Spaens Heydinnetie

Chapter 2

Chapter 22,399 wordsPublic domain

De nieuwste wetenschap van die tijd wordt meegedeeld. En de geleerdsten van zijn tijd worden hierbij in rade geroepen. Cats-zelf was een authoriteit. Was hij zelfs niet de "geleerde Cats" [11], de evenknie van Hooft, Reaal, Vossius, ja, van Hugo de Groot; werd hem, de Zeeuw, in de gouden tijd van onze geleerdheid niet in 't naijverige Holland het professoraat in Leiden aangeboden?

Cats met zijn geleerdheid schuilt in deze Trouringh: geen wonder dat hij, aan wie 't vrouwvolk van de jeugd af had bevallen, het werk opdraagt aan de geleerde Anna Maria Schuurmans:

"Die in de Nederlandtsche, Hooghduytsche, Fransche, Latijnsche talen, soo wel ervaren is geweest, dat sy daer in loffelick spreken, brieven schrijven, en dichten konde.

Die in de Griecsche, Bibels-Hebreusche talen soo wel geoeffent was, datse daer in de Auteuren lesen, verstaen, daer van oordeelen, oock in schrijven konde.

Die in de Italiaensche ende Engelsche talen soo verre is gevordert geweest, dat sy boecken op saken van State, of diergelijcke, bij den Italianen geschreven: en daer beneffens de uyt-nemende Theologische boecken by den Engelschen uit-gegeven, lesen ende gebruycken konde.

Die in de Rabbijnsche-Hebreusche, Chaldeusche, Syrische, Arabische talen soo veel geleert hadde, datse die konde lesen, verstaen, en met de heylige Hebreusche tale confereren, tot reynder ende geleerder openinge van de H. Schrifture. Die vorder van sin en voornemen is geweest in toe-komende, met Godes hulpe, daer in voort te gaen, en daer noch by te voegen het Samaritaens, Æthiopisch, ende Persisch, verwachtende alleen maer noodige boecken tot uyt-werckinge van haer loffelick voor-nemen.

Die in de Historien, Poëten, Orateuren, ende andere goede schrijvers, mitsgaders de liberale konsten, neffens de Philosophische, ende andere wetenschappen, soo wel belesen ende ervaren is ghevveest, datse daer van discoureren, ende over de swaerste stucken ende questien der selver dicteren ende in 't schrift stellen konde.

Die voortreffelijcke kennisse hadde, ende een diepsinnigh oordeel, in Theologiâ Textuali, Dogmaticâ, Practicâ, Elencticâ; selfs tot de swaerste ende subtijlste Scholastique questien toe.

Die haer dagelicx noch neerstelick oeffende in alle deelen ende methoden der Theologie.

Die in de Schrijf-konste geen meesters en hadde te wijcken: jae te boven gingh de netste ende aerdighste drucken, en dat in 't Hebreusch, Syrisch, Arabisch, Griecx, Samaritaens, Æthiopisch, Latijns, Italiaens, &c. ende de meeste Handen van dien op verscheyde manieren, als Capitale letters, Staende, Loopende, kunstelick konde schrijven.

Die in 't Teyckenen en Schilder-kunste wel was ervaren.

Die zijde bloemen of diergelijcke naer het leven konde bordueren.

Die Teyckenen konde met Pot-loot, De Penne, Crayon, &c.

Die wist te Schilderen in miniature, ofte water-verwe.

Die de wetenschap hadde met een Diamant op het glas geestigh te schrijven.

Die konde Hout-snijden, of met een Pennemes in palmen-hout Conterfeytsels maken.

Die de wetenschap hadde van plaet-snijden tot haer eygen Conterfeytsel toe.

Die wist te boetseren in wasch.

Die in de Musijcque loffelick was ervaren.

En van gelijcke mede in het slaen van de Luyt.

Nu soo isset alsoo, dat niet alleen de hooge Schole van het Sticht van Utrecht, maer oock menigh geleert man in Hollant met volle reden van wetenschap kan getuygen, dat al het gene voren is verhaelt, gelijckelick is te vinden in den persoon van Jonckvrou Anna Maria Schurmans..." [12]

Zo iemand was de opdracht van Cats z'n geleerd werk waardig.

Cats was populair onder de vrouwen en mannen van de daad in de XVIIe eeuw: geen wonder! Cats bevredigde fantazie en weetlust: 't was de eeuw van onderzoek, op elk gebied, in Nederland; hij prikkelde bij al zijn leren tot beleven; tot daden doen! En deed dit poëtieser dan iemand anders van zijn tijdgenoten.

III

In een brief, dd. 11 Nov. 1633, aan prof. Barlaeus, geeft Cats enkele stukken aan, welke hij van plan is een plaats in zijn Trouringh in te ruimen. [13] Hij heeft deze "gevallen niet erdicht, ofte in (syn) eygen breyn gesmeet, gelijck het gebruyck van de Poëten veel plagh te wesen: maer (hy heeft) beter gevonden, de geschiedenissen van goede schrijvers te ontleenen"; evenwel heeft hij ze "breeder uyt-gemeten als die by de oude schrijvers gevonden werden ... Sulcx dient sonderlinge tot beter glimp van de stoffe, ende tot meerder vermakelickheydt van den leser" ...

Uit zeer uiteenlopende werken van eigen en ouder tijden heeft Cats nu zijn verhalen in de "Trouringh", gelicht, en minder of meer vrij bewerkt. Men vindt wat gevonden is, aangewezen en besproken bij _J. Bolte_, _Tijdschr._ XVI, 241, n.--Dr. _A. S. Kok_, Van Dichters en Schrijvers I, 81.--Dr. _J. A. Worp_, Noord en Zuid XX, 39 tot 66.

Ook was zijn doel de "Nederlantsche tale te verçieren, de Hollantsche gedichten sacht-vloeyende en sonder stoot en stop-woorden te maken; ten eynde de selve eenpaerlick en sonder stuyten gelesen mochten werden". [14]

De verhalen in de Trouringh van Cats worden meestentijds afgewisseld door samenspraken tusschen Sophroniscus en Philogamus over "vraegh-stucken (die) uyt ydere geschiedenisse rijsen." De eerste is "out-man ende weduwenaer", de ander "jonghman ende noch ongehout"; deze overlegt hoe hij "bequamelijck uyt desen eensamen staet tot een geselligh leven soude mogen komen." Het hapert hem er maar aan dat hij "te weynigh kennisse van saken hebbe in die gelegentheyt, en noch de rechte gronden niet en weet van dat groot werck." Waarom de eerste hem "een nieu Poëtisch werck" in handen geeft, "verscheyde gedenck-weerdige trou-gevallen .... voor oogen stellende..." Met aandacht zal hij "letten vvatter voor aenmerckingen uyt sullen te trecken syn ... ende daar nae willen vvy reden en tegen-reden onderlinghe seggen en hooren." [15]

Dit is niet door Cats "over-al in volle leden ghedaen konnen werden, vermits (s)ijn ampt (geduerende den tijt dat (hij) met het voorsz. Werck besigh was) (hem) veel beswaerlijcker quam te worden als wel te voren. In vougen dat (hy s)yn begonnen ontworp naer eysch van saken niet en (heeft) konnen vol-trecken: maer (heeft) de vervullinge van verscheyde bedenckelicke vraegh-stukken ghelaten aen het oordeel van den ervaren en geoeffenden leser."

Deze dialogen waren algemeen in de XVIIe en in de XVIe eeuw: 't hoofddoel was aangename geestverrijking: ze behandelden in elegante causerie alle vragen van kunst, smaak, wetenschap, zeden. Vooral in Italië was dit genre inheems.--Lucianus, en Athenaeus waren 't voorbeeld, zie vertaling en commentaren door Casaubonus.--Vgl. Erasmi Colloquia; Bargagli's Trattenimenti; Cremaille's Jeux de l'Incognu; Harsdörffer's Frauenzimmergesprächbücher (dames-encyclopaedie).

Ook in de Middeleeuwen vindt men al deze leerzame dialogen in navolging van Augustinus. [16]

IV

_Ex uno disce omnes._

Een van de meest bekende is het "Selsaem Trou-geval tusschen een Spaens Edelman ende een Heydinne, soo als de selve edelman, ende alle de werelt doen geloofde", of kortweg genoemd Het Spaens Heidinnetje.

Cats zelf vond het nog al biezonder: in de oudste druk staat het met een mooi vignet, en een extra groot 'hoofd' boven de bladzij waar 't begint, en wordt op biezondere wijs onderscheiden ook door het bericht in de Tafel.

Cats wilde prof. Barlaeus overhalen zijn Trouringh in het Latijn te bewerken. Hij noemt in een van zijn brieven aan deze professor [17] zekere doctor Pozzo; die zou dit Spaens Heydinnetie in het Spaans hebben bewerkt, maar die schrijver heeft hij niet onder de ogen gehad. Dit aardige verhaal heeft enige overeenkomst met de vertellingen, van Heliodorus. Dan deelt hij Barlaeus de inhoud mede.

De 20 Febr. 1634 zendt hij het hem, in 't ruwe afgewerkt. Of het waar is, zoals zijn zegsman vastelik beweert, of verzonnen, en of het pas gebeurd is, of dat het aan de oudheid is ontleend, laat hij in 't midden. Hij geeft Barlaeus volle vrijheid er in te veranderen, wat hem goed dunkt. Het stuk wacht en vereist nog een tweede doorwerking; de minste verandering is reeds uitstekend. [18]

Deze kwam in 1643 uit; het privilegie is van 7 Desember. Daaronder als "Cheiromantis" het Spaens Heydinnetie.

Cats hield dus Pozzo voor de auteur. Maar 't verhaal is een van de "Novelas ejemplares" van Cervantes; die zegt dat hij 't verhaal vond bij "el licenciado Poço".

Heeft Cats niet geweten dat Cervantes de auteur was van "la Gitanella de Madrid?" Hij noemt hem niet! En overal elders citeert Cats zijn bronnen wel! Hoogstwaarschijnlik had Cats het verhaal in een vertaling gelezen; dan nog was zijn zeggen juist: "historiam ... ex hispanorum monumentis hausi." 't Was "zeer waarschijnlijk een Italiaanse, daar hij spreekt van Ferdinando, voor 't spaanse Fernando" [19]

De Novelas ejemplares van Cervantes verschenen in 1613--waarin de Gitanella--en zijn vele malen herdrukt of nagedrukt. De franse vertaling is van 1621 door F. de Rosset en d'Andiquier. De italiaanse is van 1626 door Guglielmo Alessandro de Novilieri Clavelli, in Venetië; met de naam van Cervantes op 't tietelblad; in 1627 verscheen de tweede (van D. Fontano), en 1629 nog een derde, de beide laatste in Milaan. Maar mischien ook stond het verhaal in de een of andere bundel novellen. [20]

Zodat we nog niet met zekerheid kunnen aangeven waar Cats zijn Pozzo-Gitanella kan gevonden hebben.

In 1643 kwamen uit vier verhalen, vertaald door F. V. S.--"moogelyk Felix van Sambix, die den drukker is geweest" zoals van Meekeren meedeelt in zijn voorrede van "De doorluchtige dienstboden", door hem naar een van deze verhalen bewerkt. Zij verschenen bij Felix van Sambix in Delft; het eerste, tweede en vierde zijn van Cervantes. Dit laatste is Het schoone Heidinnetje. [21]

Heeft Cats ook deze niet gelezen, dat hij in latere drukken het eerst-medegedeelde niet gepreciseerd heeft?

In J. van Beverwyck's Schat der Ongesontheyt (1660) (blz. 106) wordt dit Spaens Heydinnetje gedeeltelik aangehaald, en omtrent de "polsslagh" naar "de redenen aanghewesen by d'Heer Ridder Iacob Cats" verwezen.

Het verhaal van dat Spaanse zigeunerinnetje was erg in trek. Men bewerkt het, men vertaalt het in 't Nederlands.

_M. Gansneb Tengnagel_ gaf in 1643 uit: Het Leven van Constance, waer af volght het Tooneelspel, de Spaensche Heydin. En _Cath. Verwers Dusaert_ publiceerde in 1641 haar Spaensche Heidin.

V

_Litteratuur over Cats_: de monografie van Dr. _G. de Rudder_, Un poète Neerlandais, Cats, sa vie et ses euvres, Calais, 1898; breedvoerig, met voorliefde geschreven. En daarnaast die van _G. Kalff_, Cats (_Gids_ 1899, dl. III, 387-435; dl. IV, 69-119); afzonderlik uitgegeven in: Studiën over nederlandsche dichters der XVIIe eeuw 2e herziene dr., 1916; (nieuwe titeluitgave in 1908, van de) 1e dr., 1901.

Een overzicht van leven en werken in _F. Buitenrust Hettema_, Uit alle de Wercken van Jacob Cats (met Inleiding: XXXIX, 216). 1905.

Verder vooral _Van Heeckeren_, Vader Cats (1876), in _Taal en Letteren_ V (1895), blz. 73, gepubliceerd.

Dr. _A. Kuyper_, Het Calvinisme en de Kunst (Rektorsrede), 1888.

Museum Catsianum, door _de Jonge van Ellemeet_, 2e vermeerderde uitgave, 1887.--

_H. Jansen Marijnen_, Jac. Cats, een mislukt eerherstel, in _Studieën_ LXXIV (1910) 497.--

_Buitenrust Hettema_, Van Lennep op Kongressen in _Nieuwe Gids_ 1910, bladz. 411.

De oudere literatuur vindt men bij _Kalff_, a. w.

VI

Deze "Zwolsche Herdruk" (Nº. I) werd in 1890 voor 't eerst uitgegeven. De Inleiding werd in hoofdzaak in 1887 opgesteld; evenwel niet bij de eerste druk gepubliceerd; wel werd een klein gedeeltetje in die eerste druk in de Aantekeningen verwerkt. Bij de tweede (1903), als in de derde, (1913), en in deze vierde druk is die Inleiding verder alleen bijgewerkt.

In deze herziene herdruk zijn de Aantekeningen vermeerderd; de woordelijst vergroot en aangevuld. (De aanhalingen zonder meer zijn alle uit de Trouringh zelf.)

De tekst zelf is afgedrukt naar de eerste uitgave van Cats zijn Trouringh, Quarto, 1637 (Mus. Catsian. nº. 171). [22] Deze druk is zo goed als zonder drukfouten.

In de noten is een enkele maal aangehaald de Octavo uitgave, de tweede druk van den Trouringh, van 1638. In deze ontbreken de proza-aenmerckingen.

De belangrijkste varianten uit de folio-drukken van "Alle de wercken", voor zover zij tijdens Cats-zijn leven nog verschenen, zijn aangetekend.

De eerste van deze, een folio van 1655 (F1), heeft vrij veel drukfouten; overigens stemt de tekst met de eerste druk van 1637, op enkele uitzonderingen na, overeen.

Meer veranderingen in de spelling, maar minder drukfouten, treft men aan in de tweede folio-druk van 1658 (F2).

Niet genoteerd zijn de variante lezingen uit latere drukken. In de tekst van de bekende editie van 1700, die bezorgd en gedrukt werd door Dan. van Dalen, Franç. Halma, de wed. van A. van Someren, te Amsterdam, J. en Wilh. van de Water te Utrecht, is hier en daar gewijzigd; zo heeft deze, om een voorbeeld te noemen: _verre_ voor _verde_ (vs. 596); _let my doch_, voor _hangt my uyt_ (vs. 939); _boot_ voor _biet_ (vs. 734), _troep_ voor _roep_ (vs. 1032), enz.

De taal der XVIIe eeuw verschilt van de onze voornamelik in de vele woorden, die nu een van de toenmalige, dikwels weinig, afwijkende betekenis hebben. Bij de samenstelling van het Glossarium is voornamelik op deze synoniemen gelet: niet enkel zijn die woorden opgenomen, welke geheel van betekenis zijn veranderd, of sedert uit de taal zijn verdwenen.

De asterisken in de tekst staan in 't algemeen waar de zin of het woord kon worden misverstaan. Zij verwijzen naar het Glossarium, en in een aantal gevallen naar de Aantekeningen. In beide is evenwel meer opgenomen, dan het aantal asterisken aangeeft.

Ten slotte een woord van dank aan die op enigerlei wijze door hun hulp deze uitgave hebben bevorderd.

_Zwolle_, Herfst 1921. B. H.

Mr. N. Beets, Oud-Onder-Direkteur van 's Rijks Prenten Kabinet in Amsterdam had de welwillendheid de volgende mededelingen ons te zenden over de bijgevoegde autotypieen, waarvoor wij hem onze beste dank zeggen.

De drie tusschen den text geplaatste reproducties zijn genomen naar de oorspronkelijke illustraties van het Spaens Heydinnetie in Cats' Trou-Ringh (ed. 1637).

Twee ervan (pag. 7 en 15) zijn gegraveerd naar teekeningen van den bekenden Haagschen schilder en dichter Adriaen Pietersz van de Venne (1589-1662), die voor nog tal van andere illustraties van den Trou-Ringh--ook voor de groote titelprent van 1636--de ontwerpen gaf; de een door Crispijn van Queborn (1604-1653 ?); de ander door A. Mattham (1606-1660). De derde (pag. 30) is door denzelfden Adriaen Mattham gegraveerd naar een teekening van den Dordtschen schilder Jan Olis, (± 1610-± 1655) die eveneens eenige teekeningen voor den Trou-Ringh leverde.

Als titel wordt hier gereproduceerd een ets die Majombe met, op den arm, de kleine Constance "behangen met juweelen" te zien geeft. De ets is van Pieter Nolpe (1613-1652) naar Simon de Vlieger (1601-1653), welke laatste ook aan de Trou-Ringh van 1637 medewerkte. Het prentje is er een uit een reeks van zes, alle door Nolpe geëtst. Het zijn illustraties voor

het leven van konstance. Waer af volgt het tooneelspel De spaensche heidin: Door M. G. T. t'Aemsterdam, gedrukt bij Nicolaes van Ravesteyn, voor Johannes Jacott, Boekverkoper by de Beurs, op 't Rockin, inde vergulde Cronyck, 1643. [23]

1921. 1913.) N. Beets.

SELSAEM TROU-GEVAL TVSSCHEN EEN SPAENS EDELMAN, ENDE EEN HEYDINNE;

Soo als de selve edelman, ende alle de werelt doen geloofde.