Specialiteiten

Part 14

Chapter 14 3,515 words Public domain Markdown

Ik vergeleek den specialist by 'n ambachtsman die _te-werk gesteld_ wordt. Dit te-werkstellen geschiedt door anderen, door niet- specialiteiten, van wie verondersteld wordt--ook dikwyls maar konventie, helaas!--dat ze ruimer veld overzien dan de werkman, en tevens dat ze bekwaam zyn tot beoordeeling en goede aanwending van 't geleverde. Deze staan tot den leverancier van speciaal-kennis in verhouding als de fabriekheer tot den arbeider. Wie zich levenslang bezig hield met gaatjes-prikken (IDEE 553, _nieuw nummer:_ 788) past niet aan 't hoofd der zaak en, omgekeerd, de _bestuurder_ van de fabriek zou niet _the right man_ zyn om den _ambachtsman_ te vervangen.

De statistikus, de geschiedvorscher, de land-ekonoom, de geneesheer, de zeeman, de militair, de staathuishoudkundige, de jurist, de ambtenaar ... al deze specialiteiten behooren _gebruikt_ te worden _door wie aan 't hoofd staan_ eener Maatschappy, of van 'n deel daarvan. Zy allen leveren in verslagen, rapporten, opgaven en adviezen de vruchten van hun arbeid, en de autokraat, de wetgever, de uitvoerende of beslissende macht ... wat kan van hèn gevorderd worden?

Welke eigenschappen behooren den _fabriekheer_ te versieren, om den arbeid van z'n ondergeschikten behoorlyk aantewenden?

Het antwoord op deze vraag zou tehuis behooren in 'n verhandeling over _niet_-specialiteiten.

De spreuk _de minimis non curat Praetor_ bevat 'n goede les, doch wordt zooals veel spreuken misbruikt. Onthouding van bemoeienis met zoogenaamde kleinigheden, sluit in zich de verplichting tot zorg dat ze behoorlijk worden behartigd zònder die bemoeienis, en deze plicht is waarlyk géén kleinigheid. Dat er tot de hiertoe onmisbare organizatie en tucht _bekendheid met dat kleine_ noodig is, spreekt vanzelf. Vóór zich de _Praetor_ straffeloos kan onthouden van onmiddelyke aanraking met het geringere, behoort hy blyk te geven _niet daar-beneden te staan_. Wie dit verzuimt, verliest in de oogen van z'n ondergeschikten--_specialiteiten die_ zonder uitzondering _vyanden van den meester_ zijn--de zedelyke bevoegdheid om 't geheel te regeeren, en uit deze storende minachting zou dan ook inderdaad 'n betrekkelyke onbekwaamheid voortvloeien.

Eén ding staat vast: tot wèl overzien van dat geheel, is vóór alles noodig 'n geoefend verstand en veel hart. Deze twee hoedanigheden vertegenwoordigen het _kunnen_ en het _willen_, en sluiten evenzeer bekrompen vooroordeel uit, als ze borg staan voor rechtvaardigheid en praktischen zin. Van den niet-specialist is te vorderen dat hy den arbeid zyner onderhoorigen wete te regelen, te beoordeelen, te schiften en te gebruiken. Jazelfs er behoort 'n tyd te komen dat hy dit alles--met uitzondering van 't ál te stipt-ambachtelyke--gelyk TIBERIUS den medicynmeester, _ontberen_ kan.

Het streven naar deze onafhankelykheid is _zyn_ specialiteit.

Ik vrees te moeten gelooven dat nooit eenig vak slordiger beoefend werd, en 't zal dan ook wel hieraan te wyten zyn dat we overal aan _byzondere_ bekwaamheden den rang zien toekennen die in 't algemeen belang de belooning wezen moest van harmonische ontwikkeling op _universeel_ gebied. Waar 't uitstekende ontbreekt, speelt het ordinaire den meester, en zoolang alle ruimte wordt ingenomen door den soldaat, blyft er voor maarschalken geen plaats.

* * * * *

Wat nu vervolgens den invloed van 't specialismus op de waarde van den _individu_ aangaat, ieder begrypt dat het niet gemakkelyk is den juisten grens te bepalen tusschen algemeene en byzondere verplichtingen. Dat verdeeling van arbeid in zekeren zin voordeelig werkt, mag niet ontkend worden, doch 't overschryden van de juiste maat dezer verdeeling geeft aanleiding tot ongerymdheid als waarop ik herhaaldelyk gewezen heb. Er behoort daarby vooral te worden acht geslagen op juiste waardeering der uiteenloopende aanspraken van rechtstreeks en indirekt oordeel. Het zou kunnen zyn dat de _handigheid_ zich ontwikkelde ten-koste der _bekwaamheid_, en dat we ten-laatste ónbekwaam werden de vruchten van die handigheid te genieten. De Maatschappy zou dan beginnen te gelyken op 'n letterzetter die zóó mechanisch-vlug leerde werken dat-i 't lezen verleerde. Men bedenke dat onevenredige toepassing onzer gaven--ook zelfs uit 'n _industrieel_ oogpunt--niet praktisch is, daar byv. de behoefte aan letter vervallen zou als er niet meer gelezen werd.

Het kretinizeeren der individuen kan nooit gunstig werken op het geheel. Wie op beperkt terrein meer tyd en ziel uitgeeft dan in verhouding tot z'n algemeen-menselyke roeping gepast is, werkt nadeelig op de som van algemeen welzyn, en schaadt tevens zich-zelf daar geen uitstekendheid in 'n bepaald vak opweegt tegen de vernedering als _Mens_.

En dit is niet genoeg gezegd. Zelfs _in dat vak_ bereikt hy z'n doel niet. Het is te betwyfelen of die Haagsche paardman beter schuiten- leepte dan andere mannen. Maar beter dan andere _paarden_ zeker niet! Wie met werktuigen en dieren konkurreert, zal ervaren dat hy z'n menselyke waardigheid _à pure perte_ wegwierp, en daarvoor geenszins wordt schadeloos gesteld door 't behalen van 'n prys op 't lager gebied dat hy tot werkplaats koos. De geschiedenis levert voorbeelden in menigte, dat speciaal-mannen in hun eigen vak overtroffen werden door personen die zich op dat vak niet uitsluitend hadden toegelegd. En meer nog: _alle_ voorgangers in _elke_ kunst in _elke_ wetenschap, in _elk_ bedryf, op _elk_ gebied van menselyke ontwikkeling, waren leeken. Wat in hen 'n gunstig samenvallen was van in-en uitwendige _roeping_, werd door hun opvolgers vervormd tot _beroep_. (IDEE 498 _en_ 499. _Voorts, nieuwe nummering_: 921.)

Dit nu kan niet vermeden worden. Ten-allen-tyde werden school, reglement, methode, aangewend als surrogaat voor 't _genie_ dat hyzelf onbewust in sleur verstikte ... door de maatschappy: als surogaten voor _de genien_ die ze doodmartelde uit afgunstige baldadigheid.

Hoe dit zy, de behoefte aan die plaatsvervangende middelen bestaat, en daarom moeten wy ons schikken in zekere beroepsgewyze verdeeling van den arbeid. Wie zich tot het overzien van 'n ruim veld ongeschikt acht, doet wel zich te bepalen tot enger gebied, doch hy vergist zich in de meening dat-i op 't door hem gekozen terrein nuttiger bezig is naarmate hy de grenzen daarvan nauwer beperkte. De Staatsdienaar die 't heil der Mensheid verwacht van z'n papierkraam of _diplomatie_ ... de babbelaar die frazen voor daden geeft ... de koopman die z'n winkeltjen of kantoortjen als 't centrum van 't Heelal beschouwt ... de militair die by al z'n redeneeringen 'n kazernig «by ons» op den voorgrond stelt ... de filoloog die de beoefening der letteren inkrimpt tot 'n bespottelyke studie in letters ... de huisvrouw die meent dat «huishouden» hoofdroeping is van moeder en echtgenoot ... de publieke aanklager die aan de eer van z'n funktie meent schuldig te zyn, elken beklaagde voor 'n monster uittemaken ... zy allen die hun specialiteitje willen doen voorkomen als 't «instrument» by-uitnemendheid ter veelzydige ontwikkeling, ze vergissen zich in de meening dat ze door die uitsluitingstheorie blyk gaven van uitstekendheid in hun eigen «vak». Het verkrachten van waarheid, het verwaarloozen der juiste verhouding onzer verplichtingen, levert nooit goede vrucht. Tot het wel beoefenen van elk onderdeel van kennis of wetenschap is noodig dat wy 'n open oog houden voor andere zaken die _tezaam genomen_ onze fakulteiten behooren bezig te houden. Hierdoor wordt onze waarde als mens bepaald. Dezelfde bekrompenheid die ons een al te klein onderdeel tot doel aan ons streven deed kiezen, zal ons weldra onbekwaam maken tot bereiken van dat nietige doel-zelf. Een huismoeder die niets dan huishoudster wil zyn, is geen _goede_ huishoudster. Ze maakt noch echtgenoot noch kinderen gelukkig. De krygsman die z'n gansch gemoed weggaf aan de kazernedienst, wordt onbruikbaar tegen den vyand, en is zelfs in vredestyd een nietig voorwerp. De mannen van de dubbele _o_, die waarachtig geen meesterstukken leveren in _wezenlyke_ letterkunde, zyn daarom in hun speciaal-vakje niet uitstekender dan de eerste de beste die zich nooit met zulke nietigheden bemoeide. Een liefhebbery-chemicus verhoogt geenszins de kans op 't ontdekken eener nieuwe brandstof, door 't slecht vervullen van z'n ambt als opzichter over 't onderwys. De staatsman die niets is dan staatsman, niets dan diplomaat ... arm Volk!

In al die speciaal-mensen is iets dors, iets ongenietbaars, iets dat in tegenspraak is met de veelzydige, ryke, gulle natuur. _Zy_ bemoeit zich niet met verdeeling van arbeid en studie. Háár weten en werken is algemeen. Scheikunde, mathesis, statika, sterrekunde, geschiedenis, hartstocht, ontbinding, groei, kristallizatie ... alles heeft zy in haar oneindig magazyn, alles wendt ze aan, alles beheerscht ze, alles brengt ze voort door gelyktydige en harmonische toepassing van haar krachten. Een harmonie die zóóver gaat, dat we gedurig de ontdekking te-gemoet zien dat ze dit alles te-weeg brengt volgens één wet, door één kracht, met slechts één soort van stof!

Het afwyken van deze _algemeenheid_ der natuur, is ongehoorzaamheid aan den wenk dien ze ons geeft, en moge in zekeren zin een vergeeflyk gevolg wezen van onze zwakheid, het blyft een fout die afwyking te verheffen tot _stelsel_. Wel weet ik dat de inrichting onzer Maatschappy hiertoe aanleiding geeft, maar de eene verkeerdheid verontschuldigt de andere niet. Juist door dat al te mechanisch onderverdeelen van roeping, is die maatschappy geworden wat zy is. Een verstompende verdeeling van den arbeid moge in zekere gevallen noodig zyn om niet ondertegaan in den bloedigen _Kampf um's Dasein_, de wysbegeerte ontleent haar voorschriften niet aan de door nood tot fouten geperste industrie. Het is juist háár roeping middel te vinden tot het _verbeteren_ van die fouten, en mocht er ooit blyken dat het bereiken van dit doel onmogelyk is, toch blyft altyd het streven daarnaar de taak van 't beter deel der Mensheid. Gelyk 'n boosaardige TARQUINUS, scheert, schaaft en snoeit het specialiteiten-systeem alles af wat uitsteekt, en verlaagt daardoor tevens gaande-weg het reeds zoo diep gezonken peil der middelmatigheid-zelf. Wat middelmatig genoemd wordt, zou veelal _slecht_ heeten indien we ons in oprechtheid afvroegen wat _goed_ is. Hoe langer hoe meer gaan de individuen op in hun «vak» en 't _mens-zyn_ wordt uitzondering.

Dit is treurig!

_Qui trop embrasse mal étreint_, zeker! Ik verdedig geen onberaden verbrokkeling van gaven. Wie te veel omvatten wil, zou zich maken tot 'n specialiteit van wanbegrip. Maar evenzeer is 't waar, dat men niet tot de juistheid van oordeel geraakt door 'n idioot staroogen op 'n àl te gering deel van wat ons omgeeft. Op geestelyk en stoffelyk gebied beide, staat _al wat is_ in verband met iets anders, onmiddellyk met het naastliggende, middelyk met het verwyderde. By 't waarnemen van den aard der dingen, is het achtslaan op dat verband onmisbaar. Wie slechts met 'n _loupe_ de steenen van 'n gebouw beschouwde, zal hoogstens eenig oordeel kunnen vellen over de soort van 't materiaal, het gebouw _als zoodanig_ heeft hy niet gezien. Daartoe wordt wyder gezichtshoek vereischt, meer ruimte van blik.

_Cest mal étreindre que d'embrasser trop peu_ sla ik voor als weerklank op de aangehaalde spreekwys. De juiste grenslyn tusschen _te veel_ en _te weinig_ moge niet te trekken zyn, er zal toch wel geen wysheid liggen in 't najagen van het àllergeringste. We kunnen wel-is-waar geen zonnestelsel omvatten, maar 'n zandkorl evenmin. De zeloten voor 't nietige, de aanbidders der afgodinne BEUZELARY zyn--ook zelfs naar den maatstaf van hun eigen bekrompen streven--even ver van _Waarheid_ en van 't _praktisch nuttige_, als de verongelukte hoogvlieger die dan toch noch altyd 'n weemoedig _in magnis voluisse_ kan aanvoeren ter vergoelyking van z'n misslag. Wie _te veel_ wil, bereikt _niets_, wordt er gezegd. Dit is onjuist. Dat willen-zelf is 'n _iets_, en 't verachtelykste niet. Het medelyden met den gevallen adelaar sluit geen eerbied uit, maar 'n struikelende schildpad is bespottelyk.

Ons leven is te kort om op _alles_ te letten, zegt men.

Ons leven is te kort om «alles» te verwaarloozen, is m'n antwoord. Juist de aanhoudende pogingen om 't verband tusschen _alles_ en _alles_ te vatten--ziehier het punt waar POËZIE en WIJSBEGEERTE ineensmelten--zyn noodig om ons iets van de onderdeelen te doen begrypen. Zedelyke en verstandelyke ontwikkeling--identisch met arbeid, genot en deugd--is gevolg en belooning van aanhoudende kritische vergelyking der feiten die de Natuur ons te aanschouwen geeft. Wie den blik van dat schouwspel afwendt, die punten van vergelyking geen aandacht waard keurt en alzoo de _harmonische_ ontwikkeling zijner gaven veronachtzaamt, krimpt in tot 'n dier, tot 'n machine, tot 'n zaak.

De steen ligt. Dat is alles wat-i kan ... zyn _Specialiteit_! We willen meer zyn dan zoo'n steen.

Het rad draait. Het kan niet anders ... zyn _Specialiteit_! We willen meer zyn dan 't werktuig dat zich zoo dom eentonig beweegt.

De plant groeit bloeit, verdort en sterft zonder genot, leed of besef ... haar _Specialiteit_! We willen meer zyn dan zoo'n plant.

De koe eet gras, herkauwt, eet weer gras en herkauwt weder tot ze geslacht wordt. Dat is háár _Specialiteit_ ...

_Excelsior, Excelsior_:

De roeping van den mens is _Mens_ te zyn.

NOTEN:

[1] Wel zeker! «_Hy is op die plaats de rechte man_» of: «_die_ plaats _is voor hem de rechte_.» Zóó zou zich iemand uitdrukken, wiens denkvermogen zich de weelde van eigen equipage kan veroorloven en dus niet met huurfrazen behoeft te ryden.

[2] «Ik weet het niet.»

[3] Een citaat is het, en wel 'n historisch. «_Ietoe andjieng belanda bakkelahi sama tahi_!» riepen de Jakartanen. By eigen ervaring weet ik dat de in dat verwyt gekenschetste nationale hebbelykheid nog altyd in volle kracht is blyven bestaan.

[4] Er zyn er nu 'n dozyn meer, maar gemakshalve zal ik ze _septuaginters_ blyven noemen. «Elf-en-dertigers» zou ook 'n goede benaming zyn.

[5] _Noot van_ 1878, Tot m'n verdriet voel ik me genoodzaakt deze bemoedigende premisse intetrekken. Gedurende de zes, zeven jaren die er sedert het schryven van dit werk verliepen, ben ik door nauwkeurig achtslaan op de verschynselen en ingespannen nadenken tot de overtuiging gekomen, dat onze scholen--lage, middelbare en hoogere--_inderdaad_ slecht zyn. De pas verschenen Onderwyswet--'n hoogst onvryzinnig-liberalistisch prul--zal de kroon zetten op 't spelletje van bederf, dat sedert jaren door ministers van allerlei wankleur, geholpen door kamerleden van gelyk allooi--liefst _Specialiteiten_!--in den Haag gespeeld werd.

[6] _Noot van_ 1878. Slechts zeer onopmerkzame lezers zullen _deze_ bemoediging voor iets anders dan ironie hebben gehouden. Als zoodanig slechts behoeft ze dan ook niet te worden ingetrokken. De toestand in Indië is erbarmelijk. De zaken gaan er zoo hard achteruit als 'n Fransche maarschalk loopen kan.

[7] _Noot van_ 1878. Het openlyk en loyaal _verkoopen_ van plaatsen in de Vertegenwoordiging van Stad of Land, _aan den meest-biedende,_ zou nog beter zyn. Voor dat stelsel laat zich veel aanvoeren, vooral wanneer men het beschouwt in tegenstelling met het _tegenwoordige_ dat even onzedelyk als onstaatkundig is.

[8] Historisch.

[9] Noot van 1878. De hier geleverde schetsjes van de werking der distriktskiezery stellen de zaak te gunstig voor. Ik geef daarin nog toe dat de kiezers _zeker voorwendsel_ zouden kunnen aanvoeren, waardoor hun keuze wel niet gerechtvaardigd, maar toch eenigszins verklaard wordt. In de werkelykheid echter meent men zelfs dat voorwendsel te kunnen missen. Niemand die de onlangs verschenen brochure van den heer Van Vloten: _Kiezersindrukken, te boek gesteld tot waarschuwing en opwekking van ieder naar ware vryzinnigheid strevend Nederlander_, aandachtig leest, zal durven beweren dat ik my te sterker uitdrukte, toen ik in m'n _Pruisen en Nederland_ zeide: «_wie 't oog slaat op de keukens waar de parlementspoppen gebakken worden, is er misselyk van_». Ook de t.z.p. aangehaalde woorden van LOUIS REYBAUD--den eerlyken en scherpzinnigen auteur van _Jerôme Paturot_--roep ik by dezen in 't geheugen van ieder die de publieke zaak met _gezond verstand_ en _goede trouw_ wil behandeld zien.

[10] Overal namelyk waar de toeschouwer zich niet juist op de loodlyn bevindt, die op 't midden van een der zyden valt, en. deze gunstige kans is oneindig-klein. Van alle andere punten gezien, is 't ding scheef. De specialiteit-bouwheer schynt niet geweten te hebben dat de ellipsvorm voor koepeldaken ongeschikt is.

[11] _Noot van_ 1878. Men beweert dat er in 't bouwontwerp van dat reusachtig «Volksvlytpaleis» niet op 'n trap gerekend was, en dit komt gelooflijk voor als men 't spiraaltje beschouwd dat nu als zoodanig moet dienst doen. De schuld zal aan de Grieken liggen, die verzuimd hebben ons voorbeelden van wenteltrappen in harmonie met 'n gebouw natelaten. Zoodra 'n specialiteit geen «modellen» vindt, staat hy met de handen verkeerd.

[12] «_Forsch_» vind ik voorgeschreven in 'n boekje van de letterspecialiteiten D.V. & T.W. Als superlatief pryzen die heeren «_forscht_» aan. Jongelui die by zulke handleidingen tot wèlschryven geen litterarische meesterstukken leveren, verdienen gesmoord te worden tusschen de drukproeven van 't _Woordenboek der Nederlandsche taal_.

[13] «We hebben gemeend» dat te moeten doen, staat er. _Gemeend_ ... wel verbazend! Zulke apenkool wordt met allen schyn van ernst door vakmannen opgedischt, en de onnoozele leek doet zonder protest z'n maal met die kost. Als ik my den tyd gunde, zou ik nog zotter staaltjes van specialiteiten-wysheid op dit gebied kunnen aanvoeren, o, in menigte.

[14] Uit schaamte voor de drukkery heb ik de vryheid genomen de woorden van den advokaat in 't Hollandsch overtezetten. _Hy_ drukte zich aldus uit:

«_En zeer zeker is het een aardige aanwyzing, werpt het een eigenaardige blik in het karakter van den beschuldigde, als men leest het inschrift_ ... enz.

Ziedaar 'n «het» dat «een blik werpt als men leest». We komen niet te weten wie die «het» is, en wat Z.Ed. werpt als men niet leest. Ter-schadeloosstelling voor deze gaping evenwel wordt ons hier--als men leest--gelegenheid geboden een niet-aardigen blik te werpen op de wèl-eigenaardige _onzuiverheid van uitdrukking_ die oorzaak, gevolg en kenmerk is van begripsverwarring en onzedelykheid (_Zie_ IDEE 692, _in de latere uitgaven_: 1057).

[15] Een dergelyk voorbeeld van verstandsverkrachting of misselyk hofmaken aan bygeloof, vindt de lezer in IDEE 606 (_nieuwe nummering_: 908) en onlangs vernamen wy uit de troonrede, dat we--onder 't «liberaal» ministerie-_Kappeyne_!--dit jaar (1878) zullen geregeerd worden «met Gods hulp.» Mag ik den heer Kappeyne doen opmerken, dat die God 'n landverrader is? Om nu van z'n intieme relatien met _zeer veel_ Buitenlandsche Mogendheden niet te spreken, is het 'n uitgemaakte zaak dat hy in byzonder-vriendschappelyke verstandhouding staat met de Atchinezen, een volkje dat hem fanatiek vereert en zich brutaal durft beroepen op zyn bescherming.

[16] Bij de behandeling dezer zaak heb ik gebruik gemaakt van het werkje: «_Rechtsgeding tegen_ HENDRIK JACOBUS JUT _en zyne huisvrouw_ CHRISTINA GOEDVOLK _beschuldigd_ ... enz. _door_ B. DE VRIES. _sGravenhage by_ H.C. SUSAN, C.H. ZOON, 1876». 't Is me niet bewust dat de delinkwenten--ik bedoel hier de moordenaars niet--tegen den inhoud van dat boekje geprotesteerd hebben, en ik meen dus me daaraan te moeten houden. Mochten de heeren rechtenmeesters die zich verbeelden JUT en KRISTIEN verdedigd te hebben, ontevreden zyn met m'n oordeel over hun arbeid, ik ben niet ongenegen tot nadere toelichting. De stof is rijk.

[17] Over DE VLETTER heb ik roerende mededeelingen te doen, die in de _Noten en Toelichtingen_ zullen worden opgenomen zoodra de staat myner gezondheid me zal toelaten die gereed te maken voor de pers. Ik bezocht den armen man herhaaldelyk in de gevangenis te 's Gravenhage, en ontying vele brieven van hem uit het tuchthuis. Zyn veroordeeling was 'n misdaad.

[18] _Quia triumviralie supplicio adfici virginem inauditum habebatur_ zegt die geschiedschryver. (_Annales V. cap. 9_)

[19] De lezer sla eens IDEE 279 op. Hy zal in dat nummer 'n aardig staal vinden van akademisch-geleerde rechtskrankzinnigheid.

[20] Ik kende het woord _Actuaire_ niet, en heb 't opgezocht in LITTRÉ, die 't dan ook 'n _néologisme_ noemt en 't eerst in z'n _Supplément_ heeft opgenomen. Ziehier wat hy er van zegt: «_mathématicien chargé de contrôler d'après le calcul des probabilités les bases des contrats viagers ou d'assurances_». Men ziet alzoo dat de beteekenis van 't woord _Actuaire_ louter konventioneel is. Iets anders moet men dan ook niet zoeken by LITTRÉ, 'n specialiteit--in Fransche onwetendheid--op 't gebied van etymologie en algemeene taalkennis.

[21] Vgl. in den IIIn bundel IDEEN, de nummers die over kunst en kritiek handelen.

[22] «_Als de schoone Amalia uit haar bedwelming ontwaakt, is de bekoorlyke Emilia neergezegen_» enz. Er zijn meer dergelyke oud-nieuwe snufjes in omloop, waarover bygelegenheid 'n woordje.

[23] Ik had hier honderd andere veldheeren kunnen noemen. De krygsgeschiedenis is er vol van. De specialiteit van dien MAURITS was: _door brandschatten en plunderen z'n beurs te spekken_. En daar SPINOLA hem hierin niet te-keer ging, mag men 't er voor houden dat die twee specialiteiten in krygskunde tot hetzelfde gild behoorden. Het wordt tyd dat men de «_Geschiedenis_» eens bestudeere in àndere werken dan onze schoolboekjes, specialiteiten gewoonlyk in chauvinistische vervalsching!

[24] IDEEN, _bundel_ II, _vyfde druk, blz_. 59.

[25] IDEE 322.

[26] Zie nummer 19 der Noten in de laatste uitgaaf van den _Max Havelaar_.

[27] Ik spreek hier nog niet eens van de armzalige rol die de specialiteiten van politie en justitie in deze zaak hebben gespeeld voor zy de ware schuldigen ontdekten en in hechtenis namen. De daarin tentoon-gespreide onbekwaamheid gaat in 't ongeloofelyke over!

[28] Een koddig staal van dien advokatenbluf vindt men in BILDERDIJK'S brief aan juffrouw WOESTHOYEN, van 22 April 1784. _(Bilderdyks Eerste Huwelyk_, enz. _Leiden by E. J. Brill_.)

[29] Zie de parabel van den bruggeman in IDEE 340.

[30] De aangehaalde zinsneden zyn ontleend aan 'n allerzotst artikel in _Eigen Haard_, waarin de schryver zich verbeelt den heer GOUDSMIT 'n eerzuil te stichten. De achtenswaardige man zal er niet mee ingenomen zyn. Komiek-onhandig is de verwaandheid waarmee die christelyke jurist den heer GOUDSMIT wel vergeven wil dat-i maar 'n Israëliet is. Het model van dien flater zal zeker uit de pandekten gehaald zyn, maar _elegantie_ is wat ànders, dunkt me.

[31] Zie de parabel van de pasteibakkers in nummer 453 van de IDEEN.

[32] By-gelegenheid 'n schoofje stalen van de ontwikkeling die de heer HUET aan de wondervolle werking van het door hem uitgevonden «instrument» te danken heeft. Ik zal dat niet dan met weerzin leveren, maar nu eenmaal in m'n VIn bundel IDEEN 't ongeluk gehad hebbende z'n _kritische methode_ aantepryzen--in-tegenstelling namelyk van 't gebruikelyke ongemotiveerd mooi-of leelyk-vinden--moet ik me waarborgen tegen de verdenking dat ik party-trek voor z'n _taal_, z'n _wyze van uitdrukking_, z'n _betoogtrant_, z'n meeningen over _Kunst, Letterkunde, Moraal, Poëzie_ en ... meer nog, helaas, al noemde ik veel. Het meeste werk dat de heer HUET in den laatsten tyd geleverd heeft, is kopie _for the million_, en zelfs als zoodanig vry slecht.

[33] Zie de polemiek over VAN HAREN, en vgl. IDEEN II, 5e _dr. blz_. 11.

[34] Ik zag hem voor 'n twaalftal jaren. 't Is te hopen dat de arme krankzinnige overleden zy. Doch ook in dat geval zullen vele inwoners van Delft en 's Hage de zaak kunnen bevestigen. Voor 'n aalmoes of 'n stuk brood dankte hy trappelend en brieschend. Snyender satire op 't specialiteiten-systeem is niet denkbaar.