Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid

Chapter 8

Chapter 83,501 wordsPublic domain

Bij de Guanchen der Canarische eilanden speelde volgens Barros, die in de 15e eeuw die eilanden bezocht, in de sexueele zeden dikvleezigheid der vrouw een voorname rol. "De vrouwen, zegt deze schrijver, moeten daar bij den bruidsschouw in de eerste plaats dik en vet zijn, en daarom worden zij al van jongsaf opzettelijk letterlijk gemest. Magere meisjes worden voor het huwelijk ongeschikt geacht; men meent, dat dan haar buik nog te klein en te nauw is om flinke kinderen ter wereld te brengen." De voor Westersche begrippen afzichtelijke steatopygie (dikbilligheid) der Hottentotsche schoonen is overbekend. En wanneer de Tunesische jodin heden ten dage den huwbaren leeftijd bereikt, moet zij zes weken het bed houden en zich zeer zwaar voeden. Want eerst als zich op haar lichaam vetkussens hebben gevormd, komen er minnaars opdagen. In al deze gevallen wordt steeds een nauw verband tusschen deze welgedaanheid en de maatschappelijke positie der vrouw verondersteld; magerheid bij de vrouw wordt beschouwd als een gevolg van werken en werken geldt als het zekere bewijs van arme afkomst. Zoo tracht men bij deze primitieve volken door de dikte zijner vrouwen eigen maatschappelijken welstand te demonstreeren. Wat in de beschaafde landen de paleizen der koningen, de kasteelen van den adel en de voorname huizen en de villa's der gegoede burgers zijn, dat zijn bij de onbeschaafde of anders dan de westersch beschaafde volken de vet- en vleeschmassa's hunner vrouwen--uiterlijke blijken van macht en rijkdom.

Van het standpunt der moderne Europeesche esthetiek is het Indogermaansche menschenras zoo niet alleen schoon, dan toch verreweg het schoonste. Van de steatopygische Hottentot-Venus zoowel als van de betatoeëerde Australiërs wendt zij zich vol afkeer af, om maar niet te spreken van de Botokoeden, wier ideaal van vrouwenschoon misvorming verlangt van het aangezicht door opspalking der lippen met schijfjes hout. Maar afgezien van deze buitensporigheden, waartoe ook de kunstmatige voetverschrompeling der Chineesche vrouwen kan worden gerekend, bezit elk menschenras natuurlijke erotische schoonheid. Zoodra de Europeaan zijn natuurlijke vooringenomenheid voor het blanke ras een weinig heeft leeren afleggen, zal hij onwillekeurig ook den elastischen bouw eener jonge Mina-negerin met haar rechte postuur en haar lichten Diana-tred kunnen bewonderen en de sierlijke fijnheid eener bronskleurige Egyptische schoon kunnen vinden.

Voor het leven der sexen heeft de esthetische schoonheid een ondergeschikte beteekenis. Hoofdzaak is hier de erotische schoonheid. "Niet alle schoonheid, zegt Gervantes in _Don Quichote_, inspireert liefde. Er is veel schoonheid, die alleen het oog bekoort en overigens koel laat." Als Goethe dan ook zegt: Schoonheid is overal een welkome gast, dan heeft hij klaarblijkelijk de erotische schoonheid op het oog. Want voor erotische schoonheid is ook het ruwste gemoed, zoolang niet alle zinnelijkheid er in is gedoofd, ontvankelijk, terwijl esthetische schoonheid alleen op den artistiek verfijnden smaak indruk maakt.

V.

SCHAAMTE.

De welopgevoede Europeesche mensch schaamt zich zijn naaktheid. Tegenover de logica en tegenover de natuur is die schaamte onredelijk, even onredelijk als de angst en de afschuw dien de menschen koesteren voor een geraamte, terwijl zij toch weten dat zij zelf zulk een geraamte in zich omdragen. Toch schijnt zij als een neiging in de ziel van ieder mensch te zijn gelegd en doet zij zich gelden met een kracht, die soms de kracht der zinnelijkheid zelf schijnt te overtreffen.

Waarom schamen wij ons?

Niet om daarin een soort beveiliging te vinden tegen de macht der zinnelijkheid, maar om ons nog machteloozer tegenover deze natuurdrift te maken! Ook het sexueele schaamtegevoel staat in directen dienst der zinnelijkheid. Het is in ons de verraderlijke bondgenoot van de andere sexe. De schaamte prikkelt en onderhoudt de zinnelijkheid. Het is hier weer hetzelfde spel van schijn en wezen, dat het geheele sexueele zijn van den mensch omgeeft, en dat er naar streeft steeds den schijn te wekken van het tegenovergestelde der werkelijkheid.

"Het eerste wat men de vrouwen geleerd heeft, zegt Diderot (_Sur les femmes_) is: het vijgenblad, dat haar oudste stammoeder haar heeft nagelaten, smaakvol en coquet te dragen. Alles wat zij de eerste kinderjaren te hooren krijgt komt neer op de vermaning: Mijn dochter, let toch op je vijgenblad! Je vijgenblad zit goed, je vijgenblad zit slecht."

Volgens Debay (_Physiologie des trente beautés de la femme_) is het schaamtegevoel een natuurlijk instinct van de vrouw, dat haar zoeken doet naar middelen om de teugellooze begeerte van den man van haar af te leiden. Debay heeft hier zeer kernachtig het tegenovergestelde van de werkelijkheid geformuleerd!

Het geldt bij het geheele blanke menschenras als iets vanzelfsprekends, dat beide geslachten buitenshuis alleen gezicht, hals en handen onbedekt laten, al het overige wordt met kleederen aan het gezicht onttrokken en wie meer laat zien doet iets onbetamelijks en onfatsoenlijks. Diezelfde menschen, die hun eigen en anderer naakt lichaam onfatsoenlijk vinden, bewonderen het naakte lichaam in de kunst. En ook schaamt men zich niet voor zijn naaktheid als men alleen is. Uit een en ander schijnt reeds te blijken, dat de schaamte met de naaktheid op zichzelf niets uitstaande heeft.

Waar in dit hoofdstuk het woord schaamte wordt gebezigd, wordt het steeds bedoeld in zijn beteekenis van naaktheidsschaamte. Het woord schaamte toch duidt een heele reeks zeer uiteenloopende gewaarwordingen aan.

De schaamte in dezen zin is een dier vele schijnbare tegenstrijdigheden, zooals het sexueele leven van den mensch er zoovele te zien geeft. Het is een uiterst veranderlijke, ten volle individueele gewaarwording, die met naaktheid en zedelijkheid niets gemeens heeft. Men kan naakt gaan zonder begrip te hebben van schaamte daarvoor. Het is geheel iets anders, of een Europeesch philosoof dan wel een inboorling van Brazilië of van den Bismarck-Archipel zijn naaktheid toont. De naaktheid is het niet die van nature het schaamgevoel kwetst, zoo min bij de nog op primitieven trap van beschaving staande volken als bij onze Europeesche kinderen in de eerste levensjaren.

De oorsprong van het schaamtegevoel is gelegen in de natuurlijke neiging van het vrouwtje om voor den blik van het mannetje hare geslachtskenmerken te verbergen, nu eens om zich voor een ongewenschte benadering te beschermen, dan weer om de begeerte sterker te prikkelen of uit vrees afkeer en walging op te wekken. Het verborgene trekt sterker aan dan het zichtbare, het onbekende prikkelt de nieuwsgierigheid, terwijl het bekende onverschillig laat. In deze zucht tot verbergen heeft zoodoende de Natuur de vrouw van een zinnelijk machtsmiddel temeer tegenover den man voorzien. En de vrouw heeft ten allen tijde van dit machtsmiddel een ruim gebruik gemaakt. Door het hanteeren van het wapen der dusgenaamde schaamte heeft de vrouw het vermogen meer en langer interessant te zijn voor de mannelijke zinnelijkheid, en deze op te voeren tot de gewenschte hoogte, dan van eenvoudige naaktheid redelijkerwijze ware te verwachten. En gelijk in de natuur neigingen zoowel als organen meerdere functiën vervullen, zoo ook met het sexueele schaamtegevoel: het werpt hinderpalen en beletselen op tegen te groote agressiviteit van den man, en werkt als stimulans bij te geringe agressiviteit van den man.

Algemeen zijn physiologen zoowel als psychologen het er over eens, dat het schaamtegevoel geen oorspronkelijk instinct bij den mensch is, maar een verworven eigenschap. Daarvoor pleit ten eerste het verschijnsel, dat het schaamtegevoel zich onder de menschen in alle denkbare richtingen heeft ontwikkeld, zoodat de manieren waarop, of juister nog, de lichaamsdeelen waarvoor men zich schaamt, zeer verschillend zijn. Er is nauwelijks een lichaamsdeel op te noemen, waarop niet hier of daar in de wereld het schaamtegevoel zich heeft neergezet. Een natuurlijk instinct nu is niet zoo verplaatsbaar. Een tweede bewijs tegen het aangeboren zijn van het schaamtegevoel is het volkomen ontbreken daarvan bij jonge kinderen. Het kind, dat nog vrij is van de sexueele zinnelijkheid, kent de schaamte niet. Eerst met het ontwaken van de zinnelijkheid, ontwaakt ook de schaamte. Bij ieder menschelijk wezen herhaalt zich zoo de Paradijslegende--de zinnelijkheid roept de schaamte voor de naaktheid wakker.

De natuur is altijd naakt, de onschuld is het evenzeer; bij ieder vergrijp jegens de natuur en bij iedere ontwijding der onschuld werpt de mensch het beeld der liefde nieuwe hulsels om de schouders, zegt Mantegazza.

En als met de intrede der geslachtelijke rijpheid het schaamtegevoel zich doet gelden, dan schaamt het kind zich juist precies voor dezelfde lichaamsdeelen als waarvoor het zijn omgeving zich ziet schamen. Evenals het kind moet leeren spreken, moet het zich leeren schamen en het komt daarin onder gewone omstandigheden nooit buiten de desbetreffende opvattingen van zijn naaste omgeving. Zoo kan men evenals van een moedertaal ook spreken van een moederschaamte en even verschillend als de talen is ook het schaamtegevoel.

Schaamte is in hinderlaag liggende zinnelijkheid. Zij staat in directen dienst van de zinnelijke lokking. Als zoodanig is zij het sterkst ontwikkeld bij de vrouwelijke sexe, wier rol in het sexueele leven juist bestaat in aanlokken. De pure naaktheid lokt minder dan de zich beschaamd verbergende naaktheid. Omdat schaamte ten slotte hierop uitloopt, dat zij de vrouw begeerlijker maakt, daarom zorgt de vrouw onmiddellijk bij het tot rijpheid komen, dat zij zich schaamt, naar dit in haar omgeving betaamt, nooit anders. Die schaamte geldt dan altijd in de allereerste plaats lichaamsdeelen, die op de mannelijke omgeving de sterkste erotische aantrekking blijken uit te oefenen. Waar dit de voet is, daar zit de schaamte in den voet, waar het 't aangezicht is, daar zit de schaamte in het aangezicht, en zoo voort. De vrouwelijke schaamte gaat op en neer met de mannelijke zinnelijkheid. Waar de schaamte haar doel voorbij schiet, d.w.z. als zij zoo goed slaagt in haar wel schijnbaar, maar niet werkelijk beoogd doel: het erotisch offensief der mannen te keeren--daar wordt zij onmiddellijk gecorrigeerd en in de gewenschte richting gewijzigd en men haast zich het zoo schaamachtig verborgene desnoods openlijk aan de blikken prijs te geven. Wat het sterkst de mannelijke zinnelijkheid prikkelt, dat wordt bewust of onbewust als regel toegepast. Is dit de ingetogen schaamte, dan schaamt men zich ingetogen; wordt met luchtige opvattingen meer effect verkregen, dan worden die luchtige opvattingen gehuldigd. De schaamte is grootendeels modezaak en het is dan ook de mode die uitmaakt hoe en waarvoor men zich schamen moet. Blijkbaar denken ook de vrouwen er zelf ongeveer zoo over. "De reden, waarom de menschen zich hun naaktheid schamen," zegt Marie Bashkirtseff in haar _Journaal_, "is deze, dat zij hun kleine gebreken kennen. Was men er zeker van, geen vlekje op de huid noch een slechtgevormde spier of een misvormden voet te hebben, dan zou men zonder zich te schamen, naakt loopen. Men geeft zich hiervan geen voldoende rekenschap, en toch is dit en niets anders de oorzaak van onze schaamachtigheid. Hoe zou men ook kunnen aarzelen iets werkelijk schoons, iets waarop men trotsch kan zijn, te vertoonen? Wie heeft ooit sinds den tijd van koning Candaules, die zijn gasten met de onverhulde heerlijkheid zijner schoone vrouw verrukte, een schat of schoonheid bezeten en zich daarop niet beroemd? Even licht als men tevreden is met zijn aangezicht, even angstvallig en behoedzaam is men ten opzichte van de gebreken van het overig lichaam. Wie zich volmaakt weet kent de schaamte niet, de schoonheid is almachtig, ook tegenover de schaamte. Schaamte is vrees voor kritiek op de schoonheid van het lichaam."

De sexueele schaamte is een erotisch lokmiddel. Dit lokmiddel is als zoodanig oorspronkelijk alleen der vrouw eigen en bij haar een natuurlijke neiging. Het ligt geheel in de lijn van de vrouwelijke rol in het geslachtsleven, die in schijnbaar afweren bij werkelijk lokken bestaat. Ook thans nog is het sexueele schaamtegevoel sterker ontwikkeld bij de vrouw dan bij den man. In den loop der tijden is de schaamte tot gewoonte geworden, een gewoonte zoo sterk, dat zij zich ook nog doet gelden in die momenten, waarin zij het minst op haar plaats lijkt. In de sexueele zeden en de sexueele moraal neemt deze gewoonte gewoonlijk het karakter aan van een deugd, waardoor haar voortbestaan ook van dien kant voldoende is gewaarborgd.

Naaktheid wordt door natuurvolken nimmer als naaktheid gevoeld, zij weten niet dat zij naakt gaan; bij hen is de naaktheid natuurlijk en schaamte daarvoor is hun onbekend. Eerst als men het bekleeden van het lichaam heeft leeren kennen, ontstaat de schaamte over naaktheid. Waar naaktheid gewoonte is, werkt zij niet erotisch. Waar bekleeding gewoonte is, werkt reeds de minste ontblooting in hooge mate erotisch. En de bekleeding zelf werkt ook erotisch. Waar dit wordt ontdekt of begrepen, daar begint men zich onmiddellijk te gewennen aan kleeding en kiest terstond het dubbele erotische voordeel der kleeding boven de naaktheid.

Men schuwt derhalve in beginsel de naaktheid niet uit schaamte, maar wijl daarvan onvoldoende erotische aantrekking uitgaat. Men grijpt naar kleeding niet uit schaamte voor de naaktheid, maar om de naaktheid begeerlijker te houden.

Er is allerlei naaktheid: de nooit bekleed zijnde of natuurlijke naaktheid en de ontbloote of zinnelijke naaktheid. Verder nog artistieke naaktheid, die welke de kunst phantaseert.

Aangezien de rol der vrouw in het liefdeleven bestaat in het passief uitoefenen van erotische aantrekking op de andere sexe, is de kleeding voor het vrouwelijk geslacht in meerdere mate een erotische kwestie dan voor den man, wiens rol van actieven aard is. Overal en ten allen tijde interesseert dan ook de vrouw zich veel meer voor kleeding dan de man. De hartstocht der vrouw voor kleeding is daarom, zij het veelal onbewust, van zinnelijken aard. Door haar kleeding verhoogt zij hare zinnelijke aantrekkingskracht, terwijl de natuurlijke zinnelijke bekoring der naaktheid er eveneens door verhoogd wordt. Ook als zoodanig vervult het sexueele schaamtegevoel getrouw zijn dubbele functie--het is tegelijkertijd het buitenste bolwerk der bedreigde kuischheid, en de uiterste voorpost in het gebied van de tegenpartij.

Het schaamtegevoel brengt er toe de naaktheid te bedekken. Daardoor ontneemt het echter aan de naaktheid niet haar zinnelijke bekoring, maar onderhoudt die juist. De gewoonte, naaktheid te zien, verstompt zeer snel voor den zinnelijken prikkel daarvan. Door het schaamtegevoel blijft dus de zinnelijke bekoring van de naaktheid behouden.

Het schaamtegevoel doet tevens voorwendsels aan de hand, om de natuurlijke zinnelijke bekoring van het lichaam tot in het onbegrensde te verhoogen. En wel door de kleeding. De kleeding, schijnbaar het middel om de naaktheid te bedekken, staat in werkelijkheid geheel en al in dienst der zinnelijke lokking, en vervult die rol onberekenbaar beter, zekerder en aanhoudender, dan de bloote naaktheid zou kunnen. Het schaamtegevoel, dat gebiedt de naaktheid te bedekken, stelt daarmee tevens instaat, de gebreken dier naaktheid te verbergen, de werkelijkheid te corrigeeren, omtrent die werkelijkheid in elke gewenschte richting volkomen om den tuin te leiden, al wat de zinnelijkheid maar verlangen kan te fingeeren.

Zoo bezit speciaal de vrouw in het schaamtegevoel het voorwendsel om zich met alle ten dienste staande middelen begeerlijker te maken. Zoodoende dient haar het schaamtegevoel niet om het andere geslacht op kuischen afstand te houden en de gevaarlijke aandacht der licht ontvlambare zinnelijkheid van het andere geslacht af te leiden, maar juist om de phantasie van de andere sexe te prikkelen en nieuwsgierigheid op te wekken naar het schijnbaar zoo angstvallig verborgene.

De schaamte prikkelt de zinnelijkheid ook door de aarzeling, die zij bij het verleenen van de eerste tot de laatste gunst doet betoonen. Het is toch het eigenaardige in het wezen van het geslachtsleven, dat elk beletsel, elk uitstel, iedere tegenstand de begeerte verhoogt en versterkt. De geslachtslust vereischt voor zijn bevrediging, zelfs dat aanvankelijk de bevrediging hopeloos schijnt. Alleen wanneer de voldoening stap voor stap nader komt, en de vesting stelling na stelling onder allerlei moeielijkheden wordt genomen, waarbij de eindoverwinning lang onzeker blijft, alleen dan wordt de eindelijke zege zoo genoten dat zij bevrediging schenkt. Naarmate de citadel gemakkelijker capituleert, wordt de overwinning minder op prijs gesteld. En tot dit gansche spel van zich stap voor stap en van gunst tot gunst te laten veroveren, wordt de passieve partij voor een groot gedeelte in staat, gesteld door het schaamtegevoel, dat aan dit spel tevens de natuurlijkheid verleent, die het effect ervan nog verhoogt.

Schrijvers als Bachofen en anderen hebben uit de geschriften der klassieke oudheid een menigte mededeelingen verzameld, waaruit blijkt, dat bij tal van volken de geslachtelijke schaamte zich zelfs niet uitstrekte tot de handeling der geslachtsgemeenschap. Wij leeren daaruit volken kennen, die reeds een zekere mate van beschaving bezaten, en wier sexueele zeden op volgens onze begrippen nog zoo lagen trap stonden, dat zij in het openbaar en voor aller oogen geslachtsgemeenschap hadden. Zenobius verhaalt, dat de Berg-Massageten het iets heel gewoons vonden, op de publieke straat geslachtsgemeenschap te hebben. Strabo en Herodotus vermelden hetzelfde van andere Tartaarsche rassen. Apollonius, Xenophon en Diodorus hebben zulke zeden waargenomen bij de bergbevolking ter zuidkust van de Zwarte Zee. Wij mogen hieruit besluiten, dat er menschenmaatschappijen hebben bestaan, in wier beschaving schaamtegevoel voor sexueele dingen onbekend was.

De schaamte heeft ook nog een anderen psychologischen ondergrond, ten minste bij den geciviliseerden mensch. Deze schaamt zich min of meer voor zijn geslachtelijke neigingen, wijl ze weinig in overeenstemming schijnen met zijn bewustzijn van waardigheid en superieuriteit. Het zwichten voor de zinnelijkheid schokt het met zooveel zorg gekweekte besef van verre verheven te zijn boven den "alledaagschen" mensch. Het zich vatbaar weten voor de paardrift brengt den eigenwaan aan het wankelen, want het dwingt tot de vernederende erkenning dat men zich trots alle zelfverheffing nog evenmin als wie ook heeft kunnen emancipeeren van de dierlijkheid. De maskers der beschaving en der inbeelding vallen af, de gedroomde meerderwaardigheid blijkt denkbeeldig; men blijkt nog altijd evenzeer dier te zijn als wie ook onder de verachten uit de omgeving. En dit alles wekt bij den geciviliseerden mensch een gevoel van vernedering en van schaamte tegenover zichzelven en tegenover anderen. Men voelt zijn waardigheid wankelen onder het besef dat men zwak is, hoe sterk men ook moge schijnen; dat men willoos tegenover de begeerte het andere geslacht naloopt, terwijl men den schijn aanneemt zooiets beneden zich te achten; dat men in het openbaar van esthetiek spreekt en van zelfbeheersching en zelfbedwang en deze in het geheim in het gezicht slaat. Nergens zoozeer als op het gebied der zinnelijkheid wordt de mensch, wat hij zich ook inbeeldt, zoo vernederend met den neus neergedrukt op het feit van zijn zwakte tegenover de natuur. Op geen enkel ander gebied drijft de natuur zoo den spot met 's menschen hoogmoed en trots, en wordt zijn fierheid ieder oogenblik zoozeer geknakt en verootmoedigd. Op geen ander gebied bevindt de mensch zich zoozeer een willoos werk- en speeltuig van redelooze natuurkrachten. En zelfs al slaagde hij erin, deze voor een tijd of voor altijd te overwinnen, dan zou hij wel iets hebben verloren, maar niet iets hebben gewonnen.

Al deze overwegingen kunnen tot een zekeren afkeer van de geslachtelijke dingen leiden, tot minachting en tot schaamte over het feit, dat men niettemin dat verachte niet missen kan en niet missen wil, dat men doet wat men niet zou willen doen en evenmin zou willen laten, en dat men ten slotte evenzeer als het dier zijn schatting betaalt aan de natuur die in haar eischen geen verschil kent tusschen den mensch en het dier, en den mensch alleen den schralen troost laat van de mogelijkheid, bedoelde schatting te betalen in het geheim.

Een ander merkwaardig verschijnsel bij het schaamtegevoel is de zeer verschillende localisatie van zijn hoofdzetel. Geen neiging is aan het lichaam zoo verplaatsbaar als de schaamte, geen aandrift kiest zich zoo grillig zijn zitplaats als deze.

Het schaamtegevoel toch heeft volstrekt niet zijn zetel in de eigenlijke erotische sferen van het lichaam. De Mohammedaansche vrouw schaamt zich vooral voor haar aangezicht. In ongekleeden staat verrast is zij er alleen op bedacht haar aangezicht te verbergen. En zoo vertoont het schaamtegevoel naar tijd, ras en zeden, de zonderlingste wisselingen en ook daaruit blijkt dat het geen natuurlijk instinct is, maar een uitvloeisel van zede, gewoonte en opvoeding. De plaats aan het lichaam, waar de schaamte haar hoofdzetel heeft, is louter een kwestie van mode. Een absoluut schaamtegevoel bestaat niet, het is veranderlijk en van allerlei invloeden afhankelijk.

In vele streken was of is het schaamtegevoel bijvoorbeeld gelocaliseerd op den voet. De ontblooting van den voet gold daar voor de vrouw als iets, wat de grenzen der coquetterie overschreed, dus als onfatsoenlijk en onbetamelijk. Wijl het schaamtegevoel altijd zetelt aan gedeelten van het lichaam waarvan sterke erotische bekoring uitgaat, of waaraan tenminste bijzondere erotische beteekenis wordt gehecht, mag men aannemen, dat daar, waar het schaamtegevoel der vrouw was neergestreken op den voet, de mannen op een óf anderen grond zich speciaal erotisch bezighielden met den voet. Wat toch voor de eene sexe erotische bekoring heeft, wordt door de andere sexe onmiddellijk schaamachtig verborgen gehouden. Vermoedelijk heeft men bij deze erotische belangstelling voor den voet der vrouw te doen met een verschijnsel van masochistisch servilisme, d.i. erotisch genieten in zelfvernedering voor de vrouw. En de vrouw, als gewoonlijk zonder zich al te veel rekenschap te geven van het wezen van het verschijnsel, was er met des te meer ijver op bedacht, het erotisch te exploiteeren. Men schaamde zich voor den voet minstens even sterk als voor de geheimste verborgenheden der genitale sferen. De coquetteerende voet werd zorgvuldig bekleed en verborgen gehouden en kwam slechts als bijzondere gunst uit zijn schuilhoek te voorschijn.