Part 3
Zie eens dien CERVANTES in z'n _Don Quichot_ ... 'n boek dat ik liever zou wenschen geschreven hebben dan den _Faust_! Ik, in m'n hoedanigheid van schryf _specialiteit_--ik moet toch «iets» zijn, niet waar?--ik verzeker u, lezer, met verwyzing naar m'n IDEE 30, dat de _Don Quichot_ meer _ziel_ gekost heeft dan GÖTHE ooit bezat. Wat hy gespleten, en gebersten moet geweest zyn, de vertrapte graankorl CERVANTES, om dat boek te schryven, een der treurigste gedenkstukken van wat 'n mens lyden kan!
Dit wist ge niet, lezer! Ge meende--van den weg gebracht door de specialiteit die men _school_ noemt, dat het 'n grappig werk was? Gy, zelf tranenlachend om zooveel koddigheid, hebt de tranen van smart niet gezien, die er druipen van dat boek. Misschien zal ik u die later eens aanwyzen.
Arme levenslange martelaar CERVANTES, gij de byna eenige schryver voor wien ik byna eerbied heb!
En daarby behoort ... m'n vonnis dat uw schryvery, als zóódanig, hier-en-daar beneden 't nulpunt staat. Wat drommel hebben wy te maken met al die malle vertellingen van herders en herderinnen, van liefdegekken en gekke liefden, waarnaar ge telkens uw held laat luisteren op z'n doornigen weg ter kruiziging?
Zóóveel voor 't vel?
Arme arme lieve CERVANTES. De tranen die uw boek bevlekken, zyn er niet minder kostbaar om. Integendeel!
--Ah, zegt de lezer die hier gevatter wil zijn dan hem past, het afbreken van de jonker-FRITSgeschiedenis heeft dus ten doel ...
De kat die nog altyd achter de kachel zit _on her right place_ --_allons_, Roletten en Van Twisten, neemt er 'n voorbeeld aan! --de kat is m'n getuige dat m'n pen krast als 'n raaf. Dat ik voortschryf met de snelheid van twintig knoopen in de sekonde. Sneller, sneller, ik schrijf als de bliksem, 't papier siddert, de inkt spat ... vooruit ... vooruit! Wat al letters noodig om dat woord te spellen, wat al woorden om dien zin te ronden ... geen tyd, geen tyd ... vooruit! De gedachten dringen my, stuwen my, overstelpen my. Er woelen en tournooien meer Don Quichotten in m'n hoofd, dan ooit werden afgeranseld door 'n onridderlyke wereld.
Waarachtig, ik heb geen uitweiding noodig om m'n blaadjes te vullen!
En--praktisch-overtuigend, naar ik hoop!--indien dit het geval ware, zou ik me wel wachten m'n fabriekmerk te bederven door u zoo'n denkbeeld in 't hoofd te zetten. Waar ik uitweid, doe ik dit omdat het me lust. Eenvoudiger reden zal er wel niet kunnen bestaan. Maar ik wyk _niet_ af van m'n onderwerp, al schynt het zoo. Er is nauw verband tusschen m'n sympathie met den lyder van den _Don Quichot_--«schryver» noemen ze dat!--en deze filippika tegen specialiteiten. Ook my zal men hier-en-daar koddig vinden ...
Bovendien, de verhandeling die nu volgt over de aller-scherpste kausticiteit van den baron 'T EEN-OF-ANDER, behoort integraal:
_tot de geschiedenis van jonker_ FRITS, _tot de geschiedenis van 't parlementarismus, tot de geschiedenis van onze eeuw, tot de geschiedenis van zaagdeuntjes, tot de geschiedenis van den Baäls-dienst der_ SPECIALITEITEN.
tot alle mogelyke geschiedenissen alzoo ...
«Vermaakt er u mee» gelyk de groote kinderdichter HIERONYMUS VAN ALPHEN, enz.
* * * * *
De baron van 'T EEN-OF-ANDER ging by buren, vrienden, magen, huis- stad-land-provincie-stand-en geloofsgenooten, voor 'n goed mens door. En ook hyzelf hield zich daarvoor. Maar hy werd door zichzelf en anderen miskend. De man was meer dan 'n goed mens. Hy was 'n diepdenkend wysgeer. Een ware Amerikaansche padvinder in de geheimenissen van het _Zyn_. Hy was 'n speurhond, 'n jagtvalk, 'n fret op de jacht naar waarheid. En wat-i vond, wist hy geestig te uiten. CERVANTES was niets by hem. Zelfs ik niet.
En--dit verheft hem nòg hooger, indien er hooger standpunt denkbaar is--hy was zoo fondamenteel-ingekankerd nederig, zoo evangelisch- kinderlyk onnoozel, dat de rechterhand van z'n oordeel niet wist welke paarlen de linkerhand van z'n welsprekendheid te-grabbel gooide. Als gy en ik, lezer, zeggen dat we onszelf als dom of onwetend beschouwen, houden we ons maar zoo. We beweren, eigenlyk op den keper beschouwd, heel intelligent te wezen. Ik noem dus zoo'n voorgeven maar nederigheid aan den buitenkant. Maar onze baron was inderdaad even sterk overtuigd van z'n intellektueele onwaarde, als anderen van de fatsoenlyke noodzakelykheid om zich nederig voortedoen.
Lang leve dus de baron 'T EEN-OF-ANDER.
Maar, nogeens, hy werd miskend. Indien gy me nu al hierin op m'n woord gelooft, lezer, zult ge toch zeker verwonderd zyn te vernemen dat onder al die miskenners iemand is die u van naby bestaat, of dien ge, volgens het opschrift van den Delfi-tempel--ook al tot deun verlaagd! --iemand dien 't uw _plicht_ was van zeer naby te kennen. Ik bedoel uzelf, lezer. Gy, _gy_, gaaft onzen baron van 't E.O.A. niet wat hem toekomt. En ook omtrent my hebt ge misdreven. Ik stelde u goedmoedig in-staat den man te beoordeelen, te vereeren, te aanbidden, en ge gaat voorby alsof er niets geschied ware! Ik zal me moeten getroosten de geschiedenis van jonker FRITS nogeens te vertellen, in de hoop dat ge ditmaal wat minder ... lieve hemel, hoe moet ik zeggen om niet bybelsch- onbeleefd te zyn? Ik bedoel dat ge 't parelsnoer in eere houdt, dat ik u--'t is 'n geschenk van den baron--zoo edelmoedig toewierp.
Ik sla nu den buik over. Ook 't geld «waarom 't goddank niet te doen is.» En we stappen rechtstreeks toe op de schatkamer der wysheid ...
Zie, gierig is-i niet. Daar geeft hy ons dezelfde kostbaarheid nogeens:
--Een mens moet toch _iets_ zyn, hooren we hem andermaal zeggen.
Eigenlyk is m'n geschiedenis van jonker FRITS hier uit. Of althans ik behoefde, wèl beschouwd, niet voorttegaan die te schryven. Want, òf de lezer valt flauw van bewondering voor 't genie dat ik sprekend invoerde, òf hy valt niet flauw, en is dan niet waardig de schoenen van den flauw-gevallen lezer te poetsen, laat staan 't slot van deze vertelling te vernemen.
Ik schryf dus nu 'n tijdje voort, voor m'n eigen liefhebbery.
--Juist, edele man, juist! De mens moet, om niet _niets_ te zyn, _iets_ wezen! En gyzelf?
--Dykgraaf, lid van ...
--Precies! Lid van ... een-en-ander. Baron van ... 'T EEN-OF-ANDER. Welnu, ik heb u--de eene helft van m'n lezers ligt in zwym, 't is uw schuld, verheven wreedaard! De andere helft is bezig met geen schoenen te mogen poetsen--ik heb u, dykgraaf, baron, en lid van ... een-en-ander ...
--Ook van 't Bybelgenootschap ...
--Ook van 't bybelgenootschap! Ik heb u ... een-en-ander te zeggen. Ik groet u met den naam van ... een-of-ander.
--Niet waar, 'n mens moet _iets_ zyn?
--Heel juist! En niet alleen iets, maar zelfs ... een-en-ander.
Ge zyt dus ... Dykgraaf? Ge zyt lid ...
--Van een-en-ander. En van 't _Zendelinggenootschap_! En van de _Schoolkommissie_! En van den _Vredebond_! En van 't _Roode Kruis_! En van 't _Blauwe_! En van ...
--Om der liefde wil, overstelp me niet! 't Is om te bezwyken.
--En van de _Javaannut-maatschappy_!
--Hou op! Het duizelt me. Maak m'n lofzang niet onmogelyk door overkoking van de stof. Ge zyt, om _iets_ te zyn ...
--Och, ik beroem er me volstrekt niet op. Reeds m'n papa was regent van 'n oude-mannenhuis. En hy zei altyd dat 'n mens ...
--Een mens moet _iets_ wezen. En uwe zalige _papa_ wàs iets.
--Hy was regent van 'n oude-mannenhuis. Ook gewezen oud-_garde-noble_ van koning LOUIS. Want, 'n mens, zoo zeid-i altyd, 'n mens ...
--Een mens moet _iets_ zyn. Ik zie het, ge zoogt met moedermelk der vadren wysheid in. Om uwen lof ...
--Lieve hemel, ik wist niet ...
--Dat ge zoo verdienstelyk waart? Zoo-even vertelde ik reeds een-en-ander ...
--Zoo heet ik.
--Ja zoo heet ge, en dat zyt ge! Nu, ik deelde iets over uwe nederigheid aan m'n lezers mee. We zullen haar echter niet ontzien. Ik schroom niet u te zeggen dat ge reeds vóór uw geboorte een groot man waart door de verdienste van uw vader die, om niet _niets_ te zyn, zich _garde-noble_ had laten maken, en regent van een besjes-gesticht ...
--Van 'n oude-mannenhuis!
--Van 'n oude-mannetjeshuis! Ge waart voorbeschikt ... een-en-ander te zyn. Ge voeldet uw roeping, gy ruimdet alle hindernissen uit den weg, ge verhieft u boven stof en onstof, ge zweefdet en doorvleugeldet ...
--Gut, ik wist niet dat ik zooveel byzonders uitrichtte. Ik ben dykgraaf geworden, en lid van ...
--Van een-en-ander!
--Ja, omdat m'n vrouw zei dat het rondslenteren van 'n man in huis, zoo lastig was voor de booien, en dat m'n gekibbel met de tuinknechts 't humeur bederft. Ook heb ik aanleg tot zwaarlyvigheid.
Dit was zoo. We zagen dien buik reeds optreden als getuige tegen de mogelykheid van geldgebrek.
--Ik werd wat dik. En als dykgraaf doe ik nu ééns in de maand 'n toertjen om de zitting van 't kollegie by te wonen. Want ik zeg maar, 'n mens moet ...
--Een mens moet _iets_ zyn. Juist daartoe heeft de goede Voorzienigheid ons hoog-water gegeven, om 't mensdom instaat te stellen tot het voortbrengen van dykgraven. Neem 't water weg, geen dyken. Zonder dyken, geen Graven. Zonder Graven ... 'n man te veel over den vloer, en gekibbel met de tuinluî. _Allah akbar_ ... m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER, _allah akbar_! gelyk de groote Profeet zoo wél gezegd heeft, zonder nog iets te weten van dykgraven en hoog-water. Ge moet _iets_ zyn. Gy hebt het gezegd. Niet de waanwyze PYTHAGORAS heeft ditmaal gesproken, maar _gy, gy, gy_! Wát hebt ge gezegd? De mens moet _iets_ zyn. _Hoe_ hebt ge dat gezegd? Met de daad bewyzende dat ge oprecht waart. Gy wérd iets, dykgraaf en ... een-en-ander. _Waarom_ hebt ge 't gezegd? Omdat uw verheven vader lid was in 'n besjeshuis ...
--Regent van 'n oude-mannenhuis ...
--Regent van 'n ouwe-mannenhuis! In welke omstandigheden hebt ge 't gezegd? Te midden van «booien» dien ge in den weg liep, en kibbelend met 'n tuinknecht. We kunnen nu overgaan tot de schepping der wereld. In Genesis I vers 27, zien we den mens verschynen. Dat was zoo'n groote kunst niet, en wel beschouwd is Adams verdienste in dit opzicht bitter klein. Gy, Adam II, vergenoegdet u niet met de verschyning ... ge zaagt in, dat men iets _wezen_ moest, en liet u dykgraaf maken, en lid van ... een-en-ander.
--Maar ik wist inderdaad niet ...
--Verheven onkunde! Schitterend wanbesef van eigen volkomendheid! Nederigheid in oneindige machtsverheffing! Ge wist het niet? Welnu dan, ik zal u eens al uw verdiensten terdeeg onder 't oog brengen. Ryk was uw vader, en ryk zyt gy ...
--Ja, om 't geld is het me goddank niet te-doen.
--Dat hoorden we zoo-even, toen gy uwen buik streeldelt. Ge waart ryk, maar met uw scherpzinnigheid zaagt ge in dat alle boeren achter uw rug u uitmaakten voor 'n stommerik, die geld had ... maar ook niets dan dat.
--'t Is waar, er is lomp volk onder die boeren.
--Toch niet, Lomp zouden ze geweest zyn, indien ze u zoo-iets in 't gezicht hadden gezegd. Laat ons voortgaan. Straks zal de eene helft van m'n lezers ontwaken uit z'n flauwte, en dan moet ik u verlaten. Ge hebt gevoeld ... eigenlyk ... wel beschouwd ... van zeer naby bezien ... niemendal te wezen! Sjt ... sjt ... spreek me niet tegen, uit nog verder gedreven nederigheid. Uw scherpzinnigheid en zelfkennis is buiten twyfel en buiten debat. Uw vader in 't besjeshuis ...
--Regent van 't oude-mannenhuis.
--Uw vader, de regent van 't ouwe-mannetjeshuis, was in den hemel. Om daar te komen moet men iets zyn. En hy werd toegelaten als gewezen oud-_garde-noble_ van koning LODEWIJK. Ge hoopt uw vader weertezien, en wilt niet beschaamd staan op de vraag: wie klopt daar? Uw adreskaart moest boeren, tuinluî, huisbedienden en hemelwachters eerbied inboezemen. Het besef uwer onwaarde deed uw omzien naar allerlei lidmaatschappen waartoe men nullen gebruiken kan. Uit schaamte over uw nutteloosheid zocht ge naar gelegenheid om iets te schynen. Gy eet, drinkt, slaapt, als 'n beest. Gy geniet en verteert als 'n beest ... maar veel meer dan 'n beest. Als 'n rivierpaard scheert ge de oevers kaal, en bracht niets voort ...
Ja toch! Hy bracht wel iets voort: FRITS!
FRITS, die sedert het begin myner vertelling 'n knappe jongen van twee-en-twintig jaar is geworden, stapt de kamer in. De lezers, die tot straf van hun botheid geen schoenen mochten poetsen, worden weer ten-gehoore toegelaten. Ook de anderen zyn weer by-de-hand.
In 'n jaar of acht kan veel gebeuren, en zoolang duurde het meegedeeld gesprek.
FRITS was na de vaderlijke ontdekking dat 'n mens _iets_ wezen moet, naar 'n schoolmeester gezonden die de _specialiteit_ beoefende jongens «klaartemaken» voor Medemblik en Breda. Als adelborst had hy niet slechter opgepast dan de anderen, was naar zee gezonden, maakte één reisje naar de Middellandsche zee, één naar de West, één naar Indie, vond daar z'n aanstelling tot luitenant tweede klasse, en was onlangs «thuis-gevaren.»
Hy was by z'n kameraden ... «bemind» is 't woord niet, doch daar hy niemand in den weg stond, behoefde niemand zich de moeite te geven hem te haten. Z'n chefs waren over hem tevreden, omdat hy hen nooit door iets buitengewoons lastig-viel met de noodzakelykheid eener byzondere behandeling. Als prachtexemplaar van alleronbeduidendste ordinairheid, was hy juist intelligent genoeg om z'n dienst te doen zooals hy die geleerd had, zonder ooit zich te wagen aan eenig pogen dat hem niet geleerd was. Hy betoonde zich omtrent alles wat niet letterlyk was voorgeschreven, niet onverschilliger dan anderen, zoodat hy zelfs in slordigheid of dienstverzuim zich wist te onthouden van uitstekendheid. Op onderscheiding had hy geen andere aanspraken dan dat-i niet de minste aanspraak maakte op onderscheiding, en tot berisping gaf hy niet meer aanleiding dan noodig was om onschuldig te zyn aan sarrende vlekkeloosheid. Als onnut nummer op den traktementstaat was de goeie jongen zoo onschadelyk als die nutteloosheid maar eenigszins gedoogde, en wie hem 'n «slothout» noemde, zou wèl de waarheid maar niet àl de waarheid gezegd hebben, wanneer-i verzuimd had daarby te voegen: zulke dingen moeten er óók zyn. Kon FRITSJEN 't helpen dat anderen in die behoefte voorzagen, en dat hy dus--ook als zóódanig--wel eenigszins overkompleet was?
In land en volkenkunde bragt onze held het tot den _Voyage en Orient_ van LAMARTINE, om iets te weten te komen van Smirna, toen hy daar voor-anker lag. De oude heer van 't EEN-OF-ANDER was verbaasd over de poëtische kennis, de klassieke belezenheid, en de geleerde poëzie van z'n zoon, die reeds, na slechts één vyg te hebben gegeten, precies wist waar Troje gelegen had en welke indrukken de nabyheid dier plaats in elk rechtgeaard _Orient_-lezer behoort optewekken. Onze dykgraaf prepareerde z'n kollegaas op 'n verhandeling over den loop van den _Simoïs_, welks oevers sedert HOMERUS' tyd allermiserabelst bleken verwaarloosd te zyn. Hy was volkomen in-staat, genegen en bevoegd --_Specialiteiten vóór_!--die zaak tot behoorlyke klaarheid te brengen, want z'n eigen zoon at vygen op de ree van Smirna. Als er nog ééns zoo'n brief van FRITS kwam, zou hy ...
Helaas, de _Simoïs_ moest zich getroosten ongedykt te blyven. Juist was de oudeheer bezig z'n vrienden «precies» uitteleggen hoe die zaak in elkaar zat, en met natten vinger--dat wil in onzen tyd zeggen: met z'n rotting in 't zand--aantewyzen ...
_fera proelia_ _Pingit et exiguo Pergama tota mero. «Hac ibat Simoïs, hac. est_ ...
Och, de moerteekening kwam niet gereed. Onze dykgraaf zou juist overgaan tot het betoog dat die
_Priami regia celsa senis_
vierkant in den weg stond en onteigend behoorde te worden, toen de postbode berichten kwam brengen uit Konstantinopel, die de kleur droegen van 't romannetje dat LAMARTINE verving, en vóór de oudeheer gereed was met precies-weten wat er haperde aan de gezondheid des Turkschen ryks, leverde Bairout stof tot sterk naar azyn riekende therapeutische beschouwingen over de cholera, afgeschreven uit het quarantaine-reglement dat door 'n stuurmansleerling netjes in 'n lysje was opgehangen in den _longroom_. Juist begon onze dykgraaf zich heel specialiteitig voortedoen aan den plattelands-heelmeester--jonker FRITS zelf had uit de mars door 'n kyker de lykstatie van 'n slachtoffer der ziekte waargenomen--toen de geest der brieven alweer veranderde, omdat FRITS kiespyn had. De chirurgyn-majoor had den armen jongen naar den tweeden dokter verwezen. Deze naar den derden, geloof ik ...
--Ja, de geneeskundige dienst by de marine laat veel te wenschen over, had de heer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd, na het lezen van FRITSJENS stuk over dit onderwerp. Het stond «op poten!» De oudeheer zou daarvan eens terdege werk maken. Hy was nu in-staat, genegen en bevoegd --_Specialiteiten vóór_!--die zaak intedyken. Z'n eigen zoon had kiespyn aan boord van 'n oorlogschip. Wat wil men meer?
Lang voor de reorganizatie van den geneeskundigen dienst ter-zee--die uit dit alles niet voortvloeide--lag onze FRITS op de Kommewyne in 'n _korjaal_ te dutten, die hem wiegelde naar 'n plantage waaruit z'n overgrootvader veel suiker, welvaart en welgeslaagde pretensie getrokken had. Uit oude betrekking at en dronk hy daar zeer vergenoegd, en kopieerde 'n paar artikels uit Surinaamsche couranten, over--voor of tegen, dit weet ik niet--over den slavenhandel. Z'n beschouwingen werden afgebroken door taalkundige opmerkingen over 't negerengelsch, en de gemakkelykheid waarmee men zich dat diepzinnig idioom kan eigen maken. Na slechts twee dagen verblijf namelyk wist hy zich met 'n onbeschroomd «_mi no sabi_»[2] overal verstaanbaar te maken.
Zoo was dan eindelyk de kwestie over den West-indischen Vryen-Arbeid tot staat van wyzen geraakt! De oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER voelde zich bevrucht van wysheid, en begon nu duidelyk intezien dat:
«_het verschil van rassen_ ... _de vrygeboren mens_ ... _Europeesch overwicht_ ... _graadwydte van den menshoek_ ... _Engelsche huichelary_ ... _konkurrentie van den beetwortel_ ... WILBERFORCE ... _edel pogen_ ... KAÏN ... _verstoktheid van die andere party_ ... _bybelsche oorsprong der slaverny_ ... UNCLE TOM ...»
Kortom, hy voelde zich in-staat, genegen en byvoegd--_Specialiteiten vóór_!--om die zaak allergrondigst te behandelen. Z'n eigen zoon _lunchte_ op 'n plantage aan de Kommewyne, en kon in zuiver negerengelsch verzekeren dat hy iets niet wist. Zou dan de vader niet weten hoe die emancipatiekwestie in elkaar zit? FRITS-zelf had nu 'n _footboy_ met dikke lippen en witte tanden. Zou dan FRITSJENS vader geen verstand hebben van slaverny?
Maar och, 't ging weer als met de indyking van den _Simoïs_. Lang voor 't slechten of ophoogen der zandlaagjes die de slaverny moesten bedwingen of beschermen--ik verdenk FRITS dat hy, na 't _breakfast_, brokstukken van tegenvoeters aan elkaar lymde--lang voor de oudeheer gereed was met z'n allerduidelykste uiteenzetting van de zaak, was FRITS te Batavia, waar-i alweer 'n schat van ondervinding opdeed.
In straat Sunda namelyk had 'n zwervende visscher geweigerd zich voor een aan de matrozen geleverd zoodjen _ikan kakap_ te laten betalen met 'n stuk spek en twee verroeste schaatsen. De man was «brutaal» geworden, en daarop door Janmaat geslagen. De arme kadraaier sprong over-boord, en betaalde zich--voor visch en mishandeling niet te duur waarachtig! --met 'n oud wollen hemd dat-i in de vlucht meenam.
Eenige maanden na dit voorval verklaarde zich de oudeheer VAN 'T EEN-OF-ANDER in-staat, genegen en bevoegd--_Specialiteiten vóór_!--om 't Indisch vraagstuk optelossen. Hy-zelf had nu 'n zoon die perfekt Maleisch verstond. _Andjieng belanda_! had de vluchtende visscher geroepen. Dit woord stond--met rang van citaat[3]--in FRITSJENS brief, die van 't voorval melding maakte en 't aanbeval als tekst voor 'n verhandeling over Indische toestanden.
--De jongen is vlug! Pas ruikt hy 'n land, en hy verstaat de taal al! Alzoo:
«_Mensenrecht_ ... _Nederlandsche beschaving_ ... _zweet van voorvaderen_ ... _oogmerken van Voorzienigheid_ ... débouchés voor Enschedésche fabrieken, voor de jeneverstokeryen te Schiedam en andere evangelien_ ... _handelmaatschappy, konsignatiestelsel, indigo, zeeroof en welmeenendheid_ ... _heil des vaderlands_ ... _verstoktheid van die vervloekte andere party_ ... _zeer beminde koning_ ... _bedrogen raadsleden der kroon_ ... _en_--Specialiteiten vóór!--_bevoegdheid_!»
Wel zeker: _bevoegdheid_! FRITS-zelf immers had 'n Javaan «_andjieng belanda_!» hooren zeggen.
't Is weer te betreuren dat de rykdom van slof in volgende brieven, den ouden heer VAN'T EEN-OF-ANDER onvruchtbaar maakte door overmaat van bevruchting. Pas had hy 'n zaak goed begrepen, of hy werd zoo specialiteitig beziggehouden met het doorgronden van 'n andere, dat hem de tyd ontbrak daarvan iets meetedeelen op de _right place_. Toch ging er niets verloren. De Natuur is weldadig. Zy zorgde er voor dat het Meesterwoord bewaard bleef in de gemoederen van de onmiddellyke omgeving des edelen EEN-OF-ANDERS! Wat hy niet kon plaatsen by 't Nederlandsche Volk, werd meegedeeld aan den dorpsbarbier, den tuinman, den notaris en de keukenmeid. De heele omtrek werd aldra doorsuld met kennis van Indische zaken, en toen FRITS eindelyk de kraan zyner openbaringen zóó ver openzette, dat er 'n kistjen Ambonsche-bloemenolie, 'n paar potten _atjar bamboe_, en 'n «pauwveeren sigarenkoker» uitspoot, die hy-zelf gemaakt had van bamboe ... _zie verder in voce_: Droogstoppel, _Havelaar, hoofdstuk zeventien_.
* * * * *
--En nu, papa, nu moet ik je zeggen dat ik genoeg heb van dat zwalken en zwabberen op-zee. 't Is 'n hondebaantje. Ik wil m'n onslag vragen.
Met deze woorden heeft FRITS de mededeeling gestoord van 't gesprek dat we zoo-even afbraken om hem acht jaren tyd te gunnen tot schoolgaan en iets-worden.
--Ga je gang, jongen, zei papa. Om 't geld ...
De buik werd tot getuige geroepen.
--En bovendien, waarom zou je tegen je zin varen? Je bent nu toch iets, niet waar?
Wèl zeker! FRITS kreeg z'n ontslag, en was ...
Een mens moet _iets_ zyn!
FRITS bekleedde op z'n twee-en-twintigste jaar de zeer gewichtige betrekking van gewezen zee-officier die niet langer zwalken en zwabberen wou.
Maar hy wilde nog meer zyn. Hy maakte zich echtgenoot, vader en, na papa's dood, dykgraaf. Daarna ... waarachtig, FRITS wèrd een-en-ander!
En, toen dat een-en-ander hem verveelde, als vroeger 't klein eindje zeeleven dat-i byna niet geleid had, toen hy met voorvaderlyke nederigheid begon te bemerken:
dat hy in-weerwil van z'n _iets_, nog altyd nagenoeg niemendal was,
dat-i de «booien» in den weg liep,
dat z'n vrouw hem aanzag voor 'n keukenpiet,
dat de tuinluî hem lastig vonden,
dat de eerbied van z'n ethnologische kennis van over-zee aan 't verflauwen was,
dat _mi no sabi_ en _andjieng belanda_ zeer gewone stop-en scheldwoorden waren geworden, waarmee men geen bakker meer foppen, geen stalknecht meer beleedigen kon,
dat het prestige van echtgenoot, vader, grondbezitter, dykgraaf en ... een-en-ander, begon te slyten,
dat de boeren ...
Och! 't was niet uittehouden!
* * * * *