Sint-Nikolaas en het Sint-Nikolaas-feest

Part 1

Chapter 13,367 wordsPublic domain

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net

+------------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | | | Zo vlak voor zijn gedenkdag en feest dit jaar, | | is ook een e-boekje over Sint-Nikolaas klaar. | | Het belangrijkste wat te melden is voor het colofon: | | een boek van W. A. van Hengel uit 1831 diende als bron. | | Het taalgebruik ging niet op de helling, | | het komt tot u in de originele, verouderde spelling. | | Geen poging is ondernomen tot modernisering, | | laat het desondanks krijgen uw waardering. | | Daarbij moet wel het volgende worden gesteld: | | woordafbrekingen aan het regeleinde zijn stilzwijgend hersteld. | | De bladzijde-nummering is in de tekst-versie verdreven, | | in het origineel cursieve tekst is als _cursief_ weergegeven. | | Bij het transcriberen hadden wij al de nodige voorpret: | | het Online Distributed Proofreading-team op https://www.pgdp.net. | | | +------------------------------------------------------------------+

SINT-NIKOLAAS EN HET SINT-NIKOLAAS-FEEST.

SINT-NIKOLAAS

EN HET

SINT-NIKOLAAS-FEEST.

DOOR

W. A. van HENGEL.

[Decoratieve Illustratie]

te Leiden, _bij S. en J. Luchtmans._ 1831.

VOORBERIGT.

_Reeds geruimen tijd geleden iets over _Sint-NIKOLAAS_ en het _Sint-NIKOLAAS-feest_ aan mijne vrienden, de Hoogleeraren _KIST_ en _ROYAARDS_, als schrijvers en verzamelaars van het _Archief voor Kerkelijke Geschiedenis, inzonderheid in Nederland_, beloofd hebbende, wilde ik met hetzelve niet langer achterblijven. Ik had toch alleenlijk de moeite te doen, om zeker opstel, hetwelk voor eene reeks van jaren door mij vervaardigd en hier en daar voorgelezen was geworden, een weinig om te werken. Ik ondernam derhalve dezen arbeid, en mogt weldra mijne verhandeling met eenige taal- en oudheidkundige aanteekeningen inzenden. Doch daar juist toevallig de zesde van Wintermaand nu met snelle schreden naderde, vertrouwde ik, dat het aan sommige mijner landgenooten niet onaangenaam zijn zou, zoo zij die verhandeling, zonder het _Archief_ te bezitten, verkrijgen konden. Zie daar de reden, waarom dezelve als een afzonderlijk geschrift wordt uitgegeven. Mogt zij niet alleen met genoegen gelezen worden; maar ook aan dezen en genen nog eenig nuttig onderwijs verschaffen!_

[Leiden 11 _Novemb._ 1831.

[Decoratieve Illustratie]

SINT-NIKOLAAS

EN HET

SINT-NIKOLAASFEEST.

Onder de zonderlinge verschijnselen, welke zich op de wereld voordoen, behoort buiten twijfel het kinderfeest, naar _Sint_-NIKOLAAS genoemd, en hetwelk op den zesden van Wintermaand, zoo elders, als door geheel ons vaderland heen gevierd wordt. Hetzelve rust noch op staatkundige gebeurtenissen, noch op burgerlijke of godsdienstige wetten: en evenwel plant het zich van het eene geslacht op het andere over. In jaren van algemeenen rampspoed moge het minderen glans ten toon spreiden en minder genoegen opleveren; er komt echter nooit een tijd, waarin het geheel wordt nagelaten. Hoezeer de verschillende rangen en standen der maatschappij zich van elkander onderscheiden; te dezen aanzien onderscheiden zij zich niet: neen, overal, waar kinderen zijn, vereenigt zich steeds groot en klein, om, als de bepaalde dag daar is, in de viering van het feest te deelen. Doch het zonderlingste van alles is, dat, wanneer men naar de reden vraagt, waarom juist op den zesden van Wintermaand dit kinderfeest invalle, naauwelijks een uit duizend eenig bestaanbaar antwoord weet te geven.

Wie is toch _Sint_-NIKOLAAS? een wezen der verbeelding? of een man, die werkelijk hier op aarde geleefd heeft? ziedaar de eerste vraag, die bij zoo menigeen' onzer landgenooten zal zijn opgekomen, zonder dat hij aan zijne nieuwsgierigheid voldoen kon. Dat de naam in den Almanak onder de Heiligen staat aangeteekend, kan zeker niemand anders te vrede stellen, dan die zich daarvan overtuigd houdt, dat het bestaan van zulken, die voor heiligen verklaard zijn geworden, boven alle bedenking verheven is. Het wordt dan ook door dezen en genen in twijfel getrokken, of er wel ooit een _Sint_-NIKOLAAS geweest zij. En waarlijk! wanneer wij daarop letten, dat vele oude schrijvers, die zijnen naam, gelijk het ons toeschijnt, moesten vermeld hebben, hem met stilzwijgen voorbijgaan; zouden wij ligtelijk in verzoeking komen om ongeloovigen te worden. Hoe veel te meer, nadien de overlevering hem als een' man van ongemeene vermaardheid voorstelt, en wij dus niet begrijpen kunnen, dat wij in de geschiedenis van zijnen tijd geene de minste sporen van zijn aanwezen ontdekken! Maar mogen wij hem daarom met ééne pennestreek van de lijst der verdienstelijke kerkvoogden uitschrappen? Wij behoeven slechts aan te nemen, dat deszelfs roem op de schaal der nakomelingschap veel zwaarder dan op die van het met hem levende geslacht gewogen heeft; zoo is de zwarigheid reeds genoegzaam opgeruimd. Het blijft nu zoo verwonderlijk niet meer, dat noch EUSEBIUS, noch eenig kerkvader van de vierde eeuw zijnen naam vermeldt. Het laat zich eveneens verklaren, dat ATHANASIUS in zijne optelling der beroemde en vrome bisschoppen, die van het jaar driehonderd twintig tot driehonderd vijf en vijftig de Christengemeente bestuurd hebben, van hem geen gewag maakt. De meeste vertellingen nopens zijne bijzondere godvrucht en zijne werken van weldadigheid, die wij in latere geschriften geboekt vinden, zullen eerst na zijnen dood ontstaan zijn, mogelijk eerst eeuwen daarna, toen men aan zijn stoffelijk overschot eene hooge waarde begon te hechten. Men zweeg derhalve van hem, omdat hij in de schaduw van veel vermaarder mannen stond. En hoe zou iemand ook lust gevoeld hebben, om ze allen op te noemen, die de bisschoppelijke waardigheid bekleed hadden, of nog bekleedden? Om kort te gaan, wij zouden de twijfelarij veel te ver drijven, zoo wij deze twee dingen weigerden te erkennen: dat er eenmaal een _Sint_-NIKOLAAS op de wereld geweest is; en dat hij geleefd heeft in dien zelfden tijd, waarin hij door de overlevering geplaatst wordt.

En in welk eenen tijd hebben wij hem dan te zoeken? Immers in de eerste helft der vierde eeuw van onze Christelijke jaartelling. Hij was, namelijk, een tijdgenoot van KONSTANTIJN _den groote_; woonde in eene beroemde zeestad van _Lycië_, een landschap in _Klein-Azië_, in hetzelfde _Myra_, waar PAULUS op zijne reis naar _Rome_ in een schip van _Alexandrië_ is overgegaan; en bekleedde daar de waardigheid van Bisschop. Het is opmerkelijk, dat al de geschriften der oudheid, welke van hem gewag maken, ten aanzien van deze bijzonderheden met elkander overeenstemmen. Men zal hiervoor althans bezwaarlijk eene reden vinden, ten zij men aanneemt, dat die bijzonderheden inderdaad met de waarheid strooken. Zoo zij uit bronnen geput zijn, welke in de vijfde eeuw reeds bestaan hebben, laat zich dit nog te eer gelooven. Doch hoe dit ook zij, EUSTRATIUS, die, eene eeuw later, Ouderling te _Konstantinopel_ geweest is, haalt eene levensbeschrijving van NICOLAUS aan, welke een geleerde oudheidkenner niet kwalijk vermoedt, dat reeds voor het jaar _vijfhonderd_ moet vervaardigd zijn geworden. Ten tijde van JUSTINIAAN had 's mans roem zich reeds dermate verbreid, dat deze keizer hem in de zoo even gemelde stad een der prachtigste kerkgebouwen toewijdde. ANDREAS, Bisschop van _Creta_, hield in de tweede helft der zevende eeuw eene redevoering te zijner eere, welke nog te dezer dagen aanwezig is. Uit het een en ander blijkt ons duidelijk genoeg, dat wij hem onderscheiden moeten van zijnen naamgenoot, die ons als de elfde bisschop van _Myra_, en tevens als onderteekenaar van de besluiten der vierde _Konstantinopolitaansche_ Kerkvergadering beschreven staat. Of wij hem onder de leden der eerste Kerkvergadering te _Nicea_, zoo als menig voornaam geleerde wil, behooren te tellen, is hoogst twijfelachtig, wijl wij er nergens eenig spoor van vinden, dan in boeken van laten tijd: terwijl de in omloop zijnde Arabiesche lijst der onderteekenaars, waarop zijn naam gelezen wordt, geen het minste geloof verdient. Wij hebben ons derhalve daarmede te vergenoegen, dat hij onder de regering van KONSTANTIJN Bisschop te _Myra_ is geweest: maar dit mogen wij ook, op grond der aangehaalde bewijzen, met tamelijke gerustheid vasthouden.

Weten wij nu tot onze blijdschap, dat het geen verdicht wezen, maar een zeer eerwaardig persoon is, wien de kinderlijke leeftijd naast hunne ouders de meeste hulde toebrengt; dit zet onze nieuwsgierigheid aan, om van denzelven meer te vernemen. Doch 's mans geschiedenis te verhalen is eene allermoeijelijkste zaak, wijl ons bijna geene andere bronnen ten dienste staan, dan legenden, waarop wij niet vertrouwen kunnen. Gelooven wij hetgeen hem wordt nagegeven; dan behoort men hem onder de ijverige voorstanders der regtzinnigheid en de onverschrokken bestrijders van de ketters te tellen, welke de vierde eeuw heeft opgeleverd. Inzonderheid was hij een hevig tegenpartijder van ARIUS, en zou NESTORIUS en EUTYCHES eveneens met warmte bestreden hebben, ware hij niet lang gestorven geweest, voor dat deze met hunne gevoelens opkwamen. Geen wonder, dat hij dan ook alle krachten inspande, om in de stad zijner woning en derzelver nabuurschap de afgoderij uit te roeijen en de Heidensche tempels en altaren te verwoesten. Reeds ten tijde van LICINIUS stond hij bekend als een man van stoutmoedigheid, werd uit dien hoofde door dezen vervolger der Christenheid in de gevangenis geworpen en bleef in ketenen zuchten, tot dat KONSTANTIJN hem verloste en op zijnen bisschoppelijken zetel herstelde. Men plaatste hem dan ook naderhand onder de veertig martelaars, welke onder dien bloeddorstigen keizer voor de zaak des geloofs geleden hebben. In hoe verre men zich nu in het een en ander aan vergrooting schuldig hebbe gemaakt, zal moeijelijk te beslissen zijn; maar al deze bijzonderheden voor verdichtsels te verklaren, houden wij voor eene zeer gewaagde onderneming. Ook komen zij ons te geloofwaardiger voor, daar zij met dat vreemde en wonderbare, hetwelk steeds vermoeden van zeker vroom bedrog verwekt, niets gemeen hebben, en met den geest van den tijd, over welken hier gehandeld wordt, uitnemend strooken. Zoo veel zal men althans wel mogen vaststellen, dat _Sint_-NIKOLAAS een dapper voorstander van de leerbegrippen en verordeningen der te zijnen tijde Katholijk gewordene Kerk is geweest, en derhalve ook dienswegens in aandenken verdient te blijven.

Onder de deugden, waardoor deze Heilige zich grooten roem verworven heeft, rekent men voornamelijk zijne matigheid en hulpvaardigheid. En waarom men aan deze zulk een' lof zou hebben toegezwaaid, zoo het niet eenigen grond had gehad in 's mans bestaan en karakter, laat zich niet begrijpen. Maar hetgeen te dien opzigte verteld is geworden, loopt zoo zeer in het bespottelijke dat men zich eindelijk genoodzaakt heeft gezien, om er eene zinnebeeldige uitlegging van te geven. 's Mans matigheid zal onder anderen zoo verre gegaan zijn, dat hij reeds als zuigeling de moederlijke borst spaarde, door haar op Woensdag en Vrijdag slechts eenmaal te gebruiken; ja wat meer is, dat hij zelfs vóór zijne geboorte vastte. Die dit gelooven kan, moet het om den wil van zwakke moeders bejammeren, dat zulk eene gave van onthouding zoo geheel verdwenen is, en het niet te berekenen valt, dat dezelve ooit zal wederkomen. In zijne hulpvaardigheid geeft men _Sint_-NIKOLAAS na, dat hij even zonderling te werk ging. Hij had, namelijk, rijke ouders en zag zich daardoor in de gelegenheid, om nooddruftigen te verzorgen; maar de wijze, waarop hij zulks deed, was vrij gelijk aan het gedrag van zekeren welbekenden wijsgeer, die in eenige oogenblikken van opgewondenheid, of liever in eene vlaag van zinneloosheid, zijn geld in zee wierp. Hij schonk toch, zoo als de faam zegt, de gansche erfenis, welke zijne ouders hem nalieten, eensklaps weg, zonder iets voor zich zelven te behouden. Maar hoe dit overeen te brengen zij met hetgeen een zijner lofredenaars in hem prijst, dat hij dagelijks de armen gespijsd en gedrenkt heeft, is eene vraag, waarop wij geen antwoord geven kunnen: daar toch zijn bisdom hem zulke groote inkomsten niet zal hebben opgeleverd, als waarvan latere tijden heugen.

Schreef men nu aan _Sint_-NIKOLAAS zulk eene zonderlinge deugdzaamheid toe; men verhief hem ook als een' der grootste wonderdoenders. Die de Kerkelijke Geschiedenis gelezen heeft, kent de ligtvaardigheid, waarmede velen aan gewone dingen den naam van buitengewone Goddelijke werken gegeven en zelfs mannen van verdiensten de in omloop zijnde vertellingen geloofd en verder verbreid hebben. Men zal zich in allen gevalle geene onbezonnenheid te verwijten hebben, wanneer men de gebeurtenissen van dien aard, welke zich van de vierde eeuw dagteekenen, voor loutere verdichtsels houdt. Intusschen staan er niet slechts ongehoorde, maar ook onmogelijke wonderen van onzen Heilige aangeteekend. Hij verscheen, bij voorbeeld, aan KONSTANTIJN in den droom, maakte hem de onschuld van drie gevangen soldaten bekend, en weêrhield hem, om zich met hun bloed te bevlekken: waarom de keizer, zulks ontwaar geworden zijnde, hen des anderen daags, na hunne verlossing uit den kerker, ernstig aanbeval, zich aan de dienst van _Sint_-NIKOLAAS te wijden, en zelf allerlei kostbare geschenken aan den Heilige toezond. Hoe vele sporen van bijgeloof uit lateren tijd doen zich hier, te gelijk met die groote ongerijmdheid, voor, dat iemand, die van zijne vermoeijenis op zijne legerstede uitrustte, aan een' ander, op den afstand van honderd uren, in eigen persoon zou verschenen zijn! Wilde men aan de vertelling een' dragelijken zin geven; dan zou men moeten aannemen, dat de keizer een' rusteloozen nacht gehad heeft, en nu de gedaante van Bisschop NICOLAUS, den bekenden verdediger der onschuld, in eene dreigende houding voor zijne verbeelding zal zijn opgerezen. Doch hoe het ook zij, de legende zelve moet reeds vroeg in de wereld zijn gekomen. Wij vinden er bij SUIDAS reeds gewag van gemaakt. Wat meer is, EUSTRATIUS heeft haar te boek gesteld. Ja de overlevering zegt ons, dat de verloste gevangenen NEPOTIANUS, URSUS en EUPOLEON geheeten hebben. Van waar dit alles? Uit het hersenbrein van den eenen of anderen bedrieger of dweeper? Wil iemand dit gelooven, wij laten hem de vrijheid: onzes inziens moet er iets gebeurd zijn, hetwelk tot dit sprookje aanleiding gaf; maar de zuivere waarheid te vinden, houden wij voor onmogelijk.

Nopens het leven van _Sint_-NIKOLAAS hier op aarde hebben wij niets meer te berigten. Maar het ging hem, zoo als het aan vele Heiligen gegaan is, dat zij zich na hunnen dood nog den grootsten roem verwierven. Eerst vergenoegde men zich met op zijn graf te treuren. Vervolgens begon men hem te vereeren als een' beschermer der ongelukkigen. Eindelijk wist men veel te verhalen van de hemelsche kracht, door hem na zijn sterven ten toon gespreid. Een van deszelfs opvolgers op den bisschoppelijken stoel, THEODORUS, verklaarde op de tweede _Niceensche_ Kerkvergadering openlijk, dat hij zijnen Aartsdiaken over geleden onregt was komen troosten, waarvoor hij echter geen' anderen grond had dan dezen, dat de Diaken iemand met een roodkleurig aangezigt en grijze haren gezien had, hoedanig de overlevering _Sint_-NIKOLAAS voorstelde. Van onaangenamer gevolgen was op zekeren nacht deszelfs verschijning in de cel van een' monnik, wien hij, als bij gebrek van touwen, met de haren van het bed sleepte en vervolgens zoo erbarmelijk geeselde, dat het gansche klooster van het gekerm sidderde. Zoo zal de Heilige dan van den hemel zijn gekomen en eene geeselroede medegebragt hebben, om den post van beul op aarde te bekleeden! En dit louter, gelijk het verhaal zegt, om reden, dat de monnik geweigerd had, ter eere van 's mans nagedachtenis een lied te zingen! Gelukkig, dat hij slechts zelden tot het verrigten van zulk eene strafoefening verschenen is, maar meestal uit goedhartigheid, om zoo wel anderen te helpen en te redden, als voornamelijk zeelieden, op welke het schijnt, dat hij te _Myra_ eene zeer naauwe betrekking gekregen heeft! Maar mogelijk schreef men, gedurende het leven van den Heilige, de redding van schepelingen wel eens aan deszelfs voorbede of wonderkracht toe. Hieruit ontstond dan het geloof aan zijn vermogen op zee, en, werd dit na zijnen dood al verder en verder voortgeplant, men riep nu in den nood NICOLAUS aan, ja, zoo vaak men zich gered zag, achtte men zijne behouding voor een werk van dezen. Zoo kwamen er van tijd tot tijd al meerdere vertellingen van zijnen bovenmenschelijken invloed in de wereld. Evenwel vertelt men van hem niet alleen, dat hij zijne vrienden door zijne tusschenkomst beloonde, maar ook, dat hij zijne vijanden strafte: zoo als hij in het begin der negende eeuw zekeren vermetelen Arabier, die de heilige bewaarplaats van zijn gebeente had pogen in stukken te breken, met een verschrikkelijk onweder bezocht, hetwelk deszelfs vloot geheel vernielde en hem zelven naauwelijks liet ontkomen.

Wat 's mans stoffelijk overschot betreft, hetzelve verspreidde, naar luid der vertellingen, rondom het graf zulk eene welriekende reuk, dat de kranken, welke men naar dit gesteente bragt, er door genezen en alle bedevaartgangers er van verkwikt werden. Over deze vertelling zal men zich te minder verwonderen, wanneer men zich herinnert, hoevele fabelen er, vooral van de vierde eeuw af, nopens het gebeente van martelaars en andere afgestorvenen ontstaan zijn. Hier behoeft men de oorzaak niet ver te zoeken, daar het sprookje eenvoudig rusten kan op eene speling met het woord _Myra_, hetwelk taalkundigen weten, dat zoowel _welriekend vocht_, als _de bisschoppelijke stad van Lycië_ beduidt. Nadat nu het gerucht eenmaal in omloop was gekomen, werd het hoe langer hoe verder verbreid. De Faam vloog naar Europa over. Ook van daar kwamen er bedevaartgangers te _Myra_. Eindelijk zullen de burgers van _Bari_, eene stad in _Apulië_, het gewaagd hebben, om het heilige gebeente naar hunne geboorteplaats over te brengen. En daar wil men, dat het niet alleen welriekende geuren ademde, welke iedereen' verkwikten, maar ook eeuwen lang allerlei wonderen werkte. Zeker behelzen de verhalen, welke wij hierover in oude schriften vinden, zulke zonderlinge en vreemde dingen, dat wij ligtelijk in verzoeking geraken, om geheel de zaak als logenachtig te verwerpen. Zelfs is het zoo bewezen niet, dat het werkelijk de overblijfselen van NICOLAUS geweest zijn, die men naar _Apulië_ bragt. Evenwel was de overbrenging van iets, hetwelk men als zoodanig vereerde, aan de denk- en handelwijze van dien tijd juist overeenkomstig. Ook zijn de bewijzen, dat er zoo iets, en wel ten jare 1087 heeft plaats gehad, veel te sterk, dan dat men het met grond loochenen kan. Ten jare 1106 schreef _Paus_ PASCHALIS II. aan EUSTACHIUS, _den abt van den heiligen_ NICOLAUS, dat het ten tijde van een' zijner voorgangers, VICTOR III. gebeurd was, en gaf dus eene getuigenis, welke ons zoowel omtrent den netten tijd van het voorval inlicht, als deszelfs waarheid bevestigt. Wat meer is, ten jare 1089 schreef reeds URBANUS II. aan ELIAS, _bisschop van Bari_, dat God de stad van 's mans woning verwaardigd had, om aan dezelve het lijk van den heiligen NICOLAUS te schenken. En ditzelfde Kerkhoofd deed eene bewaarplaats vervaardigen, waar hij zelf, naar _Apulië_ heen gereisd, het gebeente nederleide.

Doch het zij het de overblijfselen van _Sint_-NIKOLAAS, of die van iemand anders geweest zijn, welke men te _Bari_ als een dierbaar kleinood waardeerde; wij kennen weinig Heiligen, die daar en elders zulk eenen naam gemaakt hebben, als deze voormalige Bisschop van _Myra_. Was hij van vroegen tijd af in de Grieksche kerk het voorwerp eener algemeene vereering; hij is nog heden ten dage een der grootste Heiligen in geheel _Rusland_. Reeds in de achtste eeuw kende en eerbiedigde men hem in _Duitschland_, _Frankrijk_ en _Italië_. Vooral verspreidde zich, met de reuk van 's mans beenderen te _Bari_, de reuk zijner heiligheid door Europa heen. Overal werden hem kerken gewijd. Overal werden kinderen naar zijnen naam genoemd. Overal vierde men den dag zijner geboorte, welken men, hetzij naar waarheid hetzij bij vergissing, op den zesden van Wintermaand gesteld had. Doch zoo men hierin de waarheid volgde, is het de vraag, of het oorspronkelijk 's mans komst op de wereld, dan wel deszelfs uitgang uit de wereld bedoelde. Immers weet elk beoefenaar der kerkelijke geschiedenis, dat de oudheid het sterven der Godvruchtigen, als den overstap tot het ware leven eene geboorte genoemd en den dag, waarop dit was voorgevallen, gevierd heeft. Maar naderhand is dit in vergetelheid geraakt en alleen die dag, waarop iemand het levenslicht aanschouwd had, voor den geboortedag gerekend geworden.

Wanneer _Sint_-NIKOLAAS door eene plegtige verklaring onder de Heiligen der Roomsche kerk zij opgenomen, weten wij niet te zeggen. Zeker is het niet gebeurd voor het jaar 993, waarin wij het eerste voorbeeld van zulk eene heiligverklaring plaatsen moeten. Na den tijd der Hervorming heeft de Kerkvergadering te _Trente_ het met hare goedkeuring bekrachtigd, dat men den zesden van Wintermaand als den aan hem gewijden dag vierde. Dit is dan ook bij de Roomschgezinden tot dus verre in gebruik gebleven. Maar tusschen deze vereering van den Heilige, en tusschen het naar hem genoemde kinderfeest bestaat er een groot onderscheid. Van waar dan, dat men hem juist tot den Patroon van dit feest gemaakt heeft? Van waar, dat de _Protestanten_, niettegenstaande den afkeer, welken zij van de gebruiken der Roomsche Kerk hadden, hetzelve hebben aangehouden? Van waar eindelijk, dat dit bijzonder in ons vaderland gebeurd is, terwijl op vele plaatsen buiten hetzelve een andere dag van Wintermaand verkoren werd, om dergelijk feest voor de kinderen aan te rigten? Het zal niet onaardig zijn, op deze vragen eenig antwoord te geven, en te gelijk de oorzaken van de eene en andere uiterlijke vertooning, welke het _Sint_-NIKOLAAS-_feest_ pleegt te vergezellen, zoo veel mogelijk op te sporen.