Part 1
SPECIALITEITEN
DOOR
MULTATULI
"THE RIGHT MAN ON THE RIGHT PLACE"
«_Het doet me groot genoegen dat er van dit werkjen 'n tweede druk gevraagd wordt. En, ronduit gezegd, het viel me tegen dat die niet sedert lang noodig was. 't Zal me waarlijk 'n groote voldoening wezen als deze uitgaaf wat spoediger uitgeput raakt dan de eerste, want--zoo onbescheiden als men wil, maar heel oprecht--ik geloof met zekeren my onbekenden recensent in den_ Spectator, _dat er uit deze studie over Specialiteiten wel iets zou te leeren vallen voor Volksvertegenwoordigers, Kiezers en ... sommige anderen_.»
Bovenstaande regelen maakten in 't najaar van 1875 den hoofdinhoud uit van het «_Voorbericht_» waarmee deze tweede druk van m'n opstel over Specialiteiten in 't licht verschynen zou. Velerlei verdrietige omstandigheden maakten my het afwerken der in datzelfde _Voorbericht_ toegezegde «Noten» tot-nog-toe onmogelyk.
Bovendien werd me van vele zyden onder 't oog gebracht dat het voor de koopers van den eersten druk myner werken niet aangenaam is, de volgende uitgaven daarvan al te zeer uitgebreid te zien.
Na vriendschappelyk overleg met m'n uitgever, verschynt nu deze tweede druk zonder die noten, en--op weinige min belangryke uitzonderingen na--_onveranderd_.[1] De toelichtingen die me geschikt voorkomen tot verdere staving van de juistheid der hoofddenkbeelden waaraan dit werkje z'n oorsprong te danken heeft, zullen _zoo spoedig mogelijk_ afzonderlyk worden uitgegeven.
Het is my onmogelyk dit berichtje te sluiten, zonder melding te maken van de echt-humane wyze, waarop ik in deze zaak door den heer WALTMAN[2] behandeld werd.
Met zachtmoedig geduld droeg hy den last en de schade die myn gedurig uitstellen hem berokkenden, zonder ooit de verdrietelykheden die van dat dralen oorzaak waren, te vermeerderen door afdoening te vorderen op 'n wyze als waartoe hy van _zyn_ standpunt volkomen gerechtigd zou geweest zyn. Hartelyk dank!
_Wiesbaden Oktober_ 1878. MULTATULI.
Noten:
[1] _Een maand later_. Onder 't gereedmaken van m'n werk voor de pers, bleek me dat ik myn hier geuit voornemen maar gedeeltelyk volbrengen kòn. De bydrage tot de physiologie van kamerdienaars, is nieuw. Het viel my te zwaar die satyre achtertehouden ... er stonden zooveel knechts op 'n spiegeltje te wachten!
Ook op andere plaatsen heb ik my aan eenige toelichting en uitbreiding schuldig gemaakt, zonder nu te spreken van de moeite die ik me gaf om, door 't omwerken van zinsneden die my in 't oorspronkelyke niet korrekt voorkwamen, de uitdrukking beter in overeenstemming te brengen met de gedachte. Of die moeite steeds met goed gevolg bekroond werd, is 'n verdrietige vraag die ik liever niet beantwoord. Het is nu eenmaal zoo, dat ik hier en daar iets veranderd en bygevoegd heb, en daarvoor vraag ik met 'n beroep op IDEE 112 verschooning aan de koopers van de eersten druk.
De uitbreiding en de veranderingen die ik my veroorloofde, zyn evenwel geenszins van dien aard dat zy de _Noten en Toelichtingen_ overbodig maken, waarvan ik in bovenstaand berichtje gesproken heb. Ik meen ze grootendeels gereed te hebben, maar weet by ondervinding dat ik by 't overgeven van m'n werk aan de pers, gewoonlyk de behoelte aan omwerking inzie. Voor dien arbeid is gezondheid, stemming, _loisir_ noodig. Zoodra ik kàn!
MULT.
[2] De uitgever van den 2en druk, J. WALTMAN JR., te Delft. (Nota der uitgevers van den _vierden_ druk).
The right man on the right place.
I.
Na _Carnaval de Vénise_ en Duitsche eenheid, zal men moeielyk afgezaagder thema vinden dan dit arme mishandelde motto. Wanneer ik nu nog bovendien verklaar, niet volkomen zeker te zyn dat ik de zaak van Dr. DIBBETS onaangeroerd zal laten, en zelfs beloof hier-en-daar iets te zeggen over vaderlandsche welzynen, volksheilen en zulke zaken, dan zal men hoop ik inzien ditmaal niet te-doen te hebben met een der «_exentrieke stukken, gelyk men gewoon is van dien schryver te lezen_.» Een kwalifikatie welke ik aanbeveel in de aandacht van referenten die geen kans zien zoodanig stuk van zoodanigen schryver behoorlyk te ontleden. Dit zy gezegd zonder minachting voor andere middelen die niet minder efficace werken, het zwartmaken byv. van des schryvers karakter. In beide gevallen kan men de moeite van 't kennisnemen, doorgronden en beoordeelen der behandelde zaak sparen en, niets zeggende, zich aanstellen alsof men iets gezegd had.
--Wel, kapitein, hoe bevalt u Amboina? vroeg onze goeie majoor HARTZFELD den Hollandschen gezagvoerder van 't schip dat my zou overvoeren naar Europa.
--Wat zal ik je zeggen, m'nheer! Amboina? Och, Amboina is ... 'n eiland.
--Wel, referent, wat heeft die schryver geleverd?
--Wat zal ik u zeggen, Publiek. Die schryver is excentriek.
De goede majoor HARTZFELD toonde zich tevreden uit bescheidenheid. Hy eischte van m'n kaptein geen gemotiveerde analyse van den indruk dien 't hoogst-interessante Amboina op hem maakte. En ook «Publiek» is tevreden met z'n referent, al zy 't dan niet heel bescheiden zoo'n armen schryver doodteslaan met één slag.
Hebt ge er wel eens aan gedacht, Nederlanders, hoe excentriek de schoonste stukken uit uw Bybel zyn?
Nu, _ik_ zal 't niet wezen. En daarom de zaak DIBBITS-KEER! En daarom dat versleten motto! En daarom ook die uitweiding over excentriciteit, een der meest afgezaagde minst excentrieke dingen van de wereld ... zaak, woord en uitweiding daarover, alle drie.
Wie heden-ten-dage iets te zeggen heeft, waarby _the right man on the right place_ kan worden te-pas gebracht, maakt zich waarlyk niet schuldig aan ongewoonheid. Men zegt--maar hier moet ik ernstig aandringen op geheimhouding--men zegt dat ergens in ons land zekere redakteur bezig is met het schryven van 'n hoofdartikel, waarin dat testimonium van het hedendaagsch _savoir faire_ maar driemaal zal voorkomen. Indien 't hem gelukt, zal hy daarna z'n krachten beproeven aan 'n verhandeling zonder klinkers. Daar ziet hy kans toe. Maar 't andere ...
Van jongs-af lette ik vry nauwkeurig op eb en vloed van modewoorden. Ik herinner me den tyd toen «_bluf_» geboren werd. De lezer ziet hoe goedig ik hem gelegenheid bied tot goedkoope spotterny. Ik heb de woorden «_type_» «_humor_» en «_genie_» in de kindsheid hunner populariteit gekend. «_Bepaald_» is jonger. Een der nog jongeren is «_intens_» om nu van «_objektief_» en «_subjektief_» niet te spreken ...
* * * * *
Tot m'n schaamte moet ik erkennen dat m'n omgeving niet gedistingeerd genoeg was, om my in-staat te stellen tot het genieten der _primeur_ van _Engelsche_ stopwoorden. Een beetje Fransch, wat school-of studenten-latyn, een tot den huiselyken kring doorgedrongen straatterm--men kan z'n ooren niet sluiten--was alles wat my in m'n jeugd voortgezet werd. De Engelsche praatjes uit dien tyd bepaalden zich tot _the devil is an ass take a basket and save the pieces of your soul_, en Yankee Doodle's klacht: _he couldn't find the town, he saw too many houses_. Later, veel later, ontvingen we uit Amerika Jonathan's raadgeving aan z'n zoon: «_Be honest my boy, be honest if possible, but ... make money_!» Maar dat komt hier eigenlyk niet te-pas, want in die les steekt praktisch nut. Vandaar dan ook dat ze zelden wordt aangehaald. Men stopt haar weg om niet uit de school te klappen, waaruit schynt te blyken dat de diepte van den zin den opgang der verraderlyke klanken in den weg staat. Zinledige praatjes als de aangehaalde, hoe flauwer hoe liever, hebben méér kans op populariteit. Ze waren dan ook _sans malice_. Men gebruikte ze op z'n juffrouw Pieterse's «om zoo iets te zeggen.» Men maakte er geen «eerst beginsel» van, waarop--onder andere zaakjes--de heele schepping berustte. Men spon er geen hoofdartikels om heen. Men borduurde er geen tableau van wysheid of moraal op. Men sausde er geen smakeloos krantengerechtje mee ...
Onschuldige jeugd!
* * * * *
Toch excentriek!
De inkleeding ... misschien! Maar overigens ... Lezer, ik koos m'n eigen manier om u voortebereiden tot het betoog dat de uitdrukking:
_the right man on the right place_
ten-onzent is afgedaald tot 'n armzalig vulsel, tot 'n _scie_, tot 'n stopwoord. Neen, tot iets ergers ... tot 'n onwaarheid. Help my de dagen terugwenschen van den goeden Yankee, wiens liedje geen kwaad stichtte. Dat rymloos rympje van den rechten man op de rechte plaats, sticht wèl kwaad.
* * * * *
Indien al de hoedanigheden--of de hoogst bereikbare maat daarvan--die 'n veldwachter behooren te versieren, vereenigd worden aangetroffen in de persoon van X, dan juich ik--in de veronderstelling dat ik me verbeeld op de hoogte te zyn--zoo luid als iemand de benoeming van dien X tot veldwachter, toe. Men moet 'n ongeneeslyk melancholikus wezen, of al zeer weinig tyd hebben, om by zoo'n gelegenheid niet meetejuichen. In dezen zin alzoo durf ik 't Engelsch _dicton_ niet aanvallen. Ik buig me voor de diepzinnige waarheid, dat'n zwaard past in z'n scheede, en 'n sleutel op 't slot waarbydi behoort. Dat 'n kraamkind in de wieg moet liggen--al blyf ik protesteeren tegen 't schommelen. Dat die X veldwachter wezen moet, en z'n neef Y lid van 'n invloedryk matigheidsgenootschap. Ook dat minister Z verdiende bevorderd te worden tot ambteloos burger ... altemaal _right things on their right places_, of _disederata_ daartoe strekkende.
Maar eilieve, we zullen toch niet van Engelsche wyzen hoeven te leeren dat men geen kraamkind veldwachter maakt, dat minister Z op geen enkel slot past, en dat men Y z'n roes niet kan laten uitslapen in 'n wieg? Dit alles wisten wy reeds in Yankee's tyd, en zelfs vóór WILLEM den Veroveraar. Ik bedoel den Normandischen WILLEM.
Er moet dus in dat gezegde _over de juiste plaatsing van personen_ --tenzy daarin géén zin hoegenaamd ligge--iets verscholen zyn, dat de geestelyk-geringe man niet zoo terstond vat, en deze meening wordt bevestigd door de koppigheid waarmee men die uitspraak handhaaft in 't bezit der bewyzen van haar Engelschen oorsprong.
De uitstekende X is dus veldwachter geworden.
--Dat doet me genoegen. Hy was twaalf jaren lang 'n voorbeeld van dragondertrouw, geloof ik.
--Hm! Dàt is nu juist de reden van z'n benoeming niet. Hy reed nooit te-paard.
--Hy heeft veel vrouwen en kinderen ...
--'t Kan zyn. Maar niet daarom werd hy aangesteld.
--Hy is «finaal» vry van sterken drank.
--'t Is mogelyk. Maar ... je bent er nog niet.
--Hy heeft weinig vrouwen en géén kinderen, maar zal trouwen met de keukenmeid van den burgemeester?
--Dat is zyn zaak. Niet daarom is hy benoemd.
--Hy gebruikte Theophile's wonderbalsem. Z'n knevel zal alle dieven en jachtstroopers schrik inboezemen.
--Mis!
--Ik geef 't op.
--Onnoozele! Raad nog eens!
--Hy, hy, hy ... ik weet het waarlyk niet.
--Och, m'n waarde oudmodische gearriëreerde allerbeste vriend ... je bent honderd jaar ten-achter. X is ... _the right man on the right place!_ Dat 's wat anders dan vrouwen, kinderen, knevels en 'n keukenmeid!
Wie nu nog minder Engelsch verstaat dan 'n gepensioneerd Gouverneur- Generaal, zou byna in verzoeking komen te gelooven dat die woorden een onvertaalbaar tooverformulier inhouden, 'n verzekering dat X z'n benoeming aan de wondervolle tusschenkomst van 'n beschermengel te danken had, die in droomgezicht of donderwolk den burgemeester verschenen was ...
Niets van dat alles. De heele zaak komt hierop neer, dat X geschikt werd geacht voor die betrekking.
Eilieve, waarom drukken wy zoo'n eenvoudige begrypelyke Hollands- menschelyke zaak in vreemde taal uit?
* * * * *
Ik herinner me hoe in 1842 de vriendin eener dame te Padang, die over haar geringe afkomst werd gehekeld ...
«Haar vader was trompetter» had men beweerd.
... hoe die vriendien party-trok voor de gehoonde afwezige, met 'n heftig:
Ja, maar ... 'n _Engelsche_ trompetter!
Dààrover werd gelachen. Men vond de verdediging even zot als de aanval dom en kwaadaardig was. Doch, ik vraag u, Nederlanders, U die aldus «volkerenwysheid» borgt van den vreemdeling, of ge niet wat al te gastvry zyt in het onthalen van 't Engelsch trompetterskind dat we hier onderhanden hebben genomen om 't 'n fatsoenlyke begrafenis te bezorgen? Komaan, ik stel u voor, alle kinderen even lief te hebben --van trompetters en anderen--maar juist dààrom geen onverdiende hoogheid toetekennen aan vreemd kroost, en vooral niet _omdat_ er wat trompetterigs bykomt.
Laat ons eenvoudig zyn, en nu-en-dan--als het te-pas komt, waarom niet?--vorderen dat _ieder_ en _alles_ op de plaats zy, waarvoor _hy_ en _het_ geschikt zyn. En laat ons dit doen zonder 'n ophef alsof we de diepzinnigste waarheid van de wereld verkondigen. Laten we daarby de _leugen_ vermyden, klaterwaarde van _citaat_ optedringen aan 'n uitspraak, zoo huisbakken-eenvoudig dat er geen geklater, geen Engelsch en vooral geen trompet--ik spreek nu niet van hoofdartikel- schryvery--by te-pas komt.
* * * * *
Indien ik hier m'n uitval tegen de pretentieuze afkomst van die Padangsche dame besluiten mocht, had de heele uitval achterwege kunnen blyven. Ik heb betoogd dat men zeer goed in 't Hollandsch zeggen en doordryven kan, dat het nuttig is, ieder te plaatsen waar hy naar gaven, karakter, fortuin, ouderdom, enz., tehuis behoort. En ... dat men zich daarby niet behoeft te beroepen op exotische wyzigheid. Welnu, ik mag na dit allergemakkelykst betoogje, _niet_ van dat onderwerp afstappen. Want ik hoop opgewekt te hebben tot de vraag:
--Wanneer die Engelsche waarheid zoo eenvoudig voor de hand ligt, vanwaar dan dat ze, alsof 't een diepzinnig spreekwoord was, kracht van _tekst_ heeft gekregen? Er moet daarin toch iets meer liggen dan in sommige andere spreekwyzen--«_mooi weer vandaag_» «_twee maal twee is vier_» _de Nederlander is braaf_, enz. enz.--die we gewoon zyn in 't Hollandsch te zeggen. Beproef gyzelf eens, aan een lauw, dor, banaal hoofdartikel schyn van gewicht te geven ...
--Zonder klinkers?
--Neen, zonder _scie_, zonder stoplap van dien aard.
--Ge erkent dus dat het Engelsch trompetterswicht 'n _scie_ is.
--Ten-naaste-by. Ik erken dat het zich wat te burgerlyk voordoet om pretentie te gronden op vreemdigheid van afkomst. Maar vanwaar dan de ophef? Er moet toch 'n oorzaak zyn waarom zoo'n ... _praatje_ fortuin maakte. Men zou toch niet wanen of beproeven 't publiek te imponeeren met elke andere banaliteit in vreemde taal uitgedrukt?
--Spreek toch niet te stout over wat men niet beproeven zou. Ik heb waarlyk wel wanhopiger pogingen zien gelukken, om nòg gewonen wysheid, nòg onbeduidender wawelpraat, als een onder SIS-tempels opgegraven mysterie binnen-te-smokkelen in de gemoederen van lezers en hoorders. Bron van oneindige kracht, uw naam is kwakzalverij!
Wie by de verheffing eener persoon tot eenig ambt, z'n tevredenheid daarover zou te kennen geven door't aantoonen van de oorzaken die zoodanige benoeming wettigen, heeft minder kans z'n overtuiging over te gieten in de gemoederen der lezers, dan iemand die z'n oordeel onder bescherming stelt van zoo'n als eerwaardig geykten term. En ... de methode is gemakkelyker. Even als in de wiskunde met formules, wint men een meestal lastige en daarom eens-vooral als geldig aangenomen redeneering uit. Maar--_niet_ als in de wiskunde--voelt men soms behoefte aan formules--zegge: _frazen_--om, onder valsch voorgeven van overbodigheid, de aandacht van 'n _onjuiste_ redeneering afteleiden.
Op de vraag: «is die benoeming goed, nuttig, oorbaar, rechtvaardig?» stelle men zich niet tevreden met 'n Engelschen deun, en zelfs niet met 'n Hollandschen. De hoorder of lezer heeft recht op _aantooning der gronden_ waarop de tevredenheid met zulke aanstelling berust. De verzekering: «A, B, C, is de rechte man op de rechte plaats» is geen _betoog_. Het is 'n uitspraak die--om _iets_ waard te zyn--betoog _noodig heeft_.
Dat nu de velen die klank voor zin nemen, uit traagheid met zulke klanken tevreden zyn, heldert nog geenszins op, waarom juist het hier behandeld Engelsch gezegde zooveel onverdiend fortuin maakte. Er moet nog 'n andere oorzaak wezen, die 't arme trompetterskind verhief tot 'n druk bereden stokpaard van krantenschryvers, en tot motto van dit opstel. Een ongewone eer, waarlyk! Want inderdaad, het is na den val der Fransche journalistiek--ieder zal toch nu wel erkennen, dat het ongelukkig Frankrijk aan _frazen_ bezweken is!--'t is na de schipbreuk der couranten-wysheid zoo gemakkelyk niet 'n redakteur bytestaan in het _telle-quelle_ vertoonbaar maken van 'n hoofdartikel! De «deun» die thans nog altyd, na 't bloedig _mene tekel_ aan de wanden der redaktie-bureaux, moed, lust en kracht levert tot het voorzetten van de ongezonde feestmalen waarop «Publiek» genoodigd wordt door de Belsasars van de pers, moet machtige beschermers hebben ... verdedigers van 't nobel gehalte dier Padangsche vriendin.
En ... de eer der plaatsing boven 'n stuk van my! Van my, die 't zelfs versmaden zou my op GÖTHE te beroepen ter illustreering van de waarheid dat twee meer is dan één, al zy 't dan dat die bekwame _faiseur_ in z'n meer geprezen dan gelezen werken ontelbare zinsneden levert, waarin waarheden van dergelyk gehalte triumfantelyk worden verkondigd. Van my die m'n weerbarstig gemoed niet kan buigen tot 'n eerbiedig: «hoe koud vandaag ... gelyk de groote dichtervorst zoo wél gezegd heeft» of: «kiespyn is onaangenaam ... om de kernachtige uitdrukking van een onzer meest onsterfelyke redenaars te bezigen.» Waarlyk er behoort iets toe, om--als _right motto on the right place_--boven 'n stuk van MULTATULI te staan ...
Daar begin ik waarachtig zelf te trompetten!
Het kind dat ik uitkleeden en begraven wilde, heeft zich van my meester gemaakt.
Er moet iets achter steken. Die kracht ...
Ik zal 't u zeggen. Om nu over andere oorzaken van meer ondergeschikten aard niet te spreken: 't onnoozel wicht heeft z'n taaie levensvatbaarheid te danken aan ons wanbegrip over SPECIALITEITEN.
Ook dat trompetterskind--van Hollandschen oorsprong ditmaal, of nagenoeg--behoort uitgekleed en ten grave geleid te worden. Als we daarin slagen, zullen we later wat minder last hebben van z'n schreeuwerig kameraadje.
* * * * *
Het is 'n onbetwistbare waarheid dat SOKRATES eenmaal den jongen ALCIBIADES 'n duchtig lesje heeft gegeven over z'n onbescheidenheid.
Onbetwistbare waarheden zyn de zoodanigen, die eens ergens als 'n los vertellinkje geboekt werden, en later--liefst in 't Grieksch of Latyn--'n deun geworden zijn, waarbij men _classiquement_ heel fatsoenlyk zweren mag.
--Ik geloof er niets van ... zegt nu-en-dan de waarheidzoeker.
Maar hy vergist zich. Want:
't Is het kind van 'n Griekschen trompetter, roept de hartelijke vriend van buitenlandsche waarheid.
En we buigen 't hoofd voor die deftige afkomst.
't Is dus wel degelyk waar, dat ALCIBIADES door SOKRATES allerjammerlykst werd doodgeslagen met 'n bar: «m'n beste jongen, je ziet wel dat _jy_ niet de rechte man op de rechte plaats zoudt zyn voor die betrekking.»
Ik heb nu, om SOKRATES te binden aan de ekonomie van m'n prachtig motto--dat wel wat mank gaat aan tautologie[1]--den man iets gebrekkiger doen preken, dan naar we hopen z'n gewoonte was. De vraag is niet of SOKRATES zich beter uitdrukte dan onze hoofdartikelschryvers. De vraag is, wat er ontbrak aan de specialiteit van ALCIBIADES, om hem zoo'n Engelsche behandeling op den hals te halen!
De goeie jongen wou magistraat zijn, en SOKRATES--misschien opgestookt door de Jezuïten, maar PLUTARCHUS verzwygt dit voorzichtig--SOKRATES wilde hem nog wat op-school houden, 't Was nog zoo heel lang niet geleden, dat de kwajongen de straat van Athene met z'n lichaam plaveide. En dan dat schandaal met dien hond!
Ik trek geen party voor ALCIBIADES. Maar ... ik protesteer tegen de wijze waarop de ander hem z'n onbevoegdheid, zyn gebrek aan _specialiteit_, voor de voeten wierp.
--Jy magistraat ... Jy? Komaan, zeg my eens, hoe hoog is het budjet van den Staat?
Daar stond onze pretmaker. Hy had getold, gesold, gedold, gerold, geknikkerd, geknibbeld en gebikkeld, buren geplaagd, nachtwachts dol gemaakt ...
En ook by SOKRATES kollegie gehouden, dat is waar. Maar ... wat helpt dit, als men na dit alles nog niet weet hoe groot de inkomsten van den Staat zyn?
Gebrek aan _specialiteit_!
Ik vraag u, o SOKRATES, indien uw leerling eens, tusschen al z'n guitenstukken in, de Atheensche begrooting had vanbuiten geleerd--'t is niet zoo heel gewaagd, hiervan de mogelykheid te veronderstellen --zoudt ge hem dàn uw stem hebben gegeven? Zou dàt 'n reden hebben opgeleverd, om z'n _specialiteit_ aantenemen als behoorlyk gestaafd?
Och, SOKRATES antwoordt niet. Het is onaangenaam spreken met menschen die dood zijn. Maar by-gebreke aan zyn antwoord, vraag ik den lezer, of liever--om niet andermaal vergeefs te vragen--myzelf:
_Wat zyn specialiteiten_?
_Waar behooren ze_?
_Waar behooren ze niet_?
En ik--in weerwil der bemoeienis van «welwillende vrienden» nog steeds niet geheel-en-al dood--zal antwoorden zoo goed ik kan.
II.
Wie 't goede wil, en daarom 't kwade bestrydt, vergist zich vaak--zooals andere geneesheeren--in de keuze der middelen. Ik vrees dat het vorig hoofdstuk niet goed geschreven is. Sommigen zullen 't geestig vinden, en by dezulken heb ik m'n doel gemist, wyl dan de aandacht werd afgeleid van de bestreden kwaal, om die overtebrengen op de eigenaardigheid van den geneesheer. Niet dáártoe meldt zich 'n arts by den zieke. En wie m'n betoog _niet_ geestig vindt, heeft nog meer reden om de strekking daarvan te versmaden. Waartoe ik my dan ook by dezulken vriendelyk aanbeveel.
Indien ik my inderdaad vergist heb in de medikatie ... men vergeve het my. Evenzeer als m'n vriend AUGUSTE, de advokaat-likdoornsnyder, ben ik 'n voorstander van _emollients_. Maar na zóó dikwyls m'n krachten vruchteloos beproefd te hebben aan 't uitroeien der frazenziekte, was ik eindelyk wel genoodzaakt m'n geluk te beproeven met _cautéres_ van spot. Ik verzeker den lezer, dat ik bedroefd ben over de hardnekkigheid van de kwaal. Ingemoede tracht ik met gezond verstand te dienen. De Rede is m'n godin.
Waar ik haar zie miskennen, bloedt my het hart.
Niets natuurlyker alzoo, dan dat ik alles haat wat tot die miskenning aanleiding geeft, of daartoe meewerkt.
Onder de bondgenooten van redelooze Ongodsdienstigheid vinden we steeds in de voorste gelederen: _fraze, spreekwoord, zegswys, manier van spreken, dicton, citaat, zaag_ en _deun_ ... altemaal adjudanten van den leugen-duivel, misbruik van het Woord--van den _Logos_--zonden tegen den H. Geest der Waarheid, Godslastering.
Het eerste woord waarmee de eerste misdadiger den eersten doodslag trachtte te vergoelyken, was ... 'n _praatje_.
--Ben ik myns broeders hoeder? vroeg KAÏN.
--Neen (had het zonderling spook kunnen antwoorden, dat in _sommige gedeelten_ van den bybel--_volstrekt niet overal!_--voor «God» wordt uitgegeven) neen, maar die ambteloosheid gaf je geen recht dien broeder doodteslaan.
of:
--Niet dáárover loopt onze kwestie. De bedoeling van m'n vraag is, òf je hem doodsloeg, en met welk recht?
KAÏN gebruikte die zegswyze--hy zal er wel bygevoegd hebben: _gelyk de groote dichter zich uitdrukt_, of: _om 'n oudecht-vaderlandsch spreekwoord te bezigen_ ... dat kleedt 'n fraze!--hy sprak zoo, uit verlegenheid.
Juist. Wie broeders doodstaat, en met Waarheid overhoop ligt, voelt zich verlegen. En 'n _fraze_ is daarvan de korollaire uiting. Waar we dus frazen ontmoeten, ligt ergens een vermoorde broeder in 't kreupelhout.
En daarom zal men my vergeven dat ik naar helschen steen gryp om «praatjes» uittebranden. «God» deed het ook in die _cause sélèbre_. Hy maakte korte metten met den praatjesmakenden moordenaar, en smeet hem zonder veel vorm van proces 't paradys uit. _Bien jugè_!
* * * * *