Specialiteiten

Part 11

Chapter 11 3,356 words Public domain Markdown

Dat er overigens in die fraaie pleidooien nog meer theologie voorkomt, spreekt vanzelf. «God» kan niet buiten spel blyven by dat infaam spekuleeren op de domheid der menigte. Al baat dan die vuile kwakzalvery den kliënt niet--dat is byzaak voor die heeren!--ze rekommandeert den pleiter by 't gemeen, dat verzot is op zulke loopjes.[15] De «verdediger» der edele KRISTIEN verzekert ons «_dat er een Hoogere Macht bestaat, die alles tezamen houdt_»--wel vreemd dan, dat ze die twee vermoorde vrouwen niet heeft weten heeltehouden--èn aan die spikspeldernieuwe hoepeldogmatiek knoopt hy de zalvende verzuchting «_dat deze waarheid zoo dikwerf betwyfeld, en zoo lichtvaardig ontkend wordt_.» Och ja, zou juffrouw LAPS zeggen, en ook ik moet ronduit erkennen dat de klacht even gegrond als KRISTIEN- verdedigend en treurig is! Maar volstrekt onverklaarbaar vindt ik de zaak niet. De in dit byzonder geval niet al te best door _Hoogere Macht_ saamgehouden menselyke geest over wiens vervloekte afdwaling de vrome advokaat zich zoo bedroeft, zal opgemerkt hebben hoe dikwyls die _Hoogere Macht_ te-kort schiet in hare pogingen om 't droge zand saamtehouden, waaruit sommige pleitbezorgers hun redevoeringen vervaardigen. _A l'impossible nul n'est tenu_. Wat overigens ook deze zysprong op theologisch gebied bewyzen moet voor de onschuld der lieftallige KRISTIEN ... nu ja, naar logisch verband moet men nu eens- vooral in zulk knoeiwerk niet zoeken. De zaak schynt hierop neertekomen, dat JUT by 't afleggen van zekere verklaring, die in 't kraampje van den pleiter te-pas kwam, «_beheerscht werd door goddelyken invloed_» en dus de waarheid zei, terwyl men in 't belang der pleitery mocht aannemen dat-i by andere gelegenheden--dan onder den invloed van den Duivel zeker of althans niet behoorlyk _tezamen gehouden_ door _Hoogere Macht_ --terdeeg gelogen had. Hoe men nu kan te weten komen wanneer 'n spreker door z'n tezamengehouden toestand geloof verdient, en wanneer _niet_, blyft onopgehelderd. Dat zullen we zeker uit 'n volgend pleidooi te weten komen, en niemand ziet naar die theologisch-juristisch-kabbalistische toelichting met meer verlangen uit dan ik, die tot m'n smart erkennen moet dat «God» de duigen van _myn_ begrip gewoonlyk meedogenloos laat omvallen by zulke onderzoekingen. JUT en z'n dierbare KRISTIEN hebben voorzeker de zaak beter begrepen, want ze waren--zooals trouwens àlle misdadigers van die grove soort--beestachtig dom, en stonden dus volkomen op de laagte om zulk geklets heel mooi te vinden. By 'n weinig minder domheid hadden zy de oneerlyke wawelpraat hunner «verdedigers» in hun voordeel kunnen aanwenden. Een zwaar vonnis was nu eenmaal niet te ontgaan, maar 't zou gewis ridder JUT en z'n teedere gade hebben goedgedaan in de publieke opinie, en dientengevolge, waarschynlyk ook by hun aanstaande opzichters in het tuchthuis, als hy 't laf gemaseur der advokaten had afgebroken met den uitroep: «_M'nheer 't gerechtshof! Gestolen hebben we, gemoord hebben we, maar neem het niet kwalyk, grootzeerhoogedelachtbare, het knoeierig liegen en slenteren van die_ ... heeren _kunnen we niet langer aanhooren, 't zou ons karakter bederven_ ... _veroordeel maar toe_!» Moeten we in JUT het terughouden van zoodanige uitboezeming niet zoozeer toeschryven aan domheid, als aan de bescheiden vrees dat die zeergroothoogedelachtbaarhedens hem niet-ontvankelyk zouden verklaren in z'n eisch en konklusie, als strydig met de _Jurisprudentie van den Hove_? Dit kan wel zyn. Het is mogelyk en zelfs waarschynlyk dat JUT--in z'n hoedanigheid van ridderlyk galgebrok beter dan gy en ik, lezer, met den eigenaardigen eeredienst van die «Jurisprudentie» vertrouwd--geweten heeft welk ontzag men den Themispriester schuldig is, en alzoo dat men een liegenden advokaat niet storen-mag in de uitoefening van z'n sacerdotale funktien. Men had immers hèm ook niet in z'n werk gestoord!

De rechtspleging tegen 't echtpaar JUT zou overigens stof leveren tot 'n ganschen bundel specialiteiten-onzin. Ieder begrypt dat de Voorzitter nu-en-dan met «God» schermde, en--tegen 'n JUT!--met «_al wat heilig is_!» Wat de pleidooien der advocaten aangaat, ze waren _akademisch-doctoraal-slecht_, zoowel wat taal en styl betreft--hiervan gaf ik reeds 'n paar staaltjes--als ten-aanzien van de systemen waarop ze hun zoogenaamde verdediging meenden te kunnen gronden. Die «verdediging» was, om nu van al die knoeierige oneerlykheid niet meer te spreken, in één woord: _belachelyk_. Van _specialiteiten_ zou men dan toch, oppervlakkig gezien, kunnen verwachten dat ze bekwaam waren _in hun eigen vak_, maar dit zyn ze, evenals de bakkers van blz. 29 (hfdst. II, n. v.d. tr.), gewoonlyk _niet_! Het schynt dat de studie in algemeene onbekwaamheid--beleefdheidshalve «toewyding aan een bepaald vak» genoemd--niet zeer gunstig werkt op de ontwikkeling dan die toch ook voor de beoefening van dat enge vak-zelf altyd eenigszins noodig blyft. Wie slechts advokaat is, is 'n slecht advokaat.[16]

* * * * *

In het begin van dit hoofdstuk maakte ik melding van 'n paar in het buitenland geslagen bespottelyke vonnissen, doch we behoeven waarlyk niet zoo ver van huis te gaan, om voorbeelden te vinden van de krankzinnigheid waartoe 't specialismus van die zoogenaamde _Rechten_ leiden kan. Onlangs werd in ons land 'n ontslagen burgemeester, die met duidelyk te kennen gegeven moorddadig opzet, 'n geweer had afgeschoten op z'n plaatsvervanger, ontslagen van rechtsvervolging, omdat ... omdat ... ja, waarom? Niemand weet het. Men mag aannemen dat er in die zaak deze of gene ondoorgrondelyk-aanbiddelyke _jurisprudentie van den Hove_ in 't spel geweest is. Minder geheimzinnig was dezer dagen de vryspraak van zeker vrouwspersoon, dat zich had schuldig gemaakt ... ik vergis me, die, zonder de minste schuld dan, en slechts tot tydverkorting, zich vermaakt had met 'n poging tot vergiftiging. Het «Hof» had bij die gelegenheid de goedheid z'n benevolentie ook voor den armen leek begrypelyk te maken, door ze te omkleeden met jurisprudente redenen welke allerpleizierigst luiden voor ieder die 't vooruitzicht heeft, ooit ofte immer by die dame in de kost te komen. Dat de poging tot vergiftiging had plaats gehad ... nu ja, dit was niet te loochenen, maar de arme vrouw had zich vergist in de taxatie der hoeveelheid fosfor die tot haar welwillend doel noodig was, en alzoo liet men haar loopen, zeker om door wat studie in warenkennis en toxikologie, nauwkeurig te leeren berekenen hoeveel luciferkoppen van de ware soort er noodig zijn om met goed succes z'n evenmens voortelichten naar de eeuwigheid. Leve _de Jurisprudentie van den Hove!_

En den braven DE VLETTER--pedant, vervelend, koppig en lastig was-i, o ja, maar 'n _braaf mens_ toch! zond men naar het tuchthuis. Nogeens: leve _de Jurisprudentie van den Hove_![17]

Waar zou ik eindigen indien ik voortging stalen te leveren van de misdadige zotterny waartoe de verkeerd-begrepen speciaal-studie van de zoogenaamde _Rechten_ dagelyks aanleiding geeft? Reeds de meervoudige vorm van dit woord verraadt de onlogische--en dus: _onzedelyke_-- beteekenis. De grondslagen van die _Rechten_ zyn meerendeels ellendig. Het «romeinsch-recht» liet gruwelen toe, schreef gruwelen voor, en kan in geen geval 'n deugdelijken grondslag zijn voor ònze rechtspleging. Waar de tegenwoordige toestanden met die van de Romeinen overeenstemmen, hebben we hùn voorlichting niet noodig om te weten: _wat Recht is_? En waar die toestanden verschillen--zooals byna doorgaands het geval is --vervalt de behoefte aan hun barbaarsche lessen en voorbeelden vanzelf. Gesteld eens dat onze wetten het ombrengen eener jonkvrouw uitdrukkelyk verboden, zoodat, byv. het wurgen van 'n onmondig kind, het maagdelyk dochtertje van een in ongenade gevallen staatsdienaar, niet geoorloofd was, dan hebben onze rechtspraktikanten waarachtig de lessen van hun Romeinsche voorgangers in _chicane_ niet noodig, om 'n middeltjen uittevinden waardoor de eerbied voor _Wet_ en _Jurisprudentie_ behoorlijk gehandhaafd wordt. Men belast in zoo'n geval--_ik_, goddank geen specialiteit in de «_Rechten_» erken dat ik zonder die Romeinsche les niet op 't denkbeeld komen zou, en van harte wensch ik den lezer 't zelfde gebrek aan _rechtenkennis_ toe--men draagt in zoo'n geval den beul op, z'n slachtoffertje, vóór 't wurgen ... _rechtens_-geschikt te maken voor 't schavot! Het geschiedde _laquem juxta_, zegt TACITUS. Wel zeker, de strop lag er naast, en het kind ... maar genoeg daarvan, we weten de hoofdzaak: de legaliteit was gered! Men zou de vraag kunnen stellen, of niet de hier aangehaalde gruwel meer aan de _zeden_ dan aan _rechtsbegrippen in strikten zin_ te wyten is, doch ze wordt voldoende beantwoord door de opmerking dat de wetten van de Romeinen oorspronkelyker-inheemsch waren dan de heterogene rhapsodie--zegge: de _verwarde rommel_--waarmee de moderne maatschappyen zich behelpen, en dat ze dus veel meer dan bij ons het geval wezen kan, met die zeden overeenstemden. Het is waar dat TACITUS, noch by 't noemen van de oorzaak die aanvankelijk het vermoorden van dat meisje scheen te beletten[18] noch bij de vermelding van 't rechtsmiddel(!) waarmee men dat beletsel uit den weg ruimde, van eigenlijk gezegde _Wet_ spreekt. Des-te-beter voor de kracht van m'n betoog! Er blykt dan dat we hier te doen hebben met deze of gene onbeschreven _Jurisprudentie van den Hove_, juist de bron alzoo waaruit al die stoplappen voor de luie onkunde--in de dieventaal van Rechtbank en balie: «_Regels in Rechten_» genoemd--voortsproten. Mocht men in-weerwil van deze opmerking, het aangehaald voorbeeld niet klemmend vinden, dan ben ik bereid ook door het aanhalen van _uitdrukkelyke Wetten_, staaltjes te leveren van dat liefelyke en voor onze maatschappy in onze dagen zoo byzonder praktisch-bruikbare _Romeinsche Recht_.

Maar die vuile bron is niet de eenige modderpoel waaruit onze rechtsmannen--uit armoed van geest en luiheid alweer: het navolgen en samenlappen is makkelyker dan 't scheppen!--zich veroorloven te putten. De oorsprong der latere «_Rechten_» is waarlyk niet van zuiverder aard. Om nu niet stil te staan bij 't boek _Levitikus_--'n _Codex_ waarin de Jurisprudentie van den «Heer» in hoogsteigen persoon schynt vervat te zyn, en dat dus nog altijd voor 'n groot deel van kracht is--stel ik de vraag, uit welken tyd de ambtelyke Rechtsbegrippen stammen, waardoor de moderne maatschappyen zich laten beheerschen? Onze wetten, en vooral de omslachtige rechtspraktyk, zyn nog altyd gegrond op--of althans, zonder oordeelkundige leiding voortgevloeid uit--de gewoonten, sprookjes, wanbegrippen en vooroordeelen, die voor wysheid doorgingen in de donkerste dagen der middeleeuwen. Ze dagteekenen grootendeels uit den tyd ... maar we behoeven zoo héél ver niet terugtegaan. De «_Wetenschap van de Rechten_» stond reeds, of nòg, of alweer, in vollen bloei, toen de _Jurisprudentie_ van alle mogelyke _Hoven_ zich vermaakte met het biologeeren, gek-maken, betasten, ontharen, wegen, martelen en verbranden van ouwe vrouwtjes. Wat is dat voor 'n _Beschaving_ die zich niet verzet tegen zulke gruwelen, wat is dat voor 'n _Wetenschap_, die tot zulken onzin de hand leent?[19] Nog dagelyks hooren we Rechters en advokaten zich beroepen op de opinie van personen die gewoon waren 'n groot deel hunner wysheid te zoeken in de ingewanden van 'n vogel, in den stand van 't firmament, of in de wartaal van dezen of genen Heilige. In den _Staat der Intelligenz_ by-uitnemendheid--d.i. Pruisen. Ik moet er dit wel byzeggen, omdat men 't zonder hulp misschien niet raden zou--in Pruisen bestaan nog altyd wetten tegen _Gotteslästerung_, en ook over de Heilige Maagd mag men zich in dat land niet al te oneerbiedig uitlaten. De heer WENZELBURGER te Delft, die zich in 'n Duitsch tydschrift-artikel aan iets van dien aard had schuldig gemaakt, werd voor 't gerecht geroepen om zich over die snoodheid te verantwoorden. Hy is vrygesproken, nu ja, maar is de vryspraak zooveel minder zot dan 'n veroordeelend vonnis zou geweest zyn? Bovendien, anderen die zich aan gelyksoortige vergrypen schuldig maakten waren minder gelukkig--misschien lieten zy zich «verdedigen» door 'n advokaat--en dagelyks blykt er dat er in dat zoo byzonder- intelligente land rechtsmannen worden gevonden, _Doctores Juris_, die zich kwasie-ernstig bezighouden met zulke zotterny. Vanwaar zouden zy den moed halen zich zoo bespottelyk aantestellen, indien ze zich niet gedekt waanden door de _specialiteit van 't vak_? Zoo heeft de _fachmässige_ beoefening van «_de Rechten_» ten-allen-tyde en overal schade gedaan aan _het Recht_.

En de heeren juristen weten het wel. Om hun afgodery met _jurisprudentie_- deuntjes en _specialiteiten_-sleur te verontschuldigen, te vergoelyken of optehelderen, trachten zy den leek tevreden te stellen met 'n expresselyk _ad hoc_ gekomponeerd ander deuntje: _summum jus, summa injuria_. Nu, dit is juist wat ik bewyzen wilde. Dit, en dat het tyd wordt aan de zotte heerschappy van dat _summum_ specialiteiten-_jus_ 'n eind te maken. Als hulpmiddel stel ik met gepaste schroomvalligheid voor:

_eerbied voor billykheid en gezond verstand_ te verheffen tot ... 'n «regel in rechten» en tot den grondslag der «Jurisprudentie» in 'n beschaafde maatschappy.

MXI.

Sommigen zullen meenen dat ik door in 't vorig hoofdstuk aan de advokatery wyder plaats interuimen dan waarop die ziekte, inverband met het belang van andere onderwerpen aanspraak heeft, in dezelfde fout verviel als die we dagelyks in de geheele Maatschappy zien begaan. Straks zal ik me over dat schynbaar gebrek aan evenredigheid verantwoorden, doch eerst wil ik my eenige oogenblikken bezighouden met de vraag--ik zeg niet: met de _beantwoording_ van de vraag--wie we voor gerechtigd mogen houden tot het uitreiken van diploom als _specialiteit_?

Bij nauwkeurig onderzoek zal er blyken dat het wantrouwen op de drie kategorien die ik noemde op blz. 72 (hfdst. MVI, n. v.d. tr.) gegrond is. Noch de spontane publieke opinie, noch 'n willekeurig afgesneden brokstuk daarvan, noch 't rechtstreeksch gezag in Lands-of Stadsbestuur, leveren den minsten waarborg dat zulke aanstellingen niet worden weggeschonken aan brekebeenen. Door één hoofdfout worden in nagenoeg gelyke maat die drie kategorien beheerscht. Door deze: dat gewoonlyk, òf rechtstreeks òf langs 'n omweg, aan ònbevoegden 't oordeel over _bevoegdheid_ wordt opgedragen of overgelaten.

De roem van 'n geneesheer, byv.--_spontane publieke opinie_--grondt zich op de meening van allerlei mensen die _niet_ studeerden in geneeskunde.

De leden van Stads-en Landsbestuur worden gekozen door 'n _willekeurig deel van 't algemeen_, door personen alzoo, die noch door oefening noch door ondervinding te weten kwamen wat er tot wèl-besturen van Stad of Land vereischt wordt.

Officieele aanstellingen in verreweg de meeste vakken, gaan uit van waardigheidsbekleeders--_de par le Roi_, alzoo--die in deze vakken vreemdelingen zyn.

Hieruit vloeit de ongerymd voort dat zeer veel specialiteiten hun prestige ontleenen aan 't zelfde beginsel dat alle specialismus voor overbodig verklaart. Om tot het uitoefenen van zekere funktie te worden toegelaten, moet men bekwaam verklaard zijn door personen die òf géén diploom van bekwaamheid kunnen overleggen, òf zoodanig dokument aannamen uit onbevoegde hand. En al ware dit laatste niet rechtstreeks het geval, al bestond de keten waarmee tenslotte de toepassing verbonden is aan 't punt van uitgang, uit eenige schakels méér, byna altyd toch loopt zy uit op _onbevoegdheid_. Alweder dus bevinden wy ons hier in de buurt der fiktien, der gemakshalve als waar aangenomen stellingen die ten-allen-tyde zooveel kwaads stichtten. Dat zulke punten van uitgang niet geheel kunnen worden gemist, levert geen reden om 't onderzoek naar de stevigheid van den grond waarop men voortbouwt, te verzuimen.

Het is nu eenmaal waar, dat we in de praktyk dikwyls genoodzaakt zijn genoegen te nemen met 'n axioma dat in 't afgetrokkene voor den wysgeer nog altyd _bewys_ noodig hebben zou. In de werkelykheid echter moet men zich vaak--_altyd_ misschien--tevreden stellen met eenige _kans_ op juistheid, en in zekeren zin ligt dat berusten evenzeer in de roeping der wysbegeerte, daar zy wel degelyk verplicht is rekening te houden met het feitelyk bestaande. Het verschil tusschen haar en de _onnadenkende_ praktyk, ligt slechts hierin dat zy--vooral niet minder _praktisch_ dan de «mannen van zaken» gebruik makende van 't bekende en voor wáár aangenomene--voortdurend zich beyvert om door nauwkeurige berekening de kans op waarheid zoo voordeelig mogelyk te maken. De theoretikus weet even goed als de gewone werkman dat er by 't bewerken van materialen iets verloren gaat aan uitdamping, aan spaanders, aan afslag, aan zaagsnee, enz. Ook weet hy dat de kracht, die 'n machine in beweging brengt, niet onverminderd wordt overgebracht op den last. Juist het wèl achtslaan op 't verlies aan tarra en door wryving, maakt 'n voornaam deel van z'n _theorie_ uit. En dit geldt almede omtrent de _bruikbaarheid_ en _opportuniteit_ der gevonden waarheden. Wie by 't berekenen van den inhoud eens cirkels de evenredigheid zou uitdrukken in 'n groot aantal decimalen, ook daar waar de rede 7:22 _voor 't beoogd doel_ voldoende is, zou in zeer veel gevallen evenzeer zondigen tegen wysgeerige waarheid als wanneer-i 'n _geheel verkeerde_ verhouding tot grondslag had aangenomen. Maar nog grover zou de zoogenaamde _praktikus_ dwalen, die z'n benaderings-waarheid wilde toepassen op berekeningen welke door zeer wyde strekking behoefte hebben aan meer nauwkeurigheid dan voor dagelyksch gebruik noodig is. Het zou er slecht uitzien met astronomie, indien afstand, inhoud en loop van hemellichamen werden berekend naar den maatstaf die 'n kuiper gebruikt om te weten hoe groot de bodem wezen moet van 'n vat, welks veelhoekige omtrek door 'n gegeven aantal duigen van zekere breedte bepaald wordt. Maar, zegt men, de kuiper is tot sterrekundige waarnemingen niet geroepen. Dit is waar. Doch wèl is in de zaak die we hier behandelen--_onderzoek naar bevoegdheid van specialiteiten_--elk lid der Maatschappy geroepen tot beoordeeling van de stevigheid der gegevens, waarop voor 'n groot deel het welzyn van die maatschappy gegrondvest is. Ik wil deze stelling betoogen door 'n voorbeeld uit het dagelyksch leven.

Wie getuige is van 'n beenbreuk, is verantwoord door 't inroepen van de hulp eens heelmeesters, en wel van de eerste de beste persoon die _volgens de wet_ gerechtigd is het vak van heelmeester uitteoefenen. Op dàt oogenblik 'n onderzoek intestellen naar de wys waarop dat diploom verkregen werd, zou zeker heel onpraktisch gehandeld zyn. En ... onwysgeerig evenzeer, want wysbegeerte die de eischen der _praktyk_ over 't hoofd ziet, is valsche, d.i. géén wysbegeerte. Maar de zaak verandert van aanzien, wanneer men tusschen twee even naby wonende heelmeesters 'n keus kan doen, of ook als men grond meent te hebben om aan 'n eenigszins verder wonenden chirurg de voorkeur te geven boven 'n kollega die nader in de buurt is. De _embarras de choix_ wordt grooter--en alzoo de beslissing van meer gewicht voor 't geweten--indien de omstandigheden toelaten een keus te doen tusschen 'n ruimer aantal geneeskundigen. Van nòg meer belang is de uitspraak, zoodra er, zonder _periculum in mora_, moet beslist worden wie _in voorkomend geval_, onverschillig _waar, by wien, of wanneer_, gerechtigd is heelkundige hulp te verleenen? Een gebrekkige methode toch in die wyze van _bevoegd-verklaring over 't algemeen_, werkt _organisch_-verkeerd, en benadeelt dus _allen_, terwyl aan 'n ongelukkige keus van geneesheer _in byzondere gevallen_, slechts de zieken worden opgeofferd die den zoodanige in handen vallen. De «Wetgever» die 'n verkeerd stelsel van bevoegd-verklaring invoert of handhaaft, is verantwoordelyk voor al de nadeelige gevolgen van dat stelsel. Het doet er niet toe, dat het woord «Wetgever» hier niet altyd kan worden opgenomen in strikten zin. By 't in-stand houden van veel onbeschreven vooroordeelen, treedt de Maatschappy-zelf als wetgeefster op, zonder dat men juist bepaalde individuen voor 't verkeerde verantwoordelijk stellen kan. «Men» is ... niemand. Maar alle niemanden te zamen genomen oefenen een macht uit, die zeer dikwyls de beschreven Wet in uitwerking teboven gaat. Volkswaan is 'n monster dat in onrechtvaardigheid, wreedheid en zotterny geen grenzen kent, zelfs niet de grenzen der mogelykheid, want ... ook 't _ongerymde_ is hem welkom.

Kan dit verschynsel voldoende worden opgehelderd uit het gebrek aan verantwoordelykheid, waarop ik reeds gewezen heb? Neen. Tot die meening zou men slechts mogen overhellen, als men kon aannemen dat andere autoriteiten dan 'n onpersoonlyke volksopinie, wèl verantwoordelyk waren voor hun vonnissen in zake: _bevoegdheid_. Maar dit is 't geval niet. Een minister die de schuld draagt dat aan onbekwamen 'n diploom wordt uitgereikt, 'n «Wetgever» die deze fout tot stelselmatigen regel maakt, zy beiden zyn evenmin citabel voor 'n rechtbank als «de man op 't kerkhof» en z'n legio kornuiten die zònder ambtelyke roeping 't hunne bydroegen tot vervalsching van de publieke opinie. Wanneer wy alzoo dieper in de zaak doordringen, blykt er dat hier geen tegenstelling plaats heeft, maar 'n treffende overeenkomst, en dat ook in deze zaak alweer gelyke oorzaken gelyke gevolgen hebben. De officieele beoordeelaars van deugd, verdienste, bekwaamheid en bevoegdheid begaan precies dezelfde fouten als die we dagelyks in de ongereglementeerde volksmeening waarnemen. Waarom zou 't «gezag» dat uit die meening voortsproot, z'n oorsprong verloochenen? Dezelfde mensen immers, die aan kwakzalvers den voorrang toekennen boven bekwame geneesheeren, zullen by stemming over de belangen van den geneeskundigen dienst, blyk geven van gelyksoortige voorkeur, en weldra zal men ontwaren dat de zotterny niet veranderd is van aard, doch dat men slechts 't aantal instantien vermeerderd heeft, waarlangs onzuivere indruk en valsch oordeel uitloopen op gebrekkige toepassing. Zoo meent de onkundige dat-i de kracht eener machine verhoogt, of haar werking verbetert, door toevoeging van onnut--en dus schadelyk! --raderwerk.

Deze laatste vergelijking zou kunnen leiden tot de meening dat de _niet_-gereglementeerde opinie des Volks--d.i. de gebrekkige beweegkracht zonder omslachtige belemmering--toch altyd eenigszins hooger staat dan die welke buiten en behalve de gelyksoortige fout in den oorsprong, nog bovendien de bedoelde instantien doorloopen heeft. Oppervlakkig gezien ware hier alzoo stof te vinden tot verheerlyking van de _Vox Dei_, waarvan ik op blz. 102 (hfdst. MVIII, n. v.d. tr.) niet veel goeds gezegd heb. Welnu, die spreekwys zou inderdaad _eenigen_ bruikbaren zin hebben, indien er: 1. kans bestond den volkswil zuiver te leeren kennen, en 2. als niet die wil verbasterd was.