Sherlock Holmes: De Agra-Schat
Chapter 8
»Juist. Ik redeneerde dat de boot, niettegenstaande hare onzichtbaarheid, niet zeer ver af kon zijn. Toen stelde ik mij in mijne verbeelding in de plaats van Small, en beschouwde de zaak van zijn standpunt en met zijne gegevens. Hij zou waarschijnlijk overwegen dat, wanneer hij de boot terug zou zenden, of haar op een of andere werf brengen, dit eene vervolging gemakkelijk zou maken, indien de politie hem op het spoor mocht komen.
»Op welke wijze kon hij de boot dan verbergen en haar toch zoodra hij haar noodig mocht hebben, ter zijner beschikking hebben? Ik peinsde er over, wat ik zou doen, als ik in zijne schoenen stond, en kon daarvoor slechts één uitweg vinden. Ik zou de boot bij een scheepstimmerman brengen, met de opdracht er een kleine verandering in aan te brengen. Daar zou zij dan op de werf feitelijk verborgen zijn, terwijl ik haar den volgenden nacht of wanneer ik wilde, ter mijner beschikking kon hebben."
»Dat schijnt eenvoudig genoeg."
»Juist zulke kleinigheden worden het meest uit het oog verloren. Ik besloot daarom volgens dit idee te handelen. Ik stak mij onmiddellijk in dit zeemanskleed en informeerde op al de werven langs de rivier. Op vijftien kwam ik tevergeefs, maar op de zestiende, die van Jacobson, vernam ik dat de =Aurora= twee dagen geleden daar was gebracht door een man met een houten been, met een onbeduidende bestelling betreffende het roer. »Er mankeert niets aan het roer," zei de meesterknecht, »dààr ligt ze, met die roode strepen." Wie denkt ge dat juist op dàt oogenblik de werf op kwam? Marc Smith, de vermiste eigenaar! Hij was buitengewoon beschonken. Het spreekt vanzelf dat ik hem niet gekend zou hebben, maar hij schreeuwde zelf zijn naam en dien van zijn boot.
»Ik heb haar van avond om acht uur noodig," riep hij, »precies om acht uur, denk er om; want ik heb twee heeren die niet zouden willen wachten." Zij hadden hem blijkbaar goed betaald, want hij was zeer vrijgevig en wierp een groot aantal shillings onder de werklieden. Ik volgde hem op eenigen afstand, doch hij verdween in een wijnhuis; daarom keerde ik naar de werf terug en toevallig een mijner jongens onderweg ontmoetende, plaatste ik hem als schildwacht tegenover de boot. Als zij afvaren, moet hij aan den waterkant staan, en ons met zijn zakdoek toewuiven. Wij zullen stroomafwaarts aanleggen, en het moet al zeer vreemd loopen als wij de mannen met schat en al niet in handen krijgen."
»Of zij de rechte lui zijn of niet, ge hebt het netjes overlegd," zei Jones, »maar als ik de zaak in handen had, zou ik een sterke politiemacht op Jacobson's werf hebben, en hen bij hunne aankomst aldaar gevangen nemen."
»Wat nimmer gebeurd zou zijn. Deze Small is, zooals ik zeide, een zeer geslepen kerel. Hij zal zeker een spion vooruit zenden en als er iets verdachts op de werf mocht zijn, wel een reden voor uitstel bedenken."
»Maar gij zoudt Marc Smith in het oog hebben kunnen houden, en op deze wijze hun schuilplaats ontdekt hebben," zeide ik.
»In dat geval zou ik mijn dag verspild hebben. Ik denk dat het honderd tegen één is, dat Smith weet waar zij wonen. Waartoe zou hij vragen doen, zoolang hij drinken kan en goed betaald wordt? Zij laten hem weten wat hij doen moet. Neen, ik heb de zaak van alle zijden beschouwd, en deze weg is de beste."
Terwijl dit gesprek gevoerd werd, waren wij de groote menigte bruggen, die de Theems overspannen, doorgevaren. Toen wij de city passeerden, verguldden de stralen der ondergaande zon het kruis op den top van den St. Paul, en nog voor wij den Tower bereikten was de schemering ingevallen.
»Dat is Jacobson's werf," zei Holmes op een woud van masten wijzende. »Kruis hier langzaam op en neer achter deze lichters."--Hij nam een paar nachtglazen uit zijn zak en staarde eenigen tijd naar den horizon. »Ik zie mijn schildwacht op zijn post," vervolgde hij, »doch geen bewijs van een zakdoek."
»Indien wij eens eens kort eind stroom-afwaarts voeren en aanlegden om hen op te wachten?" vroeg Jones gejaagd.
Wij waren thans allen opgewonden, tot zelfs de politie-beambten en stokers, die slechts een vaag idee hadden van hetgeen er moest gebeuren.
»Wij mogen niets als zeker aannemen," antwoordde Holmes, »het is gewis tien tegen één, dat zij stroom-afwaarts gaan, maar =zeker= kunnen wij dit niet zeggen. Van hier kunnen wij den toegang tot de werf zien, terwijl men =ons= van daar niet kan waarnemen. Het zal een heldere avond en volop licht zijn. Wij moeten dus blijven waar wij zijn. Zie hoe de lieden ginds in den schijn van het gaslicht dooreen krioelen."
»Zij komen van hun werk op de werf."--
Plotseling riep Holmes, overeindspringend: »Zie ik daar geen zakdoek? Ik zie ginder iets wits fladderen!"
»Ja," zei ik, »het is uw knaap. Ik zie hem duidelijk."
[Illustratie: »En dààr is de =Aurora=," vervolgde Holmes. Blz. 100.]
»En dààr is de =Aurora=," vervolgde Holmes; »en zij loopt als de duivel! Full-speed, machinist! Zet gindsche boot met dat gele licht achterna. Bij den hemel, ik zal het mij nimmer vergeven als zij ons te vlug af is." Zij was ongemerkt de inham van de werf uitgevaren en maalde met halve kracht achteruit, zoodat zij, alvorens wij haar gewaar werden, gedraaid had en full-speed liep. En nu vloog zij stroom-afwaarts, dicht langs de kust in vliegende vaart voorwaarts. Jones keek haar met bezorgd gelaat na, en schudde het hoofd!
»Zij is zeer snel," zeide hij, »ik betwijfel het of wij haar wel zullen kunnen inhalen."
»Wij =moeten= haar inhalen!" riep Holmes tandenknarsend. »Werp de ovens vol, stokers! Laat haar doen =al= wat zij kan! Al moet de boot verbranden, wij =moeten= hen hebben!"
Wij waren een heel eind achter. De ovens snorden, en cylinders suisden en klopten als een reusachtig metalen hart. Haar scherpe, puntige boeg doorkliefde den rustigen stroom, en stuwde twee wanden van schuim langs onze beide boorden omhoog.
Bij elken slag van den cylinder sprong en trilde onze boot gelijk een levend wezen. Een groote gele lantaarn aan onzen voorsteven, wierp een langen dansenden lichtstraal voor ons uit. Recht voor ons uit toonde een donkere stip op het water, waar de =Aurora= zich bevond, en het witte schuim achter haar bewees met welke razende snelheid zij voorwaarts vloog. Wij snelden barken, stoomers en koopvaardij-schepen voorbij. Wij werden in de duisternis van alle zijden toegeroepen, maar de =Aurora= vloog nog steeds voort, terwijl wij haar spoor al dichter en dichter volgden.
»Werpt op, mannen, werpt op!" schreeuwde Holmes naar omlaag in de machine-kamer, terwijl de helle gloed van het kolenvuur zijn opgewonden en scherp geteekend gelaat verlichtte. »Zet zooveel stoom als mogelijk is!"
»Ik geloof dat we een weinig winnen," zei Jones, met zijne oogen op de =Aurora= gericht.
»Ik ben er zeker van," zeide ik, »binnen eenige minuten zullen wij haar inhalen."
Maar op dit oogenblik zeilde, alsof het noodlot tegen ons was, een groote sleepboot met drie schepen achter zich dwars in onzen koers.
Alleen door nog juist bijtijds te stoppen voorkwamen wij eene aanvaring, en alvorens wij omgevaren en onzen koers hervat hadden, was de =Aurora= ons een goede honderd meter vooruit. Zij was echter nog goed in 't zicht, en de donkere, onzekere schemering ging tot een helderen avond over. Onze ketels waren tot barstens toe gevuld en de veiligheidskleppen trilden en floten door de kracht waarmede wij voortgestuwd werden. Wij waren de Pool doorgesneld, de West-India-dokken voorbij, de lange Deptford Reach langs en voeren nu het Isle of Dogs om. De donkere stip voor ons veranderde thans duidelijk in de slanke =Aurora=. Jones richtte ons sein-licht op haar, zoodat wij de figuren op haar dek duidelijk konden waarnemen. Een man zat in voorover gebogen houding bij den achtersteven met iets zwarts tusschen zijne knieën. Naast hem lag een donkere massa, die op een Newfoundlandschen hond geleek. De jongen stond aan het roer, terwijl ik door den rooden gloed van den oven den ouden Smith half ontkleed aan het stoken zag. Mochten zij in het eerst eenigen twijfel gekoesterd hebben, of wij hen werkelijk op de hielen zaten, thans, nu wij elke wending die zij maakten navolgden, kon daaromtrent geen twijfel meer bestaan. Te Greenwich waren wij omstreeks driehonderd passen achter hen; te Blackwall kon het niet meer dan tweehonderd en vijftig zijn. Ik heb gedurende mijne onrustige loopbaan verschillende schepsels achterna gejaagd, maar nog nimmer wond mij een jacht zoozeer op als deze vliegende menschen-jacht langs de Theems. Wij bleven gestadig op hen winnen. In de stilte van den nacht konden wij het stampen hunner machine vernemen. De man op den achtersteven zat nog ineengedoken op het dek, en zijne armen bewogen zich alsof hij druk aan het werk was, terwijl hij telkens opkeek en met zijne oogen den afstand scheen te meten, die ons nog van hem scheidde. Wij kwamen al nader en nader. Jones schreeuwde hen toe te stoppen. Wij waren nog slechts vier boot-lengten achter hen, terwijl de beide booten met dezelfde snelheid voortvlogen. Het was zeer helder weer; Barking Level lag ter rechter- en de naargeestige Plumstead Marshes ter linkerzijde. Op onzen aanroep sprong de man aan den achtersteven overeind en schudde zijne gebalde vuisten tegen ons, terwijl hij met krijschende stem de ellendigste verwenschingen tegen ons uitbraakte. Hij was een forsch gebouwd, krachtvol man, en toen hij zich hoog oprichtte, zag ik dat hij aan de rechterzijde een houten been had. Op het geluid van deze snijdende, woedende kreten kwam er beweging in de ineengedoken gedaante op het dek. Ook deze richtte zich op en bleek een kleine neger-dwerg te zijn, de kleinste dien ik ooit gezien heb,--met een groot misvormd hoofd en verward kroesachtig haar. Holmes had zijn revolver reeds getrokken en ook ik nam op het gezicht van dit wild, afschuwelijk schepsel den mijne ter hand. Hij was in een soort donkere ulster gewikkeld, waaruit alleen zijn gelaat te voorschijn kwam; maar dat gelaat was voldoende om iemand een slapeloozen nacht te bezorgen. Nimmer heb ik zulke beestachtige, wreedaardige trekken gezien. Zijne kleine oogen gloeiden en brandden met een onheilspellend vuur en zijn dikke lippen waren omgekruld, waardoor zijn lange tanden ons met dierlijke woede aangrijnsden.
»Geef vuur als hij zijn hand opheft," zei Holmes kalm. Op dit oogenblik waren wij hen tot eene bootslengte genaderd, en bijna binnen het bereik van onze prooi. Ik kan mij hen beiden nog voor den geest halen zooals zij daar stonden, de blanke met zijne beenen van elkander, voortdurend vloeken en verwenschingen uitstootende, en die menscheneter met zijn afzichtelijk gelaat op zijn lange, gele tanden knarsend.
Het was gelukkig dat wij hèm zoo goed in het oog hadden, want op het onverwachts trok hij van onder zijn ulster een kort rond stuk hout te voorschijn, en sloeg dit tegen zijne lippen. Onze schoten knalden tegelijk. Hij draaide om zich zelf rond, hief zijn armen omhoog, en stortte zijdelings in de rivier. Ik ving nog een glimp op van zijne woedend-dreigende oogen, terwijl het blanke water zich over hem sloot. Op hetzelfde oogenblik wierp de man met het houten been zich op het roer en wendde dit met een ruk om, zoodat zijn boot recht op den zuidelijken oever aanliep, terwijl wij haar bijna rakelings voorbij stoven. Wij wendden ijlings den steven en volgden haar, doch zij was reeds zeer dicht bij den oever. Dit was een woeste en verlaten plek, waar de maan een uitgestrekte heidevlakte bescheen. De boot stootte met een doffen slag tegen den oever, met den boeg in de lucht, terwijl het water over den achtersteven stroomde.
De vluchteling sprong van boord, maar zijn houten stomp zakte onmiddellijk in den mullen, zandigen heidegrond. Tevergeefs worstelde en wrong hij om los te komen, hij kon zelfs geen stap voor- of achterwaarts doen. Hij schreeuwde in machtelooze woede, en stampte als razend met zijn anderen voet; maar bij elke beweging zakte zijn stomp al dieper en dieper in de aarde weg. Toen wij onze boot hadden aangelegd was hij zoo uitgeput, dat wij alleen door hem een touw over de schouders te werpen, in staat waren hem er uit te halen, en evenals een zeegedrocht bij ons aan boord te sleepen. De beide Smiths, vader en zoon, zaten als verbijsterd in hun boot, en kwamen toen hun dit gelast werd gedwee tot ons. De =Aurora= zelve maakten wij weder vlot en bevestigden haar aan onzen achtersteven. Een sterke ijzeren kist van Indisch fabrikaat, stond op het dek. Deze hield ongetwijfeld den rampzaligen schat der Sholto's verborgen.
Er stak geen sleutel op, maar zij was buitengewoon zwaar, en dus brachten wij haar voorzichtig naar onze kleine kajuit. Toen wij weder langzaam stroomopwaarts stevenden, lieten wij ons seinlicht naar elke richting over het water schijnen, doch er was geen spoor van den wilde te ontdekken. Ergens op den duisteren bodem der Theems rust het gebeente van dezen vreemdsoortigen bezoeker onzer kusten.
»Ziet hier," zei Holmes naar de houten knots wijzende, »wij waren juist bijtijds met onze revolvers."--En ja; juist achter de plek waar wij gestaan hadden, stak een dier moorddadige dorens, die wij maar àl te goed kenden. Die moest op het oogenblik dat wij vuur gaven naar ons geschoten zijn. Holmes beschouwde haar glimlachend en trok, op zijne gewone kalme wijze zijne schouders op, maar ik beken eerlijk dat ik er onwel van werd, toen ik dacht aan den afgrijselijken dood, die ons dien nacht zoò van nabij bedreigd had.
ELFDE HOOFDSTUK.
De groote Agra-schat.
Onze gevangene zat in de hut tegenover de ijzeren kist, waarvoor hij zooveel ondernomen en op welks bezit hij zoo lang gewacht had. Hij was een door de zon gebruind, onverschillig uitziend persoon, met een netwerk van lijnen en rimpels over zijn mahoniekleurig gelaat, dat getuigde van een zwaar leven in de open lucht. Er lag een trek op dat baardig gelaat, die hem kenmerkte als een man, die een eenmaal opgevat voornemen niet licht weder liet varen. Hij kon omstreeks vijftig jaar oud zijn, want zijn zwart, krullend haar was zeer met grijs doorschoten. Als hij kalm was, was zijn gelaat in geen geval terugstootend, hoewel zijn zware wenkbrauwen en breede kin hem, zooals ik had kunnen waarnemen, als hij zich in gevaar bevond, een verschrikkelijke uitdrukking gaven. Hij zat nu met zijn geboeide handen op zijn rug en zijn hoofd op de borst gezonken, terwijl hij met zijne kleine schitterende oogen op de kist staarde, die de oorzaak zijner misdaden geweest was. Het scheen mij toe dat zijn uiterlijk meer leed dan toorn uitdrukte. Eenmaal keek hij mij zelfs met een eenigszins spotachtigen blik aan.
»Zeg eens, Jonathan Small," zeide Holmes, een sigaar opstekende, »het spijt mij dat het hiertoe gekomen is."
»Mij ook, sir," antwoordde hij openhartig, »ik geloof niet dat ik reden heb om op mijn onderneming te snoeven. Maar ik geef de heilige verzekering dat ik nooit een hand tegen Mr. Sholto heb opgeheven. Het was die kleine hel-hond Tonga, die een van zijn verwenschte dorens in zijn hoofd schoot. Ik had er geen deel aan, sir. Ik had er evenveel leed van alsof het een mijner bloedverwanten ware geweest. Ik ranselde den kleinen duivel er met de streng touw voor af, maar het was gebeurd, en ik kon het niet ongedaan maken."
»Hier hebt gij een sigaar," zei Holmes, »en gij deed er goed aan een teug uit mijn flesch te nemen, want gij zijt zeer nat. Hoe kondet gij verwachten dat een zoo klein en zwak man, als die zwarte, Mr. Sholto zou kunnen overmeesteren en in bedwang houden, terwijl ge langs het touw opklomt?"
»Gij schijnt er evenveel van te weten, alsof gij er bij geweest waart, sir. De waarheid is dat ik de kamer ledig dacht te vinden. Ik kende de gewoonten van het huis zeer goed. Ik zal geen geheim van de zaak maken. Mijn beste verdediging bestaat juist in de zuivere waarheid. Welnu, indien het de oude majoor ware geweest zou ik mij er weinig om bekommerd hebben. Ik zou er even weinig om gegeven hebben hem te doorsteken, als deze sigaar te rooken. Maar het zou vervloekt hard zijn als ik blijde zou zijn om den dood van dien jongen Sholto, met wien ik nog nooit een kwaad woord gehad heb."
»Gij zijt de gevangene van Mr. Athelney Jones van Scotland Yard. Hij brengt u naar mijne woning, en daar zal ik je om een trouw verhaal van de zaak verzoeken. Gij moet mij er alles van mededeelen, want als gij dit doet hoop ik je nog van dienst te kunnen wezen. Ik geloof dat ik bewijzen kan dat het vergif zóó schielijk werkt dat de man dood was vóór gij de kamer bereikt hadt."
»Dat was hij ook, sir. Ik ben nog nooit in mijn leven zoo geschrokken, als toen ik hem mij zag aangrijnzen met zijn hoofd op zijn schouder, toen ik het venster binnenklom. Het schokte mij geweldig, sir. Ik zou Tonga half dood geslagen hebben als hij zich niet uit de voeten had gemaakt. Dat was de oorzaak dat hij de knots en eenige van zijne dorens achter liet, zooals hij mij later zeide, en welke u volgens mijne meening ons op het spoor brachten; hoewel het mijn begrip te boven gaat, hoe gij het hebt kunnen volgen. Ik draag u er geen kwaad hart om toe. Maar toch is het al zeer ongelukkig," voegde hij er met een bitteren glimlach bij, »dat ik, die eerlijk deel heb aan een half millioen, de eerste helft van mijn leven heb doorgebracht met het bouwen van luchtkasteelen op de Andamans en nu alle kans heb om de andere helft in de gevangenis te Dartmoor door te brengen. Het was een ongeluksdag voor mij, toen mijn oog voor het eerst den koopman Achmet ontmoette en ik met den Agra-schat te doen kreeg, die nooit anders dan onheil bracht over den man dien zij toebehoorde. Hem bracht zij moord, aan majoor Sholto vrees en wroeging, en mij levenslange galei-straf."
Op dit oogenblik stak Athelney Jones zijn breed gelaat en forsche schouders door de opening van de hut.
»Het lijkt hier wel een familie-partijtje," riep hij, »ik denk dat ik dat varken wel zal wasschen, Holmes, en dat wij elkaar waarlijk geluk mogen wenschen. Het is jammer dat wij den andere niet levend in handen konden krijgen; maar wij hadden geen keus. Je moet toestemmen, Holmes, dat je den knoop wel wat te spoedig doorhakte."
»Eind goed al goed," zei Holmes; »maar ik wist niet dat de =Aurora= zulk een vaart had."
»Smith zegt, dat zij de snelste stoomer op de rivier is, en dat, indien hij een betere machinist had gehad, wij haar nimmer zouden hebben ingehaald. Hij zweert dat hij niets van deze Norwood-geschiedenis afweet."
»Geen enkel woord," riep onze gevangene, »ik koos zijn boot omdat ik van hare snelheid gehoord had. Wij deelden hem niets mede, maar wij betaalden hem goed, en hij zou nog een flinke som ontvangen, indien wij ons schip, de =Esmeralda=, te Gravesend in lading voor Brazilië, zouden bereiken."
»Welnu, als hij geen kwaad gedaan heeft, zullen we zorgen dat hem geen leed overkomt. Indien wij er al vlug in mogen zijn om onze lieden gevangen te nemen, wij zijn toch lang niet zoo haastig om ze te veroordeelen."
Het was aardig om op te merken hoe de dwaze Jones zich op het geval verhoovaardigde. Er speelde dan ook een beteekenisvollen glimlach om Holmes' lippen.
»Wij zullen terstond bij Vauxhall Bridge zijn," vervolgde Jones, »waar ik u met den schat aan wal zal zetten, Dr. Watson. Ik behoef u gewis niet te zeggen, dat ik daardoor een zeer groote verantwoordelijkheid op mij neem.
»Het is geheel buiten den regel, maar, »een man een man, een woord een woord!" Mijn dienst verplicht mij echter om u een inspecteur mede te geven, wijl gij zulke groote waarden bij u hebt. Gij zult zeker rijden?"
»Ja, ik zal een rijtuig nemen."
»Het is jammer dat er geen sleutel bij is, om eerst inventaris op te maken. Gij zult de kist dus moeten openbreken. Waar is de sleutel, beste man?"
»Op den bodem van de rivier," antwoordde Small kortaf.
»Hm! Gij hadt ons deze onnoodige moeite kunnen besparen. Wij hebben reeds genoeg werk door u gehad. Evenwel acht ik het niet overbodig u te waarschuwen, om voorzichtig te zijn, dokter. Breng de kist weder terug op onze kamers in de Baker-Street. Als gij u naar het bureau begeeft zult ge ons dáár kunnen vinden!"
Zij zetten mij met mijn zware ijzeren kist, in gezelschap van een inspecteur van politie, op Vauxhall aan wal; en een kwartier later stapten wij voor de woning van Mrs. Cecil Forrester uit ons rijtuig. De dienstbode scheen wegens een zóó laat bezoek ten zeerste verbaasd. Zij deelde ons mede dat Mrs. Cecil Forrester den avond elders doorbracht en eerst zeer laat zoude tehuiskomen. Maar, Miss Morstan bevond zich in de huiskamer; ik begaf mij dus mèt de kist naar de huiskamer, terwijl ik den beleefden inspecteur in het rijtuig achterliet.
Zij zat bij het open venster in een wit-met-rood-afgezet avondkleed, terwijl het getemperd licht haar kalm gelaat bescheen. Toen zij echter mijnen--haar reeds bekenden--voetstap vernam, richtte zij zich ijlings overeind, terwijl een hoog rood hare anders zoo bleeke wangen kleurde.
»Ik hoorde een rijtuig aankomen," zeide zij, »en dacht dat Mrs. Forrester veel vroeger thuis kwam dan ik haar verwachtte, maar ik kon nooit denken dat u het zoudt zijn. Welk nieuws brengt u mij?"
»Ik breng iets oneindig beters dan nieuws," antwoordde ik, de kist op tafel zettende, op vroolijken toon, hoewel mijn hart beklemd was; »ik breng u iets dat tegen alle nieuwstijdingen ter wereld opweegt. Ik breng u een fortuin."
Zij keek naar de ijzeren kist.
»Is dat dan de schat?" vroeg zij kalm.
»Ja, dat is de groote Agra-schat. De eene helft ervan behoort u en de andere aan Thaddeus Sholto. Voor beiden zullen er eenige honderdduizende ponden zijn. Denk eens! Een jaarlijksche rente van tienduizend pond sterling! Er zullen niet veel zulke rijke dames in Engeland te vinden zijn. Is dat niet prachtig?"
Ik geloof dat ik mijne blijdschap overdreef, en dat zij een vreemdsoortigen klank in mijn stem ontdekte, want zij hief hare oogen op en keek mij verwonderd aan.
»Als ik het bezit, ben ik het aan u verschuldigd," zeide zij.
»Neen, neen," hernam ik, »niet aan mij, maar aan mijn vriend Sherlock Holmes. Met den besten wil ter wereld zoude ik dit raadsel niet hebben kunnen oplossen, dat zelfs zijn genie op een zware proef stelde."
»Neem plaats, en wees zoo goed mij alles ervan te vertellen, Dr. Watson," zeide zij.
Ik verhaalde haar in 't kort alles wat er sedert ik haar het laatst gezien had was voorgevallen. Holmes' methode van onderzoek, de ontdekking van de =Aurora=, de verschijning van Athelney Jones, onzen nachtelijken tocht, en de jacht langs de Theems. Zij luisterde met gespannen aandacht en glinsterende oogen naar het verhaal onzer avonturen. Toen ik melding maakte van den doren, die ons bijna getroffen had, werd zij zoo wit, dat ik vreesde dat zij in zwijm zou vallen.
»Het is niets," zeide zij, toen ik mij haastte haar een glas water in te schenken, »ik ben weder beter. Het schokte mij te vernemen dat ik mijne vrienden in zulk gevaar gebracht had."
»Het is immers goed afgeloopen," antwoordde ik, »en ik zal u in 't vervolg geen akeligheden meer verhalen. Laat ons tot iets vroolijkers overgaan. Daar staat de schat. Ik haastte mij om hem hier te brengen, omdat ik dacht dat gij er belang in zoudt stellen hem het eerst te zien."
»Zeker zou ik daar grooten prijs op stellen," zeide zij. Er heerschte echter niet de minste opgewondenheid in hare stem. Het scheen dat zij zich niet onverschillig wilde betoonen omtrent een zaak, die met zooveel inspanning verkregen was.
»Wat een aardige kist!" zeide zij, zich er over heenbuigende, »het is zeker Indisch maaksel?"
»Ja, het is Benarisch fabrikaat."
»En hoe zwaar!" riep zij, terwijl zij beproefde haar op te beuren, »de kist alleen moet ook waarde hebben. Waar is de sleutel?"
»Die werd door Small in de Theems geworpen," antwoordde ik, »ik zal even gebruik moeten maken van Mrs. Forrester's pook."