Chapter 8
170. _Bekaeyde wegen_, verkeerde; vgl.:
"bekaeyde streken."--
"Geen mensch die menschen kent en syn beroep verstaet, En wees oyt echte wijf tot soo bekaeyden raet."-- "Wie veel den acker ploeght, wanneer hy is besayt Die breekt sijn eerste werck, en maeckt 't et al bekayt."-- "Wis soo ghy langer blijft, soo isset al bekaeyt."
Over dit woord: Van Wijk-Frank, Etym. Wdb;--Gallée, D. Literaturz. 1884, kol. 1340.--de Vries, Warenar, 190.--Mag. Ned. Taalk. III, 286.--Halbertsma, Letterk. Naoogst I, 64; ook van Helten, Woordafl.-proeven 9 noot.--de Woordenbkn.
185. Voor deze zin vgl. men de XVIIe-eeuwse constructie b. v.
"Daer vingh het geestigh dier de vrijster aen te cussen."--
_Spreken c. acc._ = ons: aanspreken, spreken met, tot iemand. Vgl.:
"Sy roept 'et door het bosch, sy klaeght 'et alle man Sy spreeckt de wachters zelfs, maer niemant weet 'er van".-- Maer waer toe langh ghekermt, ick ga de bueren spreken, En zie noch yet te doen, om dit gheweldt te wreken.
en ons: iemand gaan spreken.
Een schijn van onjuiste constructie in deze zin ontstaat doordat "aen" naar ons begrip bij spreken wordt gevoegd, en het "aen" bij vangen dan ontbreken zou.
Doch ook in plaats van 2 maal hetzelfde woord werd dit ook wel eenmaal gezet. Vgl.: Tijdsch. Ned. Lett. VI, 69; N. & Z. XII, 526; Stoett, Syntax., § 159.
188. _ten_, 't + de negatie bij _niet_.
189. Constançe = Pretiose, 173; vgl. vs. 1238.
195. _u swacke maegh met suycker overlast._ De suiker, die nu vaak overdreven aangeprezen wordt, stond vroeger minder goed bekend; vgl. I. van Beverwyck, Schat der Gesontheyt, met veersen verçiert door de Heer Jacob Cats... (1651), blz. 116; "Als het grof bruyn Suycker door de scherpe Looghe van Kalck ghemaeckt, ghesuyvert wort, ende de vuyle en swarte Syroop, daer uyt-gedreven is, soo krijght het eenen vreemden scherpen smaeck, waer af het bloedt verbrandt wert, ende het hooft beswaert.... Soo dat het ongesuyvert ofte _Grof-Suycker_ somtijdts beter is, dan 't ghene dat de scherpigheyt van de Looge, in het suyveren behouden heeft. Daerom sal men eer het bruynachtigh en tamelijcken wit verkiesen."
200. _maeghde-krans._ Vgl. o. v.:
Ick was ontijdigh groen, en hy begon te mallen. Dies is de maeghde-krans my van het hooft gevallen.
De vrijer spreekt tot de vrijster "met een ghebroken maeghdekrans."
"De nieu-gepluckte bloem, niet lange na de dagen, Dat sy den maeghdekrans niet meer vermocht te dragen." "Een snelle schicht op my gevallen.... Die trof mijn teere maeghde-krans."
Vgl. het lied bij Willems, Ovla. Lied nº. 135; Verwijs, Mnederl. Bloeml., p. 128.--Kalff, Lied i. d. ME., 153, 277, 381, 521.--"Verloren hab ich mein Rosenkranz," Böhme, Altd, Liederb. 152.
201. of erger, is om u welbekende reden, de menstruatie opgehouden?
214. _door een gunstigh oogh tot in het hert_, vgl. 377. Zie Martijn (ed. Verwijs), Str. 53 v.v. En
"....een soet en aerdich beelt Dat stracx hem door het oogh tot in het herte speelt".-- "Het oogh, alleen het oogh, kan gantsch den mensen ontrusten, Het is een open deur, een inganck van de lusten."-- "Hier gaet de regel los, die ons heeft wijs gemaeckt, Dat niet als door het _oogh_ het herte wert geraeckt."-- "Myn verstant.... moet syn ghetogen, In haer lieve in-gewant (binnenste) door heur ghebenedijde oogen." Nosemans, Hans.
223. Haar bloed is machtiger dan haar wil: zij kan niet verhinderen dat zij bloost.
230. _geest_, een persoon van geest, iemand met voortreffelike hoedanigheden, vgl. Ned. Wdb. IV dl. kol. 728/9.--en 't fra. _esprit_.
242. _jaren_, in de praegnante zin van jonge jaren, jeugd: van nature de vrolike tijd.
243. _genieten_, vgl.:
Wie ist die oyt met eene schoot Een schans of ander slot genoot?
vgl. Gloss. Granida; Mned. Wdb.
245. _spruyt_, van bomen; _kruyt_, kruiden; _sap_, drank, en pappen.
255. De moeder, hiertoe (door Constance) verzocht, komt met de dokter, die te hulp geroepen is, binnen; Constance gaat op hun toe en neemt hun alleen.--Vgl.:
De vrijster wel geçiert, na datse was gebeden; Quam uyt haer stil vertreck, en in de kamer treden, Haer vader ginger by, en nam haer metter hant, En seyde.....
262. _gaf hem dese reden_, sprak hem zo aan.--Rose, 8833: "(de man) _geeft_ hare menichge quade hoere."--Vgl. Diefenbach, _dare_, o. a. sprechen--_rede_, Kil. spraecke, sermo, verbum.--_redenen_, verba facere.--Vgl. Gloss. Bern.: edere, seegen. = sprechen, reden (Dief).--Vgl. ook 936.
270. _d. heb i. w. t. w._, moet in het verband betekenen: dat weet ik maar al te goed.--Vgl. ook:
"Wat is er menig wijf, dat liever heeft te praten Die liever heeft te gaen laveyen achter straten Als met een stillen geest haer kint te wysen aen Wat nu, wat naderhant is nut te zijn gedaen."-- "Ick sitte meest den ganschen dagh En hebbe liever wat te staen."
Vgl.? Dit heb ik je te zeggen dat je dat doet; en: Dat heb ik te weten, dat dit gebeurt.
288. _koorts._ Vgl.:
"dat een soete coorts haer in het herte quam, Ghecropen meer en meer, die haer den sin benam", Vermaeck der Ieucht, (1616).--
En 't Koortsigh Liedje, van Bredero.
291. _heydens volck_, gen. vóór 't bepaalde woord, vgl. 752, 1351, 1522; vgl. Vondels Taal, § 72, i. f. Of _adj._ ? vgl. Spaens, heus.
298. Imperat. = toon-jij; vgl. 299: kleed-jij.
311. _Ké_, Kil.: ah. Interiectio varios affectus explicans.--Passim in de XVIIe eeuw. 't Zou ontstaan zijn uit _wetecree_, _wetekey_ = wete kerst, sciat Christus: vgl. de Vries, Taalzuivering, 166.
316. prees het goede meisje, maar zo dat er niets of niet veel van geven kwam.
321. Gyralde echter, nu ondertrouwd, gaf aan het aardig meisje 100 pistoletten, als bruidsgeschenk. Gawoonlik was dit het geschenk aan de meid, die onder de beide speelmakkers en beide speelmeisjes de bruid in 't biezonder diende. Schotel, Oud-Holl. Huisgezin, 258. Vgl. Warenar, 389, 1318.
324. in dit te verhalen een aangename tijdkorting, of genoegen.--Vgl. Kil. tijdverdrijf, oblectamentum, delectamentum, dilitiae.
335. _een openbare feest_, vgl. een drofelike cleet, een coude bat, etc. bij Van Helten, Vondels Taal, § 85c (slot).
338/9. Die met schoon gezang en vlug dansen (vgl. saltare) alles zou overtreffen.--_sweven boven al_, vgl. Mned. Wdb. i. v. bovensweven.
341. Houten of ivoren kleppers, die de vorm hadden van twee grote op elkaar passende notedoppen, waren door een band aaneengebonden, die men om de vingers wond. Door de andere vingers snel langs de randen van de kleppers te laten strijken, ontstaat een klikkend geluid, dat de dansrythmus aangeeft. Castagnetten: kastanjes n. d. vorm.
358. _was aftekomen_ = moest afkomen, vgl. 1949, 1952. Zie de variant.
365. _van syner hant_, oude datiefvorm na sommige praeposities; vgl. van der straten 1094; bij der hant 1104;--op den velde, 1020.
370. _het maegderot_. Vgl.:
"en tot een soet besluyt, Soo vlocht het maeghde-rot een kransje voor de bruyt."
_quam_, waar velen nu een plusquamperf. zouden zeggen; vgl. bleef 696; waer 1383; gingh 1398; zie Vondels Taal § 173; of: "quam geleyden" = geleidde, zie 462: koomt vougen.--Vgl. Vondels Lucifer, vs. 1778.
379. Staat te weifelen, vgl. 136: stont en keeck; 1119: sit op haer en sagh.--zie Warenar 258; Taalk. Bijdr. I, 125.
384. _wort_, praesens? ook 726, 727, 731, 732; maar _wort_ praet. bij _werden_, _wert_ 972, 1093, 1126, 1576, 1801.
407. _die_, naast _dien_; passim, vgl. Van Helten, Vondels Taal, § 124; Mndl. Spr., § 352, 364_e_; Cosijn, Taal en Letterb., VI, 276; _die men... koos, En_ (die)... _behaeght_. Als in 't Mndl.: in gecoördineerde zinnen blijft het pronomen weg, vooral als 't in _niet_-dezelfde betrekking (casus) staat; vgl. Van Helten, Vondels Taal, § 206, en Add.
420. om dan te zijn vernield, verpletterd; maar (en hier volgt het 6e coupl.); vgl. lat. opprimere.
442. Maar al te veel bloemen staan dag aan dag te pronken; een frisse stengel hebben ze, maar niemand heeft er lust in. Daar gaan dan haar bladeren met de wind en vergaan, zoals alle stof.
449. Bij de ouden wordt _Pan_, de Bosgod, voorgesteld met bokspoten, horens en ruig haar; als de Satyrs, vervolgt hij de nimfen met verliefde zinnen en bedoelingen.
459. _wachte_, oude vorm; vgl. "zegge", op kwitanties; ik herzegge (van de voorzanger).
461. Terwijl de ridder naar dit gezang met groot genot luistert, begint de nachtegaal de vrijster te accompagneren.
467. _heydens_, vgl. 291, A.
485/6. Haar rede is geregeld en dudelik; vgl. bene compositus; oratio bene composita.--Wat zij zegt, is geestig, aardig bedacht; _soete vonden_, zijn aangename denkbeelden, invallen;
"Men sagher sneegh beleit, men sagher vonden in, Vry teikens van verstant, en van een diepe min."
Misschien zijn de toen zo in trek zijnde "concetti" bedoeld.
489. _vonck_, vgl. Kil. voncke, fomes, etc.; bij Diefenbach o. a.: to neghinge, naturliche neigunge.
509. raven, _sing._, zw. subst. rave, vgl. Vondels Taal, I, p. 75.--Fabel van de vos en de raaf. Vgl. Phaedr. I, 13. Romulus I, 14. De laatste redactie luidt: "Qui se laudari gaudent--verbis subdolis decepti penitent--de quibus similis est fabula.
Cum de fenestra corvus caseum raperet--alta consedit in arbore--Vulpis ut hec vidit e contra sic ait corvo--O corvus quis similis tibi? et pennarum tuarum quam magnus est nitor? Qualis decor tuus esset--si vocem habuisses claram--nulla prior avis esset--At ille dum vult placere et vocem suam ostendere--validius sursum clamavit--et ore patefacto oblitus--caseum deiecit--Quem celeriter vulpis dolosa avidis rapuit dentibus--Tunc corvus ingemuit--et stupore detentus deceptum se poenituit--Sed post inrecuparabile factum damnum quid iuvat poenitere?" Vgl. 760, A.
_met vollen mont_, vgl.:
De vrucht die is te raken, En met een vollen mont op haren tijt te smaken.
535. wat ik wezen mag, toch ben ick (etc.)--_magh_, vgl. Vondels Taal, II, § 188. Vgl. 1304.
542. _streelt de sijde rocken_, vleit de vrouwen, die aan het hof zijn; vgl. m. m. de _bouwen_, _wijlen_ (nonnen);
"Dus gaetet vast dat aen den _broeck_ Hanght al de vreughde van den _doeck_";
vgl. plaet, platen, (soldaten).
_sijde_, hollands, nu nog, voor _sijden_. Vgl. Van Helten, Vondels taal I, blz. 106.
544. edel pant = reine jeugd; _genit. epexegeticus_: de stad van Amsterdam, de prijzenswaarde deugd van zelfbeheersching.
606. Oude gewoonte, om alle gerechten tegelijk optezetten.
614. lage plaats, vgl. locus, afkomst, geboorte, stand.
625. _mijnen_ = jegens mij, pron. poss. = gen. object; vgl. Granida, 1529_b_, A.
628. _nam_, = zou nemen, vgl. 1304.
639. Indien je gediend ben van schoonheid, kom slechts, wanneer je ook wilt, je huis uit, daar (in deze grote stad) wonen vele mooie meisjes.
642. Indien je vermaak vindt in verstandige, geestige kout, welnu, dat behoef je evenmin te missen.
655/6. Al worstel ik tegen mijne jeugdige lusten, ik word meegesleept zelfs waar ik niet wil.--Vgl. voor _jeught_: "een maeght die onmachtigh is haer jeught te wederhouwen".--
"syn herte soo bevanght, Dat hy tot in het mergh na hare jeught verlanght." "een jongh en rustigh man, Die, na den rechten eysch, u jeught vernugen kan."
Een gehuwde vrouw moet in sommige omstandigheden "alle hare jeughdigheden dempen en doen versterven."
659. _deftigh_. Vgl. "Of het een deftigh man, die syn geheele werck van wijsheyt en geleertheyt heeft voorgenomen te maken, geraden is sigh ten houwelicke te begeven."--
"Daer is een deftigh man (Barlaeus) die leert u Roomsche spraeck."--Ongehoorzaam zijn om zichzelven het leven te benemen op bevel van de Mohammedaanse vorst, is een boze
"daet, Maer 't is een deftigh helt, die hier in willigh gaet."-- "..... hiet my lieve man, In dat soet-deftigh woort, daer in soo ligt verholen Wat u en my gelyck de Schepper heeft bevolen."-- "Het is geen deftigh man, Die met gebogen hals geen dwasen lijden kan."-- "Datje niet en nut, of met den monde smaeckt, Dat uyt een innigh vyer de lusten gaende maeckt .....maer breeckt de lange nachten Door vlyt tot deftigh werck."-- "o deftigh werck dat ick op heden doe... een wreede moort."-- "Zijn deftige (ernstige) taal stelden my ook gerust."
Haagsche Vondeling.
Vgl. _Taal en Letteren_, 1903, blz. 473.
672. mijn onervaren jeugd nu bij te minne en geringe schepsels bevrediging zoekt.--Vgl. 614.
673. Indien men de oude tijd nagaat, bemerkt men ....
679. ter wille van Europa, dochter van een Phoeniciese koning.
680. om Leda, de echtgenote van de Spartaanse koning te bezoeken.
682. Hercules was verliefd op Omphale, koningin van de Lydiërs, en vernederde zich daar een tijd lang om als slaaf haar te dienen, om haar gunsten te genieten. De negen-koppige slang, de Hydra, een monsterleeuw bij Nemea, het Erymantiese zwijn, de Cretensiese stier versloeg hij.
684. _duyden_ = strekken, vgl. de 2e betekenis van het intransitief _dieden_ in het Mned. Woordenb., welke die van "strekken" nadert, b.v. Hoe luttel hare (_des aventuren_) helpen (_znw. mv._) dieden. Vgl. baten, dienen:
"Indien men recht gebruyckt den luyster der agathen, Het sal het jonge paar tot vrede konnen baten."-- "En trout oock op het ooge niet, Want 'et dient u beyde tot verdriet."
688. ik weet niet (door) hoe een sloor, (hoe) een herderin.
692. _Gode_, dat., zonder meer, slaat op Jupijn (677). Andreas is Christen, en Heiden tegelijk: gewoon verschijnsel in de Renaissance-literatuur.
693. _het groote licht_, de zon, nog in gewestelike taal, in bepaalde frases ("gaat ons verlaten, is weg") de gewone aanduiding.
706. _En_ (zij) _scheen_, vgl. Vondels Taal, II, § 227, d.
708. Zo gauw zag hij ze niet weer, of zijn smeulende liefde ontvlamde dadelik.
721. _began_, praes.? (vgl. plagh, 94, A.) Mnederl. begonnen, [64] begonde (begonste) naast beginnen, began (begon). Beide vormen lopen door een. Mogelik is dat _begonnen_ later is beschouwd als een verbum gelijk _connen_ (praes. _can_) [65] en derhalve _began_, praes.; _begonste_, praet.--Naast inf. _begonnen_ bleef _beginnen_ (vgl. de dooréenmenging in de spreektaal van kennen (kent) en kunnen (kan). Ook bij de voorgestelde etymologie (Kluge, Franck-Van Wijck, Etym. Wrdbn.) is een praes. _began_ wel te verklaren.
733. _quam_, perf., vgl. 1020; zie Vondels Taal, II, § 171.
752. _Wij stellen_, ons stelsel is dat overal het goed aan allen behoort; wij nemen dus van de overvloed van rijken wat wij behoeven. Gen. vóór 't bep. woord, vgl. 291.
757. Moeielik kan men stellen bij die zelf hierin ervaren is: hij kent de kunstjes.
760. Zinspelend op de fabel _Phaedr._ IV, 8. In de ME. en later nog, bekend in de redaksies van de Romulus [66], III, 12: "De duobus malis auctor talem subiecit fabulam--Malus peiorem non ledit nec iniquus iniquum superat.
In officina cuiusdam fabri introisse dicitur vipera--Dum quereret aliquid ciborum--rodere coepit limam--Tunc lima ridens--ait ad viperam--Quid vis improba tuos ledere dentes? Ipsa sum--quae consuevi omne ferrum rodere--sed et si quid forte est asperum--fricando facio lene-quae si angulum tersero--si quid ibidem est ipsa precido--Ideo eum acriore mihi certandum est." Romulus, Die paraphrasen des Phaedrus, (IXe eeuw) ed. Oesterley.
Latere redakties en omwerkingen uit de XIIIe--XVe eeuwen, aldaar opgenoemd p. 71, noot. Vgl. ook fabel XVI van La Fontaine, lib. V: Le serpent et la lime.
762. hoe weinig kleding en deksel de mens nodig heeft. Vgl.:
... "dat een keel derven moet een deel Om de rug en borst te decken."
785. _sure vlagen_. Vgl.: "De Mey (1685) bleef in Nederlant dit Iaer noch vry suer", Holl. Mercur. IX, 53.
793. _vrougher op om eenigh heer te groeten_, zinspeelt dit op het "lever" van vorsten, en hoge personages?
822. _Ghy let_, imperat., vgl. 298.
843. Te verklaren als: Indien je het hof wil maken in alle eerbaarheid, zonder bedrieglike voornemens. Vgl. in alle eer en deugd.--Vgl. "Die sonder achterdencken leven, staen als open, en zijn onderhevigh om gehoint te worden."--
Of als: zonder dat dit haar ten schande kan strekken? Vgl. Kiliaen i. v. hoin.
852. _uwe_, de uwe, vgl. 920; zie Vondels Taal I, blz. 124.
872. _bij hem alleen_: zonder dat de anderen er bij waren en het bemerkten.
899. met verstand en beleid te handelen.
918. _in u vermaeck, u_ als gen. object, vgl. 10: haer diensten; 625: mijnen haet; 1088: in haer gesichte (in haar te zien)--_besteden_, vgl.:
"waer de beste sinnen Besteden haren tyt ontrent een heyligh minnen."
919. Vgl. 1407.
936. _gaf_; vgl. Lat. dare, geven, uitstorten.
937. _heb ... gaen beginnen_, passim bij schrijvers in de XVIIe eeuw.
Het hulpwerkw. hoort bij de volgende infinitief, een transitivum, dat met "hebben" vervoegd wordt.
Schijnt een Noordhollands eigenaardigheid.
Vgl. Kern, De met het Participium Praeteriti omschreven Werkwoordsvormen in 't Nederlands (Verhand. Kon. Acad. 1912) § 226, blz. 200/1 en § 77, blz. 64/65.
939. _uithangen_, c. dat. pers. "Hoe is mijn uiterlik voorkomen? Zoo zeggen wij nog van iemand, die zich uiterlik als vroom voordoet, dat hij _den vrome uithangt_, en van een leelijk, wanstaltig mensch, dat hij _een slecht uithangbord heeft_", Cats, ed. de Vries de Jager, Deventer, V, 68 noot.--Vgl.:
"Maer segh hoe wort doch Faes van u soo gansch versteken? Wat hanght de Jonghman uyt? Wat heeft hy voor gebreken?"
947. Wat beduiden deze regels? Men zou kunnen denken aan: volle maagdelike rijpheid; toen zij op haar middaghoogte was. Daartegen strijdt echter "terstont" (945).--Of maakt de juffer tweemaal 's daags toilet? Met den noen (voor zij tafelt) en 's middags (voor zij uitgaat)?--Of zijn eenvoudig "noen" en "midden op den dagh" synoniem, op de middag, in 't volle licht?
950. _vougen tot_ = vereenigen met; vgl. vervoegen = vereenigen, bij Huyghens (Panth. 79, 9) en Pastor Fido van Bloemaert, 1650, p. 130:
En wilt met d'uwe toch vervoegen ons' gebeden.
_syn leden_ = zich; vgl. ick schenck u dese leden, 714; als ick ... myn leden overslough, 948. Vgl. nog het passieve in:
"Gij dan, van eersten aen dat _uwe_ teere _leden_ Syn tot den man gedaen, soe voeg u naer den reden."
Vgl. ook: syn saken aanleggen = het aanleggen, 81 A.--
952. zelfs van daag nog getrouwd. _Versegelt in de trou_, vgl. de aanhaling by 1252.--en: "Des Heeren goeden segen
Verkondight in de kerck, en opentlick gekregen Versegelt echte trou; soo dat men even dan Bekoomt een vollen naem van wijf en echte man."
968. Hij is een zonderling, een ruwe klant, die noch om schoonheid, noch om rijkdom geeft.
973. eigenaardige herhaling, vgl. 1175. En vooral Reynaert, Inleiding (Zw. Herdr. 1909) blz. LVIII, n. en blz. XXII.
981. _syn hert is niet aen haer_. "syn aen" kan, evenals het Lat. _esse alicui_, betekenen: bezitten; vgl. het Mndl. Doch ook kan _aen_ hier de betekenis van _bij_ hebben. De eerste opvatting heeft voor, dat "esse alicui" gebruikt wordt, wanneer de nadruk op de zaak valt, gelijk hier "hert", vgl. de volgende tegenstelling; _haer_, pron. reflex., waarvan het vrouwelik hert antecedent is.--Zijn hart is niet vrij.
1004. Er is climax in de tekst: verrader, spoken, boose geesten. Verrader is een booswicht vol duivelse list, die niets menseliks meer heeft en tot alles in staat is; er is niet alleen aan eigenlik verraad te denken.
1007. _suysebolt_, vgl. "drink datje suizebolt", Rabelais, Vertaalde Werken.
1022. Andreas, wel wetende hoe de vrouwen razen, wanneer men haar lusten weigert te bevredigen.
1032. De schout zendt op het vreemd verdacht gerucht de strenge rechters af.
De editie van 1700 (zie 't Voorbericht) heeft _troep_.
1034. _in de broecken_. Zelfs in de onderbroeken verstopte men de beurs, of kostbaarheden: vgl. Holl. Trouwgevallen, blz. 186. Koopman, blz. 146. Kind van Weelde II, 108.
De studie van Jonkvr. Dr. de Jonge over De kleederdracht in de Nederlanden in de XVIe eeuw, in Oud-Holland 1919, geeft voor deze materie niets.
1044. Relat. zin; het verbum wegens 't rythme verplaatst.
1048. _niet en let_ = niets mankeert; vgl. "een peert dat schurrift is, en wil den roskam niet."
1066. Hij dient naar de galeien veroordeeld.
1070. _geesten_, vgl. het laatste gedeelte der aanhaling bij 151.
Ook _dierlijke geesten_, animal spirits, esprits animaux, vgl. Ned. Woordenb.: "de fijne vluchtige vloeistoffen, die, naar men onderstelde, in het bloed aanwezig zijn en het eigenlijke beginsel uitmaken van gevoel en beweging. Door sommigen onderscheiden van de _levensgeesten_, die als de oorzaak van het leven golden."--"Vele malen bij C. deze geesten in betrekking tot de werking van die fijne zenuwvloeistoffen op het gevoel, de begeerten, hartstochten," enz.
1072. Alleen zijn edele afkomst trekt hem voor de geest.--_spelen ontrent_ = zich bewegen om. Vgl.: "maer alle mijne sinnen spelen noch ontrent uwe laetste redenen."
1119. _vast sit op haer en sagh_, zit op haar te zien; vgl.:
"Sy leyt er op en maelt als met de gantsche kracht Oock midden in den droom, en in den middernacht."-- "Hy sit op haer en loer bijnaest den ganschen dagh."
Vgl. nog Noord en Zuid II, 138/9.
1124. _landdrost_, waardigheid hoger dan schout; landdrost oefende in naam van de heer de lijfstraffelike rechtspleging uit.
1127. _Al is de krijghsman doot_, Is de krijgsman gedood, dood.--_Al_, versterkend partikel = wel??--_doot_, oud part. tot adj. geworden, vgl. van Helten, Tijdschr. Ned. Lett. III, 109.--Verdam, Middelned. Woordenboek, 297.--Alexander, ed. Franck, p. 421.
1131. Ooit van zijn leven, een adverbiale accus. Vgl. "heb ik mijn leven!"--Vgl. Warenar 1053, var.
1152. Aen (de ontroerde) vrou Giomaer schijnt het zelfs een stage vloet; aldus op te vatten?
1160. (verwondert) _dat_, vgl. Mned. Woordenb. II, 86/7.
1169. _opgetogen_, gespannen, ingespannen. Vgl.: opgespanne, Vondels Lucifer 145; ook: "die (geleerde) zijn dickwijls te veel opgetogen om een jonge vrouwe wat goets te doen"?--
1170. Maiombe wikte ernstig haar droevige toestand.
1194. Vgl. 739, 751.
1226. _die_, relat. zin bij "slimme gangen" (vergif, coll. = slimme ganghen): constructio ad intellectum.
1236. was (_het_) inderdaed; vgl.:
"Maer d'eerste is die my best behaeght."-- "Hy is die ware liefde plant: Als vader van den echten bant."
Vgl. van Helten, Vondels Taal II, § 212. Voor het duitsch: E. Bernhardt, Zs. f. D. Phil., 1903, 145.
1252. _op de zaal_, zaal meestal het grote ontvangvertrek, hier echter vertrek in 't algemeen, vgl. vs. 1266.--Vgl. o. m.
"Soo haest als dit besluyt is by de wet (rechtbank) genomen, Soo siet men op de zael terstond een priester komen, Die heeft het jonge paer versegelt in de trou."
En Trouringh, 4º., Ongel. Houwel., 197.--Antonius-Cleopatra, 595 m.; etc.
1285. _grijpt haer in den arm_, omarmen, vgl.:
"'t Sa grijpt my in den arm en neemt den lesten soen Ick wil ook even soo myn laetste plichten doen. Na spraeck en wederspraeck de jonge luyden grepen Malkander in den arm, en vast aen een genepen Gaen rollen van den rots....."
1299, 1328. _ons_, vgl. van Helten, Vondels Taal I, § 99; Mndl. Spraakl., blz. 444.
1300. _in dese venster_.
Vensters in de oude kastelen waren diepe nissen, met banken aan de zijden. Vgl. vooral Schulz, Höfisches Leben in MA.
1304. _nam_ = zou nemen; vgl. 628.
1312. Vgl. 1327.
1322. _doot_ = ongeluk, vgl. Verdam, Mned. Woordenb. II, 296: "Bi aldus ghedaenre dinc so brinct hi sinen here ter doot", zie ook aldaar 297 g.
1326. _op een nieu_, vgl. van Helten, Vondels Taal I, 154.
1331. werkelik, innerlik, en voor de mensen, _schijn_, uiterlik voorkomen.
1351. _vertrout syn aen_, vgl. verloven; Mnederl. sekeren, versekeren, Taal- en Letterbode, II, 18.
1356. Daarvan kon ik behoorlik van avond niet alles mededelen.
1366. Vgl. 842, vv.--_tergen_, vgl.: