Sint-Nikolaas en het Sint-Nikolaas-feest

Part 2

Chapter 22,311 wordsPublic domain

Bij den eersten opslag heeft _Sint_-NIKOLAAS op zijnen verjaardag een zonderling voorkomen: want welke gemeenschap is er toch tusschen den eerwaardigen en heiligen bisschop van _Myra_ en een' rondbrenger van lekkernij en suikergebak? Doch wij zullen de zaak in een ander licht beschouwen, wanneer wij hier eveneens te werk gaan, als bij het onderzoek naar menig ander feest, gebruik, spreekwoord, of wat ons ook de oudheid overgeleverd hebbe. Zoo lang men zich afslooft, om volledige bescheiden uit lang verloopene eeuwen in te winnen, verspilt men den tijd, zonder zijn doel te bereiken. Eene enkele omstandigheid in iemands leven, een bloot toeval, eene kleinigheid zelfs, brengt iets onder weinigen in trein, en nu breidt het zich langzamerhand verder uit, tot dat het eindelijk op de nakomelingschap overgaat. Dit is, mijns inziens, de sleutel tot de verklaring van het _Sint_-NIKOLAAS-_feest_. Goedhartigheid, zagen wij, was een der voorname trekken in het karakter van dezen bisschop. Die goedhartigheid spreidde zich vooral in weldoen ten toon, in weldoen van geheel de bevolking zijner stad, bijzonder van ieder voorwerp, hetwelk medelijden of beklag verdiende. Voornamelijk schijnt hij de vriend van kinderen geweest te zijn. Misschien weten mijne lezers de vertelling, die er van hem in omloop is, dat hij eenmaal aan een arm soldaat, die over zich zelven en zijne drie jonge dochters in de uiterste verlegenheid was, eene zoo welgevulde goudbeurs beschikte, dat de vader niet alleen overvloed voor zijn gansche leven had, maar ook zijne dochters, bij haar huwelijk, met een' kostelijken bruidschat kon uitzetten. Zeker geleerd schrijver oordeelt, dat uit deze vertelling, hoe weinig geloof men er aan geven kunne, het kinderfeest op den geboortedag van den Heilige zal zijn voortgekomen. Mogelijk is dit maar een van die bewijzen der weldadigheid, welke hem de Overlevering uit hoofde van zijne bekende liefde voor de jeugd heeft toegeschreven, en waardoor hij de Patroon derzelve geworden is. Doch in allen geval heeft deze gebeurtenis hem een' grooten naam verworven. Toen hij nu dood was, werd, gelijk het doorgaans gebeurt, zijne liefde nog hooger gewaardeerd, dan bij zijn leven. Men trachtte zich zelven en de zijnen wegens zijn gemis te troosten, door zijn voorbeeld na te volgen. Weldra vierde men hier en daar den zesden van Wintermaand niet slechts ter eere van den Heilige, maar ook ten gevalle zijner kinderen. Van tijd tot tijd werd zulk eene feestviering algemeener. Ten laatste was de roem van _Sint_-NIKOLAAS als weldoener der kinderen bij velen zoo gevestigd, dat men hem in gezelschap van dezelve afschilderde. Nu laat het zich ook verklaren, dat hij in die landen, waar zijn feestdag een dag van blijdschap voor de jeugd geworden was, door geene godsdienstige geschillen in vergetelheid geraakte. De kleinen bleven aan hem denken; en hoe kon hij dan door de volwassenen, hoe kon hij door ouders vergeten worden? Neen, zoo verre werd het _Protestantisme_, ten minste in sommige oorden, niet gedreven. Als heilige werd hij niet langer vereerd; maar hij behield zijne waarde als Patroon der kinderen, en de zesde van Wintermaand was steeds de vreugdedag, waarop aller mond zijnen lof vermeldde.

Doch het is niet genoeg, op de uitdeeling van geschenken te letten, welke op den zesden van Wintermaand onder den naam van _Sint_-NIKOLAAS geschiedt; maar wij moeten ook de wijze, waarop men bij die uitdeeling te werk gaat, in aanmerking nemen. Bij den eersten opslag heeft het reeds eene zonderlinge houding, dat men gewoon is de kinderen met de gaven van dezen heiligen man te verrasschen, zoodat zij dezelve krijgen, zonder dat zij den milddadigen gever zien. Zou dit nu toevallig ingevoerd, of wel uit eene bepaalde overlevering ontstaan zijn? Zou welligt de eerste oorsprong van deze geheimzinnigheid in die leer van het Christendom liggen, welke het weldoen in het verborgene aanbeveelt? Deskundigen weten, hoe zich in de eerste eeuwen onzer tijdrekening velen als om strijd tot het opvolgen dezer leer beijverd hebben. Langzamerhand ging het hiermede, als met andere voorschriften: men liet den geest verloren gaan, en hield zich nu te vaster aan de letter. Of dit nu ook het zwak van onzen bisschop geweest zij, durven wij niet zeggen; maar er wordt van hem verhaald, dat hij het steeds daarop toeleide, om onbekend te blijven, als hij ergens hulp of verkwikking aanbragt. Vooral vond hij er, naar het schijnt, een bijzonder vermaak in, dat hij zijne giften tot elks verbazing, en dus des avonds of des nachts bezorgde, en dan weder in stilte vertrok. Zoo handelde hij dan ook met die goudbeurs, waarvan boven gesproken is: daar hij aan het huis van den soldaat kwam, terwijl alles in diepe rust was, het kostbare geschenk, als een andere PLUTUS, door het vengster wierp en op staanden voet zich verwijderde. Intusschen mislukte het hem hier zoowel als elders, om van zijn goeddoen een geheim te maken. Doch nadat het wereldkundig was geworden, prees men het niet minder. Na zijn afsterven volgden de ouders hem na in het verrasschen hunner kinderen. Welligt rezen zij daartoe eerst midden in den nacht van hunne legerstede op. Maar met den tijd werd dit te lastig gerekend, en nu maakten zij hunne beschikkingen voor zij zich te slapen leiden. Zoo kreeg men bij _Sint_-NIKOLAAS-_dag_ ook _Sint_-NIKOLAAS-_avond_. En toen men _Sint_-NIKOLAAS-_avond_ gekregen had, moest de heilige man ook daarin worden nagebootst, dat men den kinderen, wel geen goud of zilver, maar hetgeen bij velen hunner nog op hooger prijs dan goud of zilver staat, in het geheim door een half geopende deur of vengster toewierp. En het eene geslacht leverde dit aan het andere over.

Doch het bleef niet bij louter menschelijke handelingen. Gelijk het geloof aan de verschijningen van gestorvene Heiligen in de middeleeuw algemeen was; zoo geloofde men, gelijk boven reeds gebleken is, ook van _Sint_-NIKOLAAS, dat hij van tijd tot tijd op aarde verscheen. Dit geloof ging als kweekgras van het eene geslacht op het andere over, en werd schier met elken leeftijd door de verhalen van nieuwe verschijningen bevestigd. En op welk eenen dag voegde deszelfs tegenwoordigheid nu beter, dan op zijnen feestdag? Weldra verbeeldde zich dan ook de kinderlijke eenvoudigheid, dat de goedhartige Bisschop hun nabij was, zonder aan de zwarigheid te denken, dat hij zich kwalijk op duizenden plaatsen te gelijk bevinden kon. De versnaperingen, hun op zijne verjaring geschonken, schreven zij aan hem zelven toe. Zij leerden en zongen liedjes te zijner eere, die zij aan elkander overleverden. Wat ouders, vrienden en bekenden er toe deden, om de kleinen in dien waan te brengen, weten wij niet te zeggen; maar dit weten wij, dat zij dwaas genoeg waren, om hen daarin te versterken. Zij zelven gaven zich voor den persoon van _Sint_-NIKOLAAS uit. Zij doschten zich op eene vreemde wijze uit, om het bedrog te verbergen. Het uitdeelen der giften geschiedde met een' toestel, welke de kleine wereld nog meer verbijsterde. Zoo werd de Heilige verlaagd tot een' gemeenen kluchtspeler. In dat karakter verschijnt hij nog jaarlijks op zijnen geboortedag, en wie durft den tijd bepalen, waarin dit geheel veranderen zal? Het is zoo, in menig huisgezin wordt de jeugd verstandiger, dan wij volwassenen in onze kindschheid geweest zijn, hier en daar misschien al te verstandig. Leeraars en opvoeders verzetten zich genoegzaam met gemeene krachten tegen het ingeslopen gebruik, als voor de maatschappij hoogst nadeelig. En waarlijk! zij zijn althans dan, wanneer men het zoo aanlegt, dat de vrees voor verschijningen uit de geestenwereld bij de jeugd gevoed wordt, geene te gestrenge zedemeesters. Maar de lezer wacht zeker te dezer plaats geene uitweiding over dingen, die thans in duizend boeken voorkomen. Genoeg dan, dat een ieder er nog bij lange na niet toe gezind is, om den zesden van Wintermaand in een' anderen smaak te vieren. De kleinen vinden de tusschenkomst van den Heilige zoo natuurlijk, dat zij zich verwonderen zouden, bijaldien hij achterbleef. Eene menigte van ouders kan het nog niet begrijpen, dat er zoo veel kwaads in gelegen is, hen in dat vooroordeel te stijven. Voor sommige zou het zelfs zwarigheid opleveren, zoo de kinderen dat vooroordeel afleiden: want zijn zij hun gezag ongelukkig kwijt geraakt, dan hebben zij gewisselijk _Sint_-NIKOLAAS noodig, om de halstarrigen te bedwingen!

Men doet, namelijk, gelijk ieder weet, _Sint_-NIKOLAAS niet slechts verschijnen, om de kinderen vrolijk te maken, maar ook, om hen wegens hunne ongehoorzaamheid te bestraffen. Hij wordt dus ook in de afzigtigste gedaante afgebeeld. En de reden behoeft men niet verre te zoeken. Of hoe stelde men zich in de middeleeuw de verschijningen van bovenmenschelijke wezens voor, als zij kwamen, om eenig onregt te wreken? Immers, met oogen van vuur, met kettingen, met beestenhuiden, en met al wat voor den mensch het meest verschrikkelijk was, toegerust. Zoo vertoonde zich dan ook _Sint_-NIKOLAAS, en men vergat vooral de geeselroede niet, welke het gebleken was, dat hij zoowel te handteren wist. Toen die vermommingen eenmaal waren ingevoerd, bleven zij van geslacht tot geslacht voortduren, en zoo zijn zij tot ons gekomen. Wat het gebruik betreft, om den Heilige zijne schoenen te brengen, dit zal ontstaan zijn uit de overlevering, dat de goudbeurs, welke hij den berooiden soldaat toewierp, juist in deszelfs schoenen gevallen is, die voor het bed stonden. De meeste bevreemding verwekt echter de voorstelling van _Sint_-NIKOLAAS als een' ruiter, welke zoowel in _Braband_ en elders, als in _Holland_ gevonden, en ook op schilderijen gezien wordt, waarop hij staat afgeteekend. De gedachte toch, dat hij jaarlijks een paard uit den hemel medebrengt, zal niemand voor aannemelijk houden; en de gissing, dat hij, bij zijn leven op aarde, eerst ruiter en vervolgens Bisschop geweest is, strookt niet zeer met den eerbied aan zijn persoon verschuldigd. Het zou eenig licht kunnen geven, dat bij sommige zijner kerken, zoo als te _Utrecht_, van onheugelijken tijd af, een paard onderhouden is geworden, waarmede de geestelijken hunne ver verwijderde _Parochianen_ bezochten. Evenwel blijft het nog onzeker, of dit gebruik ontleend zij uit hetgeen die Patroon als Bisschop zelf gedaan heeft; dan of men uit hetzelve aanleiding genomen hebbe, om hem als ruiter af te beelden. Mogelijk houdt men het eerstgenoemde voor meest verkieslijk, omdat het bekend is, dat deze Heilige niet alleen voor de stad _Myra_, maar ook voor de omliggende streken werkzaam, en zeker buiten staat geweest is, om zich overal heen te voet te begeven. Doch wat men ook verkieze; onnatuurlijk is het gewis niet, dat de oude man, die op duizende plaatsen te gelijk wezen moet, zoo veel mogelijk voor zijn gemak zorgt en zijne togten te paard aflegt.

Maar nu is nog de vraag, waarom er bijzonder in ons vaderland op den dag van _Sint_-NIKOLAAS een kinderfeest zij; terwijl daarvan op vele plaatsen van _Duitschland_ en elders niet geweten wordt. En om die vraag met zekerheid te kunnen beantwoorden, moesten er oude stukken zijn, die ons de noodige bescheiden aan de hand gaven. Wilde men het aan minachting jegens den eerwaardigen Bisschop wijten, dat men in menig oord zijnen dag voorbij laat gaan, zonder naar zijn voorbeeld de kleinen vrolijk te maken; men zou vergeten zijn, dat zulks dikwijls ook daar niet geschiedt, waar men hem als Heilige in de hoogste waarde houdt, ja waar men zich zelfs verbeeld heeft overblijfselen van hem te bezitten, die eene groote wonderkracht hadden. Veel liever bedenke men, dat 's mans navolging als kindervriend van deszelfs vereering als Patroon der kerk nooit onafscheidelijk geweest is: dat juist daarom de oude schrijvers, die over den zesden van Wintermaand als den feestdag van dezen grooten voorspraak der geloovigen met ophef spreken, van het kinderfeest, zoo ver ons gebleken is, tot één toe stilzwijgen; en dat dit feest derhalve in vele gewesten van _Europa_, waar hij in den rang der Heiligen werd opgenomen, niet zal zijn ingevoerd geworden. Nu is het bij de nakomelingschap gebleven, zoo als men van ouds begonnen was: en daaruit laat het zich gemakkelijk verklaren, dat _Sint_-NIKOLAAS niet overal met kindergeschenken rondgaat, wanneer men zijne verjaring viert. Maar waarom doet hij zulks juist hier te lande? Zou welligt de hulde, welke onze voorouders aan vreemde Heiligen en dus ook aan dezen toebragten, van uitgestrekteren omvang dan bij de Duitschers en andere volken geweest zijn, omdat hun eigen grond er zoo weinige had opgeleverd? Of zouden koophandel en zeevaart, welke hier reeds vroeg in de beginselen waren, een gebruik, hetwelk elders slechts bij name bekend werd, naar deze gewesten hebben overgeplant? En zou mogelijk de ligging van ons vaderland in de nabijheid der zee er het hare toe gedaan hebben, om dit gebruik algemeener en duurzamer te maken? Wij hebben boven gezien, dat _Sint_-NIKOLAAS bij voorkeur een beschermer van schepelingen geweest is, en konden daarvan nog veel meerdere proeven uit de legenden aanhalen. Nu heeft men hem, zoo men _Rusland_ uitzondert, ook nergens zoo hoog vereerd als aan de zeekusten, bij voorbeeld, in _Venetie_, _Vlaanderen_, en waarom zouden wij er niet bijvoegen in _ons Vaderland_? Van vroegen tijd af had men hier geheele buurten en dorpen, die zijnen naam droegen. De grootste der _Amsterdamsche_ kerken was aan hem toegewijd. Geene mindere hulde zwaaide men hem te _Utrecht_, te _Middelburg_, te _Kampen_, te _Groningen_ toe. Ook _Friesland_ achtte zich door zijne bescherming gelukkig. Om kort te gaan, hij was een der voornaamste _Patronen_ van ons vaderland, en zou men dan hier op den zesden van Wintermaand te zijner eere geen kinderfeest gevierd hebben?

* * * * *

En nu blijft er, voor zoo veel ons bekend is, nopens _Sint_-NIKOLAAS en het _Sint_-NIKOLAAS-_feest_ niets van eenig belang meer te vragen of te onderzoeken over. Moesten wij den lezer dikwijls in het onzekere laten, of ons met gissingen behelpen; men wijte dit aan de gebrekkigheid van de bronnen, tot welke wij den toegang hadden. Misschien voelt zich de een of ander opgewekt, om op het door ons ingeslagen spoor verder voort te gaan, en zijne krachten aan de toelichting van hetgeen nu nog duister gebleven is te beproeven. De Heilige, die twee dagen van het jaar geheel de kinderwereld vrolijk maakt, verdient ook zeker wel, dat men zich eenige moeite geve, om de geschiedenis van hem zelven en van zijn feest te kennen.

[Decoratieve Illustratie]