Sherlock Holmes: De Agra-Schat
Chapter 11
»Tonga,--want zoo was zijn naam,--was een bekwaam schipper, en bezat een groote, sterk gebouwde kano. Toen ik overtuigd was van zijne genegenheid, en dat hij alles zoude doen om mij van dienst te zijn, sprak ik met hem over eene ontvluchting. Hij moest zijn boot op zekeren nacht aan een onbewaakte aanlegplaats brengen en mij daar opnemen. Ik gelastte hem te zorgen dat hij verscheidene kruiken water, en een groote menigte jams, kokosnoten en zoete potatoes aan boord had.
»Deze kleine Tonga was buitengewoon gezellig en trouw. Op den bepaalden tijd lag zijn boot gereed. Doch, toevallig bevond zich een gevangenbewaarder,--zekere ellendige Pathanees, die mij altijd geplaagd en beleedigd had,--ter plaatse. Thans had ik de gelegenheid om mij op hem te wreken. Hij stond aan den oever, met zijn rug naar mij toegekeerd en zijn karabijn op den schouder. Ik keek rond naar een steen om hem de hersenen in te slaan, doch kon geen enkelen vinden.
»Toen kwam er een vreemde gedachte bij mij op, hoedanig ik mij thans van een wapen kon voorzien.
»Ik zette mij in de duisternis neder en ontdeed mij van mijn houten been. Met drie sprongen was ik achter hem, en sloeg hem met één enkelen slag ter aarde. Thans snelden wij naar onze boot en binnen een uur waren wij in volle zee. Tonga had al wat hij bezat met zich genomen, zoowel zijne wapenen als afgodsbeelden. Onder meerdere voorwerpen had hij een lange speer van bamboe, en wat Andamansche kokos-matten, waarvan ik een soort zeil vervaardigde. Gedurende tien dagen zwierven wij op goed geluk rond en op den elfden werden wij opgepikt door een koopvaarder, die op weg was van Singapore naar Jeddah met een lading Maleische pelgrims. Het gelukte ons spoedig ons in hun midden te doen opnemen.
»Het zou u gewis te lang duren als ik u al mijne avonturen ging verhalen. Wij zwierven de gansche wereld rond, doch hielden ons steeds op een eerbiedigen afstand van Londen. Gedurende al dien tijd verloor ik echter mijn doel niet uit het oog. Ik droomde elken nacht van Sholto; reeds honderden keeren had ik hem in mijn slaap gedood. Ten laatste echter, nu ongeveer vier jaren geleden, waagden wij ons in Engeland. Het viel mij niet moeilijk de woonplaats van Sholto uit te vinden, en ik zette mij aan het werk om gewaar te worden of hij den schat te gelde gemaakt had, of dat hij hem nog in zijn bezit had. Ik maakte mij bevriend met zeker iemand die mij behulpzaam kon zijn,--ik noem echter zijn naam niet, want ik wil geen ander achter slot en grendel helpen;--en vernam al spoedig dat hij de juweelen nog bezat. Toen trachtte ik op allerlei wijzen tot hem door te dringen; maar hij was zeer sluw, en had altijd twee bekende voorvechters, behalve zijne zonen, en een khitmugar om hem te bewaken.
»Op zekeren dag echter vernam ik dat hij stervende was. Ik snelde onmiddellijk naar den tuin, als waanzinnig van vrees dat hij mij zoude ontsnappen, en toen ik door het venster loerde zag ik hem te bed liggen, terwijl zijn zoons aan zijne zijde stonden. Ik stond op het punt om naar binnen te klimmen en hen te overvallen, doch juist op dit oogenblik zag ik dat hij stierf. Toch drong ik nog dienzelfden nacht zijn kamer binnen en onderzocht zijne papieren om te zien of ik er uit zou kunnen gewaar worden waar hij den schat verborgen had. Ik vond echter geen woord daaromtrent, en moest dus wanhopig terugkeeren. Alvorens ik heenging bedacht ik, dat indien ik ooit mijn Sikhsche vrienden weder mocht ontmoeten, het eene voldoening voor hen zoude wezen, te weten dat ik een teeken van onzen haat had achtergelaten; daarom schreef ik het »teeken der vier" op een kaart en bevestigde het op het lijk. Al het overige is u reeds bekend. En dat ik u het geheel naar de zuivere waarheid heb verhaald, geschiedde niet om u te vermaken, doch wel omdat ik geloof dat mijn beste verdediging bestaat om niets terug te houden, doch bekend te maken hoe laaghartig ik door majoor Sholto behandeld ben, en hoe onschuldig ik ben aan den dood van zijn zoon."
»Dit is een hoogst merkwaardig verhaal," zei Sherlock Holmes, »het overige is mij zeker bekend, behalve dat het uw eigen touw was waarlangs gij uwen weg in de sterfkamer vondt. Tevens had ik gehoopt dat Tonga al zijn doornen verloren had; maar het gelukte hem toch er ons een in de boot te blazen."
»Hij had ze ook allen verloren, sir, behalve deze eene, die nog in zijn blaas-pijp was achtergebleven."
»O ja;" zei Holmes, »daar had ik niet aan gedacht."
»Wenscht u mij nog omtrent het een of ander te ondervragen?"
»Ik dank u," antwoordde mijn metgezel.
»Welnu, Holmes," zeide Athelney Jones, »gij zijt iemand met wien men geduld moet oefenen, en wij weten allen dat gij een kenner van misdaden zijt; maar plicht blijft plicht, en ik ben eigenlijk wel wat =te= ver gegaan met te doen wat gij en uw vriend mij verzocht hebben. Het rijtuig staat nog te wachten, en daar zijn twee inspecteurs beneden. Ik ben u beiden wel verplicht voor uwen bijstand. Men zal u gewis nog nader bij het rechtsgeding noodig hebben. Goeden nacht."
»Goeden nacht, heeren," zei Holmes laconiek.
»Gij eerst, Small," sprak nu Jones tot zijn gevangene, toen zij de kamer verlieten, »ik zal wel zorg dragen dat gij mij niet »knuppelt" met je houten been, wat je ook aan dien heer op de Andaman-eilanden mocht gedaan hebben."
»Welnu, dit is dus het einde van ons klein drama," merkte ik op, nadat wij een poos zwijgend hadden zitten rooken, »ik vrees dat het het laatste onderzoek zal geweest zijn waarbij ik het geluk had uw methode te bestudeeren. Miss Morstan heeft mij de eer bewezen mij als haren aanstaanden echtgenoot aan te nemen."
Hij maakte een ontevreden gebaar.
»Ik heb dat gevreesd," zeide hij, »ik kan u waarlijk niet feliciteeren."
Ik werd een weinig ontstemd.
»Hebt gij eenige reden om niet ingenomen te zijn met mijne keuze?" vroeg ik.
»In geen geval. Ik denk dat zij een der bekoorlijkste jonge dames is, die ik ooit ontmoette, en zeer nuttig zoude hebben kunnen worden voor onderzoekingen, zooals wij er thans een hebben ingesteld. Denk maar hoe zij voor alle andere papieren die schets van het Agra-fort bewaarde. Maar liefde is een zaak die invloed heeft op het menschelijk gevoel, en al wat dit doet is in strijd met de ware, koele rede, die ik boven alle gewaarwordingen stel. Ik voor mij zou nimmer huwen, of ik moest mijne gevoelens verloochenen."
»Ik hoop dat mijn oordeel het uwe zal overleven," zeide ik lachend, »maar gij ziet er verdrietig uit."
»Ja; de reactie is gekomen. Ik zal gedurende een week zoo boos als een spin zijn."
»Vreemd," antwoordde ik, »hoe zaken, die ik bij een ander man lusteloosheid zou noemen, in strijd zijn met uwe geestkracht."
»Dat is zoo," hernam hij, »ik bezit tegelijkertijd de gegevens van een »suffer" en die van een gezellig mensch. Ik denk vaak aan deze regels van Goethe:
=»Schade dass die Natur nur einen Mensch aus dir schuf,=
=Denn zum würdigen Mann war und zum Schelmen der Stoff."=
»A propos, wat die Norwood-geschiedenis betreft, ziet gij dat zij zooals ik veronderstelde, een bondgenoot in het huis hadden, die geen ander kon zijn, dan de huisknecht Lal Rao; en werkelijk heeft Jones het genoegen, een flinken visch gevangen te hebben."
»De verdeeling schijnt mij niet eerlijk," merkte ik op, »gij hebt al het werk verricht. Ik verwerf er een vrouw door, Jones de eer... wat blijft er nu voor u over?"
»Voor mij," zeide Sherlock Holmes, »blijft nog de cocaïne-flesch."
En hij strekte er zijn lange, witte hand naar uit.
EINDE.
INHOUD.
Hoofdst. Bladz.
I. DE KENNIS DER GEVOLGTREKKING 5 II. DE BESCHRIJVING VAN HET GEVAL 15 III. OP ONDERZOEK 22 IV. HET VERHAAL VAN DEN KAALHOOFDIGEN MAN 27 V. HET DRAMA IN PONDICHERRY LODGE 40 VI. SHERLOCK HOLMES MAAKT GEVOLGTREKKINGEN 49 VII. DE REGENPIJP 59 VIII. DE ONGEREGELDE POLITIE UIT DE BAKER-STREET 72 IX. EEN »KINK IN DEN KABEL" 84 X. DE DOOD VAN DEN MENSCHENETER 95 XI. DE GROOTE AGRA-SCHAT 106 XII. DE ZONDERLINGE GESCHIEDENIS VAN JONATHAN SMALL 113
+------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: De eenige particuliere, consulteerende | | C: »De eenige particuliere, consulteerende | | B: (_A Study in Scarlet_).[1] | | C: (_A Study in Scarlet_).[1]" | | B: met hem in Baker Street had samen | | C: met hem in Baker-Street had samen | | B: van het Lyceum-Theater. Indien gij | | C: van het Lyceum-Theatre. Indien gij | | B: zien. Hij spreidde de papiertjes | | C: zien." Hij spreidde de papiertjes | | B: het andere. Zij zijn met | | C: het andere. »Zij zijn met | | B: overzien Het is nu pas | | C: overzien. Het is nu pas | | B: van Londen besteed heeft. | | C: van Londen besteed heeft." | | B: dat Majoor Shalto van | | C: dat Majoor Sholto van | | B: straten aan de overzijde." | | C: straten aan de overzijde. | | B: wildernis van Zuidelijk-Londen. | | C: wildernis van Zuidelijk-Londen." | | B: geur, | | C: geur. | | B: Pondicherry Lodge te Uper Norwood. | | C: Pondicherry Lodge te Upper Norwood. | | B: slang van zijn tookah op | | C: slang van zijn hookah op | | B: zeer langen gevoerden kapmantal met | | C: zeer langen gevoerden kapmantel met | | B: door het werk vereeltte hand en | | C: door het werk vereelte hand en | | B: van het huis ineen-doken in een houten | | C: van het huis ineengedoken in een houten | | B: iets vinden, merkte Holmes op | | C: iets vinden," merkte Holmes op | | B: klonk het uit de gang, | | C: klonk het uit de gang. | | B: waterkant te Lamoeth. In het derde | | C: waterkant te Lambeth. In het derde | | B: Goethe is altijd pittig. | | C: Goethe is altijd pittig." | | B: met een lachwekkenden hoofknik evenals | | C: met een lachwekkenden hoofdknik evenals | | B: vierkant huis. met zijn donkere | | C: vierkant huis, met zijn donkere | | B: puinhoopen en boomstronkeu, kwam ten | | C: puinhoopen en boomstronken, kwam ten | | B: geregend heelt. Hoewel zij | | C: geregend heeft. Hoewel zij | | B: oven als de Adamans-eilanden heeft | | C: oven als de Andaman-eilanden heeft | | B: straat naar Knigt's Place afloopt, | | C: straat naar Knight's Place afloopt, | | B: Onzen weg liep nu Nime Elms af | | C: Onzen weg liep nu Nine Elms af | | B: Het wordt, thans veel | | C: Het wordt thans veel | | B: het spoor van de Aurora volgen. | | C: het spoor van de =Aurora= volgen. | | B: Wat hebben we hier?" | | C: Wat hebben we hier? | | B: het hoogste belang. | | C: het hoogste belang." | | B: een roman!" riep Mr. Forrester | | C: een roman!" riep Mrs. Forrester | | B: ongerust behoeft te maken, Mr. | | C: ongerust behoeft te maken, Mrs. | | B: twee der overigen bestaat geen bewijs. | | C: twee der overigen bestaat geen bewijs." | | B: richting het oordeel der Pers aanman, | | C: richting het oordeel der Pers aannam, | | B: werpt op!" scheeuwde Holmes naar omlaag | | C: werpt op!" schreeuwde Holmes naar omlaag | | B: »Ik geloof dat we een weing winnen, | | C: »Ik geloof dat we een weinig winnen, | | B: zal wasschen, Holmes. en dat wij | | C: zal wasschen, Holmes, en dat wij | | B: niets van deze Norwoord-geschiedenis | | C: niets van deze Norwood-geschiedenis | | B: schat aan wal zal zetten. Dr. Watson. | | C: schat aan wal zal zetten, Dr. Watson. | | B: niet te zeggen. dat ik daardoor | | C: niet te zeggen, dat ik daardoor | | B: antwoordde Small kortaf." | | C: antwoordde Small kortaf. | | B: mijn hart beklemd was; ik | | C: mijn hart beklemd was; »ik | | B: zich niet overschillig wilde betoonen | | C: zich niet onverschillig wilde betoonen | | B: mijne liefde verklaren, Dààrom | | C: mijne liefde verklaren. Dààrom | | B: »Goddank!" | | C: »Goddank!"" | | B: »Dat ik zeer erg voor u, | | C: »Dat is zeer erg voor u, | | B: dat bet hem geen dokter | | C: dat het hem geen dokter | | B: Doch spoedig bleek het dat | | C: »Doch spoedig bleek het dat | | B: Juli rokken wij uit om de oproerlingen | | C: Juli trokken wij uit om de oproerlingen | | B: Sikhsche taal te spreken, Wat mij | | C: Sikhsche taal te spreken. Wat mij | | B: Mijn eerste gedachte was dat deze | | C: »Mijn eerste gedachte was dat deze | | B: u op het ontblootte zwaard. en met den | | C: u op het ontbloote zwaard, en met den | | B: Neen; Dost Akbar moet ook zijn | | C: »Neen; Dost Akbar moet ook zijn | | B: Ik had mijn besluit dus reeds | | C: »Ik had mijn besluit dus reeds | | B: opperhoofd te maken, Niemand kan iets | | C: opperhoofd te maken. Niemand kan iets | | B: De eerste was een reusachtige Sikh | | C: »De eerste was een reusachtige Sikh | | B: kind wel eens te Pershove | | C: kind wel eens te Pershore | | B: Hij stelde een tweede. nog meer vertrouwd | | C: Hij stelde een tweede, nog meer vertrouwd | | B: van zijn wetenschap op, Voortdurend | | C: van zijn wetenschap op. Voortdurend | | B: Op zekeren avond verloor hij | | C: »Op zekeren avond verloor hij | | B: mogelijk te spreken. doch zijne | | C: mogelijk te spreken, doch zijne | | B: »Geen of allen, antwoordde ik, | | C: »Geen of allen," antwoordde ik, | | B: »Onzin! riep hij, | | C: »Onzin!" riep hij, | | B: Mijne eenige gedachte was: | | C: »Mijne eenige gedachte was: | | B: Toen kwam er een vreemde | | C: »Toen kwam er een vreemde | | B: Ik zette mij in de duisternis | | C: »Ik zette mij in de duisternis | | B: Het zou u gewis te lang duren | | C: »Het zou u gewis te lang duren | | B: Op zekeren dag echter vernam ik | | C: »Op zekeren dag echter vernam ik | | B: dat hij stervende was Ik snelde | | C: dat hij stervende was. Ik snelde | | B: op het lijk. »Al het overige | | C: op het lijk. Al het overige | | | +------------------------------------------------------+
End of Project Gutenberg's Sherlock Holmes: De Agra-Schat, by A. Conan Doyle