Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid
Chapter 5
Wat bekend is van de "naakte bals", levert het bewijs, dat daarbij steeds de vrouwen, en wel deftige dames uit de hoogbeschaafde en welgestelde kringen den boventoon voerden. Zulke bals zijn vele eeuwen lang een gezochte vermakelijkheid geweest, die vooral voor de vrouwen een onweerstaanbare bekoring bleken te hebben. En zij zijn hoogstwaarschijnlijk heden nog evenzeer en even algemeen in zwang als voorheen. Met zekerheid weet men dit zoowel van Berlijn, Weenen, Parijs en München als van de half-aziatische metropolen Petrograd, Moskou, Budapest en andere. En ook weet men, dat daarbij nog evenzeer als voorheen steeds het vrouwelijk element de overhand heeft en in de meest phantastische uitspattingen den toon aangeeft.
Een ander karakteristiek voorbeeld van de hevig-zinnelijke natuur sommiger vrouwen is haar veelvuldig opgemerkte voorliefde voor erotische, obscene en zelfs plat-pornografische lectuur. In de 17e eeuw heerschte, naar Philander von Sittenwald bericht, bij de vrouwen algemeen de mode, zulke de zinnelijkheid prikkelende werken te laten inbinden in den vorm van kerkboeken, teneinde zonder opzien te wekken overal, tot zelfs in de kerk toe, er zich ongehinderd in te kunnen verlustigen. Deze zelfde truc wordt nog heden veel toegepast. Nog tegenwoordig brengen in Amerika, Engeland en elders, de handelaars in zinnelijke prikkellectuur hun waar veelal in den handel in den uiterlijken vorm van stichtelijke werken, gezangboeken, kerkboeken, zakbijbels en dergelijke, wetende dat in dien oogenschijnlijk onschuldigen vorm een ruime afzet bij de vrouwelijke jeugd en ook bij oudere vrouwen verzekerd is. Een Engelsch verzamelaar is in het bezit van een uitgebreide dusdanige damesbibliotheek, waarvan elk exemplaar de duidelijkste sporen draagt van veelvuldig gebruik, terwijl tallooze kantteekeningen in fijn en sierlijk damesschrift de indrukken weergeven, die de inhoud alzoo op de lezeressen gemaakt heeft. Uit die kantteekeningen vooral blijkt, dat de opgewonden vrouwelijke phantasie in het zinnelijke ook de meest ontuchtige orgiën, die de man zich kan droomen, nog verre weet te overtreffen. Veelzeggend is in dit opzicht ook de sarcastisch-paradoxale vraag van Otto Weiss: of jonge meisjes boeken mogen schrijven, die ze zelf niet mogen lezen.
De slotsom van elke vergelijking tusschen de zinnelijkheid van man en vrouw kan geen andere zijn dan deze, dat zij volstrekt onvergelijkbare grootheden zijn; dat de zinnelijkheid van den man in zijn bruutheid tamelijk eenvormig is, terwijl daarentegen de zinnelijkheid van de vrouw oneindig gecompliceerd is en vol van de verrassendste nuancen, en daarom ook veel interessanter; en dat tenslotte de zinnelijkheid van de vrouw, hetzij door verfijning boven, hetzij in grove dierlijkheid beneden de mannelijke zinnelijkheid staat, doch nimmer daaraan gelijk is.
IV.
SCHOONHEIDS-IDEALEN.
De zinnelijkheid van den mensch richt zich aanvankelijk in het algemeen op de andere sexe, maar zij doet tenslotte een keuze en vestigt zich op een bepaald individu, en men mag aannemen, dat de persoonlijkheid, waarop die keuze valt, de sterkste aantrekkingskracht vermocht uit te oefenen op de zinnelijkheid van wie die keuze doet. Dit doet de vraag rijzen, welke eigenschappen een persoon hebben moet om een persoon van het andere geslacht zoozeer te bekoren en te behagen, dat de begeerte tot bezit en vereeniging wordt opgewekt.
Evenals alle vragen, die het leven der liefde en der zinnelijkheid betreffen, is ook deze interessante vraag uiterst gecompliceerd en een positief en afdoend antwoord laat zich daarop niet geven. Gelijk vanzelf spreekt, wordt hier alleen bedoeld zuiver sexueele keuze op louter sexueele gronden en niet die, welke berust op overwegingen van financieelen of maatschappelijken aard. Wij houden ons hier dan ook alleen bezig met die gevallen, waarin de keuze inderdaad de persoonlijkheid zelf geldt en niet zijn of haar bezittingen, stand als anderszins.
De begeerte tot bezit en tot vereeniging met een persoon van de andere sexe wordt, dit behoeft geen nader betoog, in de eerste plaats gewekt door lichamelijke eigenschappen en wellicht ook eenigermate door innerlijke, geestelijke hoedanigheden. Maar welke zijn die eigenschappen en hoedanigheden?
Het is duidelijk, dat de eigenschappen, die de zinnelijkheid en de liefde der individuën van het andere geslacht opwekken, verschillend moeten zijn. Anders toch zouden allen hetzelfde type begeeren, en dit is naar de ervaring leert, niet het geval, de smaken zijn integendeel ook ten deze zeer verschillend.
Wijl nu a priori kan worden aangenomen, dat er geen twee menschen zijn wier in- en uitwendige individualiteit volstrekt gelijk is, schijnt het geoorloofd en in elk geval het veiligst, zulks ook op sexueel gebied aan te nemen en zich te stellen op dit standpunt, dat ieder individu een eigen, van anderen verschillend sexueel ideaal heeft.
Als het nu een mensch mag gelukken, dat exemplaar van de andere sexe te vinden, dat volkomen aan zijn individueel ideaal beantwoordt, dan zal het bezit daarvan hem toeschijnen als het hoogst bereikbare geluk. En diensvolgens zal zoodanig persoon met alle kracht er naar streven om in dat begeerlijke bezit te geraken.
Maar het vinden van het wezen, dat in sexueel opzicht volkomen aan het individueele ideaal voldoet, is naar alle waarschijnlijkheid voor ieder individu buitengesloten. Het enkele feit, dat ieder zich zijn ideaal zou moeten zoeken uit meer dan 800 millioen individuën van het andere geslacht, verspreid over een oppervlakte van vele millioenen vierkante kilometers, leert met behulp der eenvoudigste kansberekening, dat zulk een vondst gelijk zou staan met een wonder, dat niemand redelijkerwijze kan verwachten. Theoretisch beschouwd vindt dan ook niemand zijn liefdesideaal. En als het gevonden werd, dan zou zulk een gelukkige vinder ook weer het ideaal van dat ideaal moeten zijn--iets wat men mag beschouwen als de onwaarschijnlijkheid in kwadraat. Geen sterveling mag dus op aarde hopen, dat het hoogste liefdesgeluk hem ten deel zal vallen.
De practijk van het leven heeft echter in dezen doolhof van onwaarschijnlijkheden ten allen tijde uitweg weten te vinden. Waar het hoogste ideaal niet vindbaar is, en dat is het nimmer naar wij zagen, daar stelt men zich tevreden met de meer of minder verre benadering van het ideaal. En het overgroote meerendeel moet zich noodzakelijkerwijze zeer ver van zijn ideaal verwijderen, zoodat er tenslotte van de gansche idealentheorie weinig of niets terecht komt. Regel is, dat ieder individu, dat eenigermate zich door lichamelijke eigenschappen van een wezen der andere sexe voelt aangetrokken, zich daarvan zijn ideaal maakt en er zich mee tevreden stelt. Op deze wijze vindt ieder individu in zijn onmiddellijke omgeving gewoonlijk onmiddelijk zoodanig surrogaat voor het wellicht in hem sluimerende, maar onvindbare ideaal.
Daarbij blijkt steeds en overal, dat zekere typen grootere aantrekkelijkheid bezitten dan andere en zulke meest-begeerde typen gelden dan als het ideaal in een bepaald milieu. Daar deze zinnelijke aantrekkelijkheid vrijwel uitsluitend uitgaat van de uiterlijke, lichamelijke hoedanigheden, van de lichaamsvormen en het geheele uiterlijk voorkomen, en wijl het zinnelijk aantrekkelijke _schoon_ wordt genoemd, zijn zulke idealen tevens schoonheids-idealen.
Elke tijd nu, elk volk, elk ras, elke leeftijd en elk milieu heeft zijn eigen schoonheids-idealen in dezen zin. En evenmin als er een eeuwige moraal is, zijn er eeuwige schoonheids-idealen. De Fransche anthropoloog Cordier zegt hiervan: "De schoonheid is geen monopolie van een of ander ras. Elk ras verschilt in zijn schoonheidsbegrippen van andere rassen. Daarom kunnen schoonheidsregels nooit absolute en algemeene waarde hebben".
De zinnelijkheid van den man reageert het sterkst en het snelst op lichaamsvormen, die hij individueel als schoon aanmerkt. De zinnelijkheid der vrouw schijnt meer gevoelig voor krachtsvertoon, voor lichaamskracht. Natuurphilosophen zien in deze wederkeerige aantrekking tusschen het schoone en het sterke een natuurwet werken, in het belang van het geheele menschelijke geslacht. Zoo construeert iedere natie, iedere tijd, ieder milieu zich zijn eigen Apollo en zijn eigen Venus.
Waar en in welken tijd men zoekt, steeds blijkt onmiddellijk hoe de mannelijke zinnelijkheid zich de vrouw wenscht, maar zelden valt te bepalen, welke concrete eischen de vrouwelijke zinnelijkheid stelt aan den man. Dit is weer een gevolg van het feit, dat men in het leven der liefde overal en telkens ontmoet, dat de man optreedt als de aanvallende partij, die als zoodanig luide en duidelijk zijn wenschen en begeerten kenbaar maakt, terwijl de vrouw een passieve rol speelt en om in die rol te blijven zich omtrent hare verlangens niet of weinig uitlaat. In werkelijkheid is de rol der vrouw, naar wij zien zullen, volstrekt niet uitsluitend passief en afwachtend; door haar bewust en onbewust lokken, door haar zinnelijke aantrekkingskracht, die zij kunstmatig zooveel zij kan tracht te versterken en te verhoogen, treedt de vrouw evenzeer actief op, veelal nog actiever, als de man; doch dit geschiedt altijd met behoud van den schijn van lijdelijkheid; steeds tracht de vrouw te blijven in de rol van passiviteit. En daarom spreekt de man zich duidelijker uit omtrent de eischen, die hij stelt aan de uiterlijke persoonlijkheid van de vrouw, dan de vrouw dit doet ten aanzien van den man.
De vrouw als zoodanig oefent op den man de meeste aantrekkingskracht uit door haar uiterlijke vormen. Voor den man gaat er van elke vrouw wier lichaamsvorm zich aan zijn bewustzijn voordoet als schoon, een machtige zinnelijke bekoring uit.
De mannelijke zinnelijkheid reageert daarbij niet slechts op een enkel type, maar als regel op een menigte typen. Een en ander leidt logisch tot de gevolgtrekking, dat elke vrouw, wier uiterlijke vormen de sexueele zinnelijkheid van ook maar één man vermogen te doen ontvlammen, eenigerlei schoonheid bezit. Want wat zinnelijke liefde vermag op te wekken is schoon. Schoonheid, zegt Plato, is zichtbaar geworden liefde. Waar nu van bijna elke vrouw nog eenige zinnelijke aantrekkingskracht uitgaat, mag men aannemen, dat vrouwenschoonheid van alle betrekkelijke begrippen wel het meest betrekkelijke is en allerminst is gebonden aan een enkelen vorm, maar zich in een menigte vormen kan voordoen. Dat er inplaats van een enkel algemeen schoonheids-ideaal vele en velerlei schoonheids-idealen der vrouw zijn, leert reeds een vluchtige blik op de werkelijkheid.
Aan den anderen kant staat evenzeer vast, dat niet van alle vrouwen een zelfde mate van aantrekkelijkheid uitgaat. Integendeel, in dit opzicht vallen vele graden waar te nemen. In het spraakgebruik gelden die typen, van wie de krachtigste sexueele bekoring schijnt uit te gaan, als schoonheids-idealen bij uitnemendheid. Indien nu ten allen tijde dezelfde typen de meeste, en andere typen de minste bekoring hadden uitgeoefend, dan zou men, daardoor geleid, tot bepaling van een algemeen schoonheids-ideaal kunnen komen. Maar juist het tegenovergestelde is het geval--tusschen de schoonheids-idealen wordt aanhoudend stuivertje gewisseld. Een type, in een gegeven tijd in zwang als ideaal, blijkt dikwijls kort daarna in de achting sterk gedaald. Blijkbaar raakt men van een bepaald type tenslotte verzadigd en de smaak slaat dan veelal om in de richting van het tegendeel van dat type.
Een vluchtige blik op wat al zoo in den loop der tijden als schoon heeft gegolden, bewijst dit onmiddellijk. Het schoonheidsbegrip in het algemeen en ten aanzien der vrouw in het bijzonder is zeer relatief, eerstens bij elk menschenras, verder bij elk volk, tenslotte bij ieder individu. En zelfs de individuen doorloopen ieder voor zich weer een reeks graden, die bij den een allengs opklimmen en verfijnen, bij den ander daarentegen geleidelijk afdalen en vergroven. Een diepere beschouwing dezer verschijnselen leert, dat de schoonheids-idealen van een tijdperk, van een volk, van een individu, voortkomen uit de algemeene geestelijke en stoffelijke gesteldheid van dien tijd, dat volk, dat individu. Dit openbaart zich het duidelijkst en het krachtigst in de kunst. De kunst is ontstaan uit de zinnelijkheid, en zij is ten allen tijde gebleven de verraderlijke medeplichtige van de zinnelijkheid, van wie wij alles vernemen, wat wij omtrent de zinnelijke idealen van een tijdperk of volk wenschen te weten. De kunst van een tijdperk leert ons met documentaire betrouwbaarheid de zinnelijke schoonheids-idealen van dat tijdperk kennen.
Het schoonheids-ideaal van elken tijd hangt af van het algemeene karakter van den betreffenden tijd. Evenmin als er een voor eeuwig vaststaande moraal bestaat, bestaan er eeuwige schoonheids-begrippen, maar deze zijn evenals alles wat bestaat onderworpen aan gestadige vervorming en vervanging, onder den invloed van velerlei geestelijke en stoffelijke factoren.
In tijden van groote bewegingen, van krachtig geestelijk en stoffelijk leven zien wij, uit het algemeene beeld van de kunst dier tijden, een groote overeenkomst in de overheerschende schoonheids-idealen. Hetzelfde valt waar te nemen in tijden van algemeene geestelijke en stoffelijke inzinking en van algemeen ouderdomsverval. Zoo stemt de glorietijd der oudheid in schoonheids-idealen treffend overeen met het tijdperk der algemeene geestelijke en stoffelijke wedergeboorte na den geestelijken dood der middeleeuwen--het tijdperk der Renaissance.
In beide tijdperken geldt die man als schoon, die het zuiverst de lichamelijke kenmerken bezit zijner natuurlijke geslachtelijke activiteit, nl. kracht en energie. Het heroïsch schoonheids-ideaal in beide tijdperken is: de gestalte van een Apollo van Belvedere, met de energie van een bekroonden hengst, zooals Brandes zegt in zijn werk over Shakespeare. En de vrouw geldt als schoon, als zij ten volle is toegerust voor de gloriën van het moederschap; niet het teere wezentje van was-bleeke doorschijnendheid, en met nauwelijks lichaam genoeg om een sexe te mogen veronderstellen; maar de vrouw wier schoot en wier boezem, begeerende en begeerd, zwelt van onuitputtelijke vruchtbaarheid; zij moet tegelijk Venus en Juno zijn, groot en imposant van gestalte, met weelderige lendenen en de malsche majesteit eener Venus Callipygos, met vleezige dijen en volle armen, in staat de reuzen die zij aanlokken in haar omhelzingen te verstikken. Zoo zijn de majestueuze vrouwenfiguren der antieke kunst en zoo zijn de vrouwen van een Ariosto en een Rubens.
Tijden, die in algemeen karakter het tegendeel vormen van die heroïsche kracht, hebben een tegenovergesteld schoonheids-ideaal. Geen forsche weelderigheid van vormen kan dan bekoren; wat men wil zijn slanke figuren, tenger en teer, sierlijk en klein; in de plaats van het gezond-heftige treedt het pikant-wellustige; wat men verlangt is verfijning, decadente romantiek in het zinnelijk genieten, men keert zich af van het geweldige der natuur en wordt meer en meer toegankelijk voor de meest phantastische perversiteiten. En daarbij wordt de natuurlijke bestemming der zinnelijkheid--dat is levenverwekking--angstvallig ontweken. Zingenot zonder gevolgen, visitatie zonder ontvangenis, wordt het algemeene streven, totdat men tenslotte in doellooze zinnelijkheid ondergaat.
En precies zooals zich dit alles afspeelt in gansche tijdperken, gaat het ook in het leven van waarschijnlijk ieder individu. Ongetwijfeld beweegt de zinnelijkheid van elk individu zich in de richting van een der hier geschetste uitersten. Met dit verschil dan tusschen individu en het geheel der samenleving, dat het individu zich alleen in de eene of in de andere richting consequent uit kan leven, terwijl het geheel tenslotte een grens en een hoogtepunt bereikt, dan op den afgelegden ontwikkelingsweg terugkeert en zich in tegengestelde richting begint te bewegen. Het individu kan zich als regel niet herstellen, het kan niet omkeeren, terwijl het geheel steeds zwanger gaat van zijn tegendeel, zoodat een machtig tijdperk steeds verval, en een tijd van verval steeds renaissances in zich bergt.
Hoe meer een tijdperk zinnelijk genieten terwille van het zinnelijk genot op den voorgrond stelt, des te grooter wordt de omweg dien men maakt naar het zinnelijk genot. De zege in de zinnelijkheid wordt gesplitst in tientallen gedeeltelijke overwinningen, en voor iedere zegepraal werpt men meerdere barricaden op, die eerst bestormd moeten worden, ook als de eindoverwinning reeds van te voren bij beide partijen vaststaat. Men rekt het genot door het te verschuiven tot later, men geniet door de begeerte te prikkelen en met de bevrediging te dralen. Elke erotische maaltijd moet bestaan uit eenige dozijnen schotels, die het hoofdgerecht voorafgaan en tot bijzaak maken. Het zinnelijk menu moet bestaan uit een aaneenschakeling van de uitgezochtste lekkernijen, die steeds den zinnelijken honger prikkelen zonder hem te verzadigen. Men verfoeit en minacht den eenvoudigen kost met slechts één gerecht, waaraan men zich zonder toespijzen verzadigt, zoodat de honger gestild is en er geen behoefte of begeerte naar meer overblijft. Direct op het hoofddoel los te gaan, anders dan bij wijze van afwisseling, geldt dan als alleen goed voor boeren en onbeschaafd volk, dat niet weet te leven.
Geheel in overeenstemming daarmee zijn in zulke tijden de heerschende schoonheids-idealen en dit werkt met de zekerheid eener natuurwet terug op alles wat het verkeer en het leven der sexen direct of indirect betreft, en vooral op de middelen, die de vrouw te baat neemt, om hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen.
De gezonde man in de volle kracht des levens gevoelt zich zinnelijk alleen aangetrokken tot de tot vollen lichamelijken wasdom gekomen volrijpe vrouw. De afgeleefde en uitgeputte zinnelijkheid van den grijsaard voelt zich daarentegen slechts aangetrokken tot de geslachtelijke onrijpheid; alleen de boezem die zich nog pas flauw begint te ronden, lokt hem aan. Evenzoo is het gesteld met de vrouw. In haar bloeitijd haakt zij naar den potenten man, die haar geslachtelijken honger tot verzadigens toe vermag te stillen en die aan het altaar van Priapus ware Herculeswonderen vermag te presteeren. De overrijpe matrone daarentegen, die den zinnelijk-krachtvollen man niet meer kan bekoren, richt het restant harer aantrekkelijkheid op de onervarenheid van den knaap, om haar in laatste flikkeringen oplaaiend vuur te koelen aan het eerste ontgloeien zijner opkomende manbaarheid.
En zooals in het leven der individuen is het hiermee ook gesteld in het leven der geslachten en volken. Het leven van de individueele deelen is een verkleind beeld van het leven van het geheel. Een volk in volle physieke kracht heeft een heroïsch forsch en krachtig, rijp en weelderig schoonheids-ideaal en het verzadigt zich daaraan met heroïsche kracht; de potentie is evenredig aan de begeerte. Een volk dat in een toestand verkeert van ouderdomsverval, heeft smaak in het onrijpe, in het on- en tegennatuurlijke, en wordt verteerd door impotente begeerte.
Uit het bovengezegde blijkt, dat het begrip schoonheid in hooge mate afhankelijk is van den aard der zinnelijkheid, en de aard der zinnelijkheid is weer voor een groot deel afhankelijk van het geheele geestelijke en stoffelijke milieu waarin het individu verkeert. Dit geldt allereerst van de zinnelijkheid van den man, doch ook, zij het misschien in mindere mate, van die der vrouw.
Het abstracte ideaal van vrouwelijke schoonheid heeft in de oudheid zijn hoogste uitdrukking gevonden in de Aphrodite-figuur der Grieken. Aphrodite, door de Romeinen Venus genoemd, is in de mythologie der Ouden de uit het schuim der zee geboren godin der liefde en der schoonheid. Als zoodanig overtreft zij alle hemelsche en aardsche wezens in bekoorlijkheid en bevalligheid. In haar gevolg zijn de drie Gratiën--de personificaties van het vurig zinnelijk verlangen. In haar gordel schuilt de tooverkracht aller zinnelijke betoovering, waartegen ook de wijzen niets vermogen. Al wat leeft in den hemel of op aarde is aan haar zoete macht onderworpen. Zij is de schenkster aller schoonheid en van alle liefdegeluk en zij is als zoodanig tevens de godin der huwelijken en van alle op wederzijdsch minnen berustende geslachtsgemeenschap.
De voorstelling eener uit de golven der zee opgestegen godin der liefde is uit Azië tot de Grieken gekomen--de Aphrodite der Grieken is de esthetisch verfijnde Astarte der volken van het oude West-Azië. Naar de plaatsen waar en de hoedanigheden waarin zij vereerd werd, droeg zij vele bijnamen, evenals de Venus der Romeinen. Als zinnebeelden der liefde waren aan haar toegewijd de myrte, de roos en de appel, als zinnebeelden der vruchtbaarheid de maan, de duif, de haas. De kunstenaars der oudheid stellen haar bij voorkeur voor als een jonge vrouw, schitterend in de weelderige schoonheid der jeugd, vol gratie en bekoorlijkheid.
In het gevolg van Aphrodite dacht men zich, naar wij boven reeds zagen, de drie Gratiën of Chariten: Euphrosyne (feestvreugde), Aglaja (gloed) en Thalia (bloeiend geluk), door de oude en de nieuwe kunst voorgesteld als liefelijke en bekoorlijke vrouwelijke wezens (zie de bijlage: De drie Gratiën).
Naast deze godin der liefde kende de Helleensche oudheid ook een god der liefde, meer speciaal der dartel-zinnelijke liefde. Bij de Grieken heette deze mannelijke liefdegod Eros, bij de Romeinen Amor en ook Cupido. Hij is de personificatie van de macht waardoor alle levende wezens op aarde ontstaan. Hij is de zoon van Aphrodite, een vader heeft hij niet. Bij de dichters is hij een dartele, bevallig-schoone knaap, een overmoedige kwelgeest van goden en menschen. Op gouden vlerken rondvliegend, gewapend met een boog en een gevulden pijlkoker, wondt hij al wat hij ontmoet in den hemel, op de aarde, in de zee en in de onderwereld. Hij is niet alleen de god der geslachtelijke liefde (die in de moderne literatuur naar hem ook wel erotische liefde wordt genoemd), maar ook der vriendschap. Gaarne brengt men hem in gemeenschap met Psyche (zie bijlage: Amor en Psyche), de personificatie van de menschelijke ziel, en dikwijls voorgesteld als een vlinder of als een meisje met vlindervleugels.
Appulejus geeft in zijn "Metamorphosen" van de verhouding van Eros (Amor) en Psyche de volgende liefelijke voorstelling.
Een koning had drie dochters, waarvan Psyche de jongste en mooiste was. Eros vatte liefde voor haar op en voerde haar in onzichtbare gedaante naar een eenzaam oord, waar zij in liefde met hem vereenigd leefde, echter zonder hem ooit te zien. Hare afgunstige zusters bewogen haar er bij Eros, ondanks diens verbod, op aan te dringen zich te vertoonen. Zij werd toen door Eros verlaten en zwierf droevig rond om hem terug te vinden. Eindelijk, na vele wederwaardigheden werd zij om het doorgestane lijden van schuld gereinigd geacht en voor altijd met hem vereenigd. Haar dochter gaf zij den naam van Gelukzaligheid. Appulejus heeft aan deze vertelling een wijsgeerigen zin gegeven. Eros is de machtige geest, die den mensch door schoonheid en liefde brengt tot het goede en daardoor tot gelukzaligheid; wil men meer dan hij daarvoor noodig acht, dan trekt hij zich terug en hem dan terug te vinden is een lange weg van lijden en wroeging.
Van de geheele eindelooze reeks van godenfiguren der oude mythologieën is er geen, die in de romantische en dichtliteratuur aller volken, alsook in de beeldende kunsten zoo veelvuldig voorkomt als Eros (Amor). Meest spreekt men dan in schertsenden zin, waarin dan evenwel een diepere beteekenis verborgen ligt. De groote Deensche sprookjes-dichter Andersen geeft van dezen beminnelijken kwelgeest de volgende voorstelling.