Part 12
Wat het eerste punt betreft, moet men zich tevreden stellen met de opinie van de _meerderheid_, en er zou _iets_ gewonnen zyn, indien daaromtrent zekerheid te bekomen was. Ik zeg: _iets_, want véél was 't niet. De waarde van x/2+a-(x/2-a) kan zeer gering wezen, en de heele goddelykheid van den volksstem moest dan in die onnoozele _2a_ gezocht worden, die by 'n oneven getal stemmen nog kunnen dalen tot de helft van die waarde, zegge: tot één persoon. Herhaaldelyk wees ik op 't fiktieve van deze methode. Maar ze is nog gebrekkiger dan uit _deze_ redeneering schynt voorttevloeien. Zeer dikwyls namelyk wordt de stem van God tot iets als x/2-a - (x/2+a)en alzoo tot _negatieve_ waarde teruggebracht, omdat het zuiver byeenbrengen van de stemmen 'n onmogelykheid is. We hebben hier alzoo te doen met fiktie _in_ fiktie. Eerst moeten we ons de gewaagde veronderstelling getroosten dat _vier_ mensen meer verstand hebben dan _drie_, om later in twyfel te geraken of we ons _in_ die onjuiste schatting nog verteld hebben bovendien, zoodat zelfs onze konklusie ook dàn zou te-kort schieten als we, 't vechten eens _niet_ overslaande (IDEE 7) haar lieten afhangen van ruw geweld. Ik stem toe dat zoodanige vergissing niet voorkomt in zeer eenvoudige gevallen die zich oplossen in 'n opiniestryd over slechts _twee_ mogelykheden. Maar in de zaken die we behandelen, is dit nooit het geval. De volksmeening is altyd gesplitst in partyen, groepen en onderverdeelingen, waarvan het aantal schakeeringen dat der individuen vry naby komt. De _meerderheid_ waaraan we goddelyke eerbewyzen, bestaat alzoo nooit uit de grootste helft van 't gegeven aantal stemmers, maar God moet zich vergenoegen vereenzelvigd te worden met de minst kleine van de breuken waarin dat getal verbrokkeld is, en dus ook dan wanneer die breuk op verre na de som der overigen niet bereikt. De zaak komt hier neer op de ongerymdheid dat 1/10 meer gewicht op de schaal brengt dan allerlei breuken met hooger noemer, die te zamen 9/10 bedragen. Wanneer _een-en-twintig_ personen 'n keus te doen hebben tusschen _twintig_ opinien, dan moet noodwendig één van die opinien worden aangekleefd door minstens twee personen. Deze _twee_ vormen alsdan 'n meerderheid tegenover de negentien anderen, in-geval deze negentien over de overschietende meeningen gelykelyk verdeeld waren. In zoo'n geval zou Gods wil slechts voor 2/21 door den wil des Volks zyn uitgedrukt, en de Duivel zou zich in de nogal aanzienlyke meerderheid van 19/21 te verheugen hebben.
En by dat alles lieten we nu nog de zonderlinge rekenfout buiten spel, die ik meen voldoende toegelicht te hebben in den eersten bundel myner IDEEN. (121 en 133).
De uitvinding van 't zoeken naar «volstrekte meerderheid» by herstemming, levert 'n nieuwe fiktie, nieuwe ongerymdheid. Om de verbrokkeling van stemmen tegen-tegaan, en den schyn te leveren alsof we werkelyk met 'n meerderheid te doen hadden, wordt het aantal meeningen waarover beslist moet worden, ingekrompen tot twee mogelykheden. Deze methode kan leiden tot verschynselen als die welker ongerymdheid in 't hier volgend voorbeeld wordt gekenschetst. Gesteld dat twintig personen te kiezen hebben tusschen twee-en-twintig opinien, en dat twee dezer opinien respektievelyk door twee personen worden voorgestaan, dan blyven er achttien personen over wier meeningen over de resteerende achttien mogelykheden kunnen verdeeld zyn. Dewyl er in dit geval niet verkregen is wat men heeft gelieven te doopen met den naam van «volstrekte meerderheid» dwingt men die achttien stemmers party te kiezen voor een der beide meeningen die zich in twee aanhangers mochten verheugen. Van waarheid en juistheid is hier alzoo weer geen spraak. De achttien slachtoffers hunner verdeeldheid worden gedwongen tot medeplichtigheid aan leugen, en de uitslag der stemming die straks zal worden verkondigd is 'n onvervalschte naklank van 't wetgevend onweer op Sinaï, was niets dan 'n armzalig _faute de mieux_. Wie de meening _x, y_ of _z_ van ganscher harte is toegedaan, werd gedwongen 'n keus te doen tusschen _a_ en _b_, al ware het ook dat z'n inzichten op staatkundig of godsdienstig gebied hem voorschreven de eerste letters van 't alfabet teverafschuwen. Hy mocht niet stryden voor wat hem voorkwam goed te zyn, maar moet z'n invloed besteden aan de bevordering van iets dat-i voor verkeerd houdt, om in 's hemelsnaam te ontwyken wat in zyn oog nòg verderfelyker wezen zou. Ziedaar alzoo de «stem van God» onderworpen aan 'n belemmering die ons van allen eerbied voor haar heiligheid ontslaat.
By deze aantooning der onnauwkeurige werking van ons kiesstelsel heb ik me tot het allereenvoudigste bepaald, tot opmerkingen die onder de bevatting vallen van elken lezer, en slechts voor-zoo-ver de eisch van m'n betoog meebracht. Wie dieper in de zaak wil doordringen--of, juister uitgedrukt: _in een gegeven kant der zaak_--wordt verwezen naar 'n zeer belangryke wiskundige studie van den heer D.I. KORTEWEG, in het _Journal des Actuaires français_[20] t. III, 1874: «_Réflexions, calculs et solutions particulières à propos du calcul des probabilités sur les votes_. Er is evenwel, om de wetenschappelyke en de praktische strekking van dat werk te beoordeelen, meer wiskunstige voorbereiding noodig dan waartoe ik tot-nog-toe in de gelegenheid was. Waarschynlyk verkeeren sommigen myner lezers in 't zelfde geval, doch ieder kan er uit leeren--en dit is hier hoofdzaak--dat de _Vox Dei_ heel ònalmachtig onderworpen is aan de wetten der waarschynlykheidsrekening en dus 't recht niet heeft hooger toon aanteslaan dan de _Aard der dingen_ toelaat.
Doch dit alles geldt nog slechts de _methode_ volgens welke men tracht tot de kennis van die fameuze Volksstem te geraken. Hoeveel treuriger nog is de uitslag van 't onderzoek, indien we achtslaan op de wyze waarop die volks-meening _ontstaat_. Ze is verwrongen, vervalscht, bedorven, en zou voor den denker niet het minst gewicht in de schaal leggen, ook al bestond er kans tot het vormen of leeren kennen eener niet-gefingeerde meerderheid. Op het gebied der begrippen geschiedt de voortplanting naar vaste wetten die--behoudens de uit den aard der zaak voortkomende verschillen--vry-wel overeenkomen met de regels die wy in de afstamming van planten en dieren waarnemen. Niemand verwondert zich als-i bemerkt dat uit het zaad eener vrucht 'n boom spruit van dezelfde soort als die waarvan de vrucht geplukt is. Dat ook hierin door bykomende oorzaken afwykingen kunnen plaats hebben--afwykingen die toch evenzeer als de hoofdregel-zelf op vaste wetten berusten--mag ons niet doen voorbyzien dat hoofdwet en afwyking beide van volle toepassing zyn op de geschiedenis der begrippen, meeningen en vooroordeelen, ja zelfs op de waggelingen van den smaak. We hebben echter in dit betoog hoofdzakelyk met den _regel_ te doen. Volgens dien regel kan men zich verzekerd houden dat er _fouten_ worden gebaard door _fouten_, en wel gewoonlyk _gelyksoortige_. Het meer of min plotseling overspringen van de ruimte die twee uitersten van elkander scheidt--reaktie--mogen we nu buiten spel laten. Ook dat overspringen, die meestal onverwachte terugslag--veel geregelder- periodiek dan men gewoonlyk meent--is een gemakkelyk te verklaren gevolg van den aard der dingen. De slinger, nu eenmaal niet kunnende stilstaan, _moet_ wel door 't loodpunt heen naar de tegenovergestelde zyde zoodra hy aan den anderen kant de grens van z'n bewegingsvermogen bereikt heeft. Dat veranderen van richting vereischt slechts een oogenblik, 'n _tydstip_. Maar de beweging-zelf heeft 'n aaneenschakeling van oogenblikken noodig, die een _tydperk_ vormen. Met zoodanig tyds-verloop hebben we by 't beschouwen der wording en voortplanting van volksmeeningen te doen, en de in zulke perioden voortgebrachte wanbegrippen zyn gelyksoortig met hun oorsprong. Dezelfde fouten alzoo die 'n Volk verleiden tot mistasten in de keus van z'n voorgangers, zullen het den verkeerden weg opdryven zoodra er moet worden uitspraak gedaan in vraagstukken van wetenschappelyken, socialen of zedelyken aard. Aannemende dat het denkbeeld _a_ zekere dwaling vertegenwoordigt en dat de persoon A daaraan z'n verheffing te danken heeft, dan is de voortplanting van 't ongelukkig a-begrip--natuurlyk altyd slechts tot op 't oogenblik vanterugslag!--op 'n goeden weg, en de A-dynastie zit voor langen tyd op troon of kussen. Over eenigen tyd--dagen, maanden, jaren, eeuwen, al naar de oorzaken die de perioden der slingerbeweging bedingen--verwondert men zich over het taai bestaan van meeningen die de naneef voor niet levensvatbaar houden zou indien niet de Geschiedenis hem leerde _dat men wel werkelijk in zekeren tijd zoo dwaas geweest is_! Vindt men deze opmerking banaal, afgezaagd tot vervelens toe? Ik erken dat ze dit _is_, maar vraag waarom we dan dien naneef zooveel stof leveren om op onzen tijd met minachting neer te zien? Waarom zoo ... middeleeuwsch berust in verkeerdheden welker verbetering slechts wacht op de toepassing der voorschriften van 't gezond verstand? Ook die stompzinnige berusting komt me banaal voor. Erger dan dat, ze is onverantwoordelyk.
Maar ... wie zal beslissen welk verstand voor _gezond_ mag worden gehouden? Wat _is_ gezond verstand?
Dergelyke vragen zyn te voorzien, en ik hoop ze in 'n volgend hoofdstuk te beantwoorden op 'n wyze die voor ons tegenwoordig doel voldoende is. De lezer houde my ten-goede dat ik hem by die gelegenheid niet onthaal op akademisch-onverteerbare bespiegelingen over «_Kritik der reinen Vernunft_» en dergelijke valsch-wysgeerige school-praat. Ik veronderstel dat hy zich daarmede niet ophield sedert de dagen zyner kindsheid, toen hy onthutst, angstig en onnoozel naar z'n spaarpot ylde, als 'n sprookjesverteller z'n verhaal gesloten had met de vreeselyke epiloog: «wie 't niet begrypt betaalt 'n duit!»
Ik zou 't billyker vinden die duitenbelasting opteleggen aan 't volkje dat onbegrypelyke praatjes voor _wysbegeerte_ uitgeeft, en aan hen die kwakzalvery in de hand werken door zich als verzadigd aantestellen na 't nuttigen van 'n schoteltje draderige spitsvondigheid.
MXII.
De vraag wie over de welvarendheid der respectieve verstanden beslissen zal, heeft meer schynbare waarde in hoedanigheid van debatkunstje--ook als zoodanig trouwens sedert lang tot op den draad versleten!--dan gewicht in 'n betoog waarin naar _Waarheid_ gestreeft. Op 't verstand van hen die meenen blyk van verstand te geven door voor-te wenden dat ze geen verstand hebben van gezond verstand, wenscht geen verstandig mensch invloed uitteoefenen. Wie er vermaak in schept zichzelf voor krankzinnig te houden, mag 't doen. We geven hem volkomen gelyk. Maar ik spreek in dit stuk tot volwassenen wier geest behoefte heeft aan 'n àndere soort van uitspanning. Van de zoo-danigen verwacht ik dat ze zich ontdoen van den leiband waaraan sedert eeuwen--misschien moest ik zeggen: sedert het bestaan van den Mens--het denkvermogen der menigte is vastgehecht. Wie de zuiverheid van den menselyken geest wantrouwt--er is reden toe!--wie ernstig zoekt naar 'n kriterium van gezond verstand in 't algemeen, van z'n eigen denkvermogen, in 't byzonder--best!--beginne met het gebruiken en oefenen van dat denkvermogen, en voor alles afstand van 't gevaarlyk gemak dat hy putte uit de aanbidding der ... weleens heel òngezonde verstanden van anderen. Men behoort _uit eigen oogen te zien_, en niet voetstoots aantenemen wat deze of gene vakman, al te boud steunende op onze leeken-onkunde voor waar, goed, bruikbaar of zelfs _heilig_ gelieft uitteventen. Zoudt ge alle onderzoek naar de pryswaardigheid van 'n dozyn hemden overbodig achten, indien de verkooper _Spécialité de chemises_ op z'n uithangbord geschreven had, of pronkte met 'n koninklyk wapen?
«Maar, zullen hier sommigen zeggen, tot dat «zelf-oordeelen» is kennis noodig!» Voorzeker. En hierover bedroeven wy ons niet. Juist het tegendeel zou treurig wezen, daar 't _streven naar kennis_ onze roeping is, en de onmisbare voorwaarde van 't benaderen der volmaaktheid. Wat zou er van de Mensheid worden, indien gebrek aan kennis tot geluk leidde, of zelfs indien niet de drang tot het _Weten_ en _Kennen_ ons bestaan verzekerde? (Vgl. IDEE 517.) Zeker, zeker, tot het wel beoordeelen der waarde van vakmannen is kennis noodig! Verwondert men zich over dezen eisch? Ik herinner me niet, ooit op onkunde en onwetendheid te hebben aangedrongen, wat dan ook den ontwikkelden lezer 't recht zou gegeven hebben geen acht op m'n woorden te slaan. Doch juist hierom ook mag men 't nòch vreemd vinden nòch euvel duiden, dat ik op 't vermeerderen onzer kennis aandring, en vooral op den moed om die in toepassing te brengen by 't beoordeelen der personen die ons als uitnemend-bekwaam in een of ander vak worden voorgesteld of opgedrongen.
Een andere vraag is of niet de maat en de veelsoortigheid van kennis die hier vereischt wordt, soms de kracht en de gaven van den leek kunnen te-boven gaan? Dit is ongetwyfeld dikwyls het geval, wanneer men telkens en zonder byzondere aanleiding z'n beoordeeling van de waarde eener specialiteit tot elk onderdeel van z'n vak zou willen uitstrekken. Maar 't bezwaar verliest z'n gewicht wanneer men de ernstig-onderzoekende aandacht vestigt op het onderwerp _in 't algemeen, en voor-zoo-ver tot bereiking van 't beoogd doel_--hier bevordering van zedelyk en stoffelyk welzyn--noodig is. Wie dezen grondregel met eerlyke omzichtigheid toepast, zal weldra weten waaraan hy zich te houden heeft in 't beoordeelen ook van die zaken welke men _te_ spoedig als «buiten ons bereik liggend» beschouwt. Zeer gelukkig gaat ook hier alweer 't welbegrepen belang hand-aan-hand met zedelyk en verstandelyk plichtsbesef. Het is ons niet _geoorloofd_ schade te lyden door 't huldigen van kwakzalvery, en de mondigheid van oordeel waarnaar we daarom streven, wordt verkregen door de eigenaardige gymnastie van 't gemoed, waarin de _ware poëzie_ bestaat. Ik bedoel de _poëzie der werkelykheid_ die zich oefent in 't samenvatten en oordeelkundig behandelen van àl de gegevens die ze kan machtig worden. De hiertoe noodige arbeid is ... niet meer of minder dan onze geheele levensbestemming, hy is ons leven-zelf! Wie dezen eisch te zwaar vindt, zou z'n eigen doodvonnis uitspreken. Dit geschiedt evenwel zelden of nooit, want wat ik hier voorstel als wenschelyk, zien we dagelyks meer of min--hoe gebrekkig dan ook, en veelal onbewust--in practyk brengen. Vanwaar anders 't verschynsel dat millioenen leeken zich veroorlooven RAFAEL en REMBRANDT voor uitstekende kunstenaars te houden, BEETHOVEN en MOZART voor «muzikale geniën?» Waarom durven duizenden verzekeren, dat de onfeilbaarheid van den Paus 'n zotterny is? Anderen weer, dat de zaligheid slechts kan verkregen worden door 't geloof in Jezus Christus? Waarop grondt zich de meening dat de Turksche finantiën slecht beheerd worden, en dat de staatkunde der Engelschen ... dit of dat is? Is het te veel gevorderd als we eischen dat zy die den moed hebben tot zùlke oordeelvellingen, en dus op 'n niet geringen graad van kennis aanspraak maken, zich ook verstouten achter de schermen te zien by tooneelvoorstellingen van meer dagelykschen aard, en dat ze vryheid nemen om de geloofsbrieven te onderzoeken, waarop specialiteiten van veel lageren rang dan de zoo stoutmoedig beoordeelden zich beroepen? De vrees tot dit laatste niet gerechtigd te zijn, moge zweemen naar bescheidenheid, ze komt in den grond op traagheid en lafhartigheid neer, en zet 'n wyde deur open voor bedrog. Er bestaan nog andere redenen om die vrees te veroordeelen. Vakmannen die tegen 't oordeelkundige toetsen hunner bevoegdheid protesteeren, zyn verdacht. Waarom zouden we schromen het ongenoegen van dezulken optewekken? En zy die werkelyk op de hoogte staan van de hun opgedragen betrekking of den roep die van hen uitging, zullen dankbaar zyn aan den scherpzinnigen en eerlyken leek die hen wist te onderscheiden van minder waardige kollegaas. Het komt me bovendien voor dat de beoefenaars eener bepaalde afdeeling van kennis, kunst of wetenschap, die den leek 't recht ontzeggen 'n ongunstig oordeel over hun bekwaamheid uittespreken, tevens afstand behoorden te doen van den lof uit den mond van anderen die ze voor even onbevoegd moeten houden, en welken zy zich toch gewoonlyk nogal gewillig laten aanleunen.
Moet ik hier byvoegen dat ik geen party trek voor onbekookte oordeelvellingen, voor plompe boersche ongemotiveerde kritiek? Ik ben zoo vry naar de regels in _Vorstenschool_ te verwyzen, waarin op blyken van _rypheid_ wordt aangedrongen, op 't bewys dat de beoordeelaar _gewerkt_ heeft, en naar zeer veel plaatsen in m'n werken, waar arbeid wordt voorgesteld als graadmeter van moraliteit. Bij 't ontleden van dezen eisch zal er blyken dat _goede trouw_ en _welwillendheid_--dit woord in stipt letterlyken zin genomen, en niet opgevat als _bonhomie_--zullen samengaan met de noodige _kunde_, Het mede-ondergaan der lydensgeschiedenis van den voortbrenger[21] stelt ons niet alleen in-staat het voortgebrachte met _zaakkennis_ te beoordeelen, maar voert ons tevens op tot de zedelyke hoogte die 'n kritikus behoort intenemen om z'n woorden ingang te verschaffen, en zelfs om hem die woorden in den mond te leggen. Hy moet in-staat zyn den beoordeelde te doen _gevoelen_ dat-i zich niet ophoudt ... met «praatjes». Wie deze aan de pleitzaal ontleende uitdrukking niet fraai vindt kan gelyk hebben. Hy mag ze vervangen door de stelling dat de leek die specialiteiten beoordeelt, zorgen moet blyk te geven dat hyzelf met eerlyke inspanning zich trachtte te maken tot 'n _specialiteit in begrip_.
* * * * *
Nogeens terug naar de vraag of 't wèl beoordeelen van zekere specialiteiten misschien de krachten van den oningewyde zou kunnen te boven gaan? Oningewyd? In wat? In de eenvoudigste regels van 't gezond verstand toch niet? Indien de specialist dit veronderstelt, is hyzelf in de eerste plaats te beklagen, daar-i dan z'n gaven slechts ten-bate van onwaardigen gebruiken kan, waaruit voortvloeien zou dat de hem toegekende waarde in omgekeerde rede tot z'n verdiensten staat. Er ware dan aanleiding tot iets als de volgende redeneering: «X, als schilder, bijv. arbeidt voor 'n publiek dat geen verstand van de schilderkunst heeft. Dat publiek vindt smaak in zyn werk, en vereert hem als specialiteit in 't vervaardigen van schoone stukken. Daar na de lof die X inoogst, hem wordt toegekend door onkundigen, heeft ze òf geen waarde, òf ze bewyst dat X 'n slecht schilder is. «Zoo zonderling mag en zal X niet redeneeren, en hy behoort alzoo afstand te doen van 't uitvluchtje dat leeken onbevoegd zyn tot het beoordeelen van zyn werk. In dit byzonder geval zou zelfs de eisch van _gegrondheid_ in die oordeelvellingen niet meer te-pas komen, daar de kunstenaar om niet omtekomen van gebrek, volgens sommigen wel verplicht is z'n arbeid naar den smaak van dit goed of verkeerd oordeelend publiek interichten. In-hoe-ver dit waar, wenschelyk, geoorloofd of ... _mogelyk_ is, laat ik nu daar. Het behoort niet tot m'n onderwerp.
Is de leek _omdat hy leek is_ onbevoegd om aanmerkingen te maken op zaken die onder 't begrip vallen van elken welgeschapen mensengeest? Ten wiens behoeve ontsteken dan professers en specialiteiten hun licht? Moet men juist lantaarnopsteker zyn om 't recht te hebben over duisternis te klagen? Is er 'n aanstelling tot kok noodig voor men weigeren mag aangebrande of uitgekookte spys welsmakend en voedzaam te vinden? Er zyn koks en lantaarnopstekers die deze leer wel zouden willen gepredikt zien, maar juist omdat ik daarover anders denk, schreef ik dit boekje. Kom, lezer, help me wieden! Waarlyk, de zaak is niet zoo moeielyk als sommigen u willen wys maken. Ge zult toch niet mogen erkennen dat myn aanmerkingen op de kunde in letters die op onze scholen voor _Letterkunde_ wordt uitgegeven, uw bevatting te boven gaan? Ge meent toch niet dat er 'n diploom als «Doctor» in die «Letteren» noodig is om te walgen van romannetjes die geen andere aanspraak kunnen maken op oorspronkelykheid, dan dat de schryver 't Hollandsche «toen» in 't Duitsche «als» overzet, en de tyden van 'n werkwoord op de ongerymdste wyze door elkaar haspelt?[22] Zou er diepe studie in harmonieleer vereischt worden om optemerken dat er zooveel dieven zyn onder de hedendaagsche toonzetters die hun onhandig- saamgelapte reminiscentien van oude meesters brutaalweg uitgeven voor eigen werk? Mag 'n man die geen militairen rok draagt--ik zeg: 'n _man_ --zich niet ergeren wanneer hy verneemt dat _honderdduizenden gewapende mannen_ als weerlooze schapen zich overgaven aan den vyand? Moet men juist 'n schoolkursus in «krygskunde» hebben meegemaakt om 't vreemd te vinden dat MAURITS en SPINOLA zoo weinig smaak vonden in elkanders omgang, blykbaar uit de hardnekkige nauwgezetheid waarmee ze de hoofdeigenschap van evenwydige lynen poogden natebootsen?[23] Moeten we wachten op 'n aanstelling tot Haagsch bureelkommies voor we ons mogen verwonderen over 'n minister van finantien die niet weet wat de funktien --en de belangen!--zyn van 'n administratiekantoor dat met de uitgifte eener geldnegotie belast is?[24] Of over z'n kollega--finantiespecialeit by-uitnemendheid!--die alarm blaast over _honderd-en-dertien_ zoek geraakte _millioenen_, zonder in-staat te zyn z'n bewering te staven?[25] Is 't alleen den jockey van 'n legatie-sekretaris geoorloofd, verontwaardiging te voelen over de knutselarytjes van de Schouwalows, Ignatiefs, Salisbury's, Disraeli's en verder volkje van die soort, dat zich door de kranten «Staatslieden» noemen laat, in den grond evenwel slechts 'n bende effektenschacheraars is, en als zoodanig nog _valsche spelers_ op den koop toe, daar zyzelf beschikken over 't ryzen en dalen van den koers? Mag alleen zoo'n jockey ingewyd zyn in de nietswaardigheid van _compérage_-kongressen die, onder voorwendsel van twistbeslechting, de melkkoe in 't leven houden welke men in 't politiek bargoens doopte met den naam van «_oostersche kwestie_?» Moet men scheepsjongen, teekenaar by 'n hydrograaf, of bewoner van Sumatra's Westkust wezen, om de moessoens te kennen waardoor de noordelyke reeden van die kust onveilig worden gemaakt in 't derde vierendeel des jaars? Om beter te weten alzoo dan zy die 't weten _moesten_ en blyk gaven dat ze 't niet wisten, dat men tot het uitzenden van oorlogs-expeditien in die gewesten, gunstiger saizoen behoort te kiezen?[26] Is er 'n byzondere opleiding tot kamerbewaarder of parlementslid noodig, om met minachting op onze volksvertegenwoordiging neertezien? Wordt er paedagogiek vereischt tot het besef dat een _Onderwyswet_ ... 'n _Wet_ is, en dus met Onderwys _als zoodanig_ niets goeds kan hebben uittestaan? Of, lezer, wilt gy eerst uw vrouw zien vermoorden door 'n _Specialiteit in Verloskunde_, voor ge 't recht meent te hebben wraak te roepen over den accoucheur die--behoorlyk voorzien natuurlyk van 'n diploom als _Doctor_ in de _Obstetrie!_--de kraamvrouw die hy verlossen zou, by 't verwyderen der _placenta ... totum eripuit uterum_? De ellendeling die dezen gruwel bedreef--'t geschiedde eenige jaren geleden te Rotterdam--heeft zich uit de voeten gemaakt, maar de fakulteit die hem diplomeerde, is nog altyd daar om de Maatschappy van specialiteiten in _Verloskunde_ te voorzien.
* * * * *