Sherlock Holmes: De Agra-Schat
Chapter 9
Aan de voorzijde bevond zich een groote kram in de gedaante van een zittenden Buddah. Daaronder stak ik de punt van het pookijzer en boog dit toen omlaag. De kram sprong met een zwaren slag open. Met bevende vingers opende ik het deksel. Wij stonden beiden als verbijsterd. De kist was ledig! Geen wonder dat zij zwaar was. Het ijzerwerk was twee duim dik. Zij was massief en solide gemaakt, als bergplaats voor zaken van groote waarde, doch zij was geheel ledig.
»De schat is verloren geraakt," zei Miss Morstan op kalmen toon.
Terwijl ik deze woorden vernam en de bedoeling ervan begreep, scheen er een dikke nevel voor mijn geest op te klaren. Ik wist niet hoezeer deze Agra-schat mij terneder had gedrukt tot op dit oogenblik, waarop hij verdwenen was. Dit was ongetwijfeld zelfzuchtig en slecht, doch ik gevoelde niets anders dan dat de gouden hinderpaal tusschen ons verwijderd was.
»Goddank!" riep ik uit den grond mijns harten.
Zij keek mij glimlachend aan, terwijl zij vroeg:
»Waarom zegt gij dit?"
»Omdat gij thans weder in mijn bereik zijt," antwoordde ik, hare hand nemende. Zij trok die niet terug.
»Omdat ik u bemin, Mary, zoo waarachtig als ooit een man eene vrouw beminde. Omdat deze schat, deze rijkdom mij tot zwijgen dwong. Nu die verdwenen zijn kan ik u mijne liefde verklaren. Dààrom zeide ik:
»Goddank!""
»Dan zeg ook ik: »Goddank!"" fluisterde zij, toen ik haar in mijne armen sloot.
Wie ooit een schat verloren had, ik wist dat ik er dien avond een had verkregen.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
De zonderlinge geschiedenis van Jonathan Small.
Die inspecteur in het rijtuig was een zeer geduldig man, want het duurde buitengewoon lang eer ik mij weder bij hem voegde. Zijn gelaat verduisterde toen ik hem de ledige kist toonde.
»Daar gaat de belooning," zeide hij verdrietig, »waar niets is, heeft de keizer zijn recht verloren."
»Mr. Thaddeus Sholto is een rijk man," troostte ik, »hij zal uw moeite wel niet onbeloond laten."
De inspecteur schudde moedeloos het hoofd.
»Het is een erge teleurstelling," zuchtte hij, »dat zal Mr. Athelney Jones ook wel zeggen."
Zijn voorgevoel scheen juist te zijn, want de detective keek leelijk op zijn neus, toen ik in Baker-Street terugkwam en hem de ledige kist vertoonde. Zij waren zooeven eerst aangekomen,--Holmes, de gevangene en hij; want zij hadden in zooverre hun plan gewijzigd, dat zij onderweg op een politie-bureau het rapport hadden opgemaakt. Mijn metgezel lag met zijn gewoon lusteloos gelaat in zijn armstoel, terwijl Small tegenover hem zat. Toen ik de ledige kist vertoonde, wierp deze zich luid lachend achterover in zijn stoel.
»Dat is uw werk, Small," zei Athelney Jones woedend.
»Ja; ik heb hem ergens geborgen, waar gij hem nooit zult vinden," riep hij op sarrenden toon, »het is mijn schat, en als ik hem niet bezitten mag, zal ik wel zorg dragen dat een ander dat ook niet doet. Ik zeg u dat geen sterveling er recht op heeft behalve de drie mannen, die zich in gevangenschap op de Andaman-eilanden bevinden, en mijn persoon. Ik weet nu dat noch ik noch zij er gebruik van zullen kunnen maken. Ik heb evengoed voor hen als voor mij zelven gehandeld. Het »teeken der vier" heeft altijd tusschen ons bestaan. Welnu, ik weet dat zij mijn daad zouden goedkeuren en ook den schat liever in de Theems zouden werpen dan hem aan een nakomeling van Sholto of Morstan in handen te spelen. Wij vermoordden Achmet niet om hen rijk te maken. Gij kunt den schat vinden waar de kleine Tonga en de sleutel zijn. Toen ik zag dat uw boot ons moest inhalen, wierp ik den inhoud in de rivier. Er valt dezen keer niets voor u te verdienen."
»Gij misleidt ons, Small," zeide Athelney Jones ernstig, »indien gij den schat in de Theems hadt willen werpen, dan ware het gemakkelijker voor u geweest kist en àl weg te werpen."
»Makkelijker voor mij om weg te werpen en ook makkelijker voor u om haar terug te vinden," antwoordde hij met een boosaardigen blik, »de man die slim genoeg was om mij op te sporen is zeker slim genoeg om een ijzeren kist op te visschen. Nu de kostbaarheden echter over een lengte van ongeveer vijf mijlen verstrooid zijn, zal er wel niets van terecht komen. Het ging mij wèl aan het hart; ik was half waanzinnig toen gij ons achterop kwaamt. Maar nu treur ik er niet meer om. Ik heb voor- en tegenwind in het leven gehad, maar ik heb geleerd dat gedane zaken geen keer nemen."
»Dat is zeer erg voor u, Small," zeide de detective, »indien gij de justitie behulpzaam waart geweest, inplaats van haar te dwarsboomen, zou dit bepaald van gunstigen invloed op uw vonnis geweest zijn."
»Justitie," grijnsde de ex-banneling. »Een fraaie justitie! Wien anders dan ons behoorde deze rijkdom? Welke justitie kan mij dwingen om hem af te staan aan hen die er geen voet voor verzet hebben?--Luistert, wat ik er voor gedaan heb! Twintig lange jaren in dat koortsverspreidende moeras, elken dag aan den arbeid in de mijn-groeve, elken nacht geketend in de volgepropte hokken, gebeten door de muskieten, geslagen met de zweep, en behandeld als een hond door elken verwenschten zwarten bewaker, die zich vol vreugde aan een blanke te goed deed. Zóó verkreeg ik dien Agra-schat en gij spreekt tot mij van justitie en rechtvaardigheid, omdat ik de gedachte niet kon verdragen dat ik er dezen prijs voor betaald heb, opdat een ander hem zoude bezitten! Ik zou liever een poos hangen, of een van Tonga's doornen in mijn huid hebben dan in de gevangenis te zitten met de gedachte, dat een ander met het geld dat mij toebehoort in een paleis woont!"
Small had zijn masker van onverschilligheid afgelegd, en dit alles sprak hij op woesten toon, terwijl zijne oogen vlammen schoten en de boeien tegen elkaar rammelden, door de heftige beweging zijner handen.
Toen ik de woede van den man gadesloeg, begreep ik dat het geen ongegronde of onnatuurlijke angst geweest was, die majoor Sholto bevangen had, toen hij voor de eerste maal vernam dat de getergde galeiboef zijn spoor gevonden had.
»Gij vergeet dat wij niets van dit alles weten," zei Holmes kalm, »wij hebben uwe geschiedenis niet gehoord, en kunnen dus niet oordeelen in hoeverre het recht aan uwe zijde is geweest."
»Welnu, sir, hoewel ik het aan u te danken heb, dat ik deze armbanden weder om mijn polsen draag, hebt ge mij toch steeds fatsoenlijk toegesproken, en draag ik u geen wrok toe. Indien gij mijne geschiedenis wenscht te vernemen, verlang ik u die niet te onthouden. Elk woord dat ik tot u spreek is volkomen waar.--Dank u,--gij kunt het glas hier naast mij zetten, dan kan ik er als mijn lippen droog worden met mijn mond bijkomen.
»Ik ben geboortig uit Worcestershire, in den omtrek van Pershore. Indien gij daar een onderzoek zoudt instellen, zoudt gij er nog een menigte Smalls vinden. Ik heb er dikwijls aan gedacht om er eens weder heen te gaan, maar de waarheid is, dat ik nooit erg bij mijn familie in gunst stond, en ik betwijfelde het of men ginds wel zoo buitengewoon verheugd zoude zijn, mij te zien.
»Het waren allen rustige, welvarende menschen: kleine boeren, wijd en zijd geacht en bemind, terwijl ik altijd meer op een roover geleek. Ten laatste echter, toen ik omstreeks achttien jaar oud was, veroorzaakte ik hun geen last meer, want ik kwam in ongelegenheid wegens een meisje en kon mij nog juist bijtijds er uit redden door het handgeld der Koningin op te strijken en dienst te nemen naar Indië.
»Ik was echter niet voor het soldaten-leven geboren. Ik had nauwelijks den pas leeren houden en mijn geweer behandelen, toen ik dwaas genoeg was om in den Ganges te gaan zwemmen. Gelukkig voor mij was de sergeant van mijn compagnie tegelijkertijd in het water en een der beste zwemmers van het leger. Juist toen ik het midden van de rivier bereikt had, greep mij een krokodil en hapte mij het rechterbeen boven de knie zoo glad af, dat het hem geen dokter kon verbeteren. Door schrik en bloedverlies verloor ik mijn bewustzijn, en zou gewis verdronken zijn, indien Holder mij niet gegrepen had en met mij naar den oever ware gezwommen. Ik lag er vijf weken door in het hospitaal en toen ik er eindelijk met een houten plaatsvervanger kon uitstrompelen, was ik ongeschikt voor den dienst evenals voor andere werkzaamheden.
»Gij kunt u licht voorstellen hoe ongelukkig ik mij gevoelde, als een gebrekkig en nutteloos schepsel op nog geen twintigjarigen leeftijd. Maar mijn ongeluk nam spoedig een gunstigen keer. Een man, met name Abel White, die zich als indigo-planter gevestigd had, verlangde een opzichter over den arbeid zijner koelies. Hij was toevallig een vriend van onzen kolonel, die mij sedert het ongeval zijne belangstelling betoond had. Kortom: mijn kolonel beval mij ten zeerste voor de betrekking aan, en daar het werk veelal te paard moest geschieden, was mijn houten been geen bezwaar, omdat ik mij goed in het zadel kon houden. Mijn werkzaamheid bestond in het rondrijden der plantage, om te zien of de slaven wel aan het werk bleven. Het loon was goed, ik had een goed verblijf en alles tezaâm genomen was ik tevreden met het vooruitzicht om mijn gansche leven op deze indigo-plantage door te brengen. Mr. Abel White was een vriendelijk man, en dikwijls kwam hij in mijn kleine hut een pijp met mij rooken, want in de Oost of West zijn de blanken veel eigener met elkander dan dit in Europa het geval zoude zijn.
»Maar mijn geluk was nooit van langen duur. Plotseling en zonder de minste waarschuwing brak de groote opstand uit. De eene maand was Indië uiterlijk zoo stil en eenzaam als Surrey of Kent; en de volgende braken er tweemaal honderdduizend zwarte duivels los en geleek het geheele land een hel. Gij weet daar zeker alles van, heeren; gewis zelfs meer dan ik, omdat ik geen liefhebber van lezen ben. Ik weet slechts wat ik met mijn eigen oogen gezien heb. Onze plantage lag op een plaats Muttra genaamd, dicht bij de Noord-westelijke provinciën. Nacht op nacht was het gansche uitspansel verlicht door de brandende bungalows, en dag op dag trokken er kleine gezelschappen Europeanen door onze plaats met hunne vrouwen en kinderen op weg naar Agra, waar onze troepen in garnizoen lagen. Mr. Abel White was een onverzettelijk man. Hij had zich in het hoofd gezet dat de zaak overdreven werd, en dat het oproer even snel zoude eindigen als het begonnen was. Zoo zat hij rustig onder zijne veranda, zijne whisky drinkende en cheroots rookende, terwijl rondom hem het land in lichtelaaie stond. Het spreekt van zelve dat wij bij hem bleven; ik en Dawson, die met zijn vrouw als boekhouder en huishoudster fungeerden. Welnu, op zekeren dag barstte de bom los. Ik was naar een afgelegen plantage geweest, en reed des avonds langzaam naar huis, toen mijn oog op een ineengedoken gedaante op den bodem van een steilen afgrond viel. Ik reed naderbij om te zien wat het was, en de schrik sloeg mij om het hart toen ik zag dat 't het in stukken gesneden lichaam van Dawson's vrouw was, reeds half verscheurd door jakhalzen en inlandsche honden. Een weinig verderop lag Dawson zelf dood op den weg met een ongeladen revolver in zijn hand en vier Sepoys doodgeschoten tegenover hem. Ik hield mijn paard in, niet wetende welke richting ik zoude nemen; maar op dat oogenblik zag ik dikke, kronkelende rook opstijgen uit de bungalow van Abel White en terstond daarop de vlammen uit het dak slaan. Toen begreep ik dat ik mijn meester niet meer te hulp kon komen, en alleen nog mijn eigen leven in gevaar kon brengen. Vanaf de plaats waar ik stond kon ik honderden van de zwarte duivels zien dansen en hooren huilen rondom het brandende huis. Eenigen wezen naar mij en onmiddellijk floten er een paar kogels langs mijn hoofd. Ik snelde dus voort door de paddivelden en bevond mij laat in den nacht in veiligheid te Agra.
»Doch spoedig bleek het dat de veiligheid ook dáár veel te wenschen overliet. Het geheele land geleek op een bijenzwerm. Daar de Engelschen zich in kleine troepen konden bijeenvoegen, behielden zij juist zooveel als hunne geweren reikten. Overal elders waren zij hulpelooze vluchtelingen. Het was een gevecht van millioenen tegen honderden; en het wreedste van de zaak was dat deze mannen die wij bevochten met voetvolk, ruiterij en kanonnen, onze eigen opgerichte troepen waren, die wij onderwezen en afgericht hadden, en die thans onze eigen wapens gebruikten en onze eigen kogels op ons afschoten. Te Agra lagen het 3e regiment Bengaalsche fusiliers, een afdeeling Sikhs, twee eskadrons ruiterij en een batterij artillerie. Er had zich een korps vrijwilligers, uit schrijvers en kooplieden bestaande, gevormd, en daarbij voegde ik ook mij, met mijn houten been. In het begin van Juli trokken wij uit om de oproerlingen te Shahgunge te ontmoeten en sloegen hen voor eenigen tijd terug, doch ons kruit raakte op en wij waren genoodzaakt op de stad terug te trekken.
»Van alle zijden vernamen wij het ergste,--wat niet te verwonderen is,--want als gij op de kaart ziet, zult gij zien, dat wij ons in het hart van het oproer bevonden. Lucknow ligt meer dan honderd mijlen verder oostwaarts en Cawnpore evenver naar het Zuiden. In elke richting heerschte niets dan marteling, moord en brandstichting.
»Agra is een groote stad, vol met dweepzieke en gevaarlijke duivelbanners van allerlei soort. Onze handvol volk ging bijna verloren in de nauwe, kronkelende straten. Daarom trok onze aanvoerder de rivier over en koos zijn stelling in het oude fort van Agra. Ik weet niet of een uwer ooit omtrent dit oude fort gehoord of gelezen heeft. Het is het grootste dat ik ooit gezien heb. Ik denk dat de ruimte vele morgen land beslaat. Er is een nieuwer gedeelte, dat meer dan genoegzame ruimte aanbood voor ons gansche garnizoen, vrouwen, kinderen, provisie en allerlei bijbehoorende zaken. Maar dit gedeelte beteekent niets in vergelijking met den omvang van het oude, dat door niemand bezocht wordt en dat overgelaten is aan de schorpioenen en slangen. Het is vol groote, verlaten zalen, kronkelende gangen, en lange corridors, zoodat men er gemakkelijk in verdwalen kan. Om deze reden ging er ook zelden iemand alleen heen, hoewel van tijd tot tijd een gezelschap met brandende toortsen op onderzoek uitging.
»De rivier stroomt langs het oude fort en beschermt het, maar op zijde en aan den achterkant bevinden zich een menigte deuren en deze moesten zoowel in het oude als nieuwere gedeelte, dat door onze troepen bewoond werd, bewaakt worden. Wij kwamen handen te kort, met nauwelijks manschappen genoeg om de hoeken van het gebouw te bezetten en de kanonnen te bedienen. Daardoor was het ons onmogelijk om bij ontelbare poorten genoegzame wachten te plaatsen. Deswege organiseerden wij een centraal-wachthuis in het midden van het fort en stelden wij elke poort onder de bewaking van een blanke en twee of drie inboorlingen. Ik werd uitgekozen om gedurende eenige uren van den nacht de wacht te houden bij een kleine afgelegen deur aan de zuid-westelijke zijde van het gebouw. Twee Sikhs werden onder mijn bevel geplaatst en mijn instructie luidde om bij het minste onraad mijn geweer af te vuren, opdat men mij uit de centraal-wacht onmiddellijk te hulp zou komen. Daar mijn wacht echter ruim twee honderd passen daarvan verwijderd was, en de ruimte tusschen ons doorsneden was met een doolhof van gangen en corridors, betwijfelde ik het zeer of men bij een overvalling wel spoedig genoeg ter plaatse zoude kunnen zijn.
»Welnu, ik was aardig trotsch op het mij gegeven commando, wijl ik slechts vrijwilliger, en nog wel met een houten been was. Reeds twee nachten hield ik de wacht met mijne Punjaubees. Het waren slanke, flink uitziende kerels, Mahomed Singh en Abdullah Khan geheeten, beiden oude gedienden, die te Chilian Wallah de wapens tegen ons gedragen hadden. Zij spraken tamelijk goed Engelsch, maar ik kon weinig van hen gewaar worden. Zij gaven er de voorkeur aan om den ganschen nacht bij elkander te staan en hun leelijke Sikhsche taal te spreken. Wat mij betreft, ik was gewoon buiten het hek te gaan staan, en over de breede voorbijstroomende rivier naar de lichten van de groote stad te staren. Het roffelen van trommen, het ratelen der tomtoms en het geschreeuw der oproerlingen, dronken van opium en woede, waren voldoende om ons gedurende den ganschen nacht aan onze gevaarlijke buren aan gene zijde van den stroom te herinneren. Om de twee uren was de officier van de wacht gewoon de ronde te doen langs de posten om zich te vergewissen dat alles in orde was.
»De derde nacht van mijn wacht was duister en mistig en er viel een lichte, doordringende, regen. Het was ondoenlijk om bij zulk weder uren achtereen voor het hek te staan. Ik trachtte herhaaldelijk mijne Sikhs aan het praten te krijgen, doch zonder het gewenschte gevolg. Om twee uur in den morgen kwam de ronde voorbij, en bracht eenige afwisseling teweeg. Ziende dat mijne metgezellen niet tot spreken te bewegen waren, nam ik mijn pijp en legde mijn geweer even af om een lucifer aan te strijken. In hetzelfde oogenblik vlogen de twee Sikhs op mij aan. Een hunner richtte de loop van mijn geladen geweer op mijn voorhoofd, terwijl de ander een groot mes op mijn keel zette en een eed deed, dat hij bij de minste beweging die ik maakte zou toestooten.
»Mijn eerste gedachte was dat deze knapen in verbinding stonden met de oproerlingen en dat dit het begin van een aanval was. Indien de deur, die wij bewaakten, in de handen der Sepoys viel, dan was de plaats verloren, en zouden de vrouwen en kinderen behandeld worden, gelijk te Cawnpore. Gij zoudt kunnen denken, heeren, dat ik dit te mijnen gunste vertel, doch ik verzeker u, dat ik, toen ik dit bedacht,--hoewel ik de punt van het mes op mijn keel voelde,--mijn mond opende met het voornemen om zoo luid mogelijk alarm te schreeuwen, al moest het mij dan ook het leven kosten. De man die mij vasthield scheen mijn gedachten te raden; want toen ik mijn adem ophaalde om het te doen, fluisterde hij: »Maak geen geraas. Het fort is veilig genoeg. Aan deze zijde der rivier zijn geen oproerige honden."--Er klonk waarheid uit zijn stem, en ik wist, dat als ik mijn stem verhief ik onmiddellijk sterven moest. Dat las ik in zijne oogen. Ik wachtte daarom in stilte om te zien wat zij van mij verlangden.
»Luister naar mij, Sahib," zei de slankste en sterkste van het paar, die Abdullah Khan genoemd werd, »gij moet het thans met ons eens zijn of voor altijd tot zwijgen worden gebracht. De zaak is voor ons van =te= groot belang, om een oogenblik te aarzelen. Of gij verbindt u aan ons met hart en ziel onder eede op het kruis der Christenen, òf uw lijk zal hedennacht in den stroom geworpen worden en wij loopen tot de opstandelingen over. Er bestaat geen middenweg. Wat kiest gij: dood of leven? Wij kunnen u slechts drie minuten bedenktijd toestaan, want de tijd gaat om en alles moet geschied zijn eer de volgende ronde komt."
»Hoe kan ik een besluit nemen?" vroeg ik, »gij hebt mij niet gezegd wat gij van mij verlangt. Maar dat zeg ik u nu reeds dat ik, indien het iets is dat in strijd is met de veiligheid van het fort, er niets mede te maken wil hebben; dus kunt gij in dit geval gerust toesteken."
»Het is niets tegen het fort," zeide hij, »wij vragen u slechts dàtgene te doen, waarvoor uwe landgenooten naar dit land komen. Wij vragen van u om rijk te worden. Indien gij hedennacht een der onzen wilt wezen, dan willen wij u op het ontbloote zwaard, en met den drievoudigen eed, die nog nimmer door een Sikh geschonden werd, bezweren, dat gij uw eerlijk deel van de waarde zult ontvangen. Een vierde van den schat zal het uwe zijn. Beter kunnen wij niet spreken."
»Maar wat is dat dan voor een schat?" vroeg ik, »ik verlang even zoozeer rijk te zijn als gij, als gij mij maar wilt aantoonen op welke wijze ik dit worden kan."
»Gij wilt dus zweren," hernam hij, »bij het gebeente van uwen vader, bij de eer uwer moeder, bij het kruis van uw geloof om nu noch later een hand tegen ons op te heffen of een woord in ons nadeel te spreken?"
»Ik wil het bezweren," antwoordde ik, »op voorwaarde dat het fort er niet door in gevaar komt."
»Dan zullen mijn kameraden en ik zweren dat gij een vierde van den schat zult ontvangen, die gelijkmatig onder ons vieren zal verdeeld worden."
»Wij zijn slechts met ons drieën," merkte ik op.
»Neen; Dost Akbar moet ook zijn deel hebben. Terwijl wij op hem wachten kunnen we u de zaak mededeelen. Mahomed Singh, ga gij voor de poort staan en let op als zij komen. Ziehier het geval, Sahib; ik zeg het u, omdat ik weet dat een eed voor u verbindend is en dat wij u kunnen vertrouwen. Indien gij een logenachtige Hindoe geweest waart, al had hij dan ook bij al de goden uit hunne tempels gezworen, dan zou dit mes reeds met uw bloed gekleurd zijn geweest, en uw lichaam op den bodem der rivier liggen. Maar de Sikhs kennen de Engelschen en de Engelschen de Sikhs. Luister dus naar hetgeen ik u te zeggen heb.
»Er leeft in de Noordelijke provinciën een rajah, die hoewel zijn land zeer klein is, groote schatten bezit. Veel daarvan heeft hij van zijn vader geërfd, en nog veel meer heeft hij opgestapeld, want hij bemint niets dan goud. Toen het oproer uitbrak wilde hij zoowel bevriend blijven met den leeuw als met den tijger, met den Sepoy en met den Raj van de Compagnie. Spoedig echter bleek het hem dat de dagen van den blanken man geteld waren, want hij vernam door het gansche land van niets dan hunnen dood en nederlaag. Maar, wijl hij een zorgzaam man was, nam hij zoodanige maatregelen dat, wat er ook mocht gebeuren, ten minste de helft van zijn schat voor hem bewaard zoude blijven. Het goud en zilver hield hij in de kelders van zijn paleis geborgen, maar de meest kostbare edelgesteenten en de zeldzaamste paarlen laadde hij in een ijzeren kist, en zond die door een vertrouwd dienaar, die als koopman vermomd was, naar het fort te Agra, om die daar te verbergen tot de vrede hersteld zoude zijn. Zoodoende zoude hij, indien de opstandelingen het zouden winnen, zijn goud en geld behouden, maar wanneer de Compagnie het won, zouden zijne juweelen in veiligheid zijn. Nadat hij op deze wijze zijne bezittingen gesplitst had, koos hij de partij der Sepoys, omdat die in menigte bij zijne grenzen gelegerd waren. Door zóó te handelen, ziet gij wel, Sahib, dat zijn bezitting toekomt aan hen, die hun vaandel trouw bleven.
»Deze voorgewende koopman, die reist onder den naam van Achmet, bevindt zich thans in de stad Agra, en wenscht in het fort binnen te dringen. Hij heeft als reisgezel mijn zoogbroeder Dost Akbar bij zich, die met zijn geheim bekend is. Dost Akbar heeft beloofd hem hedennacht bij deze zij-poort te brengen. Hij zal terstond hier zijn en zal Mahomed Singh en mij op hem vinden wachten. De plaats is eenzaam en afgelegen, en niemand zal zijn komst bemerken. De wereld zal nooit iets meer van den koopman Achmet vernemen, maar de onmetelijke schat van den Rajah zal onder ons verdeeld worden. Wat zegt gij daarvan, Sahib?"
»In Worcestershire schijnt een menschenleven iets grootsch en heiligs; maar het is geheel iets anders als er vuur en bloed allerwegen om iemand heen is, en men elk oogenblik den dood voor oogen ziet. Of de koopman Achmet leefde of stierf, woog even zwaar voor mij als rook; maar toen ik van dien schat hoorde, sprong mijn hart op van vreugde en verlangen, en dacht ik wat ik er in het oude vaderland mede zou aanvangen, en hoe mijne familieleden zouden opkijken als zij hun deugniet terug zagen komen met zijn zakken vol gouden moidores.
»Ik had mijn besluit dus reeds genomen. Maar Abdullah Khan, die dacht dat ik nog aarzelde, beschouwde de zaak nog van een andere zijde.