Chapter 9
"De juffers van het hof die met geçierde rocken, Die met een dertel oogh ons kriele sinnen locken, Verdienen 't ongeluck dat ons haer wesen verght, Maer dit onnoosel dier en heeft my noyt geterght."
Vgl. ons: mondterging; en Gloss. Granida.
1382. Op alle vragen geeft zij..... zo vriendelik en zo ten volle antwoord, dat.....
_in volle leden_, volledig, ten volle, vgl.: (het onderzoek) "is by my niet overal in volle leden ghedaen konnen werden."
1384. _strecken over_, vgl.: (zijn gedachten) laten gaan over, maar hier sterker: zo had hij op haar zijn hart gezet.--_Sinnen_, vgl. gemoet, 702: hart, "'t beginsel van zijn neigingen, hartstochten", tegenover verstand, rede, vgl. 703.
1388. _hertsen_, dubbelvormig uit hert_s_, en hert_en_. Vgl. o.a. Kolthoff, Het Subst. in 't Nederl. der 16e eeuw, 27.
1393/4. _noemen: afgekomen_, rijm van _oe: o._ dat vaak voorkomt, zie Reynaert, (Zw. Herdr.) Inleiding blz. XLIV, vv., XLVI, en XXXIX. Met de daar aangehaalde litteratuur.
1411. A. was haar voorspraak, pleitte verzachtende omstandigheden; de lant-vooght nam dit (wat hij bijbracht) aan; vgl. ons: iemand voorspreken. Kiliaen veur-spreken, fide iubere, stipulari et defendere verbis. Diefenbach: prolocutor vorspreke, vorsprecke. advocare vorsprechen, fideirbere, vorheyssen, borghe werden.
1415. In ouden tijd kon manslag en moord met geld afgekocht.
1450. Beeldspraak aan 't klein schippersbedrijf ontleend. Zeilt men met volle zeil, dan is de boegspriet vooruitgestoken; deze wordt echter opgetrokken of ingehaald, nadat de kluiver gestreken is, zodra men de haven en wal nadert, en vaart mindert.
1457. _de_ man, naast _den_ man: passim; vgl. _die_ 407 _a_.
1473. Ghy siet, Imperatief vgl. 298.
_Pasquier_, vgl. 1792; beroemd Frans jurist en overheidspersoon van Parijs, 1529-1615. Onder meer: Les Recherches de la France (1560).
1497. _mogen_ = moeten, vgl. Van Helten, Mndl. Spr. § 232; Verdam, Mndl. Wdbk., i.v. Nog in Zeeland.
1500. _kruys-dragende_. Het kruis, dat gewoonlik aan een ketting om de hals werd gedragen, is het gewone onderscheidingsteken van alle bischoppen, en van die abten, aan wie de bischoppelike insignia zijn toegestaan. Men zal een, moeten inlassen na _kruys-dragende_, waarbij als appositie dan B. ofte A. staat. Eigenlik hier een min juiste vertaling van: "le Pape.... ordonna, comme on disait: que tout Evesque, et Abbé portant crosse, leur donneroit pour une fois dix livres tournois."
1502. _Tournois_. In de ME. had bijna elke stad het muntrecht: daardoor ontstond allerlei muntwaarde, vandaar de bijvoeging (een pond) doorniksch, e.a. Vgl. nog pond sterling.
1521. de mans wijs makende dat hun vrouwen verkeerde zaken bij de hand hadden, hun ontrouw waren.--Vgl.: "een vrouwe heeft ons een spinrocken gerockt daermen nu nacht en dach met besich is om quaet garen af te spinnen twelck wel int afhaspelen vuyl quaet wergaren mochte worden." Sermoenen-Broer Cornelis.--Vgl. Harrebomée, Spreekwoorden, I, 202_b_: "Zoo 't wijf met de oogen gluurt, en met haar gangen draait, Is 't wonder dat ze niet met andrer garen naait."--ook: Stijntje en Trijntje, laat varen: Zij spinnen quaet garen (ald. L. S. I, XXXVIII) daar aangehaald: Gheurtz, 10, 76--_grof garen spinnen_, vgl. ook Zw. Herdr. 12/13 (Asselijn's Jan Klaaz) Aant. bij 152.
1522. _uyt de lieden beurse_, vgl. ook Van Helten, Vondels Taal, Synt. blz. 141; mndl. de weeskinderen goeden;--die arme luden lijken, etc. in Mndl. Spr. blz. 450.--Ook?... "naar rijkelui gewoonte", Potgieter, Proza 394.
1531. _Sebastiaen Munsterus_, Duits mathematicus en Hebraïcus, 1489 (Ingelheim)--1552 (Basel). Zijn hoofdwerk: Cosmographia universa, een van de oudste aardrijkskundige werken.
1535. _Philippe Camerarius_, 1537 (Tubingen)--1624, zoon van de beroemde Joachim (I) C, broeder van Joachim (II) C, schreef o. a. Orationes.
1536. _Konrad von Gesner_, 1516-1565, polyhistor, gaf een nieuwe richting in de Litteratuurgeschiedenis door zijn Bibliotheca universalis sive Catalogus omnium scriptorum locupletissimus in 3 linguis Gracca, Latina et Hebraica extantium, (Zurich, 1545-55); gaf verscheidene oude auteurs uit met commentaren, o. a.: Mithridates, sive de differentiis linguarum etc, Zürich, 1555. Vgl. Hanhart, K. v. G. 1824.
1548. Volgens de wetenschap van medici en natuurvorsers.
_Naturen_, subst. zw. genitief; vgl. zelfs _naturens_. Vondels Taal, I, § 68 i.f.
1568. _Avicenna_, de beroemdste Arabiese Filosoof en arts, 980-1037; zijn beroemd werk "Kanun" grondt zich op Galenus. _Franciscus Valesius_, Spaans geneesheer XVIe eeuw, lijfarts van Philips II.
1569. _Jacques Ferrand_, Frans medicus, te Agen geboren in het einde der XVIe eeuw. Traité de la maladie de l'Amour ou mélancholie érotique, Paris, 1623.
1572. _geleerste_, _plur_. zonder _n_;, vgl. eenige, ervarenste 1566, voorlede 1592, geleerde 1606, groote 1628, e. a. Zie Vondels Taal I, § 100, 105, p. 110. Mned. Spraakl. § 308, 309, 311.
1582. _slagh-ader die uyt het herte haer beweginge heeft_: hier is Cats zeer "up to date" (in 1633 was hij al met het Sp. H. bezig); evenals van Beverwijck (deze in 1638?) nam C. de circulatie-theorie van Hervey aan (1628 gepubliceerd). Vgl. vooral _E. D. Baumann_, Van Beverwijck in leven en werken geschetst (1910) blz. 134 vv. De meeste gezaghebbende medici bleven tegenspartelen; en zelfs heftig bestrijden.
1594. Ovidius, Heroïdes XI, 33, 34:
Prima malum nutrix animo praesentit anili: Prima mihi nutrix, Aeoli, dixit, amas.
1616. Vgl. Antwerper Lietboeck No. 215, p. 334:
Sotten, wat mach v gebreken? Sottinnen, hebt goeden moet, Als v die wespen steken, Loopt inden haselaer metter spoet; Die gaeren metten lenden wercken, Compt doch metten hoop, Papen ende clercken, Die nooten zijn goeden coop.
(Vgl. voor haselaer en noten, Kalff, Lied in de ME. 349, en Verwijs St. Nicolaas, 41/42, en Wolf s Zeitschr. f. D. Myth. III, 68.)
1617. _Soranus van Ephese_. Sommigen spreken van twee, waarschijnlik is er maar éen geweest, die leefde tot 138 na Chr.? Aan deze toegeschreven een Leven van Hippocrates. Zijn hoofdwerk: Per'i gunaike'iwn paj=wn.
Vgl. Ilberg, in de Abhandl. Sachs. Acad. XXVIII (1910).
1623. _Valerius Maximus_, ± 30 na Chr., schreef De dictis factisque memorabilibus libri IX; met vele historiese anecdotes.
1625. _den sieckaert maken_; Kil. Den sieckaert maecken, Aegrotum simulare, simulare morbem. Vgl. als of hij (God) den vrijer quame maken aen de menschen (Osea 3. 1) en daer na.... stelt sigh eerst als bruydegom, en daerna als echte man; ook: den duvel maken, I Martijn (ed. Verwijs), 149.
1629. _Galenus_, naast Hippocrates de beroemdste Griekse geneesheer, in Pergamum, Alexandrië en in 164 na Chr. te Rome. Tal van werken.
1665. _Paulus Aegineta_, beroemd Grieks chirurg, in Aegina geboren, volgens sommigen in de IVe, Ve, VIe, volgens anderen zelfs in de VIIe eeuw na Chr. Schreef een beroemd Compendium van de Medicijnen. Pauli Aeginetae de re medica libri septem, (gedrukt Venetië 1528, verbeterd Bazel 1538.)
1671. Bij een ander verhaal zal daar over wel, is gesproken worden. Over de compositie van de Trouringh, zie Inleiding blz. VIII, vv.
1689. _Erasistratus_, beroemde arts in Ceos, ± 300, lijfarts van Seleucus Nicator. Vgl. vs. 1621. Stichter van een eigen mediese school.
1705. _uytmuntende_, vgl.: "dat de selve geen uytmuntende gebreken aen haer lichaem was hebbende" (bedoeld zijn "verlemtheyt, bultigheyt of diergelijcke")--"Of yemant, hebbende een uytmuntende lichamelick gebreck dient getrout."--"Yemant soude willen aanraden tot sodanige uyt-muntende gebreken (d. i. een openbaer sienlijck of tastelick gebreck), immers niet om des rijckdoms wille."
1724. _meloenen_. Vgl.: "Het en beurt niet selden dat de menschen haer met Meloenen een sieckte op het lijf eten. Want sy bederven lichtelijck, en in den buyck bedorven sijnde, nemenze byna de nature van vergif aen, ende veroorsaken een sieckte, die wy Boorts noemen, ofte eenighe quaedtaerdighe koortsen..." I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, (enz. 1651) blz. 104.
1740. Verschillende leuke voorbeelden van handige "Doctoren" bij I van Beverwyck, Schat der Ongesontheyt, (1651), blz. 5.
1762. _dat jae_, meermalen bij Cats, ook: "ick meyne dat neen", naast: "ick meyne ja".--zie 1830; vgl. Frans: que oui, que non.
1772. _het vogeltjen onder de steert sien_. Harrebomée, Spreekw. "dat beteekent: ik moet eerst de zaak navorschen, 'zoo als de vogelaars', zegt van Eijk, 'om te onderzoeken, of het dier geen gebrek heeft'". Zie ook van Eijk, Nederlandsche Spreekwoorden (1838), 92; Bogaert, Toegepaste Spreekwoorden (1852), 91.
_dagh en raet_, komt er tijd, komt er raad. Ook Harrebomée. Spreekwoordenboek 3 dln., 1858-1870, die verwijst naar Servilius, Adagiorum epitome (enz.), Antwerpen 1545, blz. 253; Gemeene Duytsche Spreekw. gedrukt tot Campen, bij Peter Warnersen, in den Witten Valck, _s. a._, blz. 12; Sartorius Adagiorum (enz.) 1556, blz. 128; Tuinman, Oorsprong en uitlegging (enz.) 1726/7, I, 331.
1773. Vgl. 105 vv.
1781. _Martin-Antoine Delrio_, geleerde Nederl. Jezuiet, 1551 (Antwerpen)--1608 (Leuven). Van hem: Disquitionum magicorum libri sex. Leuven, 1599.
1790. Oversettinge van Hieronymus; in de Vulgata: door verschillende synoden (laatstelijk Trente) geauthoriseerde Lat. Bijbelvertaling.
1791. _dient daerom na-gesien_: "te worden" door vele grammatici geëist, ontbreekt hier. Vgl. Van Helten, Vondels Taal, Synt. § 248 en Tijdschr. XI, 180.
1839. Het gemene recht, het recht dat algemeen geldt in een landstreek, Ned. Woordenb.--De Gemene rechten zullen doelen op het Rom. Recht; naast de landrechten, elk in hun biezondere streek.
1841. _gaende maecken_, vgl.:
"Waer gelt en schoonheyt is, daer zijn gewenschte zaken, Die met een stille kracht de menschen gaende maken."
"die hem de sinnen gaende maken."--"de jeught, de min, de nacht, die als een stille wint de lusten gaende maken."
1844. _Justus Lipsius_, de beroemde humanist. 18 Oct. 1547-24 Maart 1606, prof. in Leiden en Leuven; o.a.: Monita & Exempla politica, Leiden, 1601. Vgl. verder het Leven en Werken in Bibliographie Liptienne (Gand 1886).
1851. De Joden, het uitverkoren bondsvolk, vgl. Genesis XVII. Daarna onder de Nieuwe Bedeling: het Genadeverbond, ook over andere volken zich uitstrekkend; vgl. Hebr. VII, 22; VIII, 6, 13; I Kor. XI, 25; II Kor. III, 6, 14, ook Matth. XXVI, 28. Teken: de doop, vgl. 624; vgl. het Belijdenisformulier, Art. XXXIV.
Calvinisties betoog.
1863. Oud-christelike voorstelling die berust op allegoriese verklaring van het Hooglied bij de Joden: Sulamith, de geliefde, = Joodse volk; de minnaar, Jehova; vgl. o. a. ook Ezech. XVI; later pasten de kerkvaders (Origenes, Hieronymus) dit op de gemeente van Christus toe; vgl. Chr. de Bruidegom in het N. T.; toen niet meer allegories maar in mystiese zin verklaard. Ook aldus in de Protestantse Kerk. Vgl. het Trouwformulier.
1887. de een met de ander: met elk-anderen. Vgl. o. m.: "gehoude lieden met onderlinge bewilginge sigh van den anderen wel mogen onthouden."--"twee, die geen vryheyt hebben van verkiesinge, krijgen dickmael een af-keer van den anderen."
1889. Wel zou de man zijn vrouw niet haten, toch haat de dwaling de waarheid.
_Hypolite Salviani_, Italiaans medicus en natuurkundige, 1514-1572, pauselik lijfarts, o. a. van Julius III. Is hier bedoeld De crisibus ad Galeni censuram liber (1558)?
1892. _Henniagus Arnisoeus_, Duits geneesheer (1580, Halberstadt-1626); lijfarts van Christiaan IV van Denemarken; schreef vele mediese en juridiese werken, o. a. De jure connubii.
1902. De brief van Paulus aan Philemon.
1906. _Molin_, Petrus Molinaeus (du Molin) 1568-1658, Frans Hugenoten-prediker, na 1620 prof. theol. in Sedan. Ging 1615 naar Engeland op verzoek van Jakobus I. Zie G. Gory, P. d. M., Paris 1888.--Is bedoeld "Conseil fidèle et salutaire sur les mariages des personnes de Religion contraire"?--Zie Jöcher, Gelehrten Lexicon.
1916. _immers_ = altans, vgl.:
"Het maeckt een groot gherucht, Het schijnt of dat 'et krijst, of immers dat 'et sucht."
Vgl. een andere plaats 1705 A.
1918. _sedigheyt_, vgl. woest; _geloove_, ongeloovigh, 1907, zie 1848, vv.
1920. Vgl. Paulus aan de Korint. I, 16, welk vers in Cats-z'n tijd op vs. 12, 13, 14 slaat.--Vgl. Grotius, Annotationes in N. T.: "Magnam enim vim habeat in animos sancta viri aut mulieris conversatio".
1939. _Vrij wat slots hebben_, slot hebben = zin hebben, sluiten, vgl.
"'t Is beyde sonder maet, en tegen goede zeden, 't Is beyde sonder slot, en buyten alle reden."-- "Als er iemand boecken schrijft De leser lacht, de leser kijft De leser prijst, de leser spot En beyde dickmaal sonder slot."-- "Wat gaet de slimme gast alhier te voorschijn halen Of fabels sonder slot en oude leugen-talen, O, regter! achtet niet al wat de bouve seyt Ten heeft geen ander slot, als slegts een loos beleyt."
1972. Dochters Laban; vele Hebr. eigennamen in de Septuagint en in 't N. T. onverbuigbaar; vgl. vooral Matth. I; Luc. III, 23, 30, 32; X, 30; XVIII, 35; Joh. XVIII, 1; vgl. Robertson (Louïsville, Ky U. S.), A Grammar of the Greek New Testament in the light of historical research3 (1919).--Thackeray, a Grammar of the O. T. in Greek I (1909).
1979. _nachtegael_. Vgl.:
"O nachtegael die op de peluw sit Ghy kond voorwaer te wonder krachtigh singen."--
vgl. ook? Ver nachtegael, Kalff, 360, 355.--Nachtegaal op de peluw: vrouw, die in bed knort! Van Dale-Manhave.
Harrebomée, Spreekw. kent nog: Het is een nachtegaeltje op de peluw: dat is: moeder zingt 's nachts haar kind in slaap.--Een kwaad wijf, is een kwade nachtegaal.--Dat is maar om kennis te maken, zei losse Filip, en hij lichtte zijne vrouw met een houten lantaarn naar bed, daar de nachtegaal zeven jaren op gezongen had.
1981. Veel vermag de smeektaal van de vrouw.
GLOSSARIUM
A. verwijst naar de aanteekeningen.
A
ader, 260: slagaar, pols? zie slagh-ader.
ader-slagh, 1691.
aen-doen, 679: aannemen.
aengaen, overkomen, 613. -- op, 1726.
aengevochten met droefheyt, 10 A.
aen-leggen, overleggen, inrichten, 81 A. 130. 182.
aen-nemen, tot zich nemen, ontvangen, accipere, 854 --aannemen, 1411 A.
aen-schouwen, 941.
aen-steken met, ontsteken in, 1265.
aen-vangen, aanvaarden, 717.
aen-veerden, 682: den spinrock, gaan spinnen.
aen-voeden, kweken, 1022 A.
aerdigh, bevallig, lief, fraai, 138, 150, 337, 1052, 1178.
aerdsche dal, 766, 819.
aert, natuur, geaardheid, inborst, soort, 823, 928, 1271, 1296, wijze, 562.
aes, voedsel, 511.
af-breken, doen ophouden, 1350.
afgesondert, 1850: afgescheiden.
af-leyden, 1312: weg voeren.
af-nemen, opmaken, uitlezen, 1668.
achter, door langs, 579, 618.
achtinge, (in -- komen), aanmerking, 1911.
al, geheel, alle, 80, 354, 1190.
al, wel, nu, al, 123, 147, 351, 594, 826, 1127 A., 1141, 1170, 1319, 1397, 1610: nog al, 1930.
algelijck, evenzeer, 1070. -- evenwel, 1363.
schoon ... al, ofschoon, 268, 605.
al te mael, alles (te zamen), 135, 645.
als, alles, 724.
ampt, taak, 21.
anders, voor 't overige, 1800.
B
baey, 312.
banen, doorploegen, 250.
bedencken, overwegen, 596. in -- brengen, 833. een in -- houden, 216. in -- komen, 1847.
bedrijf, 126: doen en laten. -- 755: gerei.
bedroufd, droevig, 1123, 1176, 1290.
bedroufd syn in, 172.
beducht, bekommerd, 775.
began, praes.?, 721 A.
begerigh des, 1646.
begeven, hem -- tot, zich inlaten met, 870.
begrijp, 346.
behulp, hulp, 206, 254, 1172, 1335.
bejagh, handelingen, bedrijf, nering, voordeel, 11, 62, 536, 848, 1036, 1044, 1058, 1224, 1800.
bekeyd, verkeerd, 170 A.
bekend, noyt --, ongehoord, 700.
bekennen, herkennen, 860, 1575.
beklappen, verraden, 1219. Kil. deferre; vgl. Mned.
bequaem, geschikt, 543, 636.
beleeft, fatsoenlik, innemend, 290, 303, 485, 1142.
belenden, terechtkomen, 296.
belet, beletsel, 308.
bemercken, opmerken, 1648, 1799.
bemoeyen, hem -- des, 1065.
benaeuwen, knellen, 1417.
benevens, naast, met, 332, 579.
beprouven, ondervinden, 763.
bericht, lering en oefening, 1714.
beroeren, ontroeren, 504. 790: raken; 885.
beschadigen, kwaad doen, 1958.
bescheet, bescheid, 1533.
bescheyden, duidelik te onderscheiden, 1763.
bescheydentheit, oordeel, 1741.
bescheyt, met --, 256, klaar en duidelik.
beschrijven, schriftelik uitnodigen, 1421.
beseten, in bezit genomen, 230.
beset, wel overlegd, bedachtzaam, 572, 1381.
besien, opmerken, 401, 403, 405, 409.
besigh in, druk met, 351. ontrent, 373.
besmetten haer bedde, 742.
besluyten, opmaken, 88, 1796.
besorgen, zorgen voor, 1209.
besorght syn, zorg hebben, 769.
bespreck, overeenkomst, 854.
bestaen, gaan staan, 1278; (iem.) -- (als), verwant zijn, 1387.
besteden in, aanwenden, gebruiken tot, 46, 918, 1798.
beste-moeder, grootmoeder, 329.
beswaerd, 1395: bitter.
bevallick, 893.
bevallen, c. dat. pers., goed zijn, 498, 638 A.
bevangen (van), overheerst, 1385, 1649, 1750.
bevestigen, handhaven, volhouden, 1787, 1796.
bevragen, ondervragen, 279.
bevrijt met ... van, 334.
bewegen, aandoening, 1301. -- drijven, 893. --, ontroeren, 1069; vgl. gewach, Gloss. Gran.
bewijzen, tonen, 336.
bewust, wetende, kennis hebbende, 177, 1021.
by, door, 357, 731, passim.
bidden des, 191, 1721.
bieden (geluck), wensen, 734.
billick, rechtgeaard, 294.
binden, samenvoegen, verbinden, 1125, 1282.
binnen-komen, te binnen komen, 1688.
bysonder, merkwaardig, 1814
bly van, 547.
blussen, 1118: doen ophouden.
bocht, kromming, perk, 71, 367.
bosch, coll., 354. bossen, 903.
bont-genoot, bondslid, 827.
bot, op een--, in eens, 1679.
bouve-jacht, boevetroep, 1064; vgl. Hd. Jagd.
boven al, voornamelik, 81.
brant, 711: vlam?
breet, uitvoerig, 103. --, algemeen, 1741.
breyn, 151 A. 1006.
breken, den kop --, inslaan, 748. aen stucken -- 850.
broeck, 1034 A.
bruyt-stuck, 323 A.
bucht, beurs, 830.
buyten, zonder, 120.
buyten gewoonte, ongewoon, 1703.
buyten spoor, 169, 658.
buyten-hof, uitspanning, 333.
D
daet, in --, werkelik, 1331 A: innerlik. inder --, juist, 1236. metter --, dadelik, 499, 1258, 1279, 1422. in volle --, ten volle, 1352, 1410; 583: in werkelikheid.
dan, 1435.
danck, tegen --, zijns ondanks, 1166.
dapper, snel, krachtig, 1068.
dat, omdat, 24, 794.
dat jae, 1762 A.
dat neen, 1830.
de lieden beurse, 1522 A.
deerlick, betrokken, 269.
deerne, 1552, 1636, 1757.
deftigh, soliede, degelik, ernstig, 659 A, 683, 1525.
des, derhalve, 57.
die, pron., 183, 1007. -- ... -- 1954.
diefte, diefstal, 749, 1305.
dienen, c. dat., dienstig zijn, passen, 587, 592.
dier, meisje, passim.
dicht, gedicht, 187.
dickmael, 109.
doen, bystant --, 1306.
doen, 705. als --, 1506.
doen, remplacerend werkw., 442, 1043, 1791.
dom, onervaren, onnozel, 1345.
doorsien, doordringen in, 1205.
doot, 1127 A.
doot, de bleecke --, 1312, 1322 A.: diep ongeluk.
draet, op een -- weten, 93.
dragen, voeren, 1114. -- (tot), koesteren, toedragen aan, 1619, 1635, 1642. hem --, zich gedragen, 126. -- dulden, lijden, 1214.
dralen, gedraal, 1197.
dreyghen, 99: voorspellen.
dril, 1663: trilling, beweging.
drillen, sidderen, 1218.
drouf, 1213, 1264, 1328.
druck, verdriet, 1118, 1335.
duyden, strekken, 684 A.
dutten, mijmeren, soezen, 379.
dwingen, noodzaken, 1137.
E
echter, 1344.
edel, voortreffelik, ridderlik, 230, 1130; 1425: -- geest, bel esprit. -- helt, 821. -- man, van voorname afkomst, 720.
eenigh, enkel, 920.
eens, eenmaal, 1201. -- 805, 1327, 1399.
eensaem, alleen, 18, 267, 355, 891. -- 524: verlaten.
eer, 723: na.
eer, met --, 1368.
eerbaer, fatsoenlik, 955.
eerlick, 949: deftig.
eerst, 35: in de eerste plaats.
eerste, voornaamste, 1336.
eertzvaders, 1964.
eerweerd, edel, 1171.
eygen, zelfde, 149, 173, 490, 599. --, eigenaardig, biezonder, 1607, 1763.
eygentlyck, biezonder, 1436.
eyntelick, 1523.
ergh, boos, 999.
ernst, aandrang, verlangen, drift, 190, 1093, 1267, 1273.
ernstelick, met aandrang, 1719.
ervarentheyt, ondervinding, 1808, 1832, 1956.
even, even zeer, 644. --, juist, 1067, 1593, 1620, 1947.
even-selfs, insgelijks, 234, 278.
even soo, even wèl, 754.
even-staegh, voortdurend, 166, 307, 331, 1118, 1215.
F
frissche, (leden), ongerept, maagdelik, 917.
G
gaen, -- boven, te boven gaan, 342. -- in, overgaan tot, 572. -- tot besluit, 576: een besluit nemen.
gaen, 899 A. ront --, 262: openhartig zich uitspreken. wel --, slagen, 991.
gaendemaken, in beweging brengen, opruien, 1841 A.
gangh, plur., 1000, 1225: streken.
gast, 9, 129, 1049. schippers --, 319.
gau, vlug, 15. 142: slim.
gaven, begaafdheden, 1658.
gebaer, gedragingen, uiterlik, 266, 845. --, ceremoniën, 728. --, getier, 855.
gebieden, verzoeken, 1023.
gebonden, 485 A.
gebreck, kwaal, 272.
gebroet, schepsel, 630.
gebruick, collect., usus, gewoonten, 589, 823.
gebruick, nut, 1645, 1671.
gebruicken (syn lust), voldoen, 120.
gedans, collectief, 46.
geducht, gevreesd, die men ontziet, 813.
gedurigh, voortdurend, 2, 655, 1314.
geest, ziel, gemoed, geest, esprit, 225. --, persoon, 230 A., 465, 486, 691, 1072 A, 1144, 1205, 1215, 1385, 1425.
geesten, 1070 A. --, vernuften, 1588.
geestigh, aardig, bevallig, lief, fraai, 36, 213. -- 23, 185, 187, 222, 322, 377, 576, 665, 897, 946, 1094, 1387.
geestigheyt, geest, 1658.
geheym, coll., mysteria, 1560.
gehengen, toelaten, 834, 873.
geklagh, klacht, 1029.
gelaet, voorkomen, uiterlik, 42, 369, 473, 482, 568, 706, 1805.
gelach, scherts, 847.
gelagh, hart --, 963.
geleert (in), ervaren, 514.
geleert des zijn, ondervinding opgedaan hebben in, 1221.
gelegentheyt, aangelegenheid, geval, zaak, omstandigheid, gesteldheid, 1566, 1609, 1644, 1793, 1930. op de -- van, 1465: naar aanleiding van.
gelucken, imperson. c. dat., het geluk hebben, toe vallen, Kil. succedere, prospere cadere, feliciter evenire.
gemael, gemalin, 1160.
gemeen, alledaags, 1963. -- gemeenschappelik, 1899.
gemerck, teeken, 563.
gemoet, hart, gezindheid, zin, 496, 504, 530, 540, 588, 610, 631, 702: wil, begeerte; 1360. -- 1294. tot zijn -- spreken, 610: tot zich zelf.
genegen, geneigd, passim.
genegentheyt, neiging, geneigdheid, 1578, 1622.
generen, hem --, zich levensonderhoud verschaffen, "sich nähren." 1500.
genieten, bekomen, 243 A. 909.
genough, 1255: erg; vgl. Mned. Wb. II, 1431.
genucht, geneugte, 263.
gepast zijn met, gediend zijn van, 637.
gerief, beschikking, wil, 636, 648.
geselschap, huweliksgemeenschap, 628.
gesint, wel --, er mee in zijn schik, 1423.
gespreck, spreken, praten, 252, 345.
gespuys, lelik soort, 1514.
gestage roeden, 990.
gestalte, 1805, 1817. --, (inwendige) gesteldheid, 1611.
gestel, aard, 883, vgl. 396.
gestelt sijn, 396: het geval zijn met.
getroost sijn, tevreden zijn, goedvinden, 1042.
geval, zaak, toedracht, 1096.
gevat zijn, 152 A.
geven, 936 A. -- eenpraet --, 22. reden --, 262 A. hem --, 162: zich neergeven. --, begeven, 471, 1268.
gevoelen, aanvoelen, 1817.
gevoelen des, -- van, van gevoelen zijn over, denken, 1380, 1472.
gevolgh, collect., volgelingen, 15, 175. --, gevolgtrekking, 102. -- gevolgen, 106.
gewaer, heeft hij niet -- geworden, 1973.
gewaet, kleding, 24.
gewagh doen van, 1690.
gewoel, onrust, 888.
gewrichte, sing.? 95. -- plur., leden, 1426, vgl. 1141.
gierigh, begerig, 323.
git, een --, 43.
goed, 1123.
gortigh, schurftig, 419.
graet, trap, 429.
gras, grasveld, 363.
grilligh, dartel, 646, 671, 887.
groene, in het --, 375.
groen, kruid, 168.
groen, weelderig, dartel, 1406. -- fris, 439 A.
groeten, 793 A. -- als, begroeten voor, aanspreken, nemen voor, 539, 1162.
grond, grond, zin, aard, oorzaak, het juiste, het fijne, diepste, 40, 68, 83, 89, 143, 236, 244, 257, 302, 736, 1060, 1388. --, ware, 761, 1231.
guyt, fielt, schelm, 447, 1043.
gul, weelderig, overvloedig, 90, 252.
gulde son, 600, 815.
gunst, genegenheid, gunst, genade, 183, 293, 313, 527, 914, 996, 1098, 1321, 1396, 1399.
H
haer, hun, hen, 256, 464, passim.