Chapter 10
haest, weldra, 498. inder --, plotseling, met spoed, 686, 1198.
hals-gerecht, hoge justitie, 1079.
handel, zaak, zaken, handelingen, 123, 285, 576, 1010, 1136, 1230.
hant-çieraet, 1391.
hant-gespel, 39 A. 341.
happigh, begerig, 1050.
harde, -- kost, 194: zwaar.
haten, 268: hekel hebben, trachten te vermijden.
haveloos, zonder have of goed, 753.
hebben te, 270 A. -- gaen beginnen, 937 A.
heyden, veld, 522. aen der --, buiten, op het veld, 369, 385, 905.
hel, een hellen diamant, 556.
hersens, 1069; vgl. breyn.
hertsen, gen. van hert, 1388 A.
hetselve, 1241.
heus, vriendelik, 881, 892, 1163. --, kies, 55. --, betamelik, 845.
hier, 998.
hitten, 1695 noot.
hoin, bedrog, 843 A.
hoofsche, van het hof, 505, 548. --, edel, 687.
hooft-gelt, schatting, capitatio, 811.
hooft-stuk, hoofddeel, 1856.
hoogh gemoet, 631.
hooge zalen, 862.
hoogh gaen, ver gaan, 113, 844.
hoogsten, ten --, 184.
hoop, bende, 69.
houden, 216. --, het er voor houden, 145.
houden, sigh --, zich ophouden, 804.
houden van, menen, 1468.
houdende, zijn -- van, 1808.
hulp, steun, 16.
huys, huisgezin, 172.
hups(ch), knap, sierlik, 211, 421.
I, Y
ydelheyt, nietigheid, 1798.
yet, iets, 757.
yet sulcx, 1767, 1775.
yet wes, 1834.
immer, ook, 31, 188, 287.
immers, altans, 1916 A.
in, op, 429.
in dese woorden, 192.
in-beelden, wijs maken, 1520.
in-brengen, 1576: aanvoeren.
in-halen, intrekken, 664.
innigh, het diepste van, intimus, 224.
innemen, bezetten, 801.
insettinge, instelling, 1871.
in-val, opmerking, gedachte, 1459.
yver, vurig verlangen, 1265.
J
jaren, 242 A. oude --, 673: de oude tyd.
jegenwoordelyck, op het ogenblik, 1812.
jeught, jeugd, (jeugdige) lust, 45, 150, 232, 422, 655 A. 292, 868, 880, 1291.
jeught, jongelingschap, 915.
jock, scherts, 54.
jocken, hof maken, tändeln, 541, 842.
jongen, knecht, 1013.
jonnen, gunnen, 916.
K, Q
kan, kent, 1352.
ké, hè, 311 A.
keeren, kern, 220.
kennelic, duidelik, 1868.
keurs, lijfrok, 1034.
klaerlick, duidelik, 1619.
kleynheyt, oneer, 1908; vgl. 570.
klis, 957.
kloen, kluwen, 1682.
klouck, scherpzinnig, schrander, 98, 259, 1831.
kluchtigh, grappig, komiek, 14.
koffer, goed gesloten kist 1016; vgl. het Frans.
koorts, 288 A.
kop, hoofd, 733, 748, 825, 1007.
korten, in --, 206.
kost, collect., onkosten, 778.
kraem, voorwerp, ding, 79.
krevel, minneprikkeling, 318.
kroon, 421: krans.
kunst, kunde, 235.
kunstenaer, kenner, 1609.
kunstigh, handig, met bedrevenheid, 258.
quale, 1407.
quaet, kwaal, 171.
queelen, zingen, 52, 187, 463.
queen, lelik wijf, 943.
quellen, vervolgen, 350.
L
laegh, hinderlaag, 210.
laegh, gering, onbekend, 122. -- plaets, 614 A.
laegh, 1478: beneden, bassus.
lanckheyt, met -- van tijde, in de loop van de tijd, op de lange duur, 1832.
langen, aanreiken, 718.
lant-drost, 1124 A.
lant-loopers, zwervers, 1433.
lant-vooghdin, 1090.
lasten, gelasten, opdragen, 1498.
laten, 5 A. --, verlaten, 617. -- onder sijn tonge, zwijgen van, 1673.
laven, hem --, zich verkwikken, 510.
leden, 950 A. 714. diepste --, 326.
leggen, in beraet --, zich beraden, 1200.
leyder, begeleider, 839.
lest, voor het--, ten slotte, 1371.
letten, merken, 291, 585, 1540. --, opletten, 1684, 1743.
letten, hinderen, schelen, 180, 1048.
leven in een wyse, 822.
liefgetal, lief, aangenaam, 119, 347.
licht, het groote --, 693.
lichte koy, 548.
lichtveerdigheyt, onstandvastigheid, 1488.
lieven, 985.
lijckewel, evenwel, 157, 321.
lijden, dulden, 14. --, toelaten, 847, 1917.
lijf, ingewand? moederlijf (uterus)? 197.
linden, sing., 77.
lincker, vleier, schalk, 453, 548.
listen, plur. 1114.
listigh, behendig, loos, 285.
loeren op, bespieden, 466.
loffelick, met lof, 1657.
loopen op, van toepassing zijn op, 85, 1670.
loos, vals, bedriegelik, 140, 583.
los, ongebonden, onsamenhangend, onzeker, 82, 128, 610, 1768.
lucht, 144 A.
luym, opwelling, gedachte, 1109.
lust, 1367. lusten, 344: lustige gewaarwordingen.
M
Madril, 13, 1242. Oude naam van Madrid; nog 't adjektief: Madrileens.
maeghde-krans, 200 A.
mael, male, reiszak, 1014, 1015, 1050.
maer en, 47 A., 484, 950, 1602.
machtigh, rijk, overvloedig, 104, 581, 635, 643, 1146, 1416.
maken, doen, 889, 1254. -- fingéren, verdichten, 75. hem --, zich begeven, 479. den sieckaert --, het schijn van ziek aannemen, ziek zijn, 1625 A.
mal, dwaas, dartel, 524, 1634.
mal, dwaasheid, 960.
mallen, mal doen, 613.
medeçijn, doctor medicus, 164; passim.
meer, sonder --, 1177.
meest, meest altijd, 350.
meynen, denken, 1025.
meyt, maagd, 695.
meloenen, 1724 A.
memorie, by -- stellen, 1246: te boek stellen.
mensch, niet een --, 40, 795. geen --, 23, 1413.
merckelick, duidelik, gewichtig, 1610.
mercken, zich bepalen bij, 1310.
midden, te -- (op, in,) 17, 520, 565.
min, minder, 1585.
minnekoortse, 1585.
mits, vermits, met dat, door, 14, 63, 147, 326, 361, 519, 1153.
moedigh, driest, 1059.
mogen, kunnen, 3, 12, 48, 497, 535, 585, 704, 730, 782, 834, 1039, 1068, 1306, 1375, 1412, 1427, 1499, 1534, 1925. --, mogen, 1223, 1413, 1414, 1498. --, moeten, 1497 A.
N
naderhant, daarna, later, 283.
naer, duister, 124, 728.
naer, na, nadat, 317, 553.
naerder, 189.
nau, scherp, 29.
naeu-keurigh, kieskeurig, 640.
neygen, sich --, 100 A.
nemen, aannemen, 1304. --, uithalen, opmaken, 1584. lust -- in, behagen krijgen, 1088.
neus, 89 A.
nevens, naast, in gezelschap van, 355, 622.
niet, niets, 320, 756, 766, 768, 818, 1048.
nieusgier volck, 340.
nieuwen, van -- aan, 699.
nichte, kleindochter, 330, 478, 1108.
nicker, duivel, boze geest, 1000.
nimmermeer, nooit, 631, 742, 771, 797.
noen, 947 A.
noch, nog, nochtans, bovendien, ook, 49, 135, 612, 802, 869.
noyt, nimmermeer, 1222.
noodelick, noodzakelik, 1863.
nootsakelick, natuurlik,1943.
O
oyt, 1131: wanneer ook.
ombreken, ontbreken, 1098.
om-drijven, verbijsteren, 234.
ommegaen, gebeuren, voorvallen, 1008.
ommegangh, voorgevallene, verloop, 1378.
omringht met, 1269.
omsichtigheyt, 1765.
om-tieën, vertrekken, verbijsteren, 885.
om-voeren, rondvoeren, brengen, 2, 1314. --, medeslepen 344. --, doen bewegen, kloppen, 1156.
onbekend, vreemd, 76, 356.
onbekommert, zonder lasten, 810.
onbewust, zonder erg, 1300.
onderdies, ondertussen, 489.
onderentusschen, 1939.
onderhouwen, bezig houden, 138.
onderrechten, inlichten, 1547.
ondersouck doen op, onderzoek instellen naar, 1445, 1558, 1828.
onderstaen, ondernemen, 719, 1967.
ondertasten, doorwoelen, 1050.
ondervinden, uitvorsen, te weten komen, 258, 1132, 1598, 1615, 1633.
onder-vragen, navorsen, 1836.
ondeugend, slecht, verkeerd, 1214.
oneenigheyt, tweedracht, 1885.
oneerlick, oneerbaar, 56.
ongebonden, uit het bedwang, 1006.
ongedaen, haveloos, deformis; verwilderd, dissolutus, 1511.
ongelegentheyt, verlegenheid, 1707.
ongemack, ongeluk, schade, 526.
onguer, onrein, vuil, onkies, gemeen, vies, 26, 543, 646, 1366.
onlanghs, kort te voren, 1478.
onlustigh, ontdaan, terneergeslagen, 608.
onreyn aen, 1896.
onruste, ontevredenheid, 1885.
ons, onze, 1299 A., 1328.
ontdoen, hem -- van, in de steek laten, 1308.
ontfangen, 293. --, aannemen, 310, 917.
ontgaen, hem -- in, zich te buiten gaan in, 127.
onthouden, sich --, zijn verblijf houden, 1637. --, wegblijven, 607.
ontijdigh, onrijp, 194.
ontluicken, 1333: open gaan.
ontrecken, 1853.
ontrent, om, bij, in, onder, 24, 60, 96, 174, 1016, 1693, 1721, 1723.
ontseggen, weigeren, van de hand wijzen, 932, 980.
ontset, verbijsterd, 969.
ontsluyten, beginnen, 1120.
ontsteken, ontroerd, irritatus, 221, 1164.
ontstelt, uit de gewone toestand gebracht, 489.
ontwaecken, 388: tot zelfkennis komen.
ontwerp, voorstel, 595.
onverbroken, niet te verbreken, 1858.
onverdult, toorn, 1128.
onverlet, desen --, desniettegenstaande, 164 A., 1085. --, ongehinderd, 770.
onwaardeerlick, onwaardeerbaar, 1934.
oock, nog, 644, 707, 952, 1008, 1024, 1219.
oorlof, verlof, 1349.
oorspronck, herkomst, origo, 1433.
op een nieu, 1326 A.
open, met een -- mont, 1235. -- doen (de werelt), verlichten, 815; vgl. patefacere orbem.
open stellen, open en bloot leggen, 738.
openen, een heusche mont --, 892.
opmerkinge, opmerkzaamheid, 1833.
op-nemen, in bescherming nemen, 1768.
op-tieën, naar boven trekken, 1070. --, spannen, 1169 A.
op-tijgen, aanwrijven, 749.
op-vatten, aangrijpen, 1367, 1373.
over-dragen, aandragen, 371.
over-eenkomste, overeenstemming, 1884.
overgeven, hem --, zich onderwerpen, 578.
overheeren, meester zijn, 702.
overhoop, door elkaar, 1077, 1087.
overlast, overladen, 195.
overslaen, het oog laten gaan over, 948.
overstorten, 1055.
P
pagjen, kleine page, 354.
payen, 142: verschalken.
palen, plur., oord, 2, 1198; vgl. fines, orae.
pant, bezitting, schat, 544, 580. --, onderpand, 559. -- goed, 72.
paren, metgezel worden, consociare, 1272.
partuyr, wederhelft, 1918.
passen op, letten op, geven om, zich storen aan, saamgaan met, 10, 21, 968, 1437, 1608, 1696, 1764.
peyl, merkteeken, 827.
peysen op, bepeinsen, 590.
perck, omheinde ruimte, 906. Kil. parck, warande, roborarium: viviarium, locus septus in quo ferae vivae pascuntur, vulgo parcus.
plegen, doen, 1200, 1895.
plagh, 94 A., 707, 722, 866, 986, 1675, 1923. --, 792, 971.
pogen, 983.
praem, knel, 1222.
praet, 22, 1196.
prang, 650: nauwende perken.
prangen, de ziele --, 1226.
predicatie doen, 1525.
prenten, 84 A.: bezig houden?
preuf, preuve, proef, bewijs, 591, 1364, 1653.
R
racker, gerechtsdienaar, 1031.
raden tot, dringen, drijven tot, 1360. Kil. raeden, j(tem), op-raeden, incitare.
raet, middel, 153. --, overleg, 572.
raken, betreffen, aangaan, 110, 931, 1106, 1223, 1416, 1561: roeren.
rakente, 352: raken aan het.
ranck, streek, boerte? klucht? 54.
rapen, verzamelen, 769, 776. vreughde --, 161. vgl. Kil. raepen ghe-noeghte. voluptatem capere, haurire: delectari. Vgl. Oudemans.
ras, 1267.
rasen, de baren --, 806.
rauw, rouw, onbeschaafd, lomp, 305, 967, 1849. --, onervaren, 672.
recht, juist, 1452.
rechten, de gemeene --, 1839, A.
reden, spreken, taal, woorden, 262 A, 485 A. 734, 933, 1038.
reden, verstand, 229, 298, 671, 703. schijn van --, 142: schijn van waarheid.
reys, een --, 52, 193, 515, 711.
ridder, 720.
ridderschap, het --, ridderlike waardigheid, 558.
ringekens, 1508.
rijck, machtig, 114.
rijsen, komen, 446, 526, 922.
roemen, zich beroemen, 1629.
roep, gerucht, 1032 A.
roepen over, 1729: halen bij.
roeren, aanroeren, behandelen, "Aenmerck." bladz. 69.
rock, 542 A.
romp, lichaem, 1186.
ront, openhartig, 205, 262, 598.
rot, bende, schaar, 61, 175, 612. -- 370, A: troepje.
rustigh, solide, flink, 272. -- vertrouwd, 832.
S, Z
sap, drank, 168, 245 A.
schamel, arm, behoeftig, 939.
schamperheyt, smaad, 1753.
scheen, een blauwe -- loopen, 944.
schendigh, schandelik, 116.
scheppen (lust), 391; vgl. haurire.
scheppinge, scheppingsdag, 1948 A.
schier, (-- of morgen), van daag, 1247; vgl. Warenar 194; Kil. schier, oft morghen, hodie aut cras: nunc aut post. vgl. van Hasselt op Kil.
schijnen, 3 A., 388, 608, 704.
scheen, ofschoon, al, 220, 309.
schoot, in ... --, 910, 916.
schoots, buiten --, 800.
schor, het --, land buitendijks, 905.
schorten, haperen, 1056.
schrijven, beschrijven, 1669.
schroom, schrik, vrees, 1063.
schroomen, c. acc., vreezen, 112, 1219.
schuym van bouvejacht, 1064.
zeden, aard, karakter, 485, 1142; vgl. mores.
sedigheyt, zedelikheid, 1918.
seggen, noemen, 677, 732. -- 696: afspreken. -- voor, 1092, zie spreken.
seker, 1435: duidelik, indubitatus.
selfs, zelf, zelve, 1336, 1403, 1891, etc. --, nog, 1001, 1011.
selsaem, zelden voorkomend, biezonder, zonderling, vreemd, raar, 1, 6, 182, 496, 877, 890, 967, 1008, 1409, 1459, 1707.
setten, sigh --, zich zetten tot iets, 189. liefde --, 926, 957.
ziel, 315. --, hart, 1100. --, gemoed, 1380. de goede --, 315.
sien, toezien, 923. -- in, inzicht hebben in, 1604.
sier, niet een --, 820.
sijgen, zich gaan vlijen, 492.
zijn aen, 981 A.
zijn tegen, tegen-zijn aan, 823.
sin, zin, zinnigheid, 586, 959. --, gedachte, 699.
sinnen, gemoed, geest, verstand, zin, ziel, 55, 331, 826, 875, 885, 997, 1006, 1102, 1155, 1169, 1345, 1348, 1384, 1397, 1404.
slagh van volck, 1836.
slagh, -- van drouven reden, 832.
slagh-ader, 1582 A.
slecht, eenvoudig, onnozel, 509. -- gering, 942.
slim, slecht, erg, boos, 54, 447, 1036, 1225, 1262.
sloir, sloerie, 688, 937.
slons, 943.
slot, besluit, zin, beduidenis, 76, 593, 1939 A.
sneegh, scherpzinnig, behendig, vlug, 67, 136, 209, 284, 339, 350, 1220.
snellen (na), 773: jagen, streven.
soeken syn bejagh op, 1044.
soet, zacht, lief, 186, 895, 1699. --, best, 183, 1291, 1699. -- aert, 1271.
soetelick, zachtjes, 1651.
soetigheyt, liefheid, 1882.
sonderlingh, biezonder, merkwaardig, 1442, 1482, 1661, 1793, 1833.
sorghen, beducht zijn, 1216.
spel, 148; Kil. spel, schouwspel .... spectaculum ludi, spectacula publica.
spelen ontrent, 1072 A.
spijt, smaad, boosheid, 629, 996. -- 281: minachting.
spijten, verachtelik voorkomen, 257.
spoedelick, met spoed, 1530.
spoker, zwarte kunstenaar, 1005, 1835.
spoor, sleep, trein, 753.
spraeck, spreken, 553.
spreken, aanspreken, 185 A. -- voor, voorspraak zijn, 1411 A.
springen, dansen, 35, 338 A.
spruyt, 375.
staegh, voortdurend, onafgebroken, 10, 108, 250.
staen, laten --, staken, 1264. ten toone --, 438 A., 468. -- in de plaats, 992.
staet, stand, 154, 570.
stam, afkomst, 1142.
stant, staat, toestand, 296, 712, 812, 1170.
stellen, opstellen, zetten, 751 A., 1247. in 't werk --, hem --, 117, 137. --, toepassen, 1742, 1898, 1984. open --, openen, 519. Kil. applicare operi, Et exercere, cogere in opus.
stem, geluid, klank, 356.
sterven, bezwijken, 1286.
stil, heimelik, zacht, rustig, 272, 359, 1012. --, apart, 1266.
stillen, den loop --, 1307.
stonden, van -- aen, 1051.
stracx, dadelik, 1057, 1256, 1374.
strate, weg, 618.
streeck, zet, trek, 135, 186.
strecken over, bezig houden met, 1384 A. sigh -- na, zich begeven, 1273. -- voor..., tot, 838.
streelen, vleien, 542, 795.
stremmen, doen ophouden, 252.
strengh, strikt, vast, 823.
stuck, 569. Kil. res, causa, factum, facinus.
stuur, bar, 334.
suyker, 195 A.
suysebollen, 1007 A., 1069.
sulcx, 1720: zodanige, dergelijke zaken.
suur, scherp, 785.
swarte hoop 841.
sweven, zwerven, 878. boven --, overtreffen, 339 A.
T
taey, karig, tenax, 311.
te, 358 A.
te, zeer? al te? 155.
teen, plur. van tee, 1279.
teer, aanvallig, teder, teer, 34, 55 A., 292, 840, 1139, 1366. --, leden, 201, 203.
t'elcken, telkens, 1691, 1705.
tergen, prikkelen, 1366 A.
terstont, zo even, 945? 1293.
terwijlen, 1081.
't gunt, 1283.
tieën na hem, 1969: veroorzaken.
tijt, jonge --, jeugd, 896.
tijt, nu ter --, 1182, 1292. doen ter --, 1244.
toe-komende, toekomstig, 1559.
toestaen, toestemmen, 1831.
tol, belasting, census, 809.
tot, te, 1202.
tot aen, 604. -- in, 678, 1086.
tranen-broot, 1311. vgl. Ps. 80, 6.
trecken, trekken, aanhalen, nemen, 79, 819, 1788, 1872.
treden in het ondersouck, 1813.
trou, in -- gebonden, verloofd, 1125.
troutel-reden, vleitaal, 517.
trouwe, 851: vaste verbintenis. Kil. fides, fidelitas.
tucht, eerbaarheid, 653.
tuygh, gerei, 757.
t'wijl, terwijl, 351, passim.
U
uytgelesen, 336.
uyt-hangen, 939 A.
uytkomste, 1827.
uytmuntend, sterk uitkomend, 1705 A.
uytnemen, uitzonderen, 741.
uyt-strijcken, bedriegen, 506, 849.
uytvinden, ontdekken, 78, 1542, 1621.
V
vallen, voorvallen, komen, uitkomen, terechtkomen, 141, 316, 335, 782, 1099; komen te -- op, overslaan op, 1891. -- in gedachten, geraken, 697. -- in beraet, 701. -- aen, vlug gaan aan, 1426.
van, door, 1965.
van gelijck, gelijcke (n), evenzo, 1138, 1521, 1629, 1839.
vant, 16 (:), 1136 (:), ouder (ook Zeeuws?) praeteritum van vinden; naast vont, 891. 1164 (:), 1199 (:), 1275, 1621.
varen, gebeuren, fieri, 713.
vast, 1269: nauw. --, zeker, 1930.
vast houden, voor zeker houden, 846. vgl. houden.
vast stellen, voor zeker aannemen, bepalen, 277, 287, 592, 1201, 1572, 1747, 1762, 1982.
vatten, begrijpen, 92. --, vangen, 152, 376; vgl. amore captus.
veerdigh, met spoed, 69, 1180.
veynzen, ontveinsen, 280.
veysen, veinsen, 589.
velden, groene --, 1429.
venster, dese --, 1300. Vgl. Kolthoff, blz. 61.
verbaest, verstomd, verbijsterd, 549, 1054, 1167, 1253.
verbond, bond, kring, 835.
verde, verre, 596.
verderven, vergaan, 403.
verdrayen, verwringen, 197. -- 141: plooien.
verdrucken, 420 A.
verdwelmen, bedwelmen, 1101.
vereeren, versieren, decorare, 34, 1210.
vergapen, hem --, 1701.
vergen aen, tot, vragen, eischen, voorstellen, 812, 901, 1909.
vergenought, hem -- houden (met), zich vergenoegen, 1537.
verhael, het verhalen, 324.
verhalen uyt, mededelen volgens, 1504.
verheven, grootmachtig, 814.
verhopen, hopen, 1883. (Vgl. onverhoopt.)
verklaren, uitkomen voor, 1854.
verquicken, opleven, bijkomen, 1255.
vermaeck, ontspanning, genoegen, 366, 386, 918.
vermaken, 641 A., 985. --, verkwikken, opvroliken, recreare, 178.
vermenghen, paren, 464.
vermogen, vrijheid hebben, 1780, 1848.
vernemen, bemerken, 374, 601, 1691.
vernougen, voldoening, 640. vernugen, 1943.
vernougen, hem -- des, ingenomen zijn met, 949, 1975.
vernuf, verstand, 42, 1427.
vernuft, verstand, 1766.
verrader, 1004 A.: booswicht.
verrassen, 22.
verrucken, vervoeren, 377, 686.
versaden, 48: zat zien.
versch, fris, 373, 706.
verscheydenlick, verschillend, 1472.
versegelen, in de trou --, 952 A.
versekeren, zekerheid geven, 1284.
verselschapt, verloofd, 1424.
versouck, bezoek, 1455. --, aanzoek, 956.
versoucken des, 253.
verstaen, begrijpen, 1779, 1803. --, vernemen, 1467.
verstant, 15, mening. --, 1194.
verstellen, veranderen, 203.
verstopt, opgehouden, 201 A.
vertrecken, hem --, weggaan, 858.
vertrout, 1351 A.; vgl. in trou gebonden.
vervoeren, wegslepen, 657, 1406, 1544.
vervougen, hem -- na, zich begeven naar, 1490.
verw, schoone --, schoonheid, 41, 393, 968.
verwecken, opwekken, 49.
verwerren, verward raken, 98. -- 1196: (in de praet) verwerret, verwikkeld, verdiept.
verwonderen des, 1736.
veur, voor, 250.
vinden, opmerken, 51. --, bevinden, gevoelen, 289.
vinnigh, 1068. --, dreigend, 804.
vlam, 1143.
vleck, plaats, 25.
vlijt, 294: met alle vlijt, vurig.
vlijtich, nauwlettend, 1278, 755.
vloeyen, 483.
vogeltje, 't -- onder de steert zien, 1772 A.
vol, in volle daet, 583. met (een) -- mont, gul uit, 284, 467. --, smakelik, 523 A. in -- leden, volledig, 1382 A.
volgende, dien --, diens volgens, 1581.
vond, vinding, zet, 284, 486 A.
vonck, 489 A.
voor eerst, in de eerste plaats, 739; vgl. eerst.
voor-komen, 1297: het komt mij voor, ik herinner mij.
voornamelick, voornaam, 1630.
voorraet, in --, bij voorbaat, 830.
voor-seggen, 1439.
voorstel, aanzoek, 626.
voortbrengen, voorstellen, opperen, 595.
voor-vallen, toevallig voorkomen, 1950.
vordere, verdere, 1826.
voren, 1762: vroeger.
vougen, schikken, sigh --, 518. syn leden -- tot, zich voegen naar, 950 A. --, passen, 692.
in vougen dat, zo dat, 47.
vragen des, 953. -- op, ondervragen, 73. vgl. bevragen.
vrat, wrat, 1275, 1282.
vreedsaem, in vrede, 1412.
vremd, zonderling, 703.
vreught, 543, 896, 1003, 1286.
vrienden, famielie, 954.
vry, vrij wat, nog, 698, 953.
vrye woorden, 922.
vrijster, ongehuwde maagd, 36, 1365, 1403.
vrolick sijn van, 831: feest vieren van.
vroom, braaf, moedig, 1128.
vrou moeder, 295.
vuyl, gemeen, schandelik, slecht, 53, 62, 873.
vuylheyt, gemeenheid, 59.
W
wacker, helder, 43.
waen, 1929.
waer, hoever, 469. Kil. ad quem locum.
waer nemen, merken, opletten, 1025.
wagen, dreunen, 1010.
wassen, groeien, 37.
weder-klack, echo, 1431.
weert, lief, passim; vgl. Fr. cher.
weerd des, 1670.
wech dragen, roven; vgl. to carry away, 538.
wech leyden, meevoeren, 663.
wech-rucken, wegslepen, 656.
wegen, schatten, 1881. Vgl. Lat. pendere.
weyden, breet -- in, 123: veel doen aan.
weynigh, een --, 1349; vgl. un peu.
wel, heel, 320.
werden, worden, 73, passim; praet. wort, passim; ook praes. wort (?) 384 A.
werck maken van, hoog lopen met, 1785; vgl. Kil.
wesen, voorkomen, gelaat, uiterlik, 41, 86, 134, 377, 469, 481, 769, 1139, 1660, 1749, 1805. --, gestel? 205, 317.
wet, (maatschappelike) instelling, 307, 738. buyten wetten, 958. --, overheid, 1405.
wetten op, 1627: spitsen.
wie, relatief, 101.
wieen, wijden, 727.
wiens, 21 A.
wijf, huisvrouw, 682, 743. --, 999.
wijse, zeden, gebruiken, 821, 877; plur., 717.
wijsen, aanwijzen, 1231.
wil, om uwen t' --, 719. te -- zijn, 216.
willen, 191, 930, 1168: zullen.
wil, zin, 964.
wilde, 1849.
wind, windhond, 353.
winnen, 740.
woelen, zijn best doen, 983.
woest, 869, 1917 A.
wonder, collect. wonderen, 998.
wonderbaer, wonderlik, zeldzaam, Aenmerck. blz. 69.
worden (niet bij participia), 1791 A.
wrangh, bitter, 965.
wrocken, 841.
wulp, jonge --, jonge kwant, jongmens, 96, 318.
AANTEKENINGEN
[1] Deze werd gedrukt voor Matthias Havius, "opper-Klerck van den Raet-Pensionaris", by Hendrick van Esch, boeckdrucker, woonende in 't Hof, in de Druckerije van de Maeght van Dordrecht.
De titelplaat: "A v. Venne, inuen:" en "Crispiaen v.q. sculp:"--heeft als bijschrift: I Cats | Prouf-steen | van den Trou-ringh. | 1636. |
't Privilegie is van 4 April 1635.
't Werk is al enige jaren vroeger opgezet en bij gedeelten afgewerkt; zie hierna, blz. XXI, over het Sp. Heyd., en blz. XVIII.
[2] Voorreden.
[3] Aenm. Adams Houwelick.
[4] Voorreden.
[5] Verzamelde bewijzen bij _Kalff_, Cats, _Gids_ 1899, III, blz. 387. En bij _Van Heeckeren_, Vader Cats: _Taal en Letteren_ V. Verder: Uit alle de Wercken van Jacob Cats, blz. VI. Med. Dr. E.D. _Baumann_, Johan van Beverwijck, in leven en werken geschetst (1910), blz. 41 vv.--Zie ook over zijn populariteit: _Nieuwe Gids_ 1910, II, 412, _Groot Nederland_ 1911, II, blz. 225.
[6] Cats, Trouringh, 't Gront-Houwelick, blz. 6.
[7] Lees verder de mooie bladzijden betreffende _Cats_ van Dr. _A. Kuyper_, Het Calvinisme en de Kunst, 1888, blz. 34 vv.
[8] Vryster-mart (slot).
[9] Zo schrijft _van Heeckeren_ (1876) in _Taal en Letteren,_ V, 83.
[10] Q. geeft.
[11] C. Huygens, Costelick Mal.
Zie o. a. hier Aant. bij 1582.
In zijn Trouringh (1637) 4º, blz. 304 vermeldt hij, hoe het Parlement van Parijs--5e Sept. 1634--het geval beslist van "de broeder des konings."
[12] Bij haar afbeeldsel, achter de Tafel in de Trouringh.--Zie over haar: _Eucleria_, van haar zelf, Altona, 1673.
[13] Tijdschrift Mij. Letterkunde, Leiden, VI. 25.
[14] Inleydinge (of "Voorreden") van de Trouringh 1637.
[15] In de voorrede van de Lat. bewerking, die ook in dit opzicht van Cats zijn werk verschilt, worden beide personen aldus gekarakteriseerd: "Loquuntur in Opere Catsii Belgico Sophroniscus et Philogamus, quorum hic discentis, ille docentis partes sustinet, hic amantium officia scire satagit, ille exponit. alter concitatior et ardentior, alter cautior; alter nullum non conjugii modum probat; alter non nisi legibus circumscriptum: hic juvenili ardore et fiducia promit, quiequid dictat amoris affectus, ille senili gravitate regit dictis animos et pectora mulcet, hic, ut vivant, aut ut vivere optent amantes, ille ut vivere oporteat, ostendit."
[16] _Ebert_, Allgem. Gesch. d. litt. d. MA. II.--_Kalff_, Nederl. Letterk. I, 419.
[17] "Est historia quaedam ex hispanorum monumentis depromta lectu amoena ob varios cuentus: Doctor Potzzo hispanice dicitur eam descripsisse, quem autorem tamen non vidi. habet quaedam similia cum narrationibus Heliodori. argumentum est nobilis quidam hispanus amore ill ctus Aegiptiam puellam (quam nos heijdens vocamus) per longum satis tempus sequitur, vitam illam rudem, mendicam et rusticam tolerat, et mores sorditos istius hominum generis, tandem agnita fuit ista Aegiptia pro virgine nobili et hinc foelix matrimonium." (Tijdschrift 1.1.)