Specialiteiten

Part 13

Chapter 13 3,581 words Public domain Markdown

Is 't met ons _Rechtswezen_ beter gesteld! Ik heb gezegd my te zullen verantwoorden over de ruimte die dat treurig onderwerp hier inneemt. Helaas, 't _moet_ wel! Zou 't ons niet vergund zijn, lezer, by mangel aan speciale kennis van de «Rechten»--ongelukkigen die we zyn!--aanmerking te maken op vonnissen waarin onhandigheid en onkunde worden aangenomen als verontschuldiging van poging tot moord? Moet men dan juist «Meester» in allerlei _soorten_ van «Recht» wezen, om zulk _Onrecht_ bespottelyk en infaam te vinden? En de dwaasheden die in de zaak van 't echtpaar JUT werden ter-markt gebracht[27] moeten ze voor extrakt van wysheid worden gehouden door ieder die niet de eer heeft «_jurist_» te zyn? Maar, eilieve, 't zijn immers juist _juristen_ van wie al die zotterny uitging, en 't is waarlyk niet van hèn te verwachten dat zy de afschuwelyke verbastering van rechtsbegrippen waartoe hun speciaalstudie geleid heeft, zullen erkennen, gispen en brandmerken, veel minder nog dat zy de hand zullen uitstrekken tot genezing eener kwaal waarmee ze zyn opgegroeid, en die ze lief kregen als bron van aanzien en welvaart. Het verzet _moet_ immers wel uitgaan van den leek, van den opmerkzamen, niet tot scheefzien afgerichten beschouwer die ongaarne gevaar loopt z'n dierste belangen overgeleverd te zien aan de beslissing van mannen uit dezelfde school als waaruit rechters voortkwamen die zulke vonnissen begingen, advokaten die zich schuldig maakten aan zulke pleitery? Hoe kan 'n burger van den Staat vertrouwen stellen in de toegezegde veiligheid van personen en goederen, wanneer hy dagelyks 't oordeel over _Recht_ en _Onrecht_ ziet opdragen aan personen, wier rechtsgevoel tot in 't monsterachtige werd verwrongen door zeer speciale studien in ongerymdheid? Welken grond heeft de bewering der advokaten, dat ze verdedigers zijn van «_weduwen en wezen_,» van «_verdrukte onschuld_» enz.,[28] wanneer elke verdrukte weduw of wees, die in rechten wordt aangevallen, haar bespringers dapper ziet bystaan door ... 'n advokaat? Welke slotsom moeten we halen uit de opmerking dat we na sedert drie eeuwen leerstoelen voor studie in de «Rechten» te hebben gehad, nog altyd niet in 't bezit zyn van 'n oorspronkelyk-inheemsch, met den aard en de behoeften des Volks overeenstemmend _Wetboek_? Dat het _uitleggen_ van de Wet--die helder als kristal wezen moest!--'n winstgevend beroep is?[29] Wat hebben we van die uitlegging te verwachten, wanneer de jongelui die als volleerde «juristen» aan de Maatschappy worden afgeleverd, zich maar zeer zelden duidelyk en korrekt weten uittedrukken? Taal en styl van onze rechtsmannen zyn gewoonlyk ellendig, en ver beneden 't peil waarop 'n hulponderwyzer behoort te staan om geen gek figuur te maken by z'n kollegaas of zelfs in de school. Men meene toch niet dat dit byzaak is. Het kan niet te dikwyls herhaald worden dat zuiverheid van uitdrukkingen--ook vooral omdat daartoe veel arbeid vereischt wordt--'n kenmerk is van moraliteit. Wie zich niet bekommert over de _juistheid van 'n woord_, geeft blyk van onverschilligheid voor de _zuiverheid zyner denkbeelden_, en neemt het dus niet zeer nauw in 't onderscheiden van goed en kwaad. In dit opzicht vooral is 't poëtiek samenvatten van schynbaar ongelyksoortige gegevens van toepassing, dat ik (blz.106, 107) (hoofdstuk MVIII, n. v. tr.) als hulpmiddel tot ontwikkeling van ware zedelykheidsbegrippen voorstelde. «_De taal is gansch het Volk_» is er gezegd. Wel zeker! De geheele _Mens_ kan beoordeeld worden naar de moeite die hy zich geeft om z'n woorden tot den zuiveren spiegel zyner gedachten te maken, en deze opmerking dwingt ons tot medelyden met ieder over wiens wel of wee door mannen van de _Wet_ moet beslist worden, tot deernis vooral met «_Weduwen en Weezen_» die beklemd raakten onder de bescherming van zekere advokaten. Rechtbanken, parket en pleitbezorgers ... komen, om niet alleen te staan met m'n ongunstige meening over die specialiteiten, wil ik ditmaal eens m'n opinie behandelen als 'n verdrukte weduw. Ik stel haar onder bescherming van wetmannen, van ... alle advokaten die ooit 'n proces verloren, van alle publieke-ministerien die zich door pleiters en rechtbanken behandeld zagen als 'n overvragend marktwyf. Hoe is 't oordeel van _die_ heeren over de rechtbank die maar niet tot besef te brengen was van 't «Recht» dat zy verdedigden, van de gegrondheid hunner «_Eischen_?» Welken indruk maakt het op den advokaat die by A of B zweert--de man méént het, want hy zegt er uitdrukkelyk by dat-i dezen keer eens geen «praatje» verkoopt--wat heeft hy te denken van de Rechtenkennis--en de eerlykheid!--zyns tegenstanders die z'n leven te-pand geeft--liever: z'n advokateneer: niemand moet meer wagen dan-i zonder schade missen kan!--voor de gegrondheid zyner meening dat de zaak in kwestie X, Y of Z heet? Ook die tegenstander houdt zich niet met «praatjes» op--godbewaarme!--en van weerskanten is de goede trouw van den _geachten confrère_ boven allen twijfel verheven. Ligt de schuld dan aan den rechtsprofessor die--in oogenblikken van Romeinsche distraktie, zeker--meer dan één «Recht» tegelyk gedoceerd heeft? Of had misschien een der advokaten z'n studien gemaakt vóór, en de ander nà de dagen toen de:

«doode kennis (?) van de uitspraken van het Romeinsche Recht vervangen was door de herleving van de Romeinsche methode van rechtsvorming en rechtsbeoefening, en toen het niet alleen de vraag werd wat recht is geworden, maar inzonderheid hoe het recht ontstaan is?»

Volgens het stuk, waaraan deze aanhaling ontleend is, worden sedert eenigen tyd--juicht, verdrukte weduwen!--de leerlingen in rechtskennis niet meer gevormd:

«naar het model van oude elegante rechtsgeleerden, die er hun werk van maakten om de rechtregels van hun tyd door geleerde aanhalingen, door byzonderheden uit de Latynsche schryvers op te sieren, zonder over 't wezen der zaak iets meer licht te verspreiden.»

Er schynen alzoo volgens den schryver van die regelen--in vroeger tyd natuurlyk!--inderdaad rechtsgeleerden geweest te zyn die geen licht verspreidden. Wel jammer dan van al de studien dien ze ten-koste legden aan duisterheid. En niet heel aangenaam ook voor kliënten die er weleens belang by hadden dat hun zaak tot helderheid werd gebracht, en daarvoor betaalden. Gelukkig echter dat men van methode veranderd is! Die heuchelyke ommekeer heeft plaats gehad ... niet by de stichting van Rome, lezer. Ook niet by de oprichting der Leidsche akademie, maar ... weinig jaren geleden eerst, en wel by de benoeming van den heer GOUDSMIT tot hoogleeraar. We moeten dus aannemen dat de duizenden juristen welke onder 'n vroeger gehuldigd stelsel werden uitgebroeid, zich met «doode kennis» behielpen en hun verdrukte weduwen in 't donker lieten zitten. Thans evenwel, na dien heuchelyken ommekeer, onderzoekt men ... _wat Recht is_, meent ge? Eisch toch 't onmogelyke niet, onbescheiden leek! Men zal voortaan onderzoeken «hoe 't Recht _geworden_ is»--wel verbazend!--«en hoe de Romeinen ... maar genoeg daarvan.[30] We waren bezig met die twee advokaten wier «studien» misschien dagteekenden van zóó onderscheiden tydperken dat ze tweeerlei begrip opdeden van _Recht_ tweeerlei sleur van rechtspraktyk. De een gebruikt «elegantie» met «doode kennis» terwyl de ander volgens de nieuwe methode zich liever bezighoudt met ... met ... wie zal ons zeggen waarmee! Ik kan er waarachtig niet uit wys worden! En dit behoeft ook niet, als we maar inzien dat die twee heeren niet zeer veel méér eerbied dan _ik_ kunnen hebben voor elkanders juridische rechtgeloovigheid en dus kostbare getuigen zyn in m'n aanklacht tegen het «vak» dat zy _als specialiteiten_ vertegenwoordigen. De advokaat die 't zeldzaam voorrecht genoot _ridderlykheid_ in JUT te ontdekken, moet woedend zyn over 't lasterlyk vonnis waarin z'n held wordt uitgemaakt voor 'n tuchthuisboef. En--nòg meer bondgenooten!--de rechters die KRISTIEN niet beminnelyk genoeg keurden om de Maatschappy langer door haar tegenwoordigheid te versieren, kunnen onmogelyk gunstig oordeelen over de bekwaamheid--of de integriteit?--van den advokaat wiens advies luidde dat men die dame met rust moest laten.

* * * * *

Voor heden goddank genoeg van de juristery, schoon 't onderwerp ver van uitgeput is. M'n verantwoording over de onevenredig-groote plaats die ik aan dat onderwerp inruimde, ligt in de uitgebreidheid en 't gevaarlyke van de kwaal. Ik moest den lezer opwekken en den weg wyzen tot het berekenen der gevolgen die ze na zich sleept. Hy houde daarby vooral in 't oog dat de onzedelyke verwringing van rechtsgevoel die door de hier behandelde specialiteiten _fachmässig_ beoefend wordt, zich geenszins tot eigenlyk-gezegde rechtszaken bepaalt. De zieke dringt ongehinderd, jazelfs onder bescherming van 'n gunstig vooroordeel _tot schade van allen_, in Lands-en Stadsbestuur door. Niet het minst, helaas, strekt ze ten-verderve van 't zoo misdadig-verslonst INSULINDE! Door kooplieden, zeelui en krygsvolk werd het gewonnen ... door advokatery zal 't voor Nederland verloren gaan: de Van Twisten hebben eer van hun werk! Parasieten van die soort nemen alle eereplaatsen in, matigen zich alles aan, voeren overal 't hoogste woord, dringen zich overal op, maken zich van alles meester. Het wemelt in alle vergaderingen en korporatien van juridische beunhazen in _bitjara kossoeng_, die maar al te gemakkelyk met hun «Romeinen» en hun «elegantie»--och arm!--toehoorders en _Volk_ in den waan brengen dat zy iets degelyks te-koop veilen. Het algemeen belang, altyd samengaande met _ware_ zedelykheid, eischt dat daaraan 'n eind kome, of althans dat er perken worden gesteld aan 't dóór-kankeren eener kwaal welker naam aldus geschreven wordt: specialiteit in 't prostitueeren van _Waarheid Recht, en ... Volksbelang!_

Mochten wellicht sommige advokaten met dit hoofdstuk niet tevreden zyn, ik smeek om een genadig vonnis. De heeren gelieven te bedenken dat ik nooit in doode kennis studeerde, en dus wel beschouwd het rechte verstand niet hebben kan van een vak dat sedert de benoeming van den heer GOUDSMIT zoo loffelyk achteruitging in Romeinsche elelantie.

MXIII.

Sommigen zullen 't misschien vreemd vinden dat ik tot-nog-toe één soort van specialiteiten met stilzwygen voorbyging, die meer dan alle anderen een nadeeligen invloed uitoefenen op de geheele Maatschappy. Ik bedoel de mannen die 't precies-weten van de dingen welke zyzelf erkennen niet te begrypen, tot hun «vak» kozen, de specialiteiten van 't «Geloof.» Het kwam me voor, dat ik ditmaal die heeren mocht overslaan, gedeeltelyk omdat ik op zoo véél plaatsen van m'n werken op 't schadelyke van hun invloed gewezen heb, doch hoofdzakelyk omdat de eigenaardige kleur der godkundige bespiegelingen zóó heeft afgeverfd op het denkvermogen van de menigte, dat men stiptgenomen--en vooral met het oog op de definitie die bladz. 19 (hfdst. I, n. v.d. tr.) versiert--de verkondigers van goddelyke dingen niet onder de rubriek _Specialiteiten_ rangschikken mag. Wat 'n professor of doctor in de H. Theologie eigenlyk leeraart, is my 'n raadsel. Zyn niet al z'n hoorders even goed als hyzelf doorkneed in de dingen die hy te vertellen heeft? Zóó meende ik altyd, en de kornuitjes van juffrouw LAPS die zich niet ontzien hun dominees duchtig op de vingers te tikken, zyn gewis van myn gevoelen. Wel verneem ik nu-en-dan dat er ... 'n nieuw licht ontstoken wordt, waarmee men de donkere mysterien zal helder maken die sedert de «Openbaring» schitterden van duidelykheid (_zie_ byv. IDEE 271) maar iets _nieuws_, iets _ongekends_ kan toch, denkt me, niet geleverd worden op 'n gebied waar men den gewonen sterveling z'n wuftheid verwyt, noch in 'n wetenschap--noem ik 't goed? --die zich tot taak stelt den wispelturigen wereldmens van die fouten te genezen. God, Christus, Onsterfelykheid staan als rotsen.

Het «Geloof» in die rotsen is ... 'n rots. Eilieve, wat valt er nu verder op al die rotsen te ploegen, te eggen, te zaaien en te wieden? Zonder al dien arbeid immers--en dit is juist de prettige eigenschap van 'n behoorlyken rotsgrond--zal de oogst, om me nu eens heel matig uittedrukken, wonderbaarlyk groot zyn. Waarom dan zich zooveel moeite getroost om dien edelmoedigen bodem omtespitten, te bemesten, te omheinen? Ik mag 'n rots worden als ik 't begryp. Maar deze onvolkomenheid van myn denkvermogen verandert niets aan de waarheid dat de Opzichters over 't onnoodig gewurm waaraan zoo véler handen meewerken, niet behooren tot de rubriek _Specialiteiten_ die ik me voorstelde in dezen bundel te behandelen. Veeleer zouden de suppoosten der goddienery aanspraak kunnen maken op 'n monografie in 'n werk dat aan 't behandelen van _algemeene_ volksdeugden gewyd was, en waarin we dan tevens 'n behoorlyke statistiek van 't jeneververbruik zouden aantreffen, en jubelzangen over de vlucht die de industrie der vervalsching van levensmiddelen met Gods hulp in onze dagen genomen heeft.

Ik erken dat deze opmerking niet van stipte toepassing is op de katholieke geestelyken die meer onmiddellyk--men zou byna zeggen: met meer rondborstigheid--het standpunt innemen waarvan zy de heidensche priesters verdreven. De uitsluitende eigenaardigheid van hun werkkring en bevoegdheid, de kracht van hun invloed bovenal, stempelen die heeren inderdaad tot _specialiteiten_, tot meer dan dat: tot 'n _kaste_. Doch juist hierom zou 't behandelen van dat zeer byzonder standpunt òf ontaarden in 'n gewone of huis-fysiologie vol brandstapels, gifmengende monniken, verkrachte nonnen van beiderlei geslacht, en dergelyke kloosterplechtigheden meer, òf uitdyen tot beschouwingen die voor m'n tegenwoordig kader te breed zyn. Ik behandel in deze studien --en nog maar voornamelyk met het oog op onzen tyd--_maatschappelyke_ toestanden, geenszins zaken van algemeen historisch gewicht. Wie 't woord «pastoor» of «R.C. Priester» uitspreekt, heeft _katholicismus_ gezegd, d.i. hy noemde een der merkwaardigste verschynselen in de wereldgeschiedenis. Zooiets behoort niet tehuis in 'n werkje waarin de schryver zich den tyd gunde over professers in de dubbele-_e_-kunde te lachen.

Na 't oversteken van die breede Westerschelde, ben ik wel genoodzaakt op z'n staart te trappen. Ik mag namelyk niet onopgemerkt laten dat er sedert eenige tientallen een nieuwe soort van specialiteiten is opgestaan, die ... die ... hoe zal ik ze noemen? Ik bedoel de gewezen dominees die overgingen in de schryvery. Hun arbeid blyft rieken naar den kansel, alsof ze betaald werden voor 't wáármaken der Latynsche spreuk over den eenmaal van zeker geurtje doortrokken pot. Zalf laat zich nooit gewillig onbetuigd, en wie haar in deze specifiek-theologische hebbelykheid tegenwerkt, ziet z'n pogingen verydeld juist door de middelen die hy aanwendde om den verraderlyken pot te reinigen. De meest gebruikelyke remedien zyn gemaakte fermeteit, nagebootste flinkheid, linksche jacht op iets ondeftigs, alles overgoten met 'n sausje van zoeterig-vieze gemoedelykheid--liefst in _Wandsbecker-Bote_-manier, of iets van dien aard als 't maar terdege _namaak_ is--waardoor slechts onnoozelen zich laten foppen, 't geen nu juist niet zeggen wil dat het publiek van die heeren byzonder klein is. Wel mogen wy 't er voor houden dat O.L. Heer aan den afval van de meesten niet veel verloren heeft, doch hierin ligt maar 'n schrale troost by de bedenking hoe weinig er aan den anderen kant door de _Letteren, Beschaving_ en _Zedelykheid_ aan die overloopers werd gewonnen. Uitzonderingen bestaan er ongetwyfeld, maar _typisch_ gesproken is 't geschryf van de meesten 'n onsmakelyk kostje: _servat odorem_!

Voor ik van dit onaangenaam onderwerp afstap, 'n kleine opmerking ten-behoeve van 't nobele _suum cuique_. We hebben hier te doen met personen die met en door «God» zich 'n redelyk plaatsjen in de Maatschappy wisten te veroveren, en daarvan wel eens gebruik maakten om de arme drommels aan wie hun God zich niet had gelieven te openbaren, uittemaken voor slecht volk. Naar de mode van den tyd lieten zy, zoodra 't met hun belang kon worden overeengebracht, dien God varen, en langs meer of min omwegen--altyd zooveel slagen om den arm houdende als maar eenigszins mogelyk was[31]--namen ze dienst onder de vrydenkers. Hun vroegere meeningen? Wel, ze waren tot beter inzicht gekomen. Dit kan waar zijn. Maar zyn ze dan niet vòòr alles eenig herstel van eer schuldig aan de mannen die zy gedurende hun theologische loopbaan verketterden en uitscholden? Aan de mannen die dan toch blyk gaven van helderder inzicht, van eerlykheid en moed, toen _zy_ nog in hun vermolmde preekkasten stonden te zwetsen op de alleen-zaligmakende kracht van hun leer? Dit zou billyk zyn, dunkt me, en 't gebeurt dus niet. Men moet zich schikken. Maar nu van een hunner te vernemen--lach niet, lezer! dat «_geen enkele vorm van studie, als instrument (?) tot veelzydige ontwikkeling, de aan alle talen rakende (?) de wysbegeerte (!) en geschiedenis (?) in zich opnemende (?) vry (?) beoefende theologie_» overtreft, dat gaat de schreef van 't verdragelyke voorby: Ik protesteer!

In die twee laatste woorden vat ik voorloopig samen wat verontwaardiging over de onbeschaamde reklame van den gewezen theologant BUSKEN HUET my in de pen gaf. _Mr. Josse_ heeft zich verhangen uit spyt zich zoo voorbygestreefd te zien. Toch moet ik erkennen dat m'n bydrage tot karakterizeering der schryvery van gewezen dominees juist op het werk van den heer HUET-zelf het minst van toepassing is. Wat _hy_ uit den preekstoel meenam, draagt voorzeker 'n geheel anderen naam dan zalf of balsem, en verspreidt 'n byzonder-_persoonlyken_ geur. Ik zou me dan ook wel gewacht hebben z'n naam te noemen--daar ik _wanbegrippen_ en geen _individuen_ bestryd--indien hy me hiertoe niet had gedwongen door die brutale ophemelary van z'n kollegaas in godgewezenheid. Die kermisbluf mocht niet onbestreden blyven--niet onaangeroerd althans--in 'n werkje dat tegen den verkeerden invloed van zekere _specialiteiten_ waarschuwt.[32]

Het bestryden van alle verkeerdheden waaronder we gebukt gaan door 't blindstaren op 'n bepaald punt, gaat m'n bestek tebuiten. Zoowel in belangryke als in meer dagelyksche zaken stuiten we telkens op de hoofdigheid en bekrompenheid van speciaal-mensen. Wie zich niet voldoende ergert aan de tevredenheid van 'n apteker over 't groot aantal zieken, kan tot oplettendheid worden gespoord door 't zuurkyken van de huismeid die 't zeer ongepast vindt dat er bezoek komt nadat zy zoo-even den gang heeft geboend. Men had háár specialiteit--waarin de stumpert 'n instrument tot veelzydige ontwikkeling meent te zien--moeten eerbiedigen, pruilt zy, en ze vindt 'n lydensgenoot in 't Raadslid dat te-vergeefs 'n aangewaaid dilettantisme scheikundig trachtte te verbinden aan z'n slecht begrepen roeping als schoolopziener. Door slordigheid en onbekwaamheid geeft de werkman schyn van billykheid aan de wreede terugzetting, waarover hy--overigens dikwyls ten-rechte--zoo bitter klaagt. Hyzelf verstaat z'n vak evenmin als de plichtvergeten volksvertegenwoordiger die den toestand van den arbeider geen aandacht waard keurt. Krantenfabrikeurs wedyveren met leveranciers van vervalschte levensmiddelen in 't bedriegen van hun publiek. «Moralisten»--zoo noemen zich die heeren--geven aanhoudend blyk van de vuilste onzedelykheid door 't kwajongensachtig uitpluizen en nasnuffelen van alkoofgeschiedenissen.[33] De geschiedkundige yvert voor SPARTAKUS, maar glimlacht minachtend als men hem spreekt van den boerenkryg ... die voor de deur staat. Ginds hooren wy een zanger ... zingen. Dit zy zoo, mits hy zich van spreken onthoude. O gewis, de denker schept beelden uit klank, maar uitsluitende beoefening der toonkunst bederft het denkvermogen. Elders zien wy 'n schoolmeester die meent dat de jongeluî trouwen om hèm leerlingen te bezorgen. De diplomaat, de staatsdienaar ...

_Hem is de Staat_ zyn _zetel_, zyn _carrière, Een speelplaats voor de heeren van het hof_, Een draaibank van fortuintjes. Een fabriek Van Neurenberger eerzuchi-duikelaars_ ...

Wie na dit alles nog niet overtuigd is van de noodlottige gevolgen dier eenzydigheid, trachte den stumpert te zien te krygen, die tusschen den Haag en Delft «levenslang» schuiten door de vaart trok. Alsof de natuur der dingen ons waarschuwen wilde door 'n vreeselyk en luidsprekend voorbeeld der gevolgen van 't specialismus: die man is paard geworden, hy _hinnikt_![34]

Hinneken nu, doen onze staatslieden, schoolmeesters, advokaten en broodbakkers niet. Zelfs in hun speciaalvak brachten ze 't niet zóó ver als die species _equus_ van 't genus _homo sapiens_. Des te erger! Ze zyn in hun halve krankzinnigheid minder oprecht dan dat tweebeenig trekdier in z'n volslagen razerny en, laten ons in den gevaarlyken waan dat wy te-doen hebben met _mensen_.

* * * * *

De lezer kan uit IDEE 269 weten dat ik me gewoonlyk onthoud van 'n professoraal _fabula docet_. Ik laat liever het opmaken der slotsom over aan hemzelf.

Het kan evenwel ditmaal noodig zyn, zoo-al geen _koncluzie_ te geven, dan toch iets als handleiding tot het samenvoegen en vaststrikken der divergeerende draden van m'n betoog. Het uiteenloopende myner bewysvoering, en de schynbare afwykingen die ik me veroorlooven ... _moest_, om natuurlyk te zyn, geven misschien tot die behoefte aanleiding.

Om alzoo den knoop toetehalen, het komt me voor dat we 't onderzoek naar de waarde der _specialiteiten_ kunnen splitsen in twee hoofdvragen?

1. _Welk gebruik moet de Maatschappy van hen maken?_ 2. _Hoe werkt het specialismus op de waarde van den individu?_

Tot het beantwoorden der eerste vraag ligt aanleiding in de vraag-zelf. Hoe men specialiteiten behoort te gebruiken? De Maatschappy moet hen _gebruiken_ d.i. zy stelle ze _niet aan haar hoofd_. De specialiteit is _ambachtsman_ die 't bestelde vervaardigt, maar geen stem heeft in 't bestellen. Hy levere z'n vakkennis waar die gevorderd wordt. Aan anderen blyve de beoordeeling in-hoeverre het geleverde bruikbaar is, en hoe 't moet worden aangewend. Een specialiteit zy als de _expert_ voor 'n rechtbank. Hy legt, zonder zich om gevolgen of strekking te bekommeren, z'n verklaring af omtrent de byzondere zaak die hem werd opgedragen, en waarvan hy verondersteld wordt--dikwyls 'n fiktie! --verstand te hebben. Wil hy de grens zyner bevoegdheid overschryden en zich bemoeien met de toepassing van z'n expertise op 't proces, dan verwyst hem de Voorzitter naar z'n _vak_ en naar de _speciale_ taak waartoe hy geroepen werd. In deze schynbare terugzetting ligt niets vernederends. Wie inderdaad in eenig vak uitmunt, stelt zich met de erkenning van die uitstekendheid tevreden, maar zou 't zelfs onaangenaam vinden, indien men hem wilde gebruiken tot iets anders. Hy bezit in _zyn_ specialiteit den meestergraad, of streeft daarnaar, en wil zich dus niet laten aanwerven als leerling in anderen werkkring. Dikwyls zelfs pronkt hy met z'n onbedrevenheid in zaken van algemeen belang, om te doen in 't oog vallen hoever hy 't in zyn byzonder streven gebracht heeft. «Van de dingen aan-wal heb ik geen verstand!» beduidt dan: ik ben 'n flink zeeman. «Met zulke belangen hield ik me nooit bezig» kan beteekenen: ik ben door-en-door soldaat. «Die wereldsche zaken liggen buiten m'n bemoeienis» zal wel zooveel willen zeggen als: ik voel me perfekt thuis in den hemel. Enz.

Dat het beoefenen van 'n bepaald vak niet volstrekt de bruikbaarheid tot iets anders uitsluit spreekt vanzelf, vooral waar zoodanig vak slechts _beroep_ is, _middel van bestaan_. Doch dan houdt het specialismus op. Ik, byv. ben geen specialiteit in schryvery, godbewaarme! SPINOZA was 't niet in brillenslypen, al sleep hy brillen om zich in 't leven te houden. In zulke gevallen is 't bedryf dat men uitoefent, geen levensinrichting, en dus juist _afwyking_ van de specialiteit der persoon.