# Specialiteiten

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/specialiteiten-10664/index.md

Dit is hem wel 'n groote teleurstelling, maar ... och, onze naïve onderzoeker beleefde niet geheel ongeschonden de laatste twintig, dertig jaren. De modewoorden, «behoud, liberalisme, reaktie, verblinding der tegenparty--die 't altyd glad mis heeft--ministerieele krizis, periodieke òndergangen van 't vaderland» enz. drongen tot z'n studeervertrek door. Wel stuitten hem vroeger, als ruwe vloeken den vrome, al die vage uitdrukkingen, hem die de godsdienst van 't _exakte_ bekleed, maar men is nooit straffeloos 'n kind van z'n tyd. Hy wyst al die Kamerpraatjes niet af met de minachting die ze verdienen, en die dan ook werkelyk gevoeld wordt door den zeer enkele die trouw bleef of aan gezond verstand, òf aan de vak-religie waardoor by sommigen zoo eigenaardig de rol van 't geweten vervuld wordt. Maar dit zyn uitzonderingen.

In-weerwil van dat alles herinnerde hy zich iets op 't gemoed te hebben. «De volksvoeding, m'nheeren ...

Wie luistert naar zóó iets! De kwestie _aan de orde_ is, de dikke yzeren platen waarmee men waarschynlyk onze schepen onbruikbaar maakt, en zéker de marine bederft, uit Engeland of uit Frankryk moet ontboden worden? Dat 's wat anders dan eiwit en proteïne!

Zeer wel. De arme man tracht met geduld en berusting die pantserplaten te doorboren, en zwygt. Neen, erger, hy stemt mee met de _clique_ waartoe hy zich verbeeldt te behooren, omdat ze hem 't uitzicht opende ook eens naar hèm te luisteren. Maar ... eerst die pantser-historie _Passez nous le rhubarbe, nous vous passerons le séné_!

«De kazerneering der troepen ...

Lieve hemel, hoort hy dan niet dat we bezig zyn met Eeredienst? De vraag «aan de orde» is, of goddelyke dingen, voortaan te zwak om alleen te staan, by finantien of binnenlandsche zaken moeten worden ingedeeld? De Israelieten beweren, de Katholieken gelooven, de Protestanten protesteeren ...

In 's hemelsnaam! De huisvesting der troepen moet wachten tot de _res divinae_ gekazerneerd zyn.

«Maar de hospitalen dan ...

Hospitalen hier, hospitalen daar ... de heeren zyn bezig met 'n Noorzeekanaal. Dàt is «aan de orde». Hospitalen by 'n volgende gelegenheid.

En onze patiënt--helaas, vroeger was-i zelf geneesheer! moet z'n lydende hospitalen laten wachten.

«Wat de koepokstof aangaat, myne heeren ...

Er wordt vandaag niet ingeënt. De Kamer is bezig met de posteryen. «Aan de orde» is de vraag hoe 't stelen van brieven kan voorkomen worden?

De tegenstander der vaccine--hy is dus vooral tegenstander van _gedwongen_ vaccinatie--schikt zich alweer. Hy stelt z'n verlossing uit, en rekommandeert zich voor wat _gelegentliche_ aandacht op de zaken die _hy_ behandelen wil, door zich gedwee te laten inënten met postery.

«Wat de prostitutie aangaat ...

Sjt! Over zulke dingen wordt hier niet gesproken. _On se respecte_!

Daar zit nu de man met z'n kennis, met al z'n geleerdheid, met al z'n _specialiteit_! Hy betreurt den tyd toen-i alléén was met z'n streven naar waarheid, en geen andere beletselen kende, dan die uit den aard der behandelde zaak voortvloeiden.

Maar ... eindelyk toch komt het tydstip waarop hy zoo-lang wachtte. Na 't doorloopen van allerlei kursus in zaken die hem vreemd waren, en waarin-i zoo goed mogelyk zich richtte naar 't voorbeeld van wien _hy_ aanzag voor specialiteiten in hùn vak--de onnoozele! roept men hem op tot verkondiging ...

Hy is gereed. «De huisvesting der troepen alzoo ...

Alweer mis! Heeft men ooit dommer onbruikbaarder schepsel gezien dan zoo'n geleerde! Daar zou hy waarlyk den minister die gesteund moet worden, 'n brandhout voor de voeten gooien, of: den minister die vallen moet, steunen!

Zoo wordt alles gesmoord, vernietigd. Waarheid, vrucht van gemoedelyk onderzoek, religie der wetenschap, hospitalen, volksvoeding, vaccine, prostitutie ... neen, nu zeg ik 'n woord te veel, één woord.

* * * * *

De zaken kunnen zich evenwel anders toedragen. _Variis modis male fit_. Stellen wy eens dat de thesis die onze specialiteit te bepleiten heeft, ten-laatste wèl «aan de orde» komt, en dat het geoorloofd is haar te behandelen. Hy spreekt. Men luistert naar hem. Men geeft hem de eer die hem als _bevoegde_ toekomt.

_Wie_ geeft hem die eer? _Wie_ luistert?

De Kamer?

Geenszins. Slechts 't gedeelte der Kamer dat de verkondigde nieuwe leer kan gebruiken in 't program van den kinderachtigen partystryd. De waarheid wordt niet ingehaald om haarzelfs-wil, maar om haar opportuniteit als oorlogswapen. De _bekwame_ specialist bedroeft zich over 't misbruik dat hy ziet maken van z'n arbeid, en gevoelt dat elke _leugen_, wanneer ze maar gelyke partydienst doen kan als de door hem gevonden _waarheid_, even welkom als deze zou geweest zyn.

Doch, meent men, z'n mededeelingen zyn nu eenmaal aangehoord ... ze zullen doordringen?

O zeker. Het staat in de macht van geen Parlement ter-wereld, de waarheid _op-den-duur_ te smoren. Maar ik blyf beweren dat de verkondiging op _die plaats_ haar 't licht doen zien in zeer nadeelige konditien. De onvervalschte verspreiding wordt tegengewerkt en vertraagd door de lokaaltint van pseudo-staatkunde _tendance_ die onafscheidelyk is van elke parlementaire handeling.

Het doet er voor den eisch van m'n betoog volstrekt niet toe, of de wetenschappelyke meening van onzen _bekwamen_ specialist samenvalt met de belangen der meerderheid, of met die van 't ander deel der vergadering. De hulde dergenen in wier kader z'n opinien passen, heeft minder waarde dan wanneer z'n ontdekkingen waren gepubliceerd zonder politieken bysmaak. En ... de tegenwerking der andere party is hevig. Dit nu op-zichzelf ware geen schade. Maar die hevigheid openbaart zich ten-koste van de waarheid. En dit schaadt wel!

--Hoe, gebreken in volksvoeding, in kazerneering, in prostitutie? Onder den minister dien _wy_ steunen? Dat mag niet waar zyn!

--'t Is inderdaad hard, maar ... wie zal hem tegenspreken? Hy is 'n alom voor bevoegd gehouden ... _specialiteit_!

--Zooveel te beter! Ook wy weten met zulke dingen te goochelen. En is 'n vakature voor 't distrikt X, Y, Z. Aan specialiteiten is ook aan ònzen kant geen gebrek ...

Waarlyk, weinig tyds na z'n optreden ondervindt onze Goliath dat men hier-of-daar 'n Davidje wist optesporen--liefst 'n zeer kleintje--die juist niet altyd behoeft te overwinnen, als hy maar goed genoeg slingert om zeker soort van kampvechters te doen meenen, of gelegenheid te geven tot het voorwenden van de meening, dat hy den reus vlak voor z'n kop heeft getroffen.

Hoe dikker de laag van onbeduidendheid, die men doorboren moest om de nieuwe specialiteit aan 't licht te brengen, hoe onvoordeeliger de toestand wordt van den uit z'n kring gerukten apostel. Hy gevoelt dat men hem verlaagd heeft tot vechthaan, en dat hy zich _en spectacle_ geeft. De leeken staan er by met de handen in den zak, en wedden. Ze voelen niets van de pyn des meesters, die diep gewond wordt, niet door de slagen die hem de leerling toebrengt--ze treffen niet!--maar door 't vernederend besef dat-i zich heeft laten verlokken tot derogeerenden stryd. Hy moet het aanzien dat onbevoegden z'n tegenstander den palm der overwinning toekennen, of--niet minder bitter!--ondervinden dat even onbevoegden wel willen erkennen dat hy dien tegenstander verslagen heeft, en mag eindelyk nog van geluk spreken, indien de parlementaire konvenientie van 't oogenblik hem den byval verzekert van de meerderheid. Maar ... ook dit zelfs kan wel eens veranderen na de herkiezingen in Juni!

De specialiteit der 3e, 7e 1001e klasse integendeel, wint altyd, ook al werd-i _moralement parlant_ platgebeukt weggedragen van 't slagveld. Hy die, _buiten_ de Kamer, _volgens de schatting der vakgenooten_, onwaardig zou geweest zyn de schoenriemen des meesters te ontbinden, geniet nu reeds door den stryd-zelf--hoe ook de uitslag zy--grooter eer dan in gewone omstandigheden het loon eener overwinning wezen zou. Hy hyscht z'n onbeduidenheid aan de hoogte van z'n tegenstander op, die op zyn beurt hem niet mag terugzenden naar de school, omdat hy ditmaal niet te doen heeft met de nietige persoonlykheid van den adept--van den dilettant misschien--maar met die andere nietigheid welke men in de dieventaal der parlementen gewoon is: 't «geacht lid» uit ... een-of-ander, te noemen.

Bezit nu 't _ad hoc_ binnengeroepen vechtkuiken de gaaf van «mooipraten» of al ware het zelfs van «goed-spreken» dan is de zaak nog erger. En: _dit is meestal 't geval_, omdat het uit den aard der zaak voortvloeit. By 't opsporen immers van iemand die de gevreesde _bekwame_ specialiteit moet neutralizeeren, is _welsprekendheid_--zoo noemen ze dat, en ik zal hierop terugkomen--'n eerste vereischte. Hoe hooger Goliath uitsteekt, hoe meer steentjes onze David-Demosthenes moest kunnen bergen in z'n mond. Hoe minder wetenschap, hoe meer redevoering. Hoe minder kennis, hoe meer misbruik van taal. Hoe minder innerlyke waarde, hoe meer _cant_.

Ligt het nu niet in de rede, dat onze andere specialiteit, hy dien we voorstelden als _inderdaad uitstekend_, berouw voelt dat hy zich en z'n waarheidsreligie blootstelde aan zulke vernederingen? Moet hy niet telkens neiging voelen den stryd te ontwyken, als zyner onwaardig? Begrypt men niet, dat hy slechts met moeite zich weerhoudt van het uiten der klacht: «gy, geachte leden die m'n woorden toejuicht of afkeurt, ik wenschte dat ge leerdet wat toejuiching of afkeuring waard is. Voor u allen is plaats op andere banken dan van deze Kamer ... ik wacht u by m'n lessen. Wat u betreft, geacht lid uit Snaterburg, die me zoo heel in 't byzonder tegenkakelt, om by die lessen te worden toegelaten, stel ik u voor, een-en-ander afteleeren. En hiermee heb ik de eer de heeren te groeten.»

Wel zeker! Hy gaat naar huis, en zoekt 'n ander veld ter bezajing. Als oprecht waarheidzoeker is hem lof en tegenspraak beide welkom. Maar 't moet de waardige lof zyn die aanmoedigt en kracht geeft tot voortgaan, niet de onbekookte «mooivindery» van bevooroordeelden. De tegenspraak die hy gaarne uitlokt als onmisbaren graadmeter van z'n oordeel, behoort te leiden tot ontwikkeling. Hy voelt zich en z'n zaak te goed voor 'n redeloos gekibbel, dat hem afmat, den indruk zyner redeneeringen uitwischt, en den stand der behandelde zaken verwart. Dit alles moge nu-en-dan voldoen aan de eischen eener zoogenaamd-staatkundige party, 't past gewis niet in 't program van den waarheidzoeker.

Ik laat nu daar, in hoeverre dit alles anders wezen zou, indien ... onze parlementen anders waren. Dit behoort niet volstrekt tot m'n tegenwoordig onderwerp, al zy 't dan dat de wanbegrippen over 't nut van specialiteiten het hunne bydragen tot het laag gehalte onze Volksvertegenwoordiging. Daartoe evenwel werken ook oorzaken mee, die tot 'n heel andere kategorie van dwaling behooren, dan waartegen ik in dit geschrift te-velde trek, en die ik dus nu voorbyga.

Men zou me kunnen tegenwerpen dat de bekwame specialist niet juist _altyd_ 'n onwaardigen tegenstander behoeft te hebben, en vragen of er dan ook geen nut te trekken is uit 'n debat tusschen _ebenbürtigen_?

Elders, ja. Maar in de Kamer niet. De pseudo-politieke atmosfeer bederft al wat haar inademt. De man van wetenschap gevoelt dit, en tracht zich aan dien invloed te onttrekken. Zoodra hy in z'n tegenstander een hem waardigen kampvechter erkent, zal hy hem liever uitnoodigen tot het kiezen van 'n geschikt terrein, dan hem en zichzelf ten schouwspel te geven aan 'n publiek dat het bywonen van den stryd niet waard is. Deze ridderlyke afkeer van dorperheid wordt nog ondragelyker, zoodra de kampioenen het besef opdoen dat hun plebs niet alleen onbevoegd is tot het beoordeelen van de kracht of juistheid der toegebrachte slagen, maar dat het er op aast hun beider eruditie te gebruiken als oorlogsmiddel in 'n stryd waarmee de wetenschap niets gemeens heeft. De vernedering is dan voor beiden onduldbaar, waaruit dus vanzelf volgt dat wy op zoodanig schouwspel zelden--ik durf zeggen: nooit--onthaald worden. En hiermee wordt alzoo de stelling bewezen dat de inderdaad bekwame specialiteit het lidmaatschap in de kamer niet dan onbedacht aanneemt, en in dat geval slechts voor zeer korten tyd behoudt.

De schaarste van uitzonderingen op dezen regel gedoogt niet dat het aanwezen van _twee_ uitstekende specialiteiten in één vak, frekwent kan zyn op de banken der Volksvertegenwoordiging. Doch al ware dit anders, dan nog en dan alweer zou 't getuigen _tegen_ de toepasbaarheid van 't specialiteiten-stelsel, dewyl in zoodanig geval andere speciaal- vakken te schraal zouden bezet wezen.

Aannemende immers dat, byv. de marine door twee specialiteiten werd vertegenwoordigd--hooger aantal zou de onevenredigheid nog doen stygen--dan volgt hieruit dat veel andere vakken van kennis en wetenschap onvoldoende of in 't geheel niet gereprezenteerd worden, en wel om dezelfde reden die m'n uitgever bewoog die duizend vervelende hoofdstukken te schrappen.

Twee zulke marine-specialiteiten zullen gewoonlyk bestaan uit twee ... FRITSJENS. Zelden uit één admiraal van de soort als die ik liever aan het hoofd van de vloot zag, met één FRITSJE tegenover hem. En nooit uit _twee_ admiralen van dat gehalte. Mocht dit laatste _par impossible_ 't geval eenmaal wezen, dan kan men verzekerd zyn dat de een met monitors dweept, en dat de ander, op 't voorbeeld van den Amerikaan FERRAGUT, zich schamen zou _to fight on the bottom of a teakettle_. In één zaak evenwel zullen die heeren 't ééns zyn, in tegenzin elkaar te enteren voor 't plezier van zes dozyn landkrabben die geen marlpriem kunnen onderscheiden van 'n borduurnaald.

Doch, zullen sommigen meenen, het nut der debatten tusschen specialiteiten in de kamer gaat misschien niet geheel te-loor. Ze worden ook _buiten_ de Kamer gehoord ...

Niet zoo goed als wanneer ze buiten die Kamer gevoerd waren, in welk geval de onderwerpen grondig, monografisch, en van politieke «smetten vry» konden behandeld worden. Deze drie epitheta namelyk duiden de tegenstelling aan, van de belemmeringen _in_ de Kamer, die ik trachtte te schetsen.

Wie overigens, ter verdediging van het nut der specialiteiten in 'n parlement, zich beroept op de mogelykheid dat _niet alles_ verloren gaat wat ze daar ten-beste geven, heeft toegestemd wat ik bewyzen wilde.

Ik mag dit kapittel niet sluiten zonder de opmerking dat de gegrondheid myner overtuiging op dit stuk, gestaafd wordt door de Geschiedenis. Nooit dan in de tyden van voorbygaande beroering, waren _zeer_ uitstekende mensen--dusgenaamde «groote mannen»--leden eener politieke vergadering. In dit feit ligt de resumtie der oorzaken waarom ook _gewoon_-uitstekende mensen--vak-specialiteiten--niet op hun plaats zyn in 'n volksvertegenwoordiging. Zoodanig kollegie geeft aanhoudend blijk, niet zoozeer te beantwoorden aan de roeping om kapaciteiten aantewerven--wat dan toch, oppervlakkig beschouwd, de eisch wezen zou--dan wel om te voorzien in de behoefte aan 'n terrein waarop middelmatigheden voor kapaciteiten kunnen doorgaan. Wie veel bezit, associeert zich niet. En wie inderdaad iets is ...

--Niet waar, 'n mens moet _iets_ zyn, roept men ons uit den hemel toe ...

We herkennen de stem des zaligen Barons VAN EEN-OF-ANDER. En we geven hem volkomen gelyk. Een mens moet _iets_ zyn. Zeker, zeker, men moet _iets_ zyn! Maar juist daarom komt het me voor, dat iemand die inderdaad _uit zichzelf_ iets is, zich geen moeite hoeft te geven schynbaar iets te _worden_, door 't opgaan in anderen die op hun beurt zich slechts vereenigden om niet, ieder alleen staande, volstrekt niemendal te wezen.

MVII.

Onder de tallooze invloeden die de maatschappy beheerschen, zyn er velen die wy òf in 't geheel niet kennen, òf waarvan wy ons slechts zeer onvoldoende rekenschap geven. De algemeene oorzaak van dit verschynsel zal wel traagheid zyn, maar ik meen de meer onmiddellyke aanleiding te vinden in onze ... specialiteit van aardbewoners. We zyn zoo gewoon geraakt aan 't waarnemen of ondergaan van de uitvloeisels, dat we zelden ons opgewekt voelen om onderzoek naar de bronnen te doen. 't Is dus hier alweer--als by die bakkers in Hoofdstuk zooveel--de _levenslankheid_ waarmee wy ons vakje van aardbewoners uitoefenen, die ons van 't nasporen der _causae rerum_ terughoudt, en hierom staat gewoonlyk ons begrip nog lager dan onze kennis, die ... ook te wenschen overlaat.

Wanneer een onzer op de maan aanlandde, en daar wezens aantrof die belangstelden in kennis, zoud-i waarschynlyk in z'n nieuwe omgeving doorgaan voor byzonder bevoegd om inlichtingen te geven omtrent aardsche zaken. Maar weldra zou hem blyken dat een seleniet meer vragen kan dan tien telluriers weten te beantwoorden. En dit niet alleen ten-opzichte van inderdaad onoplosbare vraagstukken, of ook van die welke slechts by sommigen voor moeielyk doorgaan, maar zelfs in zaken die geenszins buiten z'n begrip liggen. Telkens zoud-i zich moeten verwyten gedurende z'n vorige loopbaan zoo weinig acht te hebben geslagen op 't verband tusschen oorzaak en gevolg, en by 't minst besef van eerlykheid ware hy werdra genoodzaakt z'n ontslag te vragen uit de betrekking van vraagbaak. De primitiviteit der leeken die hem aanzagen voor professor, zou zich openbaren in allerlei vragen welke hy nooit zichzelf voorlegde niet alleen, maar die hem ook op z'n eigen planeet nooit waren gedaan door onkundigen, vertrouwd en verzoend als ze waren met hun gebrek aan begrip. Een vry algemeene hoofdindruk van zoo'n ontmoeting zou bestaan in de overtuiging dat-i vroeger zeer veel meeningen had aangenomen als op _rede_ gegrond, terwyl hy nu zou moeten erkennen dat ze slechts berustten, of op stilzwygende overeenkomst--_konventie_--óf op voorbedachtelyke en uitdrukkelyke versiering, op 'n gemakshalve als wáár aangenomen maar onbewezen en vaak onjuiste stelling, in één woord: op _fiktie_. Onder deze konventien bekleeden onze meeningen over _bevoegdheid_ 'n eerste plaats. By nauwkeurig onderzoek zal gewoonlyk blyken dat we telkens deze hoedanigheid toekennen aan personen die daarop niet veel meer aanspraak mogen maken dan zoo'n verdwaalde aardbewoner die op de maan benoemd werd tot adviseur.

Dat de hier bedoelde onjuistheid van schatting, met al de fouten die er uit voortvloeien, nooit geheel kan vermeden worden, ligt in den aard der zaak. De meeste punten van rechtsbegrip en zedelykheid immers, ja zelfs de meeningen over eigen of algemeen belang, berusten op _konventie_, en dit zal wel zoo blyven, zoolang 't ons niet gegeven is doortedringen tot de _eerste oorzaak_ der dingen. Altyd stuiten wy in onze nasporingen op 'n stelling die--zooals de axiomaas in wiskunde, maar met minder recht--voetstoots moet worden aangenomen, op-straffe van onmogelykheid om dóórteredeneeren. Dit verschoont evenwel de lichtzinnigheid niet, waarmee wy ook zulke onwaarheden vaststellen, die zeer goed hadden kunnen vermeden worden zonder ons 't verlies van 'n bruikbare konkluzie te veroorzaken. Het is waar dat wy in sommige gevallen aan zeker vertrouwen op konventioneele bevoegdheid behoefte hebben, geenszins omdat dit den wysgeer nader brengt aan waarheid, maar omdat de maatschappelyke orde soms vereischt dat 'n twyfelachtige zaak op wettelyke wys worde vastgesteld. Dit onderscheid tusschen de doeleinden der wysbegeerte en de belangen van de maatschappy, wordt--heel onwillekeurig voorzeker, maar nogal duidelyk--erkend door de Wet. Zy verbiedt den rechter uitdrukkelyk: _recht te weigeren_, dat is: géén uitspraak te doen in de geschillen die aan z'n oordeel worden onderworpen. Hy _moet_ beslissen tusschen ja en neen, tusschen aanklacht en verdediging, tusschen zwart en wit, plus en minus, zyn en niet-zyn. Hy mag niet twyfelen, mag z'n oordeel niet opschorten, mag niet bescheiden wezen--'t geen hier in veel gevallen zeggen wil: niet _eerlyk_--hy is eens-vooral veroordeeld tot _weten_. Op wysgeerig terrein zou deze verplichting 'n ware zotterny wezen, wanneer niet op even wysgeerige gronden kon worden aangenomen dat we behoefte hebben aan zeker soort van dwaling. De natuurkundige dien men vragen zou, _waarom_ alle stof streeft naar vereeniging, mag betuigen dat hy 't niet weet, maar 'n _Rechter_ is verplicht zich te houden voor alwetend en onfeilbaar, of ... zich aantestellen _alsof_ hy zich daarvoor hield. Waar-i soms inkompetentie aanvoert, mag en moet ze gegrond wezen op een-of-ander wetsartikel dat z'n jurisdiktie bepaalt, nooit op z'n onwetendheid in 't algemeen, of z'n gebrekkige kennis der byzondere zaak die aan z'n oordeel onderworpen werd. Veel minder nog op z'n zedelyke onvolkomendheid die hem zou kunnen verlokken tot toegeven in partydige liefde of haat. Het is dan ook om redenen van dezen aard dat algemeene wysbegeerte, d.i. '_t streven naar waarheid_, zoo dikwyls lynrecht tegenover de eischen van een «vak» staat. Maar 't ideaal van volkomendheid dat we moeten trachten te bereiken, noopt ons dit verschil in opvatting zooveel mogelyk te verevenen. Het is daarom onze plicht geen certifikaten van bevoegdheid uittereiken aan _valsche_ specialiteiten, en vooral niemand tot specialiteit uitteroepen, die zeer in 't byzonder ònbevoegd is. Dat 'n _Rechter_ in wiens uitspraak we genoodzaakt zyn te berusten, niet altyd _rechtspreekt_, is nu eenmaal de verdrietige waarheid, maar onzinnig zou 't wezen, daarom by-voorkeur den zoodanige tot rechter te benoemen, van wien niets of weinig anders ware te wachten dan ònrecht. Onder billardspelers bestaat de gewoonte, by verschil van meening over 't aantal behaalde punten, zich te onderwerpen aan de uitspraak van den markeur «_die 't weten moet_.» Onze eerbied voor 'n rechterlyke uitspraak heeft geen steviger grondslag dan die «_voor bevoegd houden_» van 'n droomerig jongetje. Toch verbeeld ik me dat 'n wakkere, oplettende--en vooral 'n _intègre_!--markeur te verkiezen is boven 'n slaapkop of 'n bedrieger. Wil men deze vergelyking omtrent de kracht en de strekking van konventioneele bevoegdheid verder uitstrekken of hooger opvoeren, dan wys ik op 't _zeer rationeele_ katholieke leerstuk der pauselyke onfeilbaarheid, 'n dogma dat gewoonlyk verkeerd wordt voorgesteld door protestanten en protesteerende katholieken, twee soorten van dissidenten die middel vonden om de ongerymdheid van de geloovery optevoeren tot hoogere machtsverheffing. De tegenwerpingen: «hoe kan een aan allerlei _menselyke_ onvolkomenheden onderworpen _mens_ onfeilbaar wezen?» en: «wat al pausen die dwaasheden beginnen, of zelfs misdaden!» houden geen steek. Het is voor den geloovigen katholiek die de eenheid der kerk bewaard wil zien--en juist _dit_ is de eisch van 't katholicismus--de vraag niet, of zekere persoon dien men paus maakte, dwalen kan, maar: of men niet tot handhaving van dien eigenaardigen eisch der kerk, behoefte heeft aan ... 'n markeur, wiens _konventioneel_ gezag den vrede onder de spelers bewaart? De protestantsche wyzigheden op dit punt, komen vry bespottelyk voor in lieden die eerbied hebben voor allerlei apokriefe dokumenten, voor de wartaal van dezen of genen profeet of apostel, en die zich deemoedig buigen onder de uitspraken van CALVINUS, van LUTHER, van den _Heidelberger_, van de _Dorische Synode_. «_Wy_ niet roepen hier de modernen, _wy_ erkennen slechts als waarheid wat wyzelf onderzochten en inderdaad voor waar erkennen.» Deze betuiging zou 'n gelukwensch waard zyn, wanneer ze in-allen-opzichte met de werkelykheid overeenkwam, en als ze niet geuit werd door mensen die toch in 't maatschappelijk leven telkens zeer katholiekelyk hun meening onderwerpen aan de opinie van deze of gene specialiteit, zonder nog daarby zich te kunnen beroepen op traditie, op piëteit, op behoefte aan eenheid en tucht, of wat dies meer zy.

