# Specialiteiten

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/specialiteiten-10664/index.md

Is 't genoeg, lezer? En is 't nog noodig u voortehouden wat de gevolgen zyn van zoodanige krachtsverspilling? In uw huishouding, in uw beroep, zoudt ge toch spoedig inzien ... ik zeg niet: dat het groote geschaad wordt indien ge u te veel toelegt op het kleine, maar dat het _degelyke_ te-loor gaat--van welk geslacht is dat _loor_, o goden!--door 't stelselmatig beoefenen van _nonsense_. LAROCHEFOUCAULD schynt aan zoo-iets gedacht te hebben, toen hy de maxime schreef: _ceux qui s'appliquent trop aux petites choses, deviennent ordinairement incapables des grandes_. Ik, die weet hoe moeielyk het is zich juist uittedrukken, maak hem geen verwyt van z'n «_trop_» dat _de trop_ is. «Te veel» werkt _altyd_ en _overal_ schadelyk, dit weten we. Ook begryp ik dat z'n uitspraak hinken zou als men dat overbodige _trop_ er uit liet. Hy gaf zich evenwel zeer veel moeite om exakt te zyn, en ik weet by ervaring te goed hoe afmattend dat eerlyk streven is om me niet verplicht te rekenen tot 'n welwillend nasporen van wat-i bedoeld heeft. _Petites choses_ zyn er niet, en de door LAROCHEFOUCAULD gemaakte fout ligt niet in de kleinheid der dingen-zelf, maar in 't wanbegrip over hun opportuniteit. Een kok, die 't souper laat aanbranden omdat-i zich buiten de keuken bezig-houdt met den ring van Saturnus, heeft juist om 't zoogenaamd-_groote_ het zoogenaamd-_kleine_ verwaarloosd en dus, stipt gesproken, een tegenovergestelde fout begaan die evenwel in werkelykheid op 't zelfde neerkomt, want de soep is er niet smakelyker om. De tegenstelling was dan ook slechts schynbaar. Een speld die te-pas komt, is in zedelyk-logischen zin _grooter_ dan 'n heel zonnestelsel, wanneer dat het nasporen van _waarheid_, het beantwoorden aan roeping, het plicht-doen, in den weg staat.

Zou LAROCHEFOUCAULD gedacht hebben aan onze professers in de dubbele _o_ of _e_, toen-i waarschuwde tegen 't verwaarloozen van de dingen die wel te-pas komen? Of was z'n welwillende bedoeling, _U_ te waarschuwen, PUBLIEK, tegen 't voortdurend genoegen nemen met het aangebrand souper van onze letterkoks, die zich waarachtig niet op het grandioze van hun nevelringen mogen beroepen om de oneetbaarheid te verontschuldigen van de gerechtjes waarop ze 't publiek onthalen. Om nu eens by de _prouesses_ van die dubbele-omensen te blyven, hebt ge er nooit aan gedacht, lezer, dat zoo'n woordenboek de plaats inneemt van iets degelyks? Smart het u niet dat uw kinderen _met verwaarloozing van beter dingen_ al de wysheid in zich moeten opzwoegen, die daarin voorkomt? Hebt ge wel eens berekend hoeveel tyd, inspanning, geheugen, geest, zy en gyzelf besteden moeten om behoorlyk op de laagte te blyven van al die wetenschap, zegge: _Wetenschap_? En mocht u dit alles onverschillig zyn, denk dan aan 't geld dat ge uitgaaft om zulke dingen te koopen, aan de belasting die ge opbrengt om de lieden te bezoldigen die zich bezighouden met die voddery, levenslang natuurlyk, want ze zyn Specialiteiten, _de par le Roi_ benoemde _Specialiteiten_!

En nog iets. Denkt ge dat één Hollandsche stad zich zal verdedigen tegen de Pruisen, indien de prys der heldhaftigheid wordt uitgereikt in de zonderlinge gedaante van 'n akademie waar men zulke wetenschap doceert? Is 't niet om alle poorten wagenwyd voor den vyand open te zetten?

* * * * *

Intusschen zyn onze straten nog altyd vuil. Indien wy eens ...

--Groote goden, ge wilt toch onze professers niet aan 't straatvegen zetten?

Wees bedaard. Ja, in alle bescheidenheid wou ik dat, behoudens 'n onbegrypelyke massa eerbied voor andersdenkenden voorslaan. Na 't gebeurde met EPAMINONDAS en de Freule VON STEIN--twee personen die niets misdaan hebben--is myn voorstel zoo vreemd niet, en in geen geval beleedigend. Ik erken dat er 'n gegronde bedenking zou liggen in de vrees dat de modder de overhand nemen zou. Misschien zullen de heeren, slecht vegende, zich beroepen op hun _specialiteit_ als professoren in de litteratuur, en verzekeren dat zy in dàt vak ... op dàt terrein ... _right man ... right places_ ...

Nu ja, op dàt terrein schryven ze _Woordenboeken van de Nederlandsche taal_, of verheffen 'n kip tot zoogdier ... ik stem voor 't vegen! Baat het dan onze straten niet, de letterspecialiteit rust 'n beetje. Dit is _iets_ gewonnen.

MX.

Alles roept om emancipatie. Er wordt door sommigen beweerd «dat we geen slaverny geduldiger dragen dan dezulke welker afschaffing in onze macht staat», waaruit volgen zou dat het verzet tegen tirannie niet zoozeer voortspruit uit afkeer van dwingelandy, als uit lust in oppozitie. PHILIPS en ALVA zyn weggejaagd, maar heel 't schryvend Nederland buigt zich gedwee onder 't _sic volo sic scribas_ van 'n paar mensen die nooit het minste bewys gaven dat ze met 'n taal weten omtegaan, of liever die duidelyk toonden dit niet te kunnen.

Misschien wachten wy op 'n Spaansche _Armada_, voor we ons verzetten tegen de tiende penning die er nu dagelyks wordt geheven van ons gezond verstand. Lag er wellicht 'n karakterkundige fynheid in den onwil van de Regeering om de «nieuwe spelling» vasttestellen by de wet? Voorzag men dat het volk liever buigen zou onder niet bevolen zotterny, dan gehoorzamen aan bloedplakaten?

Hoe dit zy, we schikken ons in: _vroolykheid_, en zien met minachting neer op onze groot-ouwelui die 'n tydlang _ogen_ en _zo_ schreven. Thans vind ik die spelling zoo gek niet, maar toen ik kind was, gruwde ik van zoo'n verregaande onkunde. Huiverend vroeg ik mezelf hoe men tegelyker-tyd grootvader en zoo dom wezen kon? Een schryver die 'n levenloos voorwerp _hy_ of _zy_ noemde, in-plaats van _dezelve_, was in myn tyd 'n ondeftige knoeier dien ik met al de kracht myner schooljongens-rechtzinnigheid «verachttede.»

Maar ik ben oud geworden, en heb nagedacht. Tot nadenken wensch ik nu ook anderen optewekken, zoo mogelyk vóór ze oud geworden zijn, of te oud althans.

De gissing van zoo-even dat de leek liefst dan protesteert als 'n wet hem wil dwingen tot gehoorzaamheid, wordt evenwel geenszins bevestigd door de vyftigjarige regeering van SIEGENBEEK, die gehoorzaamd werd in-weerwil van 't gezag dat men hem officieel toekende. Al zy dus die meening niet geheel-en-al verwerpelyk, de regel schynt toch niet algemeen doortegaan, en dit blykt vooral indien we 't oog slaan op 'n ander specialismus dat veel strenger wordt gehandhaafd door de kracht der legaliteit, en waarin we even goedig berusten als in de schoolmeestery.

Ik bedoel: _de Rechten_!

Wat MOLIÈRE, die doktoren, savantes en markiezen zoo havende, weerhouden heeft de advokaten te bedenken met 'n welverdiende tentoonstelling, is my een raadsel. Of versmaadde hy dit omdat de taak hem te gemakkelyk voorkwam? Was 't onderwerp te afgezaagd voor 'n publiek dat van-oudsher gewoon raakte z'n glossen op rechters en advokaten zèlf te maken, omdat het _non satyram facere_ hier onmogelyk is?

Op bladzy 96 (hfdst. MVII, n. v.d. tr.) werd over 't zoogenaamd wèl- spreken van die heeren reeds iets gezegd, ik mag dit alzoo nu voorby-gaan, vooral daar ik thans niet zoozeer de preek-en pleit- specialiteit bedoel, als wel _juristery_. De mannen van parket en balie meenen aan de eer van hun «vak» schuldig te zyn, de van-buiten geleerde _Rechten_ boven het RECHT te stellen. Het eenvoudig-ware is hun niet mooi genoeg zoolang het 'n deftig precedent ontbeert, of niet gestaafd wordt door zoogenaamde _rechtsprincipes_. Indien we dit laatste woord mochten opvatten in letterlyke beteekenis, zou de zaak gezond wezen. Maar, o hemel, zóó bedoelt het niet de geschoolde jurist! Waarheid is hem niet wat inderdaad _is_, maar wat overeenkomt met de uitspraak van dezen of genen voorganger. Gelyk D.V. & T.W. op 'n Zweed, wacht de rechtsman op 'n CAJUS, op 'n GROTIUS, op 'n DIEPHUIS, op 'n I.D. MEYER, of 'n ander van die soort voor-i zich verstout een opinie te hebben. Hij vraagt niet zoozeer wat er _geschiedde_, als wat er door dezen of genen _gezegd_ en _geschreven_ is over iets dat op het gebeurde gelykt. _Feiten_ zijn hem byzaak, 'n _woord_ is hem alles. _Akten_ gaan voor _aktie_. En waar hy zich niet op personen beroepen kan, klemt hij zich aan 't behoudsplankje van 'n «_regel in rechten_.» Wees verzekerd dat er op die _rechten_ en op dien _regel_ gewoonlyk iets volgt dat niet regelrecht en dikwyls nogal héél krom is. Want--en hier komen we terug op de klacht in 't eerste hoofdstuk--zoo'n regel waarmee door de rechts- specialiteiten geschermd wordt, is veelal 'n _dicton_, 'n _scie_, 'n _fiktie_, 'n juridische _deun_, 'n «_formule die onder valsch voorgeven van overbodigheid der redeneering, de aandacht van onjuist redeneeren moet afleiden_.»

De meeste rechtsregels zyn stellingen, die gemakshalve als waar worden aangenomen, maar die voor den denker bewys noodig hebben. Deze neemt ze dan ook gewoonlijk niet aan, voor er wèl en deugdelyk bleek dat het aangevoerd _dicton_, ten-eerste: _op-zichzelf beschouwd_ aannemelyk is, en ten-tweede: _dat het van volle toepassing geacht kan worden op de behandelde zaak_. Dit laatste is zelden 't geval, omdat het verschil der omstandigheden oneindig, en ons uitdrukkingsvermogen beperkt is. Maar de rechts-specialiteit is zoo keurig niet. Z'n «vak» noopt hem tot eerbied voor klanken die door gewoonte worden verheven tot afgoodjes, en dezelfde man van wien men in 't dagelyksch leven eenig verzet zou mogen verwachten tegen ongerymdheid, neemt genoegen met de grofste absurditeit, wanneer ze zich maar in de gedaante van zoo'n «_regel in rechten_» of dergelyk door 't gebruik geykt vooroordeel weet te vertoonen. Ik heb de voorbeelden voor 't grypen doch zal me aanvankelyk vergenoegen met 'n paar die nog al sprekend zyn.

In Frankryk, waar de juristery vooral niet minder welig dan elders bloeit, was onlangs 'n man beschuldigd van kerkroof. By gebrek aan bewys werd-i vrygesproken. Eenigen tyd daarna meende de justitie den waren schuldige in-handen te hebben, die alzoo voor de rechtbank werd gebracht. Onder de getuigen _à décharge_ verscheen de vrygesprokene. Hy bewees de onschuld van den beklaagde door de volledig geadstrueerde bekentenis ... dat hijzelf de dader was. Hy had de goedheid, allerduydelykst uitteleggen hoe hy 't voornemen had opgevat, hoe hij zich had weten te verschuilen in de kerk, daar de armbus open te breken, en z'n roof in veiligheid te brengen. Roerende openhartigheid! Men liet hem dan ook ongedeerd gaan. Niet uit erkentelykheid evenwel voor die gratis voorgedragen handleiding in 't stelen werd-i vrygelaten, o neen, de brave man was onschendbaar omdat hy, _eenmaal vrygesproken_, onder bescherming stond van den fanatieken eerbied voor de rechtsfetiche: _non bis in idem_. Of de rechtbank hem behoorlijk bedankt heeft voor de genomen moeite in de zaak van dien ander--z'n _compère,_ denk ik met de _Gazette des Trabinaux_ waaraan ik dit voorval ontleen--is me niet gebleken. Ook niet of er 'n civiele aktie is ingesteld tot teruggave van z'n buit. Zeker is 't dat men den dief in de gelegenheid stelde z'n handwerk voort te zetten.

Zulke misdadige zotterny is alleen mogelyk in personen die «levenslang» hun gezond verstand kluisterden aan de eischen van 'n «vak».

Een ander voorbeeld. Onlangs in Londen bestelt zeker echtpaar by 'n voornaam juwelier eenige kostbaarheden, en maakt van de gelegenheid, dat 'n bediende een grooten voorraad juweelen aan hun keus komt onderwerpen, gebruik om dezen te bedwelmen, te binden, met den dood te dreigen, enz. De vrouw speelde in dit drama de voornaamste rol. Haar gemaal wist met het gestolene aan de nasporing der policie te ontsnappen, maar zy, gevangen genomen en voor 'n rechtbank gebracht, werd ... vrygesproken door de jury, na 'n schoone redevoering van haar verdediger die zich beriep op 't goddelyk en menselyk voorschrift dat de vrouw haren man onderdanigheid verschuldigd is. De trouwe ega had den koopmansbediende van-achter overvallen, hem by de keel gegrepen, 'n doek met aether tegen neus en mond gehouden, ze had geholpen aan 't knevelen, aan het zoekmaken van 't gestolene ... alles wáár, doch: ze deed het op bevel van m'nheer haar gemaal, en alzoo ...

Maar, zegt men, het was 'n _jury_ die haar vrysprak ... eilieve, 't was 'n _rechtsman_, 'n _advocaat_, die in z'n pleit-_jargon_ daartoe de motieven leverde! Ik neem noch die jury, noch onvoorwaardelijk 't jury-_stelsel_ in bescherming, doch beweer dat in dit geval de schande der vryspraak niet grooter is dan de misdaad van 't vrypleiten. Zou 't iemand die niet was opgegroeid in 't speciaal-vak van rechtsverdraaien, in 't hoofd komen de voorgeschreven onderdanigheid van de gehuwde vrouw aantevoeren als verontschuldiging voor gewelddadigen roof? Tot zulke afdwaling leidt alleen de speciaal-studie. Alleen 't specialismus geeft den moed tot zulke misdaad? Den moed? Och, die behoeft zoo groot niet te zijn, want waar ieder ander zich schamen zou met zoodanige praatjes voor den dag te komen, kan de jurist dit ongestraft wagen niet alleen, maar zelfs oogst-i by zeker deel van 't Publiek lof in met z'n impudentie. «Dàt is 'n advokaat, zegt Kappelman. Onder zyn handen is geen zaak reddeloos, hy sleept er door wat-i wil!» En Kappelman neemt zich voor, dien pleiter in den arm te nemen zoodra hyzelf er iets zal hebben «doorteslepen» waarmee dan ook het doel van den praatman, dien 't om voordeelige klandizie te doen is, wel bereikt zal zyn. Of evenwel het belang van den kliënt meebrengt, z'n zaak met 'n stempel van wantrouwen te besmetten door haar optedragen aan iemand die byzonderen roem inoogstte als pleiter, schynt twyfelachtig. Oppervlakkig gezien immers, zou men meenen dat ieder die van zyn goed recht overtuigd is, volkomen tevreden moet zyn met 'n eenvoudige voorstelling van feiten, en zelfs dat het hem tegen de borst stuiten moet, z'n rechtvaardige zaak door 'n pleitman by-uitnemendheid te zien gebruiken als terrein voor 'n wedstrijd in _chicane_ en kwasi-handige kunstjes. Hy legt zich de vraag voor, of niet het kiezen van een zoo «byzonder knappen advokaat» op den rechter 'n ongunstigen indruk maken moet? Zoo redeneert gewis de eenvoudig-eerlyke man van gezond verstand. We mogen dus aannemen dat de meesten anders redeneeren, en die «meesten» hebben wel eens gelyk, al weten zyzelf gewoonlijk niet waaraan ze soms den triumf van hun arglistig onverstand te danken hebben. Het kiezen van een «beroemd advokaat» en de slenters waarmee deze een zaak verdedigt, maken op den _Rechter_ alleen hierom geen walgelyken indruk, wyl hy evenals de mooiprater-zelf bedorven is door de specialiteit van 't «vak».

Toen BERYER, _le prince des orateurs_--d.i. naar myn overzetting: 'n knoeier van de ergste soort--in één zitting _voor_ en _tegen_ dezelfde zaak pleitte, kwam 't den voorzitter zeker niet in de gedachte dat het eigenlyk zyn plicht was dien oneerlijken man de deur te wyzen. Integendeel. Zelf afgericht tot specialiteit in advocatenkunstjes, moet hy de schelmery van dien allemansbabbelaar heel aardig gevonden hebben. Ze werd dan ook in 'n levensschets van BERYER voorgesteld als byzonder verdienstelijk, gelyk ik reeds hier-of-daar in m'n IDEEN met de noodige verontwaardiging heb opgemerkt.

_Slimmigheidjes_, zei ik, en iets vroeger spraken we van _kwasie_-handigheid. Wel zeker, 't is er ver vandaan dat zulke advokaterige debatteerkunstjes op logisch, rhetorisch, wysgeerig of _inderdaad_-rechtskundig gebied, waarde hebben ... _zouden_, indien zoo'n praat-specialiteit iemand tegenover zich had, die met eenvoudig gezond verstand en ongekreukt rechtsgevoel begaafd was. De zoodanige slaat, zonder de minste inspanning en met de kracht der waarheidzelf, door 't webje heen, waarin een oneerlyke tegenparty hem poogt te vangen. Maar--heel gelukkig voor den beoefenaar dier bekwaamheid van lage verdieping, en den bloei der advokatery--de in den grond ònbekwame mooiprater kan ongestoord z'n methode volhouden omdat hy te doen heeft met tegenstanders en rechters, die--de eersten soms in den schandelyk-strikten zin, doch beiden _altyd_ in slechts weinig gunstiger beteekenis van 't woord--z'n _compères_ zijn. Als specialiteiten immers van wat die heeren «_de Rechten_» gelieven te noemen, doorliepen zy denzelfden akademischen kursus van verstands- en gemoedsbederf als hy, en hieraan heeft de pleiter te danken dat z'n auditorium in rechtbank, parket en balie, zich door de grofste vergrijpen tegen Recht en Rede niet gestuit voelt. Al dat volkjen eerbiedigt, zooals zakkenrollers op de kermis, _vice-versa_ de eigenaardigheden van 't «vak». Ze worden hierin gesteund door zeker gedeelte van 't publiek, dat blyk van zaakkennis meent te geven door 't wegstoppen van z'n gebrek aan begrip. Indien ieder die zich behoorde te ergeren aan ongerymdheden in _wezen, vorm_ en _incidenten_ van onze rechtspleging, oprecht of moedig genoeg was om z'n oordeel uittespreken, zou 't met dat bespottelyk toejuichen van «knappe advokaten» en den «eerbied voor 't geslagen vonnis» spoedig gedaan zyn. By misbruiken als de hier gelaakte, hebben de vakmannen altyd 'n trouwe bondgenoot in het verstandelyk en zedelyk minst-ontwikkeld gedeelte van de menigte, een kategorie waartoe zyzelf dan ook --grootendeels juist _ten-gevolge_ van hun akademische leiding --gewoonlyk behooren. Als om de maat van ongerymdheid voltemeten --schoon de zaak zeer makkelyk te verklaren is--ziet men dagelyks dezelfde rechters die de onbeschaamdste zottepraat geduldig aanhoorden, in de _beslissing_ der zaak blyk geven dat ze op de aangevoerde verdedigingsgronden bitter weinig acht hebben geslagen, of zelfs dat die «gronden» 'n geheel anderen indruk maakten dan de beschuldigde zeker recht had te verwachten. De Fransche advokaat LACHAUD draagt den bynaam van _grand sauveur_, en juist hierom kan men den ongelukkige die hèm tot «verdediger» kiest, reeds vóór 't vonnis als veroordeeld beschouwen. Wie meent hèm noodig te hebben, verklaart zich ryp voor 't schavot. Het is immers nu eenmaal van algemeene bekendheid dat die niemand- reddende redder de specialiteit van ongerymde stellingen beoefent, en dat 'n certifikaat van onschuld uit _zyn_ mond, vrywel gelyk staat met 'n bekentenis van moord en doodslag. Ook waar dat bekennen niet meer noodig is, blyft altyd de naam LACHAUD 'n wichtig nummer op 't lystje van verzwarende omstandigheden. Het hem door de publieke opinie toegeschreven talent--hoofdzakelyk alweer bestaande in onbeschaamdheid --_benadeelt_ z'n beschermelingen, en komt dus in den grond, gelyk alle schelmery, op _onbekwaamheid_ neer. Wie dit betwyfelt, vrage zich af wat dàn de invloed is dien de kwasi-handigheid en spitsvindige kunstjes van 'n beroemde pleiter op de rechtbank uitoefenen? Voor de waardigheid der rechterlyke macht is de minst-leelyke veronderstelling dat die invloed ... géén invloed is. Een rechter die zich liet òmpraten door 'n advokaat--van 'n saamgeraapte _jury_ spreek ik nu niet--zou by z'n kollegaas-zelf doorgaan voor 'n dwaas, en in deze opmerking ligt het doodvonnis van 'n groot deel der advokatery.

Voor eenige jaren durfden de advokaten van JUT en z'n vrouw, in lange redevoeringen betoogen dat de rechters hun beminnelyke kliënten moeten vry spreken, d.i. men behoorde die moordenaars _frank en vry terugtezenden in de maatschappy, op 't gevaar af dat ze daar hun liefelyk handwerk tot eigen vermaak en aanmoediging van anderen zouden voortzetten_! Er blykt alweer niet uit de processtukken, dat de voorzitter tot die heeren de vraag richtte: _of zy, indien ze de eer hadden rechters te zyn, zoodanig vonnis vellen zouden_? Ook niet dat hy hun 't woord ontnam en de deur wees, wat z'n plicht zou geweest zyn. Wel neen, ze waren volkomen in hun recht, want de specialiteit van 't «vak» schreef die schaamtelooze zotterny voor, of althans ze maakte die straffeloos mogelyk. Eenmaal aangesteld als «verdedigers» mochten en moesten zy loochenen en ontkennen, hoe brutaler hoe mooier. 't Stond immers den rechter vry, er geen acht op te slaan? Wat moeten JUT en z'n geliefde KRISTIEN wel gedacht hebben van de integriteit der fatsoenlyke luî, zy die wisten--nu ja, _ieder_ wist het, rechters en publiek zoo goed als de advokaten-zelf, maar _zy_ toch in de eerste plaats--zy die _wisten_ hoe die mannen van de _Wet_ daar stonden te draaien, te huichelen en te liegen? Hebben zy 'n glimlach kunnen onderdrukken, toen ze een hunner «verdedigers» hoorden verklaren dat z'n gunstig oordeel over JUT niet was: «een _ex officio gehouden praatje_?» Foei, edele rechtenmeester, wie zou op zoo'n denkbeeld komen? Het zou ons heel leelyk staan aan «praatjes» te denken als we van u mogen vernemen dat JUT: «_geen slecht karakter bezit_» en: «_dat men in hem zekere ridderlykheid niet mag ontkennen_.» By 't aanhooren van zulke betuigingen mogen wy in ons de verplichtingen niet ontkennen, dankgevoel te bezitten voor die edelmoedige korrektie onzer begrippen over slechte karakters en ridderlykheid, om nu niet eens te spreken van 't lesjen in akademische balie-taal dat we hier zoo onverwacht prezent krygen. Ik vraag u ... halt, ook _ik_ wil eens mooipraten: ik wensch gevraagd te hebben, myne heeren, wie de gedachte aan «praatjes» zou kunnen bezitten, als hy ter verdediging van JUT, het inschrift hoort aanhalen, waarmee die _preux_ den bybel zyner welbeminde versierde, kort nadat ze met hun beidjes mevrouw VAN DER KOUWEN en LEENTJE BEELO zoo ridderlyk van alle wereldsche zorgen hadden bevryd? Neen, neen 'n «praatjen» is het zeker niet, als de advokaat--volstrekt niet «_ex officio_» lezer, godbewaar-ons voor zoo'n lasterlyke meening!--als hy, om eens geheel-en-al voor z'n partikulier genoegen terdeeg nuttig te zyn, ons verkondigt dat hy in dat inschrift zoo'n «_aardige aanwyzing_» vindt, die ons in staat stelt «_een eigenaardigen blik te werpen in het karakter van den beschuldigde_».[14] Waar is de onverlaat die--en na pas zoo'n uitstekende les in ridderlykheid ontvangen te hebben, nogal!--waar is de snoodaard, de booswicht, die aan 'n «_praatje_» durft denken, by zooveel aardige eigenaardigheid van blik? «Vanhier gy die ... enz. Een «_praatje_?» Maar _leest_ het dan, gy vuige belagers van paladyn JUT en advokatenwaardigheid, _leest_ en _overdenkt_ de woorden die hy op 't schutblad van den huwelykspresent-bybel, z'n teedere hartsvriendin toeroept! Leest, en vraagt uzelf af, of zùlke taal 'n pleiter aanleiding geven kan ... wat zeg ik, of zulke taal _mogelykheid_ overlaat tot het houden van 'n «_praatje_?» Wat staat er? Wy lezen:

«_Aan mijn geliefde_ CHRISTINA _door_ H. J. JUT ...

Zoo noemt-i zich, de edele ridder, met 'n eenvoud die aan de beminnelyke nederigheid van 'n GODFRIED te Jeruzalem herinnert. De lezer weet immers dat de eigenlyke naam van den held TANKRED-BAYARD is? _Aan_ CHRISTINA dus, _door_ JUT:

... _die beiden hoopen in de goedertierenheid_ ...

Van den prokureur-generaal, meent ge? O neen:

... _in de goedertierenheid van Jezus Christus_.»

Voor J. C. die toch ook jegens Mevr. VAN DER KOUWEN en LEENTJE BEELOO zekere konsideratien heeft in acht te nemen, is 't een moeielyk geval. Maar dat is _zyn_ zaak. _Wy_ hebben hier slechts te doen met de vraag hoe een advokaat, die zich op zoo'n verheven bybel-illustratie beroept, op 't denkbeeld komen kan dat iemand hem zal houden voor 'n praatjesmaker? Men kan de nederigheid te ver dryven. Hoogstens zou deze of gene--_ik_, by-voorbeeld--in dat alles 'n staal meenen te vinden van de hoogte waarop men 't brengen kan in onbeschaamdheid, als men zich gedekt waant door de specialiteit der advokatery.

