Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid

Chapter 6

Chapter 63,685 wordsPublic domain

Er was eens een oude dichter, zoo'n wezenlijk goede oude dichter. Op een avond, toen hij rustig thuis zat, brak er een vreeselijk onweer los; de regen viel bij stroomen neer, maar de dichter zat warm en wel bij zijn kachel, waarin het vuur knetterde en de appels braadden.

--Wie in dat weer buiten is, moet wel doornat worden, peinsde hij, want hij was een goedmoedige dichter.

--Ach, doe open! Ik bezwijk van koude en ik ben zoo nat! riep eensklaps daarbuiten een kinderstem. Het kind weende en klopte aan de deur, onderwijl de regen in stroomen bleef neervallen en de storm de vensters deed rammelen.

--Arme kleine! zeide de oude dichter en stond op en opende de deur. Daar stond een jonge knaap; hij was geheel en al naakt en het water droop hem uit het lange blonde haar. Hij bibberde van koude; was hij niet binnengelaten, dan zou hij in het barre weer zeker zijn omgekomen.

--Jij arme kleine! zeide de oude dichter en nam hem bij de hand. Kom binnen, ik zal je verwarmen! Wijn en een appel zal je ook hebben, want je bent een lieve jongen!

Dat was hij ook. Zijn oogen leken twee heldere sterren, en ofschoon het water hem uit het blonde haar droop, krulde het zich toch alleraardigst. Hij zag er uit als een kleine engel, maar hij was bleek van kou en bibberde over het gansche lichaam. In zijn hand hield hij een prachtigen boog, die echter door den regen geheel was bedorven; de kleuren der mooie pijlen vloeiden door den regen in elkander.

De oude dichter ging weer zitten bij zijn kachel, nam den kleinen knaap op zijn schoot, streelde hem het water uit zijn haren, warmde de verkleumde handjes in de zijne en gaf hem wat warmen wijn te drinken. Toen leefde het kind op, er kwam een blos op zijn wangen, hij sprong op den vloer en trippelde om den ouden dichter heen.

--Je bent een vroolijke jongen! zei de oude. Hoe heet je?

--Ik heet Amor! antwoordde hij. Kent u me niet? Daar ligt mijn boog. Daarmee kan ik schieten. Kijk, nu is het weer goed weer; het maantje schijnt!

--Maar je boog is bedorven! zeide de dichter.

--Dat zou jammer zijn, zeide de kleine knaap, nam hem op en bekeek hem.--O, hij is al weer droog en hij is weer goed. De pees is juist goed strak geworden. Ik zal hem eens probeeren. En meteen spande hij den boog, legde een pijl erop, mikte en schoot den ouden dichter precies in het hart.

--Nu kan u zien, dat mijn boog niet bedorven is! zeide hij, lachte luid en liep weg. Neen, geen aardige jongen. Zoo op den ouden dichter te schieten, die hem zoo vriendelijk in zijn warme woning had opgenomen, zoo lief tegen hem was geweest en hem warmen wijn en den lekkersten appel gegeven had.

De goede dichter lag op den vloer en weende, want hij was precies in het hart geraakt.--Foei, zeide hij, wat een ondeugende jongen is die Amor! Ik zal het aan alle goede kinderen vertellen, dat ze zich voor hem kunnen wachten en nooit met hem spelen, want hij zou ze maar kwaad doen.

Aphrodite (Venus), de godin der liefde, was bij de Ouden tegelijkertijd de godin der vrouwelijke schoonheid--liefde en schoonheid waren voor het esthetisch gevoel der ouden onafscheidelijke begrippen. Haar mannelijke tegenhanger, Eros (Amor), is evenwel niet tegelijk de vertegenwoordiger der mannelijke schoonheid, wel der zinnelijkheid in het algemeen, als om te kennen te geven, hoezeer men de liefde bij den man onafscheidelijk achtte van zinnelijkheid.

Als personificatie der mannelijke schoonheid gold bij het meest artistieke volk der oudheid Apollo (zie bijlage: Apollo van Belvedere), de beschermer van al wat goed en schoon is, doch meer nog de jongeling Adonis, het symbool van het jonge lenteleven. Deze jongeling deed zoozeer de vrouwelijke zinnelijkheid ontvlammen, dat behalve Aphrodite zelf o.a. ook Persephone, de machtige en schrikkelijke koningin der onderwereld, op hem verliefde, waaruit een felle strijd tusschen de beheerscheressen van den Hades en van den Olympus ontbrandde, aan welken strijd Zeus zelf tenslotte een einde moest maken door te bepalen, dat elk der beide godinnen hem een deel van het jaar zou bezitten. In geheel de antieke wereld werden in den zomer met groote pracht Adonisfeesten gevierd, waaraan vooral de vrouwen deelnamen. Ook keizer Hadrianus' gunsteling Antinous (zie bijlage: Antinous) was een ideaal van mannelijke schoonheid der antieke wereld.

Tegenover Aphrodite (Venus) als godin der schoonheid en der liefde staat Pallas Athene (Minerva), het symbool der boven de sexualiteit staande vrouwelijke waardigheid, het ideaal der eeuwige maagd, los van alle zinnelijkheid, het zinnebeeld der vrouwelijke wijsheid, die zich niet, zooals zoo vaak die van den man, door zinnelijken hartstocht laat vervoeren en meeslepen. Ook in deze gedachte vond de oudheid een bevrediging van haar schoonheids-idealen--de Pallasbeelden van Phidias op den Acropolis te Athene en op Lemnos golden als de in beeld gebrachte verheven vrouwelijke schoonheid bij uitnemendheid.

In hun voorstellingen in beeld als anderszins van al deze en verdere figuren hunner nationale mythologieën, hebben de kunstenaars der Helleensche oudheid hunne begrippen en idealen van mannelijke en vrouwelijke schoonheid vastgelegd. En die voorstellingen hebben het esthetisch gevoel van alle latere geslachten kunnen bevredigen. Zij zijn de voorbeelden van verheven zoowel als van zinnelijke schoonheid geworden voor alle tijden en de kunstenaars uit latere tijden geven aan hunne schoonheids-idealen bij voorkeur de namen dezer idealen der oudheid (zie bijlagen: Venus en Amor, Venus en Adonis, en Venus). De kunstproducten uit dien tijd, toen niets heilig was dan het schoone, zijn tot op heden in den strijd om den voorrang met die van andere tijdperken steeds weer boven gekomen en erkend als de ideale typen van den schoonen mensch. Het Venusbeeld van het eiland Melos (nu: Milo), de Venus die in 1584 in het bezit kwam der familie de Medici te Florence en daarom in de kunst bekend is als de Venus der Medici, verder de Venus van het Kapitool en de Venus Callipygos zijn daarvan de onsterfelijke voorbeelden (zie de bijlagen). En dit geldt niet alleen van hunne uitbeeldingen van de godenwereld, maar ook van hunne gewrochten naar het levend model--bij hen zijn de godinnen niet schooner of verhevener dan de hetaeren of publieke vrouwen, zooals Aspasia, Phryne, Thaïs, Myrrhina, Lamia, Thargelia, Laïs, Theodota enz. Zelfs zou de vermaarde hetaere Phryne het model zijn geweest, waarnaar Praxiteles zijn Aphrodite voor Cnidus, de hoofdstad van het Dorisch Verbond in Klein-Azië (vandaar: Venus der Cnidiërs of Cnidische Venus), schiep. En hoezeer beide uitersten die zich bij de vrouw laten denken--godin en prostituee--door de Ouden op één lijn werden gesteld, zoo zij slechts beantwoordden aan hun ideaal van schoonheid, blijkt hieruit, dat in den tempel te Thespiæ, de geboortestad van Phryne, het beeld van Aphrodite en een portretstandbeeld van Phryne nevens elkaar stonden.

Dit vinden wij trouwens terug in elk gulden tijdvak der kunst. Treffende voorbeelden daarvan zijn vele voorstellingen van de maagd Maria. Bij vele daarvan is het bij den eersten blik duidelijk, dat bij het ontwerpen den maker geheel iets anders voor den geest heeft gezweefd dan een onsterfelijk godsbegrip. Van de moeder-gods-beelden der Renaissance zijn vele niets dan uitingen van het erotische schoonheids-ideaal van dat tijdvak. Evenals in de oudheid aan hetaeren een plaats werd waardig gekeurd naast de godin van den Olympus, zoo zij slechts schoon waren, wordt Maria, behalve hemel-koningin tevens de ideale koningin der zinnelijke schoonheid. De aanblik van de boezems en verdere vrouwelijke vormen der Renaissance-Maria's wekken alles behalve bovenaardsche en bovenzinnelijke gedachten en verlangens. In de voorstelling van de Boodschap is zij blijkbaar meer de in erotischen gloed ontvlammende jonge vrouw, voor wier geest blijkbaar zeer aardsche beelden zweven, dan een in verheven geestverrukking zich verdiepende uitverkorene, die in de glorie van smetlooze reinheid het wonder der onbevlekte ontvangenis ondergaat. Van etherische kuischheid is in den regel geen spoor meer te ontdekken. Waar zij het kind Jezus zoogt, is dit voor den schilder gewoonlijk slechts een even welkom als schijnbaar ongezocht motief om een schoone jonge vrouw op het pikantst te decolleteeren (zie bijlage: Moederweelde). Zoo wordt in de Renaissance het heiligenbeeld, evenals in de oudheid, het ideaal der zinnelijke schoonheid. Dit blijkt te meer, wijl in die Mariabeelden niet zelden vrouwen werden vereeuwigd, die haar beroemdheid voornamelijk hadden verworven in en om de alcove. Men denke hier slechts aan het beroemde portret van Agnes Sorel van Jean Foucquet (thans in de Antwerpsche galerij). Als madonna met het goddelijk kind op den arm demonstreert zij de gansche pracht en de volle weelderige heerlijkheid van haar om zijn schoonheid vermaarden boezem. En alleen om die pracht te vertoonen was het blijkbaar te doen, zoowel den schilder en het model als hem die de opdracht had gegeven. Het motief der moeder Gods was daarbij alleen het ongezocht schijnende voorwendsel. Interessant is bij al deze doorzichtige pogingen om het hemelsche in dienst te stellen van het zinnelijke aardsche schoonheidsideaal, dat in dien tijd bij vrijwel alle voorstellingen van de maagd Maria de onnoozele Joseph gemist wordt. Maria had hare schoonheid niet haar man te vertoonen, maar aan ieder die oog had voor vrouwenschoon. En waar men zich van Maria bedient om de heerlijkheden der vrouw ten toon te stellen, daar heeft men Joseph niet noodig, hij kan gaan, hij zou slechts hinderen en opnieuw de ondankbare rol spelen van overbodige bijlooper.

Het erotisch karakter van de heiligenbeelden der Renaissance komt natuurlijk nog sterker uit als het motief zelf reeds op iets erotisch betrekking heeft, zooals bijvoorbeeld bij de voorstelling van de boetvaardige Magdalena. Al die boetvaardige Magdalena's der Renaissance zijn schoone zondaressen, wier zonde op het eerste gezicht zeer begrijpelijk is, maar wier boetende ziel meer vervuld schijnt van de mysteriën der alcove dan van de verschrikkingen van het vagevuur.

Ook in dezen tijd weer was niets heilig dan het schoone en al wat aan het toenmalig schoonheids-ideaal beantwoordde werd heilig geacht. En opnieuw greep men in dit tweede groote tijdvak van heerschappij van het schoone, zelfs bij voorkeur naar het heilige. Het oude testament werd de groote voorraadschuur van onderwerpen voor voorstellingen, waarin de schoonheids-idealen zich in erotischen gloed konden openbaren. Joseph en de vrouw van Potifar (zie bijlage), Lot en zijn dochters, Simson en Delila, David en Bathseba, Suzanne in het bad en dergelijke zijn de geliefkoosde onderwerpen van de kunst--steeds de trouwe spiegel van het geestesleven van een tijdvak of van een volk--der Renaissance. En ook de geheele Olympus herleefde weer, voor zoover hij erotische motieven aan de hand kon doen. Als men Venus, Jupiter, Mars, Juno, Diana en de verdere mythologische godheden of de legendarische en half-historische figuren uitbeeldde, dan was dit steeds om hen ten toon te stellen in hun altijddurend genotleven. Men schilderde de tallooze godenminnarijen en daaruit steeds de meest pikante episoden. En evenals men bij het uitbeelden van Maria louter de toenmalige opvatting der vrouwenschoonheid weergaf, hield men zich bij het schilderen van de antieke goden en godinnen in het minst niet angstvallig aan de origineelen, maar gaf daarin zijn eigen schoonheids-idealen weer.

In den tegenwoordigen tijd is de slanke figuur het overheerschende esthetische ideaal van vrouwenschoonheid, terwijl een bepaald ideaal van mannenschoon moeilijk zou zijn aan te wijzen. Een noodzakelijk gevolg van dit slankheidsideaal is de vereering der lichaamsvormen van het meisje, zelfs van het nauwelijks de kinderschoenen ontwassen en lichamelijk nog onrijpe meisje. En een verder gevolg van deze vereering van het meisjesachtig slanke, is een algemeene simulatie van meisjesvormen door de geheele vrouwenwereld. Zoolang mogelijk en met alle ten dienste staande toilet-, garderobe- en andere middelen streven alle nog levenslustige vrouwen er naar meisje te schijnen. Geen vrouw meer is op het eerste gezicht boven de twintig, zoo zij niet over de vijftig is. Zoo machtig is de invloed der mode op het algemeene beeld, waarin zich de vrouwenwereld van een tijdperk vertoont, nu zoowel als voorheen.

Algemeen heerscht de meening, dat van de schoonste vrouwen, d.w.z. van die welke het esthetisch ideaal van het oogenblik het dichtst nabij komen, ook de grootste erotische bekoring uitgaat. Onwillekeurig neemt men aan, dat alle vrouwen, die als courtisanes van vorsten als anderszins haar naam in de geschiedenis hebben achtergelaten, bijzondere schoonheden geweest zijn. Dit is echter volstrekt de regel niet. Integendeel, een heele reeks van zulke vrouwen voldeden maar aan matige schoonheidseischen. En een menigte esthetisch bijzonder schoone vrouwen zou daar tegenover zijn te stellen, van wie niet blijkt, dat zij bijzonder de aandacht hebben getrokken. Men moet aannemen dat bij de erotische aantrekking tusschen de sexen niet louter de esthetisch schoone lichaamsvormen den doorslag geven, maar dat zich daarbij ook allerlei duistere sympathiën doen gelden.

De geliefde vrouw is altijd een engel, of zij moeder, zuster, dochter of echtgenoote heet. De vrouw, die men niet liefheeft, is en blijft maar een vrouwspersoon, al ware zij zoo schoon als de Venus van Milo. Photo Bruckmann, München.

Het heeft niet ontbroken aan pogingen om langs materieelen en werktuigelijken weg een normaal schoonheidstype vast te stellen, en wijl bijna uitsluitend de meer zinnelijke man zich daarvoor interesseert, gelden al zulke pogingen voornamelijk de vrouw. De kenteekenen, waarnaar in zulke stelsels de mate van schoonheid wordt beoordeeld, heeten te zamen een schoonheidskanon of kortweg kanon. Zulke kanons stellen bepaalde eischen aan de voornaamste uitwendige deelen van het lichaam enz., en het meerendeel dier eischen komt neer op een eenvoudige meting. Een individu, dat aan alle gestelde eischen zou voldoen, zou dan als het ideaal van schoonheid moeten worden aangemerkt. Zulke kanons stammen al uit de oudheid. Volgens den kanon van Polycletus moet het gezicht een tiende van het geheele lichaam uitmaken. De Egyptische kanon stelde den eisch, dat de lichaamslengte gelijk moest zijn aan 19 maal de lengte van den middelvinger. In den tegenwoordigen tijd heeft men een anderen weg ingeslagen--men heeft bij een zoo groot mogelijk aantal individuën de gemiddelde maat der verschillende lichaamsdeelen zoeken vast te stellen en daarnaar normale maten voor het gansche lichaam berekend, en ten slotte daaruit ideale schoonheidstypen voor rassen en individuën trachten af te leiden. Als grondmaat (modulus) nam men de zonderlingste en willekeurigste uitgangspunten; zoo bijvoorbeeld de Duitsche anatoom G. Fritsch de lengte van de lijn tusschen neus en schaambeensvereeniging bij rechtstandige houding.

Al zulke pogingen om met den maatstok het ideaal te vinden, hebben natuurlijk weinig of geen esthetische waarde. Want daarin worden doorsnee en ideaal op één lijn gesteld. Zoo heeft een Belgisch geleerde door optelling van de gezamentlijke lengtematen aller Belgen en deeling van het zoo verkregen aantal millimeters door het totaal aantal Belgen, de ideale lichaamsmaat van den Belg zoeken vast te stellen; bij het bekend worden dier methode hebben zijn landgenooten karikaturisten wel gezorgd, dat hij met zijn systeem terecht kwam bij alles behalve ideale typen.

En men is zelfs nog verder gegaan en heeft een meting van het heele menschdom voorgeslagen, ten einde op die wijze den idealen mensch op te sporen.

Men is op deze buitensporigheden thans vrijwel teruggekomen. Men houdt nog wel vast aan maatstaf of kanons, aan een verzameling van uiterlijke kenteekenen waarnaar de meerdere of mindere mate van lichaamsschoon moet worden beoordeeld, maar men spreekt daarbij weinig of niet meer van ideaal. Vele kunstenaars hebben zulke kanons opgesteld, vooral om een richtsnoer te hebben voor de onderlinge verhoudingen der lichaamsdeelen.

De oude Grieken reeds hebben naar een zuiver schoonheidstype gezocht. Behalve aan afmetingen kenden zij daarbij ook beteekenis toe aan andere factoren. En in natuurlijkheid staat de Grieksche kanon dan ook vrijwel altijd bovenaan, n.l. die van Polycletus, later een weinig gewijzigd door Lysippus, wiens kanon het zuiverst heet te worden vertegenwoordigd door zijn "Speerdrager" (te Napels). De Grieksche schoonheidskanon, zooals oud-Griekenland's beeldhouwwerken die te aanschouwen geven, beheerschen nog heden de beeldhouwkunst niet alleen, maar vrijwel de geheele esthetische opvatting van de schoonheid der vormen, in het bijzonder van de vrouw. Lange beenen golden bij de Grieken als ideale, waarschijnlijk wijl zij bij hen betrekkelijk zeldzaam waren. De Apollo van Belvedere (zie bijlage) is zulk een zeldzaam ideaal, doch in geenen deele een voorbeeld voor de verhoudingen bij het normale blonde type dat in een groot deel van Europa de overhand heeft. Zoodat dit ideaal hierom reeds niet als algemeen ideaal van den schoonen mannelijken mensch kan gelden.

Men volgt nog altijd de Grieksche kanon na tot in bijzaken en dingen, die van zekere plaatselijke opvattingen afhangen, toe. Zoo behoorde het tot het toilet der antieke dames, het schaam- en okselhaar zorgvuldig te verwijderen, een gebruik dat in de geheele volkenkunde maar hoogstzelden elders wordt teruggevonden. Doch voor de Grieksche beeldhouwers was er in elk geval een geldige reden om hunne vrouwenbeelden onbehaard voor te stellen; dit geschiedde niet uit preutschheid, maar integendeel om het erotisch effect te verhoogen, wijl aanwezigheid van schaamhaar voor het Grieksche gevoel den indruk van afstootende onreinheid zou hebben gewekt. En de geheele nieuwere kunst heeft deze eigenaardigheid van den Griekschen schoonheidskanon blindelings nagevolgd.

Kunstgeleerden, zooals Stratz en anderen, hebben in den laatsten tijd den antieken kanon in gewijzigden vorm opnieuw populair weten te maken. Opzettelijk of onbewust hebben zij de modellen voor hunne metingen enz. uitgekozen naar de beginselen der antieke esthetiek, en ze zijn zoodoende tot vrijwel dezelfde resultaten gekomen. De kanon van Stratz nu stelt aan het ideaal van vrouwenschoon de volgende eischen: ronden schedel en klein gezicht, met groote oogholten, smalle onderkaak en zachten overgang van de wangen in den hals; ronde hals en schouders, slanke taille met smalle lange borstkas, ronde borsten, breed bekken en gewelfde billen; ronde ledematen, smalle handen met langen wijsvinger, ronde, gevulde dij, zacht geteekende knievorm, ronde kuiten, kleine voet met smalle teenen, waarvan de tweede de langste is, weelderig hoofdhaar, spaarzaam okselhaar, bijna geheel verborgen schaamhaar en verder een onbehaarde, zacht-teere huid.

Door al deze kanons worden denkbeelden omtrent schoonheid en lichaamsvormen gewekt, die noodzakelijk tot teleurstellingen moeten leiden. Wijl de menschen geen gelegenheid hebben levende naaktheid te zien, verzadigt hun verbeelding zich aan gebeeldhouwde, geschilderde, geteekende vormen. Daarnaar richten zij hun eischen aan de levende werkelijkheid. Maar ook de grootste kunstwerken zijn altijd geïdealiseerde scheppingen eener artistieke phantasie, en de toeschouwer, die de heerlijkheid dier vormen en omtrekken in zich opneemt, kan bij het aanschouwen der werkelijkheid niet anders ondervinden dan teleurstelling. Voor het leven der liefde heeft dit zijn eigenaardige consequenties: de geliefde blijkt weinig of niet aan de regelen van den schoonheidskanon te beantwoorden, iedere verdere intieme onthulling brengt een nieuwe ontgoocheling, de hooggespannen esthetische verwachting blijft onbevredigd. Natuurlijk ligt in vrijwel al zulke gevallen de schuld bij de lichtgeloovigen, die de valsche voorstellingen van de kunst voor goede munt hebben opgenomen. De kunst in haar streven naar bovenaardsch schoon heeft het esthetisch oog niet geoefend, maar verblind en niet zelden wendt het zich dan vol ergernis af van de werkelijkheid, die zich niet bekommert om kanons. En zoo komt een Schopenhauer er toe, sprekende van de vrouwen, deze verachtelijk aan te duiden als het in elkaar gegroeide, smal-schouderig, breedheupig en kortbeenig geslacht, dat men met meer recht het leelijke dan het schoone geslacht zou kunnen noemen.

Bij het beoordeelen van schoonheidkanons dient steeds in het oog te worden gehouden, dat deze zijn samengesteld, niet naar het levend model der werkelijkheid, maar naar de bedriegelijk-ideale scheppingen der kunst, die uit de werkelijkheid alleen datgene neemt, wat haar esthetisch instinct bevredigt. Kunst verheft zich boven de werkelijkheid. Gedeeltelijk is zij daartoe ook gedwongen door gebrek aan gelegenheid tot waarneming. Welke man bijvoorbeeld is in de gelegenheid, rustig en kritisch een genoegzaam aantal onbekleede vrouwenlichamen te zien te krijgen? Zelfs de beeldende kunstenaar niet, die toch keus moest hebben uit het beste, doch die ten deze geheel afhankelijk is van de misère van de modelmarkt. Van Dürer is bekend, dat hij gretig de gelegenheid aangreep die de badhuizen van dien tijd aanboden, wijl hij daar tenminste een aantal vrouwen te zien kreeg.

Geestdriftige vrouwenvereerders zeggen dat elke vrouw mooi is. Maar zoo als ongeveer altijd, is ook in dit geval de werkelijkheid in de hoogste mate onhoffelijk, zij logenstraft die vurige bewonderaars bij elken stap en overstelpt ze brutaal en zonder erbarmen met de bewijzen, dat het percentage vrouwen, dat werkelijk mooi of schoon kan worden genoemd, zeer gering is, terwijl het overgroote meerendeel ook nog beneden het matigste schoonheidsideaal blijft. Men mag dan ook aannemen, dat de stelling "alle vrouwen zijn schoon" eigenlijk niets meer is, dan een galante ontboezeming eener oververhitte mannelijke zinnelijkheid, die in de vrouw niet den geheelen mensch zoekt maar in iedere vrouw alleen een wezen ziet van de andere sexe, een instrument ter bevrediging van zinnelijken wellust. De lof: alle vrouwen zijn schoon, verheerlijkt niet de vrouw, maar haar sexe, er spreekt geen vereering uit, maar begeerte. Dezulken, die zoo spreken zijn erotische naturen, die elke vrouw alleen daarom schoon vinden, wijl iedere vrouw tot zekeren graad de wellust vermag te dienen.

Degenen, die zonder keus alle vrouwen mooi, d.i. begeerlijk vinden, stellen aan het vrouwelijk schoonheids-ideaal in werkelijkheid de geringste, de laagste eischen. Het hoogste en waardigste ideaal leeft bij hen, die in de vrouw in de eerste plaats den mensch zien en wien het sexueele in de vrouw eerst dan aantrekt en bekoort, als hun verrukt oog haar gesierd ziet met eenige der tallooze psychische wonderbloemen, zonder welke ook de schoonste vormen het verfijnde esthetisch gevoel niet kunnen bevredigen.

Dat de vrouw minder zinnelijk is dan de man blijkt ook weer hieruit, dat men nimmer hoort van vrouwen, die alle mannen onvoorwaardelijk mooi vinden. Op het punt van uiterlijk voorkomen is de vrouw in den regel in haar oordeel kalmer en beradener dan de man, haar zinnelijkheid is daarbij niet allereerst aan het woord, en zij bezit tegen schoone vormen ook veel grooter weerstandsvermogen dan de man. Dit feit brengt sommigen tot het enorme misverstand, dat de vrouw voor mannelijk schoon zoo goed als geheel onverschillig en ongevoelig zou zijn, en dat haar sympathieën gewoonlijk door geheel andere eigenschappen en hoedanigheden moeten worden gewonnen. Dit is echter een overdrijving van het feit, dat de vrouw niet in die mate als de man machteloos staat tegenover de bekoring der schoonheid.