Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid

Chapter 4

Chapter 43,568 wordsPublic domain

De hier geschetste verschijnselen in de zinnelijkheid van man en vrouw geven natuurlijk slechts gemiddelden aan. Er zijn mannen die boven het hier gegeven beeld uitgaan, en er zijn vrouwen, die er beneden blijven. Evenwel wekt elke afwijking van dit beeld naar boven of naar beneden den indruk van onnatuur, en, is die afwijking sterk, van abnormiteit en ontaarding. Zoo is bijvoorbeeld de vrouw, die van nature of door de zeden is verruwd tot mannelijk-heftige zinnelijkheid, schaamteloozer en bruter in haar zinnelijkheid, dan de normale man. De geschiedenis en de literatuur, voor zoover deze laatste geen vrucht is van louter phantasie, leveren daarvan overvloedig voorbeelden, die ieder trouwens in eigen omgeving in ruime mate kan waarnemen. Alwin Schultz zegt van het hofleven ten tijde der minnezangers: De mannen zijn veel schaamachtiger dan de vrouwen. En hij staaft deze bewering met tal van feiten, o.a. merkt hij omtrent de gemeenschappelijke baden op, dat zelfs de deftigste adellijke dames er bij die gelegenheden vermaak in schepten, zich van alle kleeding te ontdoen en zoo den aanblik harer intiemste bekoorlijkheden aan alle aanwezige mannen prijs te geven. Terwijl de mannen in elk geval nog een schaamgordel aandeden, tooiden de vrouwen zich met hare sierlijkste kapsels en met prachtvolle armbanden en halssnoeren. Zoo pronkten zij op de meest coquette manier met hare naaktheid.

Waar wij dus de bewering, dat de vrouw van nature zinnelijker zou zijn dan de man, moeten afwijzen, op grond hiervan dat het liefdeleven der vrouw in wezen een geheel andere richting gaat dan dat van den man, dan is daarmee nog volstrekt niet gezegd, dat bij de vrouwen nooit een dermate felle en hevige zinnelijkheid voorkomt, dat ze die van den normalen man nog te boven gaat. Zoo iets te beweren zou onzinnig zijn. Want ten allen tijde en onder alle lagen der bevolking zijn er onverzadigbare Messalina-typen geweest, wier vurige zinnelijkheid aan het buitensporige grensde. Maar normaal is zulks bij de vrouwen in geenen deele; het Messalina-type is en blijft de uit zedenbederf of uit ziekelijke ontaarding ontstane uitzondering.

Het is er ver van af, dat met de hier bedoelde sexueele abnormiteit algemeene zedelijke minderwaardigheid noodzakelijk zou moeten gepaard gaan. Integendeel, ongewoon hevige zinnelijkheid gaat dikwijls vergezeld van algemeene genialiteit, die op zichzelf ook in strijd met den norm en dus abnorm is.

Degenen, die van meening zijn, dat de vrouw in het algemeen zinnelijker is, meer en sterker behoefte heeft aan sexueel verkeer dan de man, vinden hun krachtigste argumenten in de geschiedenis. Deze weet inderdaad op haast iedere bladzijde te verhalen van buitensporig zinnelijke vrouwen. De vrouwen, die zij ons leert kennen, zijn zelfs voor het meerendeel sterk erotische naturen. Dit verleidt licht tot generaliseeren--die weinige historische figuren neemt men als vanzelf als typen van de vrouwelijke sexe in het algemeen. De geschiedenis evenwel leert ons alleen het bijzondere kennen; zij is altijd sterk partijdig, in zooverre dat zij het gewone, het normale, het alledaagsche, als niet interessant, liefst stilzwijgend voorbijgaat, om zich geheel te verliezen in het ongewone, het opvallende en abnormale. Alleen de koortsig kloppende pols interesseert haar. Zoowel op dit als op elk ander gebied is hetgeen de geschiedenis ons bericht niet de regel, maar de uitzondering. En reeds hierin ligt een bewijs, dat de fel-zinnelijke vrouwen der geschiedenis niet het type aangeven van de vrouw in het algemeen, maar de afwijkingen van het type, nog afgezien van wat hierbij op rekening kan worden gesteld van onwillekeurige overdrijving.

De zinnelijke vrouwen der moderne roman-literatuur zijn louter scheppingen van de verhitte phantasie van den zinnelijken man. Veeleer dan photografieën naar de werkelijkheid zijn het louter anthropomorfismen. Evenals in de religies de mensch zich een God schept naar zijn eigen beeld, zoo schept in het materieele de man zich ook de vrouw naar zijn eigen beeld. De hevige zinnelijkheid, die men de vrouw toeschrijft, is weinig meer dan de eigen zinnelijkheid, die aan het woord is. Men ziet de vrouw niet gelijk zij werkelijk is, maar zooals men haar wenscht.

De literatuur van alle tijden bewijst overigens op treffende wijze, de grootere zinnelijkheid van den man. In de literatuur van mannen over vrouwen, speelt altijd het zinnelijke de hoofdrol, in de literatuur van vrouwen over mannen is dit hoogstzelden het geval. Tegenover duizenden van gloeiende zinnelijkheid trillende werken van mannen staan slechts eenige zeer weinige zoodanige werken afkomstig van vrouwen. Daaruit blijkt, hoe de vrouw het geheele stoffelijke en geestelijke leven van den man vult en dat in het leven der vrouw daarentegen de man maar een betrekkelijk geringe plaats inneemt, en dan nog minder in sexueel dan wel in ander, voornamelijk economisch opzicht.

In de beeldende kunst valt precies hetzelfde verschijnsel waar te nemen. Ook hier weer tegenover honderdduizenden heet-zinnelijke kunstgewrochten van mannenhand nauwelijks eenige weinige zoodanige scheppingen van vrouwen. De in beeld gebrachte phantasie van den man is als regel erotisch, en juist de zinnelijkheid heeft den man bezield tot zijn meest artistieke scheppingen.

En van welk ander standpunt men de zinnelijkheid van beide geslachten waarneemt, steeds blijkt, hoeveel grooter de macht der zinnelijkheid is over den man dan over de vrouw. Er is bijvoorbeeld geen enkele reden om aan te nemen, dat in de menschenwereld de zinnelijke verhoudingen anders zouden zijn dan in de dierenwereld. Evenals bij de woestheid van stier en hengst vergeleken koe en merrie paradijs-reine wezens zijn, evenzoo is het ten deze gesteld in de menschenwereld. Dat er naast duizendtallen sexueele gewelddaden door mannen gepleegd aan vrouwen nauwelijks een enkele verkrachting van mannen door vrouwen is te stellen, is in geenen deele louter hieraan toe te schrijven, dat de man physiek krachtiger is dan de vrouw; de zinnelijkheid van den man is zooveel heviger, en hij is die zooveel minder meester dan de vrouw.

Behalve in graad verschilt de zinnelijkheid van den man ook in aard ten eenenmale van die van de vrouw, gelijk wij boven reeds hebben opgemerkt. Op elke bladzijde dezer geschiedenis zal dit in onderdeelen blijken. Hier volstaan wij voorloopig met eenige algemeene opmerkingen.

In het leven der liefde _poseert_ de man als actieve partij, als aanvaller, en de vrouw als de zich gevende, passieve partij; de man speelt de rol van overwinnaar, hij schijnt op te treden met energie en onweerstaanbaar krachtsvertoon, hij schijnt de meester in het koninkrijk van de liefde en de vrouw de overwonnene, die tot de geslachtelijke overgave is genoodzaakt. Zoo is de schijn. En de werkelijkheid is precies andersom. De lijdelijkheid van de vrouw in het liefdeleven is gelijk aan de lijdelijkheid van de magneet, en de aanvallende activiteit van den man aan die van het ijzer. De verhouding tusschen ijzer en magneet geeft treffend de verhouding weer tusschen man en vrouw in het leven der liefde--eenerzijds schijnbare lijdelijkheid, die in werkelijkheid onweerstaanbaar aantrekkenden invloed uitoefent; anderzijds een even schijnbare activiteit, die in werkelijkheid zwicht voor onzichtbaar op hem werkende natuurkrachten. In de zinnelijke liefde is de vrouw de meerdere, de gebiedster, de heerscheres, rondom haar golft een stroom van bekoring, die den man aantrekt en vasthoudt en den schijnbaren veroveraar in werkelijkheid de slaaf maakt van de schijnbaar overwonnene. Als in zooveel andere dingen speelt ook in het liefdeleven de natuur een slechts voor geoefende oogen herkenbaar spel van schijn en wezen, waarbij de werkelijkheid precies de omkeering is van wat men meent te zien plaats vinden. De natuur heeft de vrouw de rol toebedeeld, zich tegenover den man passief te gedragen en hem tegelijkertijd op de meest geraffineerde manier te verlokken, te verleiden en aan haar voeten te trekken. De zegevierende aanvaller is in werkelijkheid de krijgsgevangene van de schijnbaar voor zijn aanval bezwekene. Zoo is den man in het leven der liefde het zware, moeilijke en onaangename werk overgelaten en zelfs de eer van de hoofdrol te vervullen, komt hem niet toe.

Tot het gehoorzaam volbrengen van deze ondankbare taak dwingt de natuur den man met behulp van diens heftige zinnelijkheid. Om deze te bevredigen moet de man tot de vrouw komen en hare gunst verwerven, en dit telkens weer, zoo dikwijls zijn geslachtsverlangen om bevrediging roept, dat is, zoolang de natuur ter bereiking van _haar_ doel den man kan gebruiken. De vrouw heeft niets te doen dan eenvoudig de magnetische kracht der bekoring, die van haar uitgaat, te laten werken. Hoe zinnelijker nu de man is, des te lichter is de verlokkingstaak van de vrouw en des te grooter is haar overwicht over den man, die niettemin nog altijd de rol van aanvallende, actieve partij blijft vervullen. De zooveel vuriger zinnelijkheid van den man ontheft de vrouw van de noodzakelijkheid hare schijnbare geslachtelijke koelheid af te leggen.

Zoo is de zinnelijkheid van de vrouw in aard altijd tegenovergesteld aan die van den man, ook dan wanneer de macht der zinnelijkheid over beiden even groot is. Hieruit ontspringen alle geslachtelijke verhoudingen tusschen man en vrouw, van begin tot einde, zoowel in het huwelijksleven als in het stadium van het eerste minnen.

De natuurlijke rol van de vrouw in het leven der liefde is veel samengestelder en ingewikkelder dan de natuurlijke rol van den man. In overeenstemming daarmee is ook de zinnelijkheid van de vrouw gecompliceerder dan de zinnelijkheid van den man. Stellen wij ons de schaal van de mannelijke zinnelijkheid voor als ééndeelig, dan is die der vrouwelijke wel honderddeelig. In het stoffelijke en geestelijke leven der vrouw speelt het geslachtelijke bij voortduring en zonder onderbreking een rol, het treedt nooit tijdelijk op den achtergrond, zooals bij den man, bij wien de zinnelijkheid vrijwel uitsluitend bestaat in bevrediging der geslachtsdrift en in erotisch genot haar einddoel ziet. Bij de vrouw staat het geheele leven onder den invloed van den geslachtszin, maar van de eigenlijke geslachtsdrift is de vrouw veel onafhankelijker dan de man, zij is die meer meester en ook openbaart de geslachtslust zich bij haar minder snel en minder stormachtig dan bij den man. Terwijl de geslachtsdrift van den man ten allen tijde licht ontvlambaar is, heeft de geslachtsprikkelbaarheid bij de vrouw een meer periodiek--bij tusschenpoozen optredend en dan weer insluimerend--karakter, hetgeen blijkbaar in verband staat met de menstruatie en in aard overeenkomt met den periodieken paartijd bij de dieren. In die tusschenpoozen van sluimerende geslachtelijke prikkelbaarheid is de vrouw sexueel in die mate ongevoelig, dat velen, waaronder Lombroso, de vrouw een natuurlijke geslachtelijke gevoeligheid meenen te moeten ontzeggen. In vele gevallen heeft het inderdaad den schijn, of de zinnelijkheid der vrouw eenvoudig bestaat in het opwekken der zinnelijkheid van den man. Haar eigen geslachtelijke bevrediging zou dan gelegen zijn in de wetenschap begeerd te worden en die begeerte bevrediging te schenken. In elk geval eindigt de eigenlijke geslachtsfunctie der vrouw niet, zij begint integendeel nauwelijks met de bevrediging der sexueele zinnelijkheid. Uit dit feit vloeien voor het geheele verkeer der sexen een menigte consequenties voort, die zich bij alle verhoudingen tusschen man en vrouw doen gelden en het geheele gebied der sexueele zeden beheerschen.

Bij de vrouw staat het geheele stoffelijk en geestelijk leven onder den directen invloed der sexualiteit en de zinnelijkheid is van die sexualiteit slechts een der factoren. Bij den man is de geheele sexualiteit geconcentreerd op de bevrediging der zucht naar geslachtsgenot. De mate, waarin de man onder den invloed staat van zijn zinnelijkheid, schijnt verschillend naar ras, klimaat en andere uitwendige omstandigheden, en individueel weer naar leeftijd, temperament en lichamelijke gesteldheid, maar altijd vertoont de mannelijke zinnelijkheid, zoo niet als eenig dan toch als hoofdkenmerk: verlangen naar sexueel verkeer. Met de bevrediging sluimert de geheele mannelijke zinnelijkheid voor korteren of langeren tijd in.

Dit verschil in zinnelijkheid bij man en vrouw heeft tengevolge, dat de wederzijdsche sexueele waardeering eveneens verschillend is. De geliefde vrouw is voor den man in hoofdzaak, zoo niet uitsluitend, een voorwerp van erotisch genot, zijn liefde jegens haar hangt af van de mate van sexueele bekoring, die zij op hem uitoefent. Verzwakt die bekoring, dan verzwakt ook zijn liefde, werkt een andere bekoring sterker op hem in, dan verplaatst zich ook zijn liefde. Vandaar het verschijnsel bij den man in het algemeen, dat men zijn polygamischen aard noemt, de onbestendigheid in zijn zinnelijkheid, zijn spoedig verzadigd zijn van het eene liefdesobject en zijn voortdurende ontvankelijkheid voor nieuwe prikkels, een verschijnsel, dat in het liefdeleven der menschen een der belangrijkste factoren is.

Tegenover het polygamische karakter der mannelijke zinnelijkheid staat wel iets dergelijks bij de vrouw, maar het doet zich bij haar meer sporadisch voor en daarenboven in veel zwakkere mate, weer een natuurlijk gevolg hiervan, dat in de vrouwelijke zinnelijkheid de bevrediging van den geslachtslust een meer ondergeschikte plaats inneemt. Iedere man, zou men kunnen zeggen, begeert alle vrouwen; zijn zinnelijkheid is bijna keusloos, de zinnelijkheid vervult zijn gansche wezen in die mate, dat ter bevrediging ieder object hem welkom is, zonder dat eerst liefde of zelfs maar genegenheid, hoe vluchtig ook, eenigerlei toenadering behoeft te hebben bewerkt--de prostitutie bewijst zulks. Bij de vrouw is dit als regel weer geheel anders. Tot de vrijwillige sexueele overgave komt de vrouw alleen door gevoelens, die met de zinnelijkheid wel in verband staan, maar daar tevens boven staan. Uit zinnelijken drang geeft de vrouw zich niet aan den eersten den besten onbekende, hare gecompliceerde zinnelijkheid zou daarbij geen bevrediging vinden. De zinnelijke man daarentegen stelt zich wel met de eerste de beste tevreden en zijn zinnelijkheid van zooveel lager orde kan daarbij ten volle de bevrediging vinden, die hij zoekt.

Er is nog een verschil tusschen de mannelijke en vrouwelijke zinnelijkheid, dat misschien meer nog dan de reeds opgesomde verschillen, tusschen beider sexueel bestaan een diepe scheiding maakt en aan het zinneleven der vrouw een eigenaardige kleur geeft, die bij den man volkomen gemist wordt. De zinnelijkheid van den man is zuiver materieel en louter animaal, onderscheidt zich in wezen in het minst niet van die der mannetjesdieren; in het zinnelijke is hij niets dan het fel-begeerige geslachtsdier. Het liefdeleven van de vrouw daarentegen is als doortrokken van mystiek. Ook bijgeloof speelt er een zeer groote rol in, en indien de vrouw godsdienstig is aangelegd, is ook haar zinnelijkheid sterk vermengd met religieuse gevoelens en opvattingen. Ook in de zinnelijkheid blijkt de vrouw bovenal gevoelsmensch. Alle streven om de zinnelijkheid te idealiseeren en tot iets bovenzinnelijks te verheffen, de sexueele zeden te verfijnen en te veredelen, gaat uit van de vrouw en het is hare mystieke opvatting, ook van het liefde- en zinneleven, die haar daarbij onbewust drijft. De zinnelijkheid van de vrouw zoekt naar verfijning, is delicaat en teer, die van den man daarbij vergeleken bruut, gewelddadig en plomp.

Het mystieke karakter der vrouwelijke zinnelijkheid blijkt uit de geschiedenis der godsdiensten. De tempels zijn de eerste bordeelen geweest en ongeveer elke religie heeft onder een of anderen vorm gekend wat men noemt gewijde prostitutie. Of latere tijden zich beijveren zulks te stempelen tot ontaarding als anderszins, verandert niets aan de feiten. En die feiten zijn, zoowel bij het Christendom als bij andere godsdiensten, dat vrouwen, die (aanvankelijk voorzeker uit zuiveren zielsdrang) zich in tempels, kloosters als anderszins afzonderden om haar leven te wijden aan mystieke kuischheid, temidden van haar streven om zich te verheffen tot bovenaardsche reinheid typische voorbeelden konden worden van de meest felle vrouwelijke zinnelijkheid. Wij verwijzen hier slechts naar de Vestaalsche maagden der oudheid en naar vele nonnenkloosters der middeleeuwen. De berichten omtrent de grove zinnelijkheid en de geslachtelijke buitensporigheden van vele dezer "klooster"-zusters vormen op zichzelf een reusachtige bibliotheek. Zoo schrijft de vermaarde kroniekschrijver Gailer van Kaisersberg van den tijd der hervorming: "dat de meisjes toenmaals in het klooster gingen, omdat men daar het best het vleesch kon dienen." Vele z.g. vrouwen"kloosters" der 15e-18e eeuw waren niets anders dan plaatsen van losbandig vermaak voor den adel en de patriciërs, en in vele daarvan was des nachts geen nonnencel zonder bezoeker. De kronieken leeren ons, dat kloosters toenmaals de eigenlijke hoogescholen waren der galanterie en der meest uitgezochte zinnelijke genietingen. Door den zuiverenden invloed van de wederkeerige controle der concurreerende godsdiensten onderling, en ook op grond van de noodzaak om tegenover de toenemende godsdienstloosheid een vertoon te kunnen maken van hooger zedelijkheid, is daar eerst in den modernen tijd algemeen verandering in gekomen. Later komen wij uitvoerig hierop terug.

Het bijgeloovige karakter der vrouwelijke zinnelijkheid valt o.a. duidelijk te onderscheiden in een der gruwzaamste ontaardingen van den menschelijken geest, die de geschiedenis heeft aan te wijzen, n.l. de middeleeuwsche heksengeschiedenissen. Voornamelijk de vrouwen en de vrouwelijke zinnelijkheid spelen daarin een rol, en daaronder weer hoofdzakelijk de zich in mystiek verdiepende vrouwen. De ondergrond toch van alle heksenvrees en heksengeloof was de opvatting der Christelijke kerk, dat door de vrouw de zonde in de wereld gekomen is en door de zonde de dood. Van deze opvatting uitgaande is het maar een kleine stap om tot de overtuiging te komen, dat de schoot der vrouw de ingang is naar de hel, en dat de vrouw in voortdurende gemeenschap staat met den duivel. Bij deze voorstelling kwam nog een tweede. De vrouw wordt gaarne voorgesteld als een ondoorgrondelijk raadsel, namelijk in hare bekorende macht over den man. Door deze onweerstaanbare macht die iets geheimzinnigs schijnt te hebben--hoewel zij louter gelegen is in de onverzadigbare mannelijke zinnelijkheid--werd de vrouw in de phantasie der mannen, en ook dikwijls der vrouwen zelf, een demonisch wezen in menschengedaante, en in de onweerstaanbare bekoring die de vrouw uitoefent op den zinnelijken man, zag men iets duivelachtigs, iets, waarvan Satan zich bedient om de zielen ten verderve te voeren. Zoo ontstond de heks en al wat zich daaromheen heeft afgespeeld, waarop wij later gelegenheid zullen hebben breedvoerig terug te komen. Hier willen wij omtrent dit verschijnsel alleen nog dit opmerken. Bij al deze heksengeschiedenissen en alle daaraan verwante verschijnselen, zooals de hysterische epidemiën in de kloosters, heeft men klaarblijkelijk alleen te doen met niets dan een soort erotischen godsdienstwaanzin. Men overlaadde den geest zoodanig met voorstellingen van sexueele reinheid en met schrikbeelden voor het zondigen daartegen, dat men tenslotte onderging in sexueele onreinheid. De bijtwoede en de besmettelijke waanidee van door den duivel te zijn onteerd, die dikwijls heele nonnenkloosters aanstak, waren eenvoudig manzieke aanvallen, niets dan nymphomane excessen, voortgekomen uit met geweld onderdrukten geslachtslust, die door het steeds denken aan sexueele reinheid wel werd aangewakkerd, maar niet gedood. De man als bevrediger der geslachtslust was het, die in deze onreine deliriën der naar bovenzinnelijke reinheid strevende vrouwen rondspookte, razende geeuwhonger naar geslachtsverkeer en niets anders was de duivel, die in het bloed dezer alle geslachtsverkeer schuwende nonnen woedde. Duizenden naar vlekkelooze reinheid hakende nonnen minden onbewust in Jezus alleen den man, en haar geheele leven van geslachtelijke onthouding was één voortgezette geestelijke ontucht.

Van abnormaal-hevige zinnelijkheid kan bij den man nauwelijks gesproken worden. De macht van den man over zijn zinnelijkheid is uiterst gering, zijn geslachtelijke prikkelbaarheid zeer groot. Men kan in het algemeen dan ook zeggen, dat de man als regel steeds, waar hij daartoe de gelegenheid heeft, zijn zinnelijkheid botviert tot de grens zijner geslachtelijke potentie.

Bij de vrouw is dit weer geheel anders. Haar macht over de zinnelijkheid van haar eigen lichaam is ongeëvenaard grooter dan bij den man, en juist door haar geslachtelijke koelheid is zij in sexueele dingen bijna altijd de meerdere van den man. Om deze reden kan men wel spreken van abnormaal-hevige zinnelijkheid bij de vrouw. Individueele voorbeelden daarvan zullen wij in de verdere deelen van dit werk bij menigte leeren kennen. Hier volstaan wij met eenige typische bijzonderheden in dit opzicht.

Gewoonlijk wordt bordeelbezoek uit zinnelijkheid alleen toegeschreven aan mannen. In het bordeel zoo meent men, is het de man, die het tekort aan bevrediging zijner zinnelijkheid komt aanvullen, terwijl de vrouw die zinnelijkheid alleen exploiteert, ter geldwinning. Dit is echter niet geheel juist. Deze plaatsen ter bevrediging der grofste zinnelijkheid, wisten reeds de Romeinsche vrouwen der oudheid evenzeer te vinden; zij bezochten incognito de bordeelen en gaven zich daar af met de bezoekers als gewone publieke vrouwen. De geschiedenis vermeldt zoo iets uit verschillende tijden, als een geliefkoosde sport van bij voorkeur voorname dames, en volstrekt niet alleen onder de Heidensche, ook onder de Christelijke beschaving kwam zulks voor. Uit de 14e, 15e en 16e eeuw bijvoorbeeld vermelden talrijke kronieken, dat vrouwen, als eerbaar bekend staande en uit de deftigste familiën, in bordeelen verrast werden, dikwijls door haar eigen mannen. Uit de dorre registers der 18e-eeuwsche Parijsche politie zijn ten deze kort geleden interessante bijzonderheden bekend geworden, die voor de kennis der sexueele zeden van het grootste gewicht zijn. Daaruit verneemt men bijvoorbeeld dat talrijke dames der hoogste standen geregelde bezoeksters waren van beruchte huizen van ontucht; ook, dat vele harer koppelaarsters in haar dienst hadden, die onbekende manspersonen, reizigers, officieren, geestelijken enz., bij haar hadden te brengen. En voor eenige jaren is plotseling als door een toeval, officieel het bewijs geleverd, dat ditzelfde ook nog plaats vindt in onzen tijd. De burgemeester van Philadelphia, het geïntrigeer tegen hem van de grootkapitalisten dier stad moede, liet, om zich te wreken, in den zomer van 1903 zekeren avond een razzia houden in alle deftige bordeelen, met het resultaat, dat onder de naar de politiebureaux geleide bezoekers en bezoeksters dier inrichtingen, een groot aantal dames der geldaristocratie van Philadelphia werden aangetroffen. En, hoewel op minder opzienbarende wijze, worden in alle groote bevolkingscentra der oude en nieuwe wereld van tijd tot tijd gevallen ruchtbaar, waaruit blijkt, dat ook de vrouw het bordeel weet te vinden, om haar onbevredigde zinnelijkheid den vrijen teugel te vieren, haar zinnelijke energie ten volle uit te leven.