Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid
Chapter 7
Op de vraag, wie het schoonste product der schepping mag worden genoemd, de man of de vrouw, is waarschijnlijk het antwoord, hetwelk het dichtst bij de werkelijkheid komt dit: dat de som van schoonheid bij beide sexen wel ongeveer gelijk zal zijn. Wel worden de vrouwen bij voorkeur aangeduid als het schoone geslacht, doch deze qualificatie is te beschouwen als een compliment der mannelijke galanterie, waarmee de man meer zijn zinnelijke begeerte dan zijn meening te kennen geeft. De man pleegt zich krachtens zijn eigenaardige rol in het liefdeleven, onbewimpeld over de vrouw uit te laten, en openlijk te verkondigen hoezeer alles in haar hem aantrekt. De vrouw laat om dezelfde reden zich minder openlijk en dikwijls in het geheel niet uit. Haar natuurlijke taak is, begeerlijk te zijn; eigen begeerte te laten blijken zou daarbij een tactische misslag zijn en tegen misslagen van dien aard is elke vrouw steeds angstvallig op haar hoede.
Het wordt zelfs wel eens betwijfeld of de gevoelens van de vrouw in het minst te vergelijken zijn met de gevoelens van de man voor de vrouwelijke sexe. Zulke twijfelaars zijn er volstrekt niet zeker van, of bijvoorbeeld de vrouwen wel een schoonheids-ideaal ten opzichte van den man bezitten. Wat ten slotte den man de sympathie eener vrouw doet winnen, is gewoonlijk niet in de eerste plaats, misschien zelfs eerst in de laatste plaats, zijn lichaamsschoon. En in de literatuur, afkomstig van vrouwenhand, zijn genoeg aanwijzingen te vinden, die voor deze meening schijnen te pleiten. Volgens Laura Marholm (in _Das Buch der Frauen_) is de man voor de vrouw niets meer dan een komisch dier. "Onder de vrouwen", zegt zij, "is het nu juist niet gebruikelijk zoo plechtig tegen den man op te zien als deze zich dat wel verbeeldt en zoo als zij hem zich dat maar laat verbeelden. Zij vinden hem komisch; en dat niet pas na het huwelijk, maar dan al wanneer zij, wat men noemt verliefd op hem is. De mannen weten niet half hoe komisch de vrouwen hen vinden, niet slechts als individuen, maar ook in het algemeen als man. Het komische, dat zij in hem zien, is juist al datgene waarop hij het meest trotsch is. Hoe teerder, leniger en fijner gebouwd de vrouw is, des te belachelijker vindt zij het komische groote dier, dat zoo plomp is en zoo log-onbeholpen manoeuvreert, om z'n in haar oog zoo komisch doel te bereiken. Vooral voor jonge meisjes is de man een altijddurende bron van vroolijkheid. Als de mannen een kring van dames zooveel onbedaarlijke pret zien hebben, schijnen zij maar niet te kunnen begrijpen, dat zij zelf en niets anders de bron zijn van die pret. En dat is ook weer zoo komisch. En hoe braver, verliefder, inniger enz. de man is, des te pathetischer droomt hij van een groote liefde en is toch zoo ernstig daarbij, en zijn snoezig wijfje, die er behalve uit utiliteitsoverwegingen ook uit louter katachtigheid behagen in schept een beetje valsch te zijn, doet even ernstig en plechtig als hij--en dit beetje spel is wat haar in haar beetje liefde nog het meeste bekoort. Want de vrouw wil spelen, afwisseling hebben, haar natuur is veranderlijk; de man gedijt in eenvormigheid, tracht al zijn geestelijke krachten op één punt en één enkel doel te concentreeren, de vrouw gruwt daarvan. Hoe begaafder de man is, des te meer behoefte heeft hij aan eenvormigheid; hoe begaafder de vrouw is, des te sterker is haar behoefte aan afwisseling en aan vele en velerlei indrukken van buiten af."
De vraag, wie schooner zijn, de mannen of de vrouwen, wordt volstrekt niet eenparig ten gunste van het vrouwelijk geslacht beantwoord. Voor sommigen mogen niet de vrouwen, maar de mannen er aanspraak op maken, het schoone geslacht te worden geheeten. Weliswaar is er misschien geen voorbeeld van dat een vrouw zoo oordeelde. Maar dat er mannen zijn, die deze meening zijn toegedaan is al opmerkelijk genoeg om er een oogenblik bij stil te staan en te vernemen op welke gronden sommigen zich verstouten het schoone geslacht het monopolie van schoonheid te betwisten.
Natuur gaf den man een veelzijdiger taak te vervullen, rustte hem veel ruimer toe met allerlei vermogens, en zij vormde dienovereenkomstig zijn lichaam en zijn uiterlijke verschijning. De verhoudingen der ledematen tot den romp zijn onberispelijk, alle onderdeelen van het mannelijk lichaam zijn esthetisch in overeenstemming met het geheel. Vaster en zekerder, fier in zijn hooger stabiliteitsgevoel, staat de man op zijn voeten--hij is het beeld van massieve, majestueuse schoonheid. De natuur schonk hem in het geheel, zoowel als in de deelen, meer vorm (in artistieken zin), daar zij zijn spieren duidelijker aan de oppervlakte legde, waardoor bij elke beweging zich op de vlakken een kunstvol lijnenspel vertoont (zie bijlage: De Sabijnsche Maagdenroof). En vooral ook is de schoonheid van het mannenlichaam bestendiger. Wel onderwerpt Natuur ook den man aan de onverbiddelijke wet der zichtbare veroudering, maar zij stelde het merkbare begin daarvan op veel hooger leeftijd dan bij de vrouw. En zij stelt in den regel bij den man voor de schoonheden die zij ontneemt nieuwe in de plaats. Zelfs de grijsaard kan voor het artistiek geoefend oog heerlijk schoon zijn. En niet alleen voor den kunstenaar, maar voor ieder die eenigen smaak heeft voor vormen zijn vele koppen van oude mannen werkelijk mooi.
Maar zelfs degenen, die op deze gronden den man in het algemeen den prijs der schoonheid wenschen te zien toegekend, moeten toegeven, dat er in elk geval een tijd is in het leven beider sexen, waarin het recht op de eer van het schoone geslacht te worden genoemd, onvoorwaardelijk toekomt aan de vrouw. En dat is in de jeugd. Zelfs de minst galante onder alle schoonheidsrechters, Schopenhauer, kan zulks niet ontkennen. Maar toch philosofeert genoemde wijsgeer--en op zijn voorbeeld allen, die aan de vrouw den eeretitel van het schoone geslacht misgunnen--daaruit nog een even kleineerende als hatelijke voorstelling van de zaak. Hij oreert als volgt: "Bij het meisje veroorlooft de natuur zich iets, wat men in de tooneeltaal noemt een knaleffect. Zij schenkt namelijk genoemd schepseltje voor enkele jaren een overmatige schoonheid en bekoorlijkheid, evenwel op kosten van geheel haar verder leven. In die jaren is zij in staat, op de phantasie van den man zulk een indruk te maken, dat hij er zich toe laat verleiden voor het heele verdere leven de zorg voor haar in een of anderen vorm op zich te nemen, iets, waartoe hij waarschijnlijk nooit zou komen, als hij alleen te rade ging met het gezond verstand. Zoo heeft de natuur ook de vrouw, evenals elk ander levend wezen, toegerust met de wapenen en werktuigen, die haar in staat stellen haar bestaan te verzekeren; waarbij de natuur ook in dit geval weer hare gebruikelijke schriele zuinigheid betracht. Want evenals de wijfjesmier na haar bevruchting haar vleugels verliest, daar deze voortaan toch overbodig zijn en voor het behoorlijk vervullen der dan komende plichten zelfs gevaarlijk en dus ongewenscht, zoo ook verliest gewoonlijk de vrouw na een of twee kraambedden haar schoonheid; en dit waarschijnlijk om dezelfde reden."
Veel ingang hebben intusschen deze en dergelijke meeningen nimmer gevonden. Hetzij bewust, hetzij instinctief, heeft men ten allen tijde begrepen, dat er onderscheiden moet worden tusschen een esthetisch en een erotisch ideaal, en dat het erotisch ideaal in het leven der liefde een geheel andere factor is dan het abstracte esthetische ideaal van geslachtlooze schoonheid. En inzonderheid Schopenhauer, hoewel deze zich schijnbaar grondig met de vrouwen heeft bezig gehouden, ontzegt men algemeen het recht en de bevoegdheid om over vrouwen te oordeelen. Zijn geheele opvatting van de vrouw is zoo instinctief antipathiek jegens de zwakke sexe, dat hij dikwijls onwillekeurig een onnatuurlijken afkeer van de vrouw bij zich doet veronderstellen. Zijn oordeel over de vrouw vat hij ergens samen als volgt: "De in elkaar geschrompelde, smalschouderige, breedheupige en kortbeenige sexe kan alleen door den man, wiens intellect is verduisterd door de geslachtsdrift, de _schoone_ sexe genoemd worden. De heele schoonheid dier sexe is een waandenkbeeld der mannelijke zinnelijkheid. In plaats van haar het schoone geslacht te noemen, zou men de vrouwelijke sexe met meer recht als het leelijke, het onesthetische geslacht kunnen aanduiden. Noch voor muziek of poëzie, noch voor de beeldende kunst hebben zij zin of ontvankelijkheid, en als zij zulks voorwenden en voorgeven is dit niet anders dan louter na-aperij, om des te beter te kunnen behagen. Om deze reden zijn zij in het minst niet in staat persoonlijk het geringste tot stand te brengen, en de reden daarvan is naar mijn meening deze: de man streeft in alles naar de directe heerschappij over de dingen, hetzij door ze te begrijpen, hetzij door ze te bedwingen. Maar de vrouw kan nooit anders dan indirect de dingen beheerschen, namelijk door den man te beheerschen. Daarom ligt het in den aard der vrouwen, in alles niets dan een middel te zien om den man in haar macht te krijgen."
Schoon is volgens Kant datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft. Er zijn nog vele andere definities beproefd, maar deze verliezen zich allen in het onverstaanbare. En een zeer belangrijke omstandigheid wordt daarbij gewoonlijk buiten beschouwing gelaten, n.l. deze, dat datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft, veranderlijk is. De Fransche anthropoloog Cordier heeft in 1860 in een verhandeling over de schoonheid van den mensch het eerst voor de beoordeeling van de menschelijke schoonheidsidealen het juiste standpunt geformuleerd. Hij zegt: "De schoonheid is in geenen deele het uitsluitend bezit van een of ander ras. Daarom kunnen er geen algemeene schoonheidsregelen worden aangegeven, ze moeten voor ieder ras afzonderlijk worden gezocht." En niet alleen zijn de schoonheidsidealen verschillend naar de rassen, dat is naar plaats, maar evenzeer naar tijd. Wat in een gegeven milieu in den eenen tijd schoon heet, geldt in een anderen tijd als onschoon. Zoo is er zelfs in de West-Europeesche kunst een periode geweest (Goltzius en Dürer zijn daarvan twee vertegenwoordigers) waarin sterke corpulentie het schoonheidsideaal was voor de vrouw; een bepaalde reden daarvan is niet aan te geven; misschien was het een symboliek van de zwangerschap. Zeker is, dat corpulentie alleen bij primitieve volken schoon pleegt te worden gevonden.
Ook de schoonheidsidealen zijn onderworpen aan mode. En onderzoek leert wel wat bij de verschillende volken en in verschillende tijden schoon werd gevonden, maar zelden of nooit blijkt, waarom dat zoo was. De wet van oorzaak en gevolg houdt zich hierbij zoo volkomen schuil, dat het buitengesloten is in deze verborgenheid door te dringen, en nog meer om gevolgtrekkingen te maken voor de toekomst. Wat hierna mooi zal gevonden worden valt hoegenaamd niet te zeggen; evenmin onder welke omstandigheden de smaak zich zal beginnen te wijzigen.
Nu is het een feit, dat het menschelijk lichaam in den loop van vele duizenden jaren niet is veranderd. Men heeft skeletten opgegraven uit tijden, toen de mensch nog slechts zeer gebrekkige steenen werktuigen had, niets dan ruwe vuursteensplinters, en dus nog stond aan het begin van het steentijdvak. En deze skeletten, wier ouderdom nog niemand zelfs heeft durven schatten, maar waarbij men minstens aan honderdduizend jaar moet denken, verschillen in het minst niet van die van den tegenwoordigen mensch. Van den lichaamsvorm van den mensch moet dan ook worden aangenomen, dat hij binnen de grenzen van het ras zoo goed als constant en onveranderlijk is. Als nu de kunst ten allen tijde eenzelfde ideaal van schoonheid had gehad, dan zou men overal en altijd steeds dezelfde vormen en proporties ontmoeten. Dit is echter niet het geval. Integendeel, elke eeuw levert weer nieuwe menschen in het marmer en op het doek. De kunst streeft er dus niet in de eerste plaats naar, de menschelijke vormen natuurgetrouw weer te geven, zij kiest en corrigeert die vormen naar het schoonheids-ideaal dat voor het oogenblik in de mode is; wat zij geeft zijn geen portretten, maar willekeurige scheppingen der door mode en heerschenden smaak beïnvloede verbeelding. Dit geldt zonder uitzondering voor alle tijden en voor alle volken, wier kunst zich met het weergeven van den mensch heeft beziggehouden. Dus geldt het ook voor de oudheid, en daarom laat zich uit de antieke kunstwerken al evenmin een kanon van eeuwige en onveranderlijke schoonheid afleiden, evenmin als uit de scheppingen der hedendaagsche kunstenaars, die zich reeds bij het kiezen hunner modellen al of niet bewust door den heerschenden smaak en de eischen der mode van het oogenblik laten leiden.
Zoo is in het gebied der esthetische idealen nu eens dit schoon en dan weer het tegendeel. Conclusie: de esthetische schoonheid is veranderlijk, wat in het eene tijdperk aantrekt, stoot in een ander tijdperk af.
Het effect der erotische schoonheid op de gezonde zinnelijkheid is daarentegen vrijwel onveranderlijk. In dit opzicht vormt het erotisch schoonheids-ideaal de tegenstelling van het esthetische ideaal. Het erotisch verlangen van den man bijvoorbeeld reageert veel minder op slankheid en regelmaat, dan op gezondheid en gevulde vormen. En het is niet moeilijk daarin de wijze voorzorg der Natuur te ontdekken: het vet is als krachtreservoir, als de opzameling van latente energiën, voor het mannelijk geslachts-instinct onbewust het schoonste aan het vrouwenlichaam, en dit komt de nakomelingschap ten goede. Van de vol-weelderige vrouw gaat voor de mannelijke zinnelijkheid de krachtigste erotische aantrekkingskracht uit. Haar omzwerft steeds een wolk van aanbidders, terwijl de slank-schrale magerheid, ook al is deze het esthetisch ideaal van het oogenblik, in haar vleeschloosheid alleen blijft staan. Zoo drijft de Natuur in haar wijsheid de meesten naar de besten, d.i. de voor haar doel de meest geschikten.
Als men op de straat mannen bijna allen ziet omkijken naar een vrouwenfiguur, dan is dit bijna altijd een weelderig-gevulde vrouw die dit geldt, tenzij de buitensporigheid van het toilet de aanleiding is. Het is vooral de weelderige ontwikkeling van de dusgenaamde secundaire geslachtskenmerken: boezem en bekkenstreek, die magnetisch aantrekt. Menige vrouw, die in bijzondere mate aan het erotisch ideaal der mannen beantwoordt, kan zich nauwelijks in het openbaar vertoonen zonder bijna onmiddellijk zich te zien gevolgd door een drom stomme vereerders.
En nu is het wel opmerkelijk, dat het erotisch en het esthetisch ideaal voor vrouwenschoon misschien in geen tijdperk zoo lijnrecht tegenover elkander hebben gestaan als in onze dagen het geval is. Er heerscht tusschen beide idealen een letterlijk diametrale tegenstelling. Dit heeft voor de sexueele zeden zijn eigenaardige consequenties. In kringen, waar het op geld niet aankomt, en de vervulling van wenschen geenerlei hindernis in den weg staat, komt het tamelijk veelvuldig voor, dat mannen veel meer om deze reden, dan krachtens polygamische geaardheid, met twee vrouwen betrekkingen onderhouden. Met een slanke modepop, levende op de grenzen der lichaamloosheid, en daardoor erkend als ideaal van schoonheid, vertoont hij zich in het openbaar, in de opera, bij wedrennen, in badplaatsen en op soupers. En een tweede, toegerust met alle weelden van het erotisch ideaal, vormt den harem van den bezitter en wordt dienovereenkomstig in een met die functie overeenkomende afzondering gehouden.
Er zijn echter ook tijden geweest, waarin het esthetisch of mode-ideaal en het natuurlijke erotische ideaal van schoonheid vrijwel samenvielen en ineensmolten. Dit valt af te leiden uit de voortbrengselen der kunst uit sommige tijden. En hoe standvastig en onveranderlijk het erotisch ideaal leeft in de mannelijke phantasie, blijkt wel hieruit, dat juist die kunstwerken zoo lang ze bestaan, ook dan als het esthetisch ideaal het tegengestelde schoon noemde, ten allen tijde de gezonde zinnelijkheid in verrukking hebben gebracht en eveneens ten allen tijde de ontsteltenis der shocking-apostelen hebben gaande gemaakt. Zulke kunstwerken zijn in de eerste plaats die van Rubens, Titiaan, Paolo Veronese, Palma il Vecchio, Giorgione en de scheppingen hunner navolgers. In werken dezer meesters ziet men, hoe weelderige volheid, regelmatigheid van vormen en kracht zich in grandiose harmonie in het vrouwenlichaam kunnen vereenigen. Wel is de volmaaktheid, zooals wij ze in die werken zien, in de werkelijkheid uiterst zeldzaam, maar een utopie is zij allerminst.
Het zuiverste erotische schoonheidsideaal triumfeerde machtig en schitterend in de werken van P.P. Rubens.
Het meerendeel der werken van Rubens zijn verheven erotische orgiën, vergoddelijkte Venusfeesten van in wellust-begeerte zich rekkende volmaakt-schoone mannen en vrouwen, ja elk werk van dezen meester is een hooglied van gloeiende zinnelijkheid, oorsprong des levens. Alle werk van Rubens is in beeld gebrachte grootsch-heerlijke erotiek. Zinnelijkheid is vuur en vuur is leven, kracht en potentie. Rubens werk is als stroomend vuur. Alles in zijn werken is aangegrepen door zinnelijk vuur, zijn mannen, zijn vrouwen, de dieren, zelfs de planten, alles ademt paardrift, alles straalt levenverwekking. Rubens' vrouwenfiguren hebben slechts één doel: zinnelijke verlangens te wekken, de begeerte te doen opvlammen in die stroomen van vrouwelijke heerlijkheid onder te gaan. En zijn vrouwen hebben slechts één wensch: zinnelijke verlangens te bevredigen. Het zijn zonder uitzondering heerlijke tempels van onmetelijken wellust, tempels die waard zijn er telkens en altijd weer aan de liefde te offeren. De vrouwen van Rubens hebben geen andere dan deze goddelijk-animale bestemming, hetzij hij boerinnen schildert of voorname dames, of hij ons Diana te aanschouwen geeft of de vrome Angelica, aan wier ontbloote schoonheid het oog van een oude kluizenaar zich in een laatste begeeren verzadigt. En dat alles neemt bij hem overal zoo edele en heerlijk-heroïsche vormen aan, dat voor ons oog zich ook het laagste vergoddelijkt. Steeds vertoont zich de geslachtsliefde als de heilige, allesbeheerschende wet der bestendiging van het leven, nooit als in lijfsgenot zwelgende liederlijkheid. De boezem is de algemeene voedingsbron van het menschelijk leven, hij is het heerlijkste symbool van gezondheid en van kracht en daarom ook der schoonheid. Verheerlijking van den boezem is dan ook de boventoon in de vurige hymne in kleuren, die elk werk van Rubens te zien geeft. In zijn apotheose van het vleesch is de schoonheid van den boezem hem steeds het belangrijkste. Hij schildert slechts vrouwen van den leeftijd, waarop de boezem zich in volrijpheid moet hebben ontwikkeld, en hij schildert slechts vrouwen met heerlijke borsten. Boezem en schoonheid zijn bij Rubens onafscheidbare begrippen, en zoo hebben bij Rubens alle vrouwen prachtvolle borsten. Telkens en altijd weer opnieuw schildert Rubens Helena Fourment, zijn vrouw, maar eigenlijk schildert hij alleen haar overheerlijken, juister: haar Rubenschen boezem, evenals van haar zuster Susanna. Aan die schoonheid kan hij zich niet verzadigen en in zijn verrukking noodt hij de gansche wereld bij die heerlijke pracht te gast.
Dat de zinnelijkheid van nature haar ideaal vindt in gevulde, weelderige vormen, dat leeren ook de erotische voorstellingen van den primitieven mensch. Onlangs is uit de diluviale aardlagen van Frankrijk een verzameling reliefbeeldhouwwerk opgegraven, grootendeels bestaande uit vrouwenfiguren. Dit zijn de oudste vrouwenbeelden die wij thans kennen. Het opmerkelijkste van deze beelden is de kolossale ontwikkeling van heupen, dijen, buik en borsten. De geleerden hebben zich het hoofd gebroken met de vraag, of dit als met dikke vetkussens bezaaide vrouwentype slechts als een schepping van de phantasie dier primitieve kunstenaars moest worden beschouwd, dan of men er een natuurgetrouwe uitbeelding der toenmalige vrouwen in had te zien. Men achtte ten slotte dit laatste het aannemelijkste, vooral wijl bij deze oudste voortbrengselen der sculptuur blijkbaar in alles naar realisme was gestreefd en alle idealiseerende overdrijving er vreemd aan was; ongetwijfeld stelden zij dus een werkelijk door de makers waargenomen type voor. De vrouwen bij dit volk, zoo redeneerde men, bleven het grootste deel van haar leven in hare veilige holen, terwijl de mannen op voedsel uitgingen. Zoo ondergingen zij, door ruime voeding bij weinig of geen lichaamsbeweging, een levenslange mestkuur.
Hier werd dus toegegeven, dat deze diluviale menschen nog geen esthetisch schoonheidsideaal bezaten; maar op het denkbeeld, dat deze beelden het erotisch ideaal dier voor-historische menschelijke wezens uitdrukte, kwam men niet. Toch schijnt dit vrij duidelijk. Die beelden geven niet aan, hoe de vrouwen bij dit oer-ras er uitzagen; maar hoe men zich de vrouw erotisch het schoonst, d.i. zinnelijk het meest begeerlijk, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk vonden de makers dier beelden in hun omgeving enkele individuen, die dit ideaal min of meer nabij kwamen. Aan karikaturen valt hier natuurlijk niet te denken--het wezen der karikatuur veronderstelt een veel hoogeren trap van ontwikkeling en is den oermensch nog ten volle vreemd.
Wel echter is het mogelijk, dat deze dikvleezige vrouwen nog iets anders vertegenwoordigen dan het erotisch ideaal der mannen van dien tijd. Vet wordt alleen die vrouw, die veel te eten heeft en niets behoeft te doen, dus niet behoeft te werken. Dus moeten anderen voor haar werken. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat een enkele man, die toenmaals als jachtgereedschap niet anders had dan een knuppel en een paar steenen, in staat was om zijn gezin zoo in overvloed te doen baden. Derhalve bezigde men slaven, die men voor zich liet werken, en de vruchten van wier arbeid men zich toeëigende. Zoo leeren ons deze vrouwen-beelden niet alleen het erotisch ideaal dier oermenschen kennen, maar ook bijzonderheden omtrent hun maatschappijvorm, welke blijkbaar berustte op de slavernij. De schoone, d. i. vetvleezige vrouw symboliseert het erotisch ideaal en tevens de rijke, d. i. voorname vrouw. Ditzelfde vinden wij terug zoowel in de eerste tijden der geschiedenis als bij de volken die nog thans op bijna voorhistorischen trap van beschaving staan--voornaamheid, macht en rijkdom zinnebeeldig voorgesteld door corpulentie.
De volkenkunde leert ons tal van merkwaardige voorbeelden van erotische vereering der gemeste vrouw. Speke heeft in het landschap Karagwé ter westkust van het Victoriameer in Afrika waargenomen, dat de vrouwen der dorpshoofden zoo monsterachtig dik waren, dat zij nauwelijks meer konden staan. Emir Pacha vermeldt hetzelfde uit de streken van de beneden-Kagera. Stoll vestigt er de aandacht op, dat ook het oud-Egyptische beeldhouwwerk meest zeer zwaarlijvige vrouwen te zien geeft, en dan zijn dit blijkbaar steeds voorname vrouwen en vorstinnen. In het zooveel beschaafdere Nieuwe Rijk blijkt daarentegen het slank-meisjesachtige het ideaal te zijn.