# Specialiteiten

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/specialiteiten-10664/index.md

Toen ik zoo-even de uitdrukking: _huurfraze_ ontdekte, was ik zoo vergenoegd dat ik al m'n vrienden 'n driedaagsche champagneparty gegeven heb. Nog niet geheel bekomen van den roes dien ik me by zulke gelegenheden tot 'n gewoonte heb gemaakt, hoop ik in dit hoofdstuk alle geestigheid te vermyden, en de vraag: _wat zyn specialiteiten_? zoo burgerlyk-ordinair te behandelen, dat daaruit by geen mogelykheid 'n nieuwe champagneparty zal kunnen voortkomen. Dit vooruitzicht is my te aangenamer omdat ik eigenlyk geen wyn lust, en vooral niet het extrakt van rottekruid dat velen zich opdringen--alsof 't 'n zaagcitaat ware!--zoo byzonder lekker te vinden.

M'n vreugde over 't woord _huurfraze_ vindt haar grond in de hoop dat dit woord zelf tot _fraze_ zal verheven worden, en dat nog na veel eeuwen deze of gene woordenkramer zal worden doodgeslagen met 'n verpletterend: «je redeneering rydt op huurknollen ... gelyk de groote MULTATULI zoo wèl gezegd heeft.» _Similia similibus_!

Van m'n onsterfelykheid ben ik zeker. Ik heb te veel gezegd dat tot _zaag_ kan omgeknoeid worden, om niet heel stevig in leven te blyven na m'n dood. Ik schaam my als ik bedenk hoevelen er gereed staan de skeletten van m'n arme statiepaarden, averechts opgetuigd voor hun huurkarretjes te spannen. Iets eerlyker dan PYTHAGORAS waarschuwde ik reeds voorlang tegen 't vervloekte _autosephae_ ... óók 'n _fraze_!

* * * * *

_Specialiteiten_ zyn ... byzondere dingen. Nu weet ge 't.

_Generaliteiten_ zyn ... algemeene dingen. Dàt weet ge nu ook.

Wanneer men 't laatste van die beide woorden toepast op personen, dan zou men het allergevoeglykst kunnen toelichten door de omschryving: 'n generaliteit is de zoodanige die van alles--of van niemendal--verstand heeft. Iemand die tot alles bekwaam is, of tot niemendal.

Dat deze definitie even volledig en juist, als bondig is, valt in 't oog door vergelyking met het woord _generaal_: een militair die alle vyanden--of geen enkele vyand--doodslaat, in tegenstelling van den soldaat die zeer _speciaal_ slechts op 'n enkelen tegenstander aanlegt, en dien enkelen maar zelden raakt.

Na deze zoo nauwkeurige en stipte ontleding van den zin dien wy aan 't woord _generaliteit_ behooren te hechten--ik vermeed het heenwyzen naar _species_ en _genus_, om m'n pedanterie te verbergen--zyn we nu voorbereid tot het wèl vatten van de beteekenis der uitdrukking die als uithangbord boven dit vertoogjen in zoo passend gezelschap geplaatst is. Een opschrift alzoo: _on its right place_.

Een _specialiteit_ is ...

Lieve lezer, ik weet het waarachtig niet!

Zou ook dàt woord misschien 'n _deun_ zyn, de basnoot waarop armoed aan denkvermogen 't maseurige wysje doedelt van den _right man_?

* * * * *

Na de duidelyke uiteenzetting van de beteekenis die we aan 't woord _specialiteit_ moeten hechten, behandelen wy nu--ik hoop even afdoende--de vraag waar zoo'n specialiteit behoort geplaatst te worden?

Wel ... niets eenvoudiger. _On the right place_, natuurlyk.

Wie dáármee niet tevreden is ...

De bakker by z'n oven, de smid voor z'n vuur, de kat achter de kachel, en ROLLET in 't tuchthuis, als 't waar is althans, wat BOILEAU van dien heer zeide.

En waar specialiteiten _niet_ behooren? Allereenvoudigst alweer! ROLLET op 't kussen, enz. enz.

* * * * *

Het doet me waarlyk genoegen de verhandeling in drie deelen zoo goed en kort te hebben afgedaan. Ik gunde me ditmaal den tyd niet, den lezer te vervelen. Daar echter m'n blaadje nog niet vol is, vraag ik 't woord voor 'n klein verhaal. Misschien stelt het den lezer eenigszins schadeloos voor de lankdradigheid van de verhandeling.

Aan 'n table-d'hôte in den Haag, sprak ik. Dit moet vermeld worden als 'n uitzondering, dewyl anders gewoonlyk _myn_ specialiteit in zwygen bestaat. Maar 'n zeer byzondere reden drong my ... och, ik zeg niet gaarne waarom ik deel nam aan de konversatie.

Er was spraak van handel, winkeliers-_smart_, kramers-_humbug_, koopmanstrouw en verdere Nederlandsche volkomenheden. Ik had 'n paar bydragen geleverd, doch met weinig succes. Men vond ze niet pikant. 't Is dus met schroom dat ik die nu herhaal, maar ze kunnen by 't afspinnen van m'n vertelling niet gemist worden.

Ik verhaalde dan hoe 'n gefortuneerd jong-mens middel had weten te vinden om 'n zoogenaamd arbeiders-horloge van koper, voor honderd gulden te verkoopen aan 'n «vriend» die 't ding slechts uit de verte gezien had. De handige verkooper had zorggedragen zich te onthouden van de verzekering dat het van goud was, en op 't schertsend bod van den ander, die meende met 'n tamelyk kostbaar werk te doen te hebben, driemaal gevraagd: _meen je 't?_

--Ja, ja, ja, was er geantwoord, ik meen het!

--Daar heb je 't dan! werd er gezegd en ernstig volgehouden door den ander, tot de betaling inkluis.

Hierin lag nu de _pointe_ van m'n vertelling niet. Maar ik meende die te leggen in 't vervolg van de historie. Een «zeer geacht» groothandelaar, scheepsreeder, diaken, enz. wien ik vroeger dat voorvalletje meedeelde, had me geantwoord: «hoor eens, daarin moet ik je nu tegenspreken. Hy had driemaal gewaarschuwd, en niet gezegd dat het van goud was. De ander had niet zoo onvoorzichtig moeten zyn ... je begrypt ... in den handel ... neen, ditmaal ben ik 't niet met je eens ... _driemaal_ gewaarschuwd ... wat wil je nog meer?

Ik had staat-gemaakt op wat verontwaardiging. Maar m'n table-d'hôte- gezelschap scheen voor 'n goed deel uit groothandelaars, scheepsreeders en kerkvoogden te bestaan. Niemand zei: hè!

Nu, 't gebeurt wel meer dat 'n vertelling dóórvalt. Ik moest me schikken.

Doch dit verklaarde niet waarom 'n heer die schuins tegenover me zat, my zoo vreeselyk boos aankeek. Ik kende hem niet, en pynigde m'n geheugen te-vergeefs met de vraag of ik dien man ooit kon beleedigd hebben? De table-d'hôte was zeer goed, ruim voorzien ...

Ik moet er dit by zeggen, om te voorkomen dat men dien zuurkyker verdenke van spysnyd, of my van indiskretie in 't ledigen der schotels. Het stuk speelt in den goeden _Toelast_, waar de voorraad van gerechten waarlyk tegen grooter onbescheidenheid bestand is, dan ik noodig heb me te veroorlooven.

De man keek zuur, en was deftig.

Het uitvaren tegen witte dassen is wat zagerig geworden, en 't spyt me dus veroordeeld te zyn tot geschiedschryver der verblindende kleurloosheid van z'n keelbedervend halsgewaad. In 's hemelsnaam ... dat is nu eenmaal zoo. En ook overigens zat de man vol witte dassen. Z'n zwarte rok was 'n witte das. Z'n welgedaan zachtblozend gelaat was 'n witte das. Z'n _embonpoint_ was 'n witte das. En z'n zuurkyken ... 'n luiermand vol witte dassen!

Na den diepen val van m'n vertelling, oogstte een _commis voyageur_ grooten byval met oneindige «hé!» 's in, over 'n verhaal dat met 'n «mooien slag in de amerikanen» eindigde.

M'n tweede neerlaag liet zich niet lang wachten. Ik verhaalde hoe 'n eerlyk man te ... Groningen gebukt ging onder gewetenswroeging, omdat hy--door fielten meegesleept in «handelszaken»--zich 'n tyd lang ...

_l'occasion, la faim, l'herbe tendre, Et quelque diable aussi le poussant_...

Och, m'n goeie beste LAFONTAINE, die _diable_ had best achterwege kunnen blyven! Honger, gelegenheid en ... essenbladen zyn ruim voldoende om 'n afgetobden gebreklyder op 'n dwaalspoor te helpen. De man had meegedaan in 't maken van _thee_ die in Gelderland langs de wegen groeit. En hy leed onder 't besef van die fout ...

Ga heen in vrede, roep ik hem by dezen toe, en maak geen valsche thee meer. Uw zonden zyn u vergeven. _Ik_ weet wat gy gedragen hebt. Èn daarover, èn omdat ge overigens uw geheel moeilijk leven offerdet aan de waarheid!

Maar niet dàt vertelde ik aan m'n table-d'hôters. De tot 'n rampzalig einde veroordeelde _pointe_ van m'n verhaal kwam hierop neer, dat ik--natuurlyk zonder namen te noemen--iets over die Geldersche- theekultuur gezegd had aan ... 'n industrieel die allerliberaalst was. De man had me--daar gaat de _pointe_!--ouwerwetsch en dom gevonden, en geantwoord «dat zulke dingen overal gebeurden, en dat hyzelf 'n fabriek had van koffiboonen.»

De gasten praatten dóór alsof ik niets interessants gezegd had. De witte dassen bleven zuurkyken.

M'n ouderling--hy was dit inderdaad--scheen verstand van wyn te hebben. Gedurig hield hij z'n glas tegen 't licht, en doorboorde het met kennersblikken. Hy dronk echter zeer weinig, waaruit ik opmaakte dat de wyn niet deugde. Ik bedroog me. Hy verzekerde z'n buurman die hem daarnaar vroeg, dat de wyn uitstekend was. Maar ... zonderling, hy zei dit op ontevreden toon, en als iemand die 'n onaangename waarheid verkondigt.

Met bliksemsnelheid nam ik die byzonderheid aan als opheldering van z'n zuurkyken. De wyn is goed, hy is er boos om. My ziet-i boos aan, dus is hy goed op me ... zóó zal 't wezen!

Weer mis! Hy was me volstrekt niet welgezind. Integendeel. Z'n heele linnenkast was hevig op me verstoord. Dit bleek uit de wys waarop hy 't zoutvat niet zien wilde, dat ik hem toeschoof toen hy dit scheen te zoeken. Hy wou van my en m'n zout niet gediend zyn, en voorzag zich elders, uittartend-duidelyk met opzet.

Twee _pointes_ in 't water, zout versmaad ... och, 't was zoo bitter!

--Wie is toch die ... heer, vroeg ik aan iemand naast me. «Man» durfde ik niet zeggen, om de witte dassen.

En er werd my 'n naam genoemd, dien ik kende.

--Dat is 'n vrome familie, zei ik.

--Zeker! En hyzelf is vooral niet minder vroom dan de rest. Hy is ...

--Ouderling, wil ik wedden.

--Geraden! En hy is boos op je, omdat je ... nu dan, omdat je 'n «vrydenker» bent.

't Was zoo! De witte dassen gloeiden van heiligen toorn «omdat ik den CHRISTUS smaade, versmaadde» enz. Hy zou liever sterven dan een myner werken lezen, en had z'n kinderen verboden m'n naam te noemen, of zelfs van me te droomen. Hoe ik dit later zoo precies te weten kwam, doet nu niets ter zake. Ik begreep eenigszins hoe laag hy op my moest neerzien, en op al de fameuze werken die hy uit afschuw niet gelezen had.

--Ouderling alzoo? Gut, ik dacht dat-i nog meer was dan dat. Z'n heele voorkomen kan dominee wezen.

--O neen! Van beroep is hy fabrikant ...

Weer doorboorden de blikken van den christelyken zuurkyker z'n wynglas. Ontevredenheid met den wyn--die _goed_ was, had-i gezegd--lag op z'n wezen.

Zou die wyn ook den CHRISTUS gesmaad hebben? dacht ik.

--Ah zoo ... fabrikant! En wat fabriceert de man?

--Hy is 'n specialiteit ...

Genade ditmaal voor m'n _pointe_, lezer! Een derde nederlaag overleef ik niet!

--Hy is _specialiteit in wynvervalschingsmiddelen_!

* * * * *

Gy die zweert bij 't prachtige _right men on right places_, eilieve, waar plaatst ge:

m'n _horlogeverkooper_?

m'n _scheepsreeder-groothandelaar_?

m'n _liberalen koffiboonenfabrikant_?

m'n _godvreezenden ouderling-wynvervalscher_?

* * * * *

Nog altyd zit de kat achter de kachel, en spint. Het beest is op z'n plaats.

De bakker staat voor z'n oven, en bakt. De man is op z'n plaats.

De zon schuilt achter mist en nevel. En al verwarmt ze niemendal ... ze staat op haar plaats.

Vuurpook en tang leunen tevreden tegen hun standertje, de kolen liggen rustig in den bak, de asch valt melancholisch door den rooster, de sneeuw op het dak wacht met geduld den tyd van smelten ... _all things on their right places_ ...

Maar de eerlyke JACOB DE VLETTER zit in het tuchthuis.

En heel veel boeven, die daar wezen moesten, zitten er nog altyd _niet_.

En DUYMAER VAN TWIST zit in de Eerste-Kamer, en vertegenwoordigt daar 'n brok van 't Nederlandsche Volk, en praat mee over _Recht, Menschelykheid, Staatkunde, Indische belangen_ ...

En CHRESOS schrijft vertellingen over witte dassen, voor 't publiek van Nederland.

* * * * *

Met uw verlof ... staat ook dit hoofdstuk wel op _the right place_?

Wel zeker! 't Is 'n brandmerk, en hoort van rechtswege thuis in een _Ietsjen_ over SPECIALITEITEN.

III.

Komaan, vertel ons nu eens zonder scherts wat 'n _specialiteit_ is?

Ik schertste niet, en zàl dit ook niet doen. 't Onderwerp is er te treurig toe. Een specialiteit is 'n zoodanige die levenslang veel dingen verwaarloosd heeft, om den prys der middelmatigheid te behalen in den wedloop der beoefenaars van 'n bepaald vak. Een specialiteit is iemand die door zich blind te staren op één punt, het recht meent te hebben byziende te wezen voor wat anders, of zich zoo voortedoen Een specialiteit ...

En weer verander ik van medikatie. Hebt ge wel eens zien straatvegen?

--Niet zoo vaak als ik in 't belang der zindelykheid wenschen zou. Maar toch nu-en-dan.

Voelde je niet soms den lust in u opkomen, zoo'n hem of haar den bezem uit de hand te rukken, en eens te wyzen, _hoe_ men behoort te vegen?

--Dikwyls.

Veegden alzoo, naar 't ideaal dat gy u schept van straatvegen, die mensen _goed_?

--Met de hand op 't hart, by m'n ziel en zaligheid, op eer en geweten, in tegenwoordigheid van goden en mensen ... neen!

Zeer wel. Dit gekonstateerd zynde, vraag ik u of ge zoo'n straatveger in-staat oordeelt u 'n rechtskundig advies te geven, uw kinderen van kinkhoest te genezen, de schulden van den Staat te delgen, boekdrukkunsten uittevinden, Amerika's te ontdekken, enz. enz.?

--Met hand, hart, ziel, enz ... alles _als-voren_: neen!

Welnu, zoo'n veger die niet vegen kan, en geen ander vak verstaat dan niet te kunnen vegen, is 'n _specialiteit_.

* * * * *

We zyn dom, klein en koppig. Waarachtig, lezer, we zyn koppig, dom en klein. Wees nu eens niet te klein, te koppig en te dom, om dit toetestemmen. We weten weinig. We kennen weinig. We kunnen weinig. En we willen ons voordoen _alsof_ wy iets wisten, kenden en konden. Telkens komt het voor, dat de omstandigheden deze of gene hoedanigheid in ons vereischen zouden. Telkens schieten wy te-kort in 't leveren van wat wy eigenlyk moesten kunnen leveren. Dan zyn we beschaamd over deze domheid, onmacht en onnoozelheid, te klein om edele wraak te nemen door verheffende inspanning, te hoofdig om dat alles te erkennen, en:

--Och ... ik ben eigenlyk straatveger, zeggen ze dan. Dàt is m'n vak, m'n roeping. Dààrin munt ik uit. Dààrin zoek ik myn meester ...

Die ligt te vinden is, dat zagen we! Want ze vegen slecht, de specialiteiten die den «marmottenwinter van hun vakje gebruiken als voorwendsel om niets te weten van wat daarbuiten omgaat.» Nu straatvegen doen ze juist allen niet. Waarachtig niet! En dit is van sommigen jammer genoeg.

--Van «Rechten» heb ik geen verstand, roept de een, ik ben genie- officier, architekt, artist, arbeidsman, pruikenmaker ...

Heel wel. Ge zyt er niet minder om. Maar verschuil u niet achter die specialiteit, om by voorkomende gelegenheid niet te weten wat _Recht_ is.

--Ik ben jurist, verzekert 'n ander. Ik slaap, leef en sterf met _codices_ en de H. Boeken van 't _corpus juris, nec non_ met 'n beetje toevoegsel van hedendaagsche parlementery.

Best, opperbest! Maar meen niet dat die specialiteit u vrystelt van eerbied voor gezond verstand.

--Ik «ben» _in_ koffi, reedery, assurantie. Ik «doe» in vetwaren, kurken, vleeschextrakt, oesters, eau-de-cologne ...

«Wees» en blyf in augurken, als ge verkiest. Maar eilieve, _gedraag_ u niet, alsof gyzelf 'n komkommer waart, wanneer er gesproken wordt van andere dingen dan «waarin ge zyt.» «Doe» in wat ge wilt, maar toon dat ge ook iets _doen_ kunt, als het te pas komt. Koop en verkoop oesters ... goed! Maar kruip niet zelf in 'n schulp, zoodra er behoefte is aan eigenschappen die uw broodwinning niet raken. Dat opgaan in de specialiteit van 'n vak, van één vak, is dom schandelijk en nadeelig. Één is dikwijls géén, in dit geval.

--Dit alles belet niet dat de man die levenslang brood bakte, waarschynlyk beter brood leveren zal dan iemand die nooit gebakken heeft.

Ja en neen. Gewoonte maakt wel handig, maar niet altyd bekwaam. Er kan bovendien verschil van gevoelen bestaan over de vraag welk brood _goed_ is? Wat de een goed noemt, kan den ander middelmatig of slecht voorkomen. Meen niet dat deze opmerking ...

O, bitter wreed vermoeden dat ik me hier op den hals haal! Zullen niet sommigen meenen dat deze bedenking 'n advokatige scheenworp is, een pleiterig vulsel dat by elke gelegenheid heel oppassend kan worden te-pas gebracht, 'n ... _scie_? 't Woord is er uit.

Neen, ik moet en ik wil werkelyk zeggen dat het oordeel over de deugdelykheid van brood zeer verschillend is. Naar _mijn_ meening--waarin ik by-uitzondering 1497 millioen min één, smaakverwanten heb--is 't Hollandsche brood over 't algemeen _zeer slecht_, en wèl geproefd: _geen_ brood. Op weinig uitzonderingen na, komt het iemand die geen byzonderen eerbied voelt voor de levenslankheid der bakkers, waarop gy u beroept, oneetbaar voor. De Franschen die men 't voorzet, noemen het, als ze zich beleefd willen aanstellen, _gâteau_, en vragen wat anders. Ook ik vraag wat anders, en noem het, onbeleefd, half-gaargebakken watten met kryt, koper, aluin, geile melk, vitriool en oudsche eieren. Niets bewyst echter dat de Franschen, ik, en de overige 1497 millioen mensen die geen Hollandsen brood lusten, gelyk hebben. De mogelykheid bestaat dat 'n hemelsche jury, by 'n algemeene Paryzer heelal-tentoonstelling van vierduitsbroodjes, aan onze bakkers de gouden medaille zou toekennen. Maar ... zoolang die jury zoodanige uitspraak niet gedaan heeft, is 't niet zeker, en zelfs niet _waarschynlyk_ dat de Hollandsche bakkers goed gebakken hebben, in weerwil hunner altyd doorbakkende levenslankheid. Ook de Fransche bakker is _specialiteit_. Ook hy bakte gisteren reeds, verleden week, voor jaren, van kindsbeen af. En _hy_ beweert dat 'n Hollandsche broodmaker de zaak niet verstaat.

Ik had in 1850, 51 nog geen bakken geleerd. De admiraal JURIEN DE GRAVIÈRE ... ach, hy kommandeert als zoetwaterzeeman, op dit oogenblik (_Voorjaar_ 1871) de flotille «_du parti de l'ordre_» op de _Seine_! Wie had gedacht dat hy zoo laag vallen zou, de achtenswaardige kommandant van de _Bayonnaise_, die me leeren wilde hoe men goed brood bakt!

Van hem namelyk heb ik 't woord _gâteau_, dat ik zoo-even aanhaalde.

Na veel vruchtelooze pogingen van m'n kok om dien hoofdofficier iets voortezetten dat hy _als brood_ gebruiken kon, noodigde deze my aan boord van z'n korvet, niet aan z'n tafel ditmaal, maar in de kombuis. Daar toonde hy my hoe men vochtig meel deed verzuren door wat warmte met geduld. En dat men geen byvoegsel van gist noodig had. En hoe telkens een gespaard deel van 't gebruikte deeg, morgen oud geworden, het nieuwe zou doorzuren en doen «ryzen» in weinig tyds, zonder daaraan den vuilen bysmaak te geven waarop de Hollanders zoo gesteld schynen. En hoe brood--«_du_ pain, _m'sieur_ DEKÈRR, _du_ pain, _ce qu'on peut nommer du_ pain!»--hoe brood alleen moet bestaan uit _gaar meel_, zonder meer. Zonder aluin, zonder kryt, zonder suiker, zonder melk, zonder eieren, zonder koper en vitriool, zonder vuiligheid, zonder _vergif_.

Ik erken dat ik op dit oogenblik met de handen verkeerd zou staan, en dat ik me waarschynlyk eenige vergeefsche proeven zou moeten getroosten, waar ik in-staat ware brood te leveren dat _volgens het oordeel van verreweg 't grootste deel onzer medemensen_, beter voldoet aan de eischen die men aan _brood_ stellen mag, dan dat onzer levenslange Hollandsche bakkers. Ik heb er de hand niet aan gehouden, en de juiste methode is my ontgaan.

En ... wonder is 't niet! Ik deed zooveel andere dingen sedert 1850! Daar ligt zoovéél tusschen die kombuis van de _Bayonnaise_ en deze verhandeling! Zooveel arbeids! Zooveel vermoeienis! Zooveel teleurstelling! Zooveel onbekroond streven! Zooveel smart!

En wat al slecht gebakken brood at ik sedert dien tyd!

En hoe bitter was 't meestal, ook zonder misselyk gesuikerd te zyn!

En hoe vaak rees de gedachte in my op: als ik eens, om brood te hebben, mezelf maakte tot zoo'n levenslange bakker?

Maar er is niets van gekomen. Gedurig had ik wat anders te doen. Op dit oogenblik, by-voorbeeld, moet ik voortgaan met m'n stuk over _Specialiteiten_.

* * * * *

Het is alzoo niet uitgemaakt dat iemand die zich aan 'n bepaald vak wydt, in dat bepaald vak iets beters levert, dan te verwachten is van anderen, van _niet_-specialiteiten. Er bestaan zelfs gegevens die zouden doen besluiten tot het tegendeel, of--om korrekt te redeneeren --gegevens die het tegendeel mogelyk, en zelfs waarschynlyk maken.

Een bakker--de scherpzinnige lezer zal wel de goedheid hebben de bakkery overtezetten in den algemeen-maatschappelyken toonsleutel die op m'n kompozitie past--'n bakker die onder kryt, aluin, eieren, melk, gist, koper, vitriool en bedorven klanten is opgegroeid, heeft, juist tengevolge van z'n levenslankheid, meer moeite zich te ontdoen van al deze ingegroeide dingen, dan de onschuldige die--als ik in de kombuis van de _Bayonnaise_--nuchter is van alle verkeerde kennis der zaak. Zoo'n bakker is ...

--Wat al divagatien!

Ge vergist u. Ik divageer niet. En 't bewys? Zoo'n bakker is 'n _specialiteit_.

* * * * *

En nu lezer--tenzy gyzelf behoort tot de specialiteit van de velen die niet lezen kunnen--transponeer!

Ach, er wordt zooveel slecht voedsel geleverd uit heel andere bakkeryen, dan waar die gesofistikeerde miniatuur-lendekussentjes als brood worden uitgevent!

_Specialiteit_ van rechtkennis ... bedorven melk!

_Specialiteit_ van staatsmanswysheid ... taaie watten!

_Specialiteit_ van broederliefde, mensenmin, vrede op aarde met obligaat-welbehagen, roode kruizen, filantropie, dierenbescherming, neger-wintersokjes, Javaannut-maatschappyen, weldadigheidskommissien ... sterke boter!

En, by al die specialiteiten, de zeer speciale specialiteit der _frazen_ ... vuile eieren!

Alles saamgenomen! _vergif_!

Ik ben terdeeg aan 't komponeeren. Zie eens hoe _quite right_ ik al die stinkende dingen _on their right places_ heb gezet, om de oneetbaarheid van de broodjes te betoogen, waarop de maatschappy zich maagbedervend het gebit slee kauwt.

Ik hoop lezers te treffen die me hier verwyten dat ik onrechtvaardig ben. 't Zou me aangenaam zyn aanleiding te vinden tot dupliek op de beschuldiging:

--Ge kunt niet wáár zyn, dat ge allen over één kam scheert.

De opmerking is onjuist, maar welgemeend. Wie naar waarheid zoekt, mag en moet zoo spreken. Welnu, ik veroordeel niet allen. Ik sprak ditmaal niet van personen. M'n uitval geldt noch rechter, noch pruikenmaker, noch jurist, noch minister, noch preeker, noch dierenbeschermster, noch sokjesbreister, noch _Schlachtenbummler_, noch zelfs die onzalige broodbakkers ... in één woord: niemand _persoonlyk_.

Ik maakte me driftig tegen de domme afgodery met het _begrip_: specialiteit, in 't algemeen. Dàt is het onkruidje ...

We zullen te-zamen voortwieden in 'n volgend hoofdstuk. En dan geen woord meer over bakkers.

IV.

Een vertelling.

--'t Wordt tyd dat onze FRITS 'n beroep kiest, zei m'nheer Van ... 't EEN-OF-ANDER tot z'n echtgenoot. Om 't geld is 't ons goddank niet te doen, maar toch ...

En m'nheer Van ... 't EEN-OF-ANDER streelde z'n buik.

In deze hartelykheid jegens zichzelf, lag iets als bevestiging van z'n innige overtuiging dat het hem goddank om 't geld niet te doen was, en tevens 'n voorspellende bezwering dat het ook z'n veelgeliefden FRITS goddank nooit zou te-doen zyn om 't geld. Mevrouw van 'T EEN-OF-ANDER was het--zonder de minste indecentie in gebaren, dit moet ik tot haar eer verzekeren--volkomen met m'nheer haar gemaal eens. FRITS zou 'n beroep kiezen. Want:

--Een mens moet toch _iets_ wezen in de wereld.

--Zoo had m'nheer VAN 'T EEN-OF-ANDER gezegd.

Het is den lezer bekend hoe geleidelyk ik gewoon ben m'n vertellingen af te vertellen. Nooit 'n zysprong. Nooit 'n byweg. Nooit 'n uitweiding.

