschouwd voorwerp, staan dikwyls zyn oordeel in den weg.

Met die fouten bedoel ik nu niet den voor 't oogenblik afgehandelden nyd, al blyft het waar dat die pest 'n hoofdrol speelt in de antichambre van de wereld. Neen, met den besten wil en zonder boosaardig opzet, is de meerderheid--die uit den aard der zaak _niet_ uit «groote mannen» bestaat--tot onjuist oordeel gedwongen, omdat zy 'n verkeerden maatstaf aanlegt. De teleurstelling by het van _te_ naby zien der personen die voor uitstekend doorgaan, behoeft volstrekt niet gegrond te wezen op hun verkeerdheden. Ze is vaak, of kàn zyn, 'n gevolg hunner afwyking van 't ideaal dat de beschouwer zich zeer willekeurig van uitstekendheid geliefde te vormen, 'n ideaal dat--vreemd genoeg voor den allergewoonsten bron waaruit het voortvloeit--steeds zondigt door opgeschroefde òngewoonheid. A verneemt, en gelooft voorloopig, dat X 'n «groot man» is. A, géén «groot man» waarschynlyk, eet 'n broodje met z'n mond. Hy krygt X te zien van naby, van _te_ naby, ontdekt dat X even als hyzelf, z'n mond gebruikt tot het orberen van 'n broodje ... weg is de illuzie! De «groote man» had, om op de hoogte van A's kinderachtige voorstelling te blyven, met z'n neus moeten eten, of geen broodje moeten eten, of in 't geheel niet eten ... weet ik, 't! De hier bedoelde fout in 't schatten van uitstekende mensen, wordt vry algemeen erkend, zoodra zich die uitstekendheid slechts in maatschappelyken rang openbaart, en dan weet men ze zelfs te gebruiken tot onderhoud of versterking van tucht. Keizers, Koningen, Bevelhebbers houden zich op 'n afstand. Zy vertoonen zich niet _en robe de chambre_, geenszins altyd omdat ze fouten te bedekken hebben, maar omdat veel ondergeschikten te laag staan om te waardeeren wat natuurlyk en eenvoudig is. De nogal verdachte dood van den laatsten CONDÉ--wiens nalatenschap in de familie kwam van LOUIS PHILIPPE--had op de stemming van 't groot en klein gemeen, 'n minder nadeeligen invloed dan de burgerlyke paraplui waarmee die Koning zich vertoonde in de straten van Parys. De _épiciers_ en _prud'hommes,_ de Kappelluî, vinden 't vreemd en derogeerend, dat iemand die géén _épicier_ of _prud'homme_ is, géén Kappelman, in iets op hèn gelijkt, en ze wreken zich over hun botheid door den zoodanige alle uitstekendheid te ontzeggen. Wie alzoo door de meerderheid wilde aangezien worden voor 'n «groot man» zou zich op 't voorbeeld van allerlei goden, moeten hullen in 'n wolk van geheimzinnigheid. Hy behoeft niet te vliegen, mits men maar niet _ziet_ dat-i loopt. Hy behoeft geen wonderen te doen, mits slechts z'n vader niet bekend zy als timmerman te Nazareth. Neen ... hy moet geen vader gehad hebben. Dat is onmogelyk, dat is onmenselyk, dat kan voor «groot» doorgaan, dat is het ware! Arme JEZUS, hoe kondt gy u voorstellen de mensen begeerig te maken naar uw «Koningryk der Hemelen» gy dien men op aarde gezien had, koornaren plukkend met de hand ... _als 'n mens_? Gy die honger en dorst had ... _als 'n mens_? Gy die geschreid hebt _ ... als 'n mens_? Neen, neen, 't spreekt vanzelf dat de menigte die brevetten uitreikt van «bevoegdheid» u niet kon aanstellen tot specialiteit in hoogere dingen! Men heeft u gegeeseld en gekruizigd ...

Goddank, dat al dat volkjen u nooit zag lachen! Als gy u zóó ver vergeten hadt, lieve JEZUS, waarlyk men had u den verheffenden marteldood op Golgotha niet gegund, en 't ware uw lot geworden gelykenisjes te verzinnen om de kinderen van Schmoel te amuzeeren.

MVIII.

Ik heb in een der vorige hoofdstukken betoogd dat specialiteiten geen nut stichten in de Volksvertegenwoordiging, en dat alzoo het aanpryzen en kiezen der zoodanigen nadeelig werkt. Doch ook meer rechtstreeks dan door niet nuttig te zyn alleen, wordt het gehalte eener Vergadering door dat verderfelyk specialismus verlaagd. Specialiteiten, ten-arbeid gesteld buiten hun bepaalden werkkring, veroorzaken pozitief kwaad.

De man die zich uitsluitend toelegt op één vak, is van het gewicht daarvan doordrongen, en wordt beheerscht door de neiging dat gewicht te overschatten. Een specialiteit is uit den aard der zaak pedant of erger. De zeeman minacht den onnoozele die niet weet dat men «aan» dek zegt, in-plaats van «op» dek. De industrieel staat verbaasd over de hoofdigheid van den militair, die in 't belang van 'n zoogenaamd defensie-stelsel, andere inzichten dan de zynen voorstaat omtrent de richting van 'n spoorweg. De geleerde ergert zich aan den financier wiens bekrompenheid zekere uitgaaf voor 'n wetenschappelyk doel, wil schrappen van de begrooting. De grondeigenaar--specialiteit van ryk-zyn, ryk-blyven en ryker-worden--klaagt over 't Jacobinisme van den staathuishoudkundige die op herziening van 't kadaster aandringt. De fabrikant roept wraak over de voorstanders van lage tarieven. Enz. enz.

Wordt het algemeen belang door dien nayver gebaat? Dit is onmogelyk. We hebben in zulke Vergadering niet meer te doen met de veronderstelde som van opgetelde intelligentien, het Volk moet zich behelpen met de verschillen die er overblyven na wederzydsche neutralizatie van kracht, en ook de waarde van deze restantjes wordt op hare beurt door ongelyksoortigheid en divergentie vernietigd.

* * * * *