Sherlock Holmes: De Agra-Schat
Chapter 2
»Zij beschouwde het zoo niet. Maar van het mijne zult gij dit tenminste niet kunnen beweren. Ik kan mij nauwelijks een meer vreemdsoortigen en onverklaarbaren toestand voorstellen, dan dien, waarin ik mij bevind."
Holmes wreef zijne handen en zijne oogen schitterden. Hij leunde voorover in zijn stoel met eene uitdrukking van buitengewone aandacht op zijne scherpe, havik-achtige trekken.
»Verhaal mij uw geval," zeide hij op korten toon.
Ik gevoelde dat mijn toestand eenigszins gedwongen werd.
»Gij zult mij gewis wel willen excuseeren?" vroeg ik van mijn stoel opstaande.
Tot mijne verwondering strekte de jonge dame hare net gehandschoende hand uit, als om mij tegen te houden.
»Indien uw vriend zoo goed zou willen zijn hier te blijven," sprak zij, »zou hij mij wellicht een onschatbaren dienst kunnen bewijzen."
Ik zette mij weer neder.
»In het kort zijn de feiten als volgt," hernam zij.
»Mijn vader was officier in Indischen dienst, die mij, toen ik nog een kind was, naar het vaderland zond. Mijne moeder was overleden, en ik had geene betrekkingen in Engeland. Ik werd echter in een net opvoedingsgesticht te Edinburgh geplaatst, waar ik tot mijn zeventiende jaar vertoefde. In het jaar 1878 verkreeg mijn vader, die toen de oudste kapitein bij zijn regiment was, een jaar verlof, en kwam naar Engeland. Hij telegrafeerde mij uit Londen dat hij gezond en wel was aangekomen en noodigde mij uit om onmiddellijk over te komen, terwijl hij mij het Langham Hôtel als zijn adres opgaf. Ik herinner mij dat zijn bericht van verlangen en liefde getuigde. Toen ik te Londen aankwam, reed ik naar Langham en vernam daar dat kapitein Morstan er logeerde, doch dat hij den vorigen avond was uitgegaan en tot nog toe niet teruggekeerd was. Ik wachtte den ganschen dag, zonder iets van hem te vernemen. Des avonds stelde ik, op aanraden van den hôtelhouder, de politie hiermede in kennis en den volgenden morgen plaatsten wij eene oproeping in alle bladen. Onze onderzoekingen leverden echter niet het minste resultaat op; en vanaf dien dag tot op heden heb ik nooit weder een woord van mijn ongelukkigen vader vernomen. Hij kwam naar het vaderland met een hart vol hoop en liefde, om er eenige rust en vaderlijk genoegen te vinden, en in stede daarvan...."
Zij bracht haar hand aan hare keel, en een korte snik besloot den volzin.
»De datum?" vroeg Holmes, zijn notitie-boek openende.
»Hij verdween op den 3en December 1878, dus omstreeks tien jaren geleden."
»Zijn bagage?"
»Bleef in het hôtel. Er was echter niets in dat tot eenige opheldering kon dienen: wat kleêren, eenige boeken en een groot aantal curiositeiten van de Andaman-eilanden. Hij was een der officieren geweest die met de bewaking der daar verbannen misdadigers belast zijn."
»Had hij een of ander vriend in de stad?"
»Zoover wij weten slechts een;--zekere Majoor Sholto van zijn eigen regiment, het 34e Bombay-Infanterie. De Majoor had kort te voren den dienst vaarwel gezegd en woonde te Upper Norwood. Wij stelden hem natuurlijk van het geval in kennis, maar het was hem zelfs onbekend dat zijn mede-officier in Engeland was."
»Een vreemdsoortig geval," merkte Holmes aan.
»Het vreemdsoortige ervan heb ik u echter nog niet beschreven. Omstreeks zes jaren geleden--of om nauwkeurig te werk te gaan: op den 4en Mei 1882,--verscheen er een advertentie in de »=Times=", waarin gevraagd werd naar het adres van Miss Mary Morstan, met de verklaring dat het in haar belang zoude zijn, zich bekend te maken. Er werd noch naam, noch adres bij vermeld. Ik was op dat tijdstip juist in het gezin van Mrs. Cecil Forrester als gouvernante in betrekking gekomen. Op haar raad maakte ik per advertentie mijn adres bekend. Nog op dienzelfden dag werd er door de post een aan mij geadresseerd kartonnen doosje bezorgd, waarin zich een zeer groote, schitterende parel bevond. Er was geen letter schrift bijgevoegd. Sedert dien dag kwam er elk jaar op denzelfden datum een gelijksoortige doos, die een zelfde parel bevatte, zonder eenige aanwijzing omtrent den afzender. Zij zijn door een deskundige onderzocht en deze verklaarde dat zij hoogst zeldzaam en van buitengewoon groote waarde zijn. Gij kunt zelf oordeelen hoe fraai zij zijn."
Zij opende een platte doos, en toonde mij zes der prachtigste paarlen die ik ooit gezien had.
»Uw verhaal is hoogst belangwekkend," zei Sherlock Holmes, »is u nog iets anders gebeurd?"
»Ja, en dat wel juist heden. Dat is de reden waarom ik tot u gekomen ben. Hedenochtend ontving ik dezen brief, dien gij wellicht wel zult willen lezen."
»Dank u," zei Holmes, »de enveloppe ook als 't u belieft. Poststempel: Londen S. W. Datum: Juli 7. Hum! De afdruk van een mansduim in den hoek,--waarschijnlijk van den besteller. Beste kwaliteit papier. Enveloppe van six-pence het pak. Een zonderling man. Geen adres.--»Wees hedenavond te zeven uren aan den derden pilaar van de linkerbuitenzijde van het Lyceum-Theatre. Indien gij bevreesd zijt, brengt dan twee vrienden mede. Gij zijt een slecht behandeld meisje en u zal gerechtigheid geschieden. Breng geen politie mede. Indien gij dit doet, zal alles tevergeefs zijn. Uw onbekende vriend."
»Wel, dat is een zeer aardig geheim! wat denkt gij te doen, Miss Morstan?"
»Dat was juist de vraag die ik u wilde doen."
»Dan zullen wij zeer zeker gaan,--gij en ik en--ja, wel Dr. Watson is juist de rechte man. Uw briefschrijver spreekt van twee vrienden. Hij en ik hebben reeds vroeger samengewerkt."
»Maar zou hij willen komen?" vroeg zij met iets smeekends in haar stem.
»Ik zal mij gelukkig achten en er eene eer in stellen," zeide ik gejaagd, »als ik u in eenig opzicht van dienst zal kunnen zijn."
»Gij zijt beiden zeer vriendelijk," antwoordde zij, »ik heb een afgezonderd leven geleid en bezit geene vrienden waarop ik mij zou kunnen beroepen. Als ik om zes uur hier ben, zal het, naar ik denk, vroeg genoeg zijn?"
»Ja, maar vooral niet later," zei Holmes, »er rest echter nog een vraag: Is dit handschrift hetzelfde als dat van de adressen op de doosjes met de paarlen?"
»Ik heb ze bij mij," antwoordde zij, terwijl zij hem een half dozijn stukjes papier overreikte.
»Gij zijt bepaald een model-cliënt, en zeer correct. Laat ons nu eens zien." Hij spreidde de papiertjes op de tafel en keek snel van het een op het andere. »Zij zijn met een verdraaide hand geschreven, behalve de brief," zeide hij onmiddellijk, »maar het lijdt geen twijfel dat de schrijver dezelfde is. Zie eens hoe de #e# afgebroken is en beschouw dan de krul van de #s#. Die zijn stellig van denzelfden persoon. Ik zou niet gaarne ijdele hoop bij u opwekken, Miss Morstan, maar is er eenige overeenkomst tusschen deze hand en die van uwen vader?"
»In geen enkel opzicht."
»Dit antwoord verwachtte ik. Wij zullen u dus om zes uur verwachten. Wees zoo goed en laat mij de papieren behouden. Dan kan ik de zaak eens overzien. Het is nu pas half-vier. =Au revoir=, dus."
»=Au revoir=," zei onze bezoekster, en met een vriendelijken blik op ons beiden, verborg zei haar doos met paarlen weder in haren boezem, en verliet haastig het vertrek. Mij voor het venster plaatsende zag ik haar snel de straat afloopen, terwijl haar grijs hoedje met de witte veder op een vogel geleek tusschen de dichte menigte.
»Wat een aantrekkelijke vrouw!" riep ik uit, mij tot mijn metgezel wendende.
Hij had zijn pijp weder opgestoken en lag met halfgesloten oogen achterover in zijn fauteuil. »Is zij dat?" vroeg hij op langwijligen toon, »ik heb het niet opgemerkt."
»Gij zijt werkelijk een automaat,--een rekenmachine," riep ik, »er is somwijlen iets bepaald onmenschelijks in u!"
Hij glimlachte ondeugend.
»Het is van het grootste belang," antwoordde hij, »uw oordeel niet te laten leiden door persoonlijke eigenschappen. Een cliënt is voor mij slechts eene eenheid, een factor in een vraagstuk. De op het gemoed werkende eigenschappen staan een zuivere redeneering in den weg. Ik geef u de verzekering dat de bekoorlijkste vrouw, die ik ooit gezien heb, werd opgehangen wegens het vermoorden van drie kleine kinderen om hunne levensverzekeringssom machtig te worden, terwijl de terugstootendste man onder mijne bekenden een filantroop is, die omstreeks een kwart millioen aan de armen van Londen besteed heeft."
»In dit geval, echter--"
»Ik maak nimmer uitzonderingen. Een uitzondering »wederlegt" den regel. Zijt gij ooit in de gelegenheid geweest om door middel van een handschrift een karakter-studie te maken? Wat is dan uw oordeel omtrent het geschrijf van dezen knaap?"
»Het is net en regelmatig," antwoordde ik. »Een man van zaken en tamelijk vast van karakter."
Holmes schudde het hoofd.
»Zie dan eens naar zijn lange letters," zeide hij, »zij komen nauwelijks boven de gewone uit. Die #d# kon wel een #a#, en die #l# wel een #e# zijn. Mannen van karakter maken altijd een onderscheid tusschen hunne gewone en lange letters, hoe onregelmatig zij overigens ook mogen schrijven. Er is besluiteloosheid in zijne #k#'s en gevoel van eigenwaarde in zijne hoofdletters.--Ik ga nu even uit. Ik moet eenige bezoeken afleggen. Laat mij u dit boek recommandeeren,--een der merkwaardigste die ooit geschreven werden. Het is »Het martelaarschap van den man," van Winwood Reade. Ik zal binnen een uur terug zijn."
Ik zat in de vensternis met het aangeduide boek in mijn hand, doch mijne gedachten waren verre van het werk des schrijvers. Mijn gedachten keerden tot onze laatste bezoekster terug, tot haren glimlach, die diepe gevoelvolle tonen van hare stem, en het vreemdsoortig geheim dat haar verontrustte. Indien zij zeventien jaar was op het tijdstip van haar vaders verdwijning, dan moest zij nu zeven-en-twintig zijn;--een schoone leeftijd, waarop de jeugd haar zelfvertrouwen verloren heeft en door ondervinding een weinig soberder geworden is. Zoo zat ik te mijmeren, tot er zulke gevaarlijke gedachten bij mij opkwamen, dat ik naar mijn lessenaar snelde en mij ijverig in mijn verhandeling over pathologie verdiepte.--Wat was ik?--Een arm geneesheer, met een zwak been en nog een zwakker fortuin, dat ik aan zulke dingen zou durven denken? Zij was eene eenheid, een factor, en niets meer! Indien mijn toekomst duister was, was het gewis beter om haar als een man tegemoet te zien, dan te trachten haar door onbereikbare luchtkasteelen op te vroolijken.
DERDE HOOFDSTUK.
Op onderzoek.
Het was half zes eer Holmes terugkwam. Hij was opgeruimd en zeer goed gemutst, iets wat bij hem van tijd tot tijd werd afgewisseld door een gemoedsgesteldheid die aan ontzenuwing grensde.
»Er schuilt geen groot geheim in deze aangelegenheid," zeide hij, den kop thee aannemende dien ik voor hem had ingeschonken, »de feiten schijnen slechts ééne verklaring mogelijk te maken."
»Wat! Hebt gij het reeds opgelost?"
»Nu, dat zou te veel gezegd zijn. Ik heb een feit ontdekt dat een veronderstelling wettigt, dat is alles. Het is slechts een zeer vage veronderstelling. De nadere bizonderheden ontbreken er nog aan. Ik heb zooeven in oude nummers van de »Times" gevonden, dat Majoor Sholto van Upper Norwood, oud-gediende van het 34e regiment Bombay-Infanterie, op den 28 April 1882 overleden is."
»Het moge zeer onbegrijpelijk zijn, Holmes, maar ik kan niet inzien tot welke onderstelling dit leiden kan."
»Niet? Gij verbaast mij. Beschouw het dan van deze zijde. Kapitein Morstan verdwijnt. De eenige persoon in Londen dien hij kon bezocht hebben is Majoor Sholto. Majoor Sholto verklaart niet geweten te hebben dat hij te Londen was. Vier jaren later sterft Sholto. Binnen een week na zijn dood ontvangt de dochter van kapitein Morstan een kostbaar geschenk, dat jaarlijks herhaald wordt en nu eindigt in een brief die haar als een slecht behandeld meisje beschrijft. Op welke slechte behandeling kan dit anders doelen dan op de verdwijning van haren vader? En waarom zouden de geschenken onmiddellijk beginnen na Sholto's dood, of het moest zijn dat Sholto's erfgenaam iets van het geheim weet, en een schikking wenscht te maken? Hebt gij eenige tegenovergestelde theorie?"
»Maar welk een vreemdsoortige gevolgtrekking! En hoe ver gezocht! Waarom zou hij nu eerder een brief schrijven dan tien jaren geleden? Bovendien in den brief staat: om haar recht te doen wedervaren. Welk recht wordt daarmede bedoeld? De veronderstelling dat haar vader nog in leven is, is zeker te gewaagd. En van een ander onrecht is u niets bekend."
»Er zijn moeielijkheden; zeer zeker groote moeielijkheden," zei Sherlock Holmes nadenkend, »maar onze expeditie van hedenavond zal ze allen oplossen. Ha, daar is een vierwieler en Miss Morstan zit erin. Zijt gij gereed? Dan was het beter dat wij naar beneden gingen, want het is reeds over den tijd."
Ik nam mijn hoed en stevigsten stok, doch merkte op dat Holmes zijn revolver uit het wapenrek nam en in zijn zak liet glijden. Het was dus duidelijk dat hij dacht dat ons avondwerk van ernstigen aard zou kunnen worden.
Miss Morstan was in een donkerkleurigen mantel gewikkeld, en haar zacht gelaat was rustig, doch bleek. Zij zou meer dan vrouw geweest moeten zijn om zich niet een weinig onrustig te gevoelen bij de vreemdsoortige onderneming waarvoor wij ons op weg begaven; maar toch was hare zelfbeheersching bewonderenswaardig en zij beantwoordde kort en zakelijk de weinige vragen, die Sherlock Holmes nog noodig oordeelde tot haar te richten.
»Majoor Sholto was een bizonder vriend van mijn papa," zeide zij, »zijne brieven waren altijd vol van toespelingen op den Majoor. Hij en papa voerden het bevel over de troepen op de Andaman-eilanden; daardoor woonden zij geruimen tijd te zamen. Indertijd werd in papa's lessenaar een vreemdsoortig papier gevonden, wat niemand begrijpen kon. Ik veronderstel niet dat het van eenig aanbelang kan wezen, ik dacht echter dat gij het wellicht gaarne zoudt willen zien, en daarom heb ik het meegebracht. Hier is het."
Holmes ontvouwde het papier zorgvuldig en streek het glad op zijn knie. Daarna onderzocht hij het nauwkeurig met zijn dubbele lens.
»Het papier is in Indië gefabriceerd," zeide hij, »het was voor eenigen tijd op een bord geprikt geweest. De teekening erop schijnt het ontwerp te zijn voor een gedeelte van een groot gebouw, met talrijke zalen en gangen. Aan den eenen hoek staat een met roode inkt geteekend kruis en links daarboven staat geschreven »3,37." Op den linkerhoek staan vier kruisjes op een lijn, waarvan de armen elkander raken. Daarnaast staat in ruwe karakters:
»Het teeken der vier--Jonathan Small, Mahomed Singh, Abdullah Khan, Dost Akbar."
»Neen, ik beken dat ik niet begrijp in welk verband dit met de zaak staat. Desniettemin is het een belangrijk document. Het is zorgvuldig in een zakboek bewaard geworden; want het is aan beide zijden even helder."
»Wij vonden het in zijn zakboek."
»Bewaar het dan zorgvuldig, Miss Morstan, want het zou ons later van nut kunnen zijn. Ik begin te veronderstellen, dat deze zaak blijken zal ingewikkelder en van meer teederen aard te zijn, dan ik haar in het eerst beschouwd heb. Ik moet mijne gedachten opnieuw regelen."
Hij leunde achterover in het rijtuig en ik kon aan zijn geheele houding zien dat hij in zijn gedachten verdiept was. Miss Morstan en ik, wij onderhielden ons op gedempten toon over onze expeditie en den mogelijken uitslag ervan, doch onze metgezel bleef peinzend en afgetrokken tot aan het einde van den rit.
Het was een avond in September en nog geen zeven uur, maar het was een donkere dag geweest en er hing een vochtige, doordringende mist over de groote stad. Gelijk zwarte wolken zweefde de mist over de modderige straten. Langs het strand drong het licht der lantaarns slechts met moeite door den nevel heen en wierpen een schaarsch schijnsel over de glibberige bestrating. De gele lichtstralen uit de winkelramen drongen naar buiten door de dampachtige lucht, en wierpen een spookachtig licht op de menigte daarbuiten.
Deze omstandigheid en het doel waarvoor wij ons tusschen dat licht en donker voortbewogen, maakte mij zenuwachtig en zwaarmoedig. Ik kon aan het voorkomen van Miss Morstan zien dat zij onder denzelfden indruk verkeerde. Holmes alleen was boven dusdanige invloeden verheven. Hij hield zijn geopend notitie-boek op zijn knie, en maakte van tijd tot tijd eenige aanteekeningen bij het licht van zijn zak-lantaarn.--
Bij de zijdeuren van het Lyceum-Theatre stond de menigte reeds in de dichte drommen opeengepakt. Wij hadden nauwelijks den derden pilaar, waar wij bescheiden waren, bereikt, of een klein, donker uitziend, levendig man als koetsier gekleed, sprak ons aan.
»Zijt gij de partijen die hier komen met Miss Morstan?" vroeg hij.
»Ik ben Miss Morstan, en deze twee heeren zijn mijne vrienden," antwoordde zij. Hij richtte een paar doordringende en vragende oogen op ons. »Gij zult het mij ten goede houden, Miss," zeide hij op scherpen toon, »maar het is mij opgedragen u te verzoeken mij uw woord te willen geven dat geen uwer metgezellen een ambtenaar der politie is."
»Daar geef ik u mijn woord op," antwoordde zij.
Daarop deed hij een schril gefluit hooren, waarop onmiddellijk een huurkoetsier naderde met een vierwielig rijtuig en het portier opende.
De man die ons aangesproken had steeg op den bok, terwijl wij ons in het rijtuig plaatsten. Onmiddellijk zette de koetsier zijne paarden aan en wij vlogen als het ware door de mistige straten. Het was waarlijk een zonderlinge positie. Wij reden naar een ons onbekende plaats, op de uitnoodiging van een onbekende. Of deze uitnoodiging was een grap, iets wat bezwaarlijk te veronderstellen was,--óf wij hadden alle reden om te denken dat onze tocht groote gevolgen zou hebben. Miss Morstan's gedrag was even vastberaden als anders. Ik trachtte haar te amuseeren met het verhalen van eenige mijner avonturen in Afghanistan: maar, om de waarheid te zeggen: ik was zelf zóó opgewonden en nieuwsgierig, dat mijne verhalen niet goed van stapel liepen. In het eerst had ik nog eenig idee omtrent de richting die ons rijtuig volgde; doch weldra verloor ik gedeeltelijk door onzen spoed, en gedeeltelijk door den mist en mijne oppervlakkige kennis van Londen de route, en wist niets meer dan dat wij een zeer verren weg aflegden.
Sherlock Holmes daarentegen faalde geen enkelen keer en hij prevelde de namen der squares zoowel als die der straten en stegen.
»Rochester Row," zeide hij, »nu Vincent Square. Nu komen wij uit bij de Vauxhall Bridge Road. Wij houden waarschijnlijk de zijde der Surrey. Ja, dat dacht ik wel. Nu zijn wij op de brug, gij kunt van tijd tot tijd de rivier zien."
Wij zagen werkelijk een strook van de Theems, die door de bruglantarens beschenen werd; maar ons rijtuig snelde voorwaarts en rolde spoedig door een doolhof van straten aan de overzijde.
»Wordsworth Road," zei mijn metgezel, »Priory Road, Larke Hall Lane, Stockwell Place, Robert Street, Cold Harbour Lane. Het schijnt dat onze taak ons niet naar zeer fatsoenlijke wijken roept."
Wij hadden nu inderdaad een onaanzienlijke en dubbelzinnige wijk bereikt. Lange lijnen van donkere huizen werden alleen dof verlicht door den schijn der kroegen, die er in menigte te vinden waren. Daarop volgden lanen met villa's van twee verdiepingen hoog, elk met een klein tuintje er voor, en toen weder onafzienbare rijen nieuw gebouwde rood-steenen huizen. Dan ten laatste hield ons rijtuig stil voor het derde van een nieuw blok huizen. Geen der anderen was bewoond, en dat waarvoor wij stilhielden was even duister als de anderen, behalve een enkel lichtje voor het keukenraam. Toen wij echter aanklopten werd de deur onmiddellijk geopend door een Hindoesch bediende, gekleed in een gele turban, witte wijde kleederen en een gele sjerp. Er lag iets vreemdsoortig onpassends in deze Oostersche figuur, die daar ineengedoken stond in de gang van een woning van den derden rang.
»De Sahib verwacht u," zei hij, en juist toen hij dit zeide klonk er uit een of andere kamer een schelle, pieperige stem:
»Wijs hun den weg hierheen, Khitmutgar," riep deze. »Breng hen onmiddellijk tot mij!"
VIERDE HOOFDSTUK.
De geschiedenis van den kaalhoofdigen man.
Wij volgden den Indiaan door een morsige gang tot wij voor een deur ter rechterzijde kwamen die hij openduwde. Een stroom geelachtig licht viel ons tegemoet, en in het midden van dien schijn stond een kleine man met een zeer groot hoofd, dat met een kring van rood, borstelig haar omgeven was en overigens in een glimmend kale puntkruin uitliep. Hij wreef zijne handen terwijl zijne gelaatstrekken in voortdurende beweging waren:--nu eens grijnslachend, dan weder kauwend, maar geen enkel oogenblik in rust. De Natuur had hem met een hanglip bedeeld en daardoor was de rij zijner gele, onregelmatige tanden al te zichtbaar, iets wat hij tevergeefs trachtte te verbergen door onophoudelijk met zijn hand over zijn onderkaak te wrijven. Niettegenstaande zijne buitengewone kaalhoofdigheid, was hij niet ouder dan dertig jaar.
»Uw dienaar, Miss Morstan," riep hij herhaaldelijk op schrillen toon, »uw dienaar, mijne heeren. Ik bid u, treed mijn klein heiligdom binnen. Een kleine woning, Miss, maar naar mijn eigen smaak ingericht. Een soort oase in deze beklagenswaardige wildernis van Zuidelijk-Londen."
Wij waren allen verbaasd wegens het uiterlijk van het vertrek waarbinnen hij ons uitnoodigde. Het geleek in dit onaanzienlijke huis als een diamant van het zuiverst water in koper gevat. De rijkste en kostbaarste gordijnen en tapijten bedekten de wanden, hier en daar teruggeschoven, ten einde plaats te laten voor een schilderstuk of Oostersche vaas. Het vloerkleed was amberkleurig, en zoo zacht en dik dat de voet erin wegzonk als in een donzen bed. Twee groote tijgerhuiden, en een op een standaard staande hookah (Oostersche tabakspijp) gaven het geheel het voorkomen van Oostersche weelde. Een lamp, in den vorm van een zilveren duif, hing aan een zeer dunne vergulde ketting in het midden der kamer. Terwijl zij brandde vervulde zij de lucht met een zachten aromatischen geur.
»Mr. Thaddeus Sholto," zei de kleine man, steeds kauwend en grimlachend, »zoo is mijn naam. Gij zijt dus Miss Morstan. En deze heeren?"
»Deze is Mr. Sherlock Holmes, en deze Dr. Watson."
»Een dokter, hé?" riep hij opgewonden, »hebt gij uw stethoscoop bij u? Zou ik u mogen verzoeken,--zoudt gij zoo vriendelijk willen zijn? Ik twijfel ten zeerste aan mijn hart-klep; indien gij de goedheid zoudt willen hebben. Ik ben er zeker van dat het in de hart-ader schuilt, maar omtrent de klep zou ik uw oordeel zeer gaarne vernemen."
Ik luisterde naar zijn hart, doch kon niets afwijkends opmerken, behalve dat hij zich in een angstigen toestand bevond, want hij rilde over zijn gansche lichaam.
»Het schijnt normaal te wezen," zeide ik, »gij hebt geen reden u ongerust te maken."
»Gij moet mijne angstigheid vergeven, Miss Morstan," merkte hij op, »ik lijd zeer veel en vreesde altijd voor een hartader-breuk. Ik ben verheugd te hooren dat daar geen gevaar voor bestaat. Indien uw vader meer op zijn hart gelet had, Miss Morstan, dan ware hij misschien thans nog in leven."
Ik zou den man wel in het gelaat hebben kunnen slaan, zoozeer verdroot mij deze onhandige opmerking.
Miss Morstan zette zich neder en haar gelaat werd wit tot zelfs hare lippen toe.
»Ik gevoelde in mijn hart dat hij overleden was," zeide zij.
»Ik kan u alle mogelijke inlichtingen verschaffen," vervolgde hij, »en dat wil ik ook, wat mijn broeder Bartholomeus ook moge zeggen. Ik ben zoo blijde dat gij vrienden bij u hebt, niet alleen als een geleide voor u, maar tevens als getuigen bij hetgeen ik voornemens ben te doen en te zeggen. Wij kunnen met ons drieën broeder Bartholomeus beter te woord staan. Doch laat ons er noch politie noch andere ambtenaren in mengen. Wij kunnen alles voldoende onderling regelen, zonder eenige tusschenkomst van anderen. Niets zou broeder Bartholomeus meer hinderen dan publiciteit."
Hij zette zich op een langen zetel, en keek ons onderzoekend aan met zijn doffe, waterige, blauwe oogen.