Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid
Chapter 2
Liefde zoo opgevat wordt in de nieuwere literaturen veelvuldig aangeduid als _Platonische liefde_. Inderdaad vindt men in de dialogen van Plato sporen van een onderscheid, door den grooten philosoof van het Schoone gemaakt tusschen zinnelijke en onzinnelijke liefde, speciaal in den dialoog die den titel draagt _Het Gastmaal_. Op een feestmaal, waarmee de dichter Agathon zijn kort te voren in een dichterwedstrijd behaalde overwinning viert, besluiten de gasten om de beurt een lofrede te houden op Eros (= Amor). Phaedrus, Pausanias, Eryximachus, Aristophanes en Agathon voeren eerst het woord en beschouwen het onderwerp van verschillende kanten, elk naar zijn persoonlijke levensbeschouwing. De blijspeldichter Aristophanes bespot op zijn geniale wijze al deze beschouwingen evenals de gewone opvatting, als zou de liefde alleen een streven zijn naar zinnelijken lust. Tenslotte neemt Socrates, Plato's leermeester, het woord; deze prijst de bovennatuurlijke liefde als de levende en onsterfelijke wijsbegeerte, wier doel is de heerlijkheid aan te toonen van de deugd, als de eenige, de ware en onvergankelijke schoonheid. Dit dichterlijk stuk Platonische wijsbegeerte, van begin tot einde gehouden in den even krachtigen als dichterlijken stijl, die dezen denker der oudheid kenmerkt, is een heerlijk hooglied der liefde, waartoe alle Muzen het hare hebben bijgedragen, en waarin de auteur al de schatten zijner phantasie, zijner welsprekendheid en zijner stilistische schoonheden, rijkelijk gekruid met Attisch zout, over zijn lezers uitstort.
De liefde, als dichterlijk motief, is een goudmijn, die nimmer kan worden uitgeput. Zij is dan ook voor alle groote dichters het onderwerp, dat hen onweerstaanbaar aantrekt en waar zij de liefde bezingen, daar viert steeds hun genie de heerlijkste triumfen. Hoe grooter het dichtergenie, des te verhevener, idealer en romantischer hun opvatting van de liefde. Hun liefde is een oneindige wereld; zij is paradijs, hemel en hel tegelijk. En deze liefde ontdekken zij voornamelijk bij de vrouw.
Geen der groote dichter-denkers der eeuwen heeft het wezen der liefde zoo doorvorscht als Shakespeare en de resultaten van zijn ontdekkingstochten in dit geheimnisvolle gebied heeft hij ons geopenbaard in zijn onsterfelijke werken. En steeds is het de vrouw, waarbij hij de liefde vindt in haar verhevenste en aangrijpendste openbaringen,--Miranda, Perdita, Julia, Viola, Beatrice, Rosalinde, Imogene, Desdemona. En ook de furie-achtige ontaardingen leert hij ons kennen: Cleopatra, koningin Margaretha, lady Macbeth. Nooit zijn zijn vrouwen en haar liefde onbeduidend of minderwaardig. "Andere dramatische dichters, zegt Heine, hebben in den kleingeestigen nijd en naijver, in de wederkeerige ijverzucht der vrouwen jegens elkander stof gevonden voor humor en satire. Shakespeare in zijn machtige grootheid versmaadde zulke minderwaardige motieven, zelfs in zijn blijspel. De edelste gevoelens inspireert hij zijn vrouwen en zoo ontstaan de liefelijke en verheven verhoudingen, die wij in zoovele zijner vrouwenfiguren moeten bewonderen." Shakespeare geeft in ideale volmaaktheid de drie hoofdlijnen der liefde te aanschouwen: de ideale liefde in Miranda, de romantiek der liefde in Julia, de woest-zinnelijke liefde in Cleopatra.
Ook de liefde ontkomt echter niet aan de natuurwet, dat alles van minstens twee kanten is te beschouwen. Naast lofzangen zijn er ook vloekzangen op de liefde.
De liefde, zoo definieert ontnuchterend Mantegazza, is de meest schaamtelooze, de zelfzuchtigste, de onwederstaanbaarste en ergerlijkste aller menschelijke ongerechtigheden. Tegen alle waarheid, deugd, dankbaarheid, wetten en zeden in verslingert zij haar gunst aan den eerste den beste, aan het hoogste of het gemeenste, al naar het toeval dat wil.
Romantisch verheven liefde heeft haar eigenaardige gevaren. Als een der partijen met deze liefde een gewetenloos of lichtzinnig persoon bemint, is hij of zij verloren. Het behoort tot de grootmoedigheid der liefde, dat zij blind maakt. Het behoort, zegt Victor Hugo, in het bijzonder tot liefde der vrouw, dat zij grootmoedig is en edelmoedig, zoo, dat zij zich geheel overgeeft. Zoodra hare liefde den hoogsten graad heeft bereikt, wordt het maagdelijk gevoel der vrouw op zonderlinge wijze als bedwelmd. En aan welke gevaren stelt ge u dan bloot, o edele zielen! Gij geeft het hart, wij nemen vaak slechts het lichaam. Uw hart blijft u over en bevend beschouwt ge het in het donker dat volgt op het licht dat bedriegelijk bleek. De liefde kent geen middenweg--zij verderft of zij redt. In dit dilemma ligt het geheele menschelijke lot. Als de liefde niet het leven is, dan is zij de dood. Van alle dingen die bestaan ontwikkelt de liefde het meeste licht, maar ook de meeste duisternis.
In de liefde is alles onwaar en alles onecht, oordeelt Chamfort. Een verliefde is een mensch, die beminnelijker wil zijn dan hij wezen kan; vandaar komt het, dat haast alle verliefden belachelijk zijn. Trek van de liefde de eigenliefde af, en de rest is weinig meer dan niets.
Liefde, zoo de dichtkunst en de romantiek ons die doen kennen, is, hoe beiden haar ook verheerlijken, zelden een bron van geluk, gewoonlijk een bron van romantisch ongeluk. Of zij bestaat, men mag het bij zoo stellige verzekeringen niet betwijfelen, maar vast staat in elk geval wel, dat deze liefde zeldzaam is, en dat zij doelloos is.
De reine of platonische liefde is een integreerend deel van de liefde, en de wellustige zinnelijkheid is evenzeer een integreerend deel van de liefde; en als men deze beide deelen tezamen brengt, is het product de door de natuur gewilde liefde.
II.
ZINNELIJKHEID.
Tegenover de liefde als het heilige vuur, dat de sexen in reinheid tot elkander drijft, pleegt men als het onheilige vuur de zinnelijkheid te stellen, die men daarbij voorstelt als te bestaan in louter onrein, dierlijk lijfsbegeeren. In deze dualistische opvatting is de liefde het sexueele goed en de zinnelijkheid het sexueele kwaad, de eerste het hoogere geestelijke, de laatste het lagere materieele. Naast deze opvatting van de zinnelijkheid zijn er nog tal van andere, die hierin overeenstemmen, dat zij liefde en zinnelijkheid aanmerken als twee tegen elkander indruischende of aan elkander ondergeschikte, in elk geval geheel verschillende grootheden.
Bij de dichters en romantici der oude sentimenteele school vinden wij de zinnelijkheid even diep verafschuwd als de liefde door hen wordt verheerlijkt. Het zijn in hunne voorstellingen zooveel als de twee polen van het liefdeleven, de twee verst van elkander gelegen mogelijkheden in het verkeer der sexen. Van de liefde vernemen wij niets dan schoons, heerlijks en edels, van de zinnelijkheid niets dan leelijks, inferieurs en schandelijks.
Zulke meeningen zijn niet louter dichterlijke en literaire overdrijvingen. Zij weerspiegelen opvattingen die werkelijk in de voorstelling veler menschen leven. De vraag, wat liefde is en wat zinnelijkheid, beantwoordt men zich algemeen in dezen zin, dat de liefde louter een reine gemeenschap der zielen schept, en dat de zinnelijkheid alleen vleeschelijk genot, lichamelijken wellust zoekt en beoogt. Deze opvattingen beheerschen vrij algemeen de denkbeelden omtrent het leven der sexen en zij hebben op de sexueele zeden een zeer ingrijpenden invloed.
In werkelijkheid vloeien beide factoren--indien men aan het denkbeeld van twee factoren in het liefdeleven wil vasthouden--zoo onontwarbaar ineen, dat het onmogelijk is de juiste verhouding, waarin beide in een bepaald geval aanwezig zijn, aan te geven. Dit staat echter wel vast, dat rekenkundig uitgedrukt elke liefde _altijd_ een zeker percentage bewuste of onbewuste zinnelijkheid bevat, en dat in zinnelijkheid _veelal_ een grooter of kleiner gehalte aan liefde verborgen is. En vaster nog staat dit, dat louter liefde, zonder zinnelijk begeeren, dus zonder lichamelijk verkeer, nutteloos en doelloos zou zijn en in laatste instantie onvermijdelijk zou moeten voeren tot uitsterving van het menschdom. Zinnelijkheid zonder liefde kan schijnbaar wel tot het door de natuur beoogde doel leiden, maar in werkelijkheid wordt ook in dit geval dat doel in den regel niet bereikt. Want door zinnelijkheid die niets zoekt dan lichamelijk verkeer is de prostitutie ontstaan.
De door de natuur gewilde toestand schijnt dus wel deze te zijn, dat liefde steeds vermengd zij met een zekere dosis zinnelijkheid, en dat zinnelijkheid steeds haar oorsprong neme uit liefde. De mate waarin beide factoren meewerken aan de door de natuur verlangde uitkomst hangt dan waarschijnlijk geheel af van individueele eigenschappen en eigenaardigheden. En waar beide factoren even onmisbaar mogen worden geacht, mogen beide ook in gelijke mate aanspraak maken op erkenning van te zijn even superieure, niet minder- en meerderwaardige, maar gelijkwaardige krachten. Achter het gansche spel toch van liefde en zinnelijkheid schijnt zich weer een wondervol doelmatige arbeidsverdeeling te verbergen, waarbij een deel van den noodzakelijken arbeid is opgedragen aan wat men noemt geestelijke krachten, en het andere deel aan stoffelijke krachten, zoo, dat alleen harmonische samenwerking van deze beide bereiking van het gestelde doel garandeert, terwijl eenigerlei abnormaal overwicht van een van beide factoren onmiddellijk dat doel bedreigt en in gevaar brengt.
Evenals ieder levend wezen is ook de mensch onderworpen aan de natuurwet, die aan al wat leeft slechts een tijdelijk bestaan toestaat. Maar gedurende dat tijdelijk bestaan heeft ook de mensch het vermogen zich in een gelijkvormig wezen te reproduceeren. Deze reproductie, waarvan het voortbestaan van het menschdom afhangt, vereischt de samenwerking van twee individuen van verschillende sexe. Deze samenwerking wordt door de liefde voorbereid en veredeld, maar zij wordt in en door de zinnelijkheid voltrokken.
En hoe etherisch de liefde van twee romantisch minnenden ook moge zijn, ten slotte zal er een oogenblik komen, dat twee blijven niet langer kan en het vuur der zinnelijkheid hen in elkanders armen drijft en hen vereenigt tot een twee-eenheid, waarboven Amor zegevierend zijn pijlbundel zwaait.
Zoo zijn liefde en zinnelijkheid twee factoren in het geslachtsleven, waarvan elk zijn zeer bepaalde functie heeft te vervullen en die beide onmisbaar zijn te achten voor het normaal, dat is het door de natuur gewilde verloop van de geslachtelijke verhouding tusschen man en vrouw.
"Om de betrekkingen tusschen man en vrouw te kunnen begrijpen, zegt Dr. Julius Weiss (vertaling van Dr. B. C. Goudsmid in _Man en Vrouw_), moet men teruggaan tot de alleroudste geschiedenis der menschheid, tot den oorsprong van alle leven, tot de dierenwereld, tot aan de laagste vormen, en zelfs tot het plantenrijk en de eencellige organismen. Paring, voortplanting en vermenigvuldiging is verbonden aan al wat leeft. Samensmelting en deeling bestaat tot bij de eencellige wezens toe. Reeds bij de klokdiertjes vindt men twee verschillende soorten van individuen, die als mannelijke en vrouwelijke kunnen worden beschouwd. Hoe hooger we stijgen in de reeks der dieren, des te duidelijker wordt het verschil en des te scherper treedt de wet op den voorgrond, dat die twee individuen die in vorm verschillen, met elkander in betrekking trachten te komen. Duizendvoudig zijn de bijzondere vormen waarin zich het elkander begeeren en het elkander vinden afspeelt. Terwijl het echter bij de lagere diersoorten slechts de instinctmatige aandrift is, die de betrekkingen tot mannelijk en tot vrouwelijk element doet ontstaan, komt er bij den mensch nog de werkzaamheid der hersenen bij, welke op die betrekkingen een belangrijken invloed uitoefent. Geestelijke krachten komen in het spel, die onzichtbare draden spannen tusschen den man en de vrouw; deze draden winden zich vast om de beide geslachten en ketenen ze aan elkander--bij de dierlijke aandrift voegt zich de liefde."--
De zinnelijkheid staat dus niet lager dan de liefde, maar zij is het doel van de liefde.
Uit heel de levende natuur gaan aanhoudend stemmen op om al wat leeft, ook den mensch, in de liefde te onderrichten. De natuur wil dat de mensch beminne, en dat hij beminne in zinnelijkheid. Daarvan spreken tot hem al de tallooze stemmen waarover de natuur beschikt. Daartoe dringen hem, evenals Serge en Albine in het Paradou, de bedwelmende geuren der bloemen, geuren die hem verhalen van den bruiloft der rozen, van den bruidstijd der viooltjes, van al de weelderige zinnelijkheid van het vurige leven. Uit de boomgaarden voert de wind den geur aan van rijpe vruchten, een geur zwaar van vruchtbaarheid en beladen met prikkelende specerijen, vanille en muscaat. Uit de velden en weilanden verheft zich het zoete gefluister der millioenen grassen, de gedempte liefkozingen eener ontelbare paarzieke menigte. Aan de oevers buigen zich de wilgen in hevig verlangen, zich spiegelend in de naaktheid der stroomen, wier oppervlakten huiveren onder het liefkozend kussen der zon. In het bosch suist geheimzinnig de tragische hartstocht der eiken en van al het hooge geboomte, waar bij het geritsel der takken in de heiligdommen van het gebladerte duizenden liefdestooneelen zich afspelen, terwijl de heesters omlaag onder luidruchtig stoeien zich om elkander strengelen om liefdes-gunstbewijzen te rooven met de onverzadigbaarheid van uitgelaten gelieven.
Duidelijker nog verkondigen de stemmen uit het dierenrijk, dat de algemeene levenswet is beminnen. De krekels in het gras sjirpen van liefde tot stervens toe. Kleurige vlinders wisselen al fladderend voor onze oogen hun begeerige kussen. In de takken ruischt het zoete geritsel der nesten, vol trillend leven. In het bosch, op het veld, overal gloeien vurige oogen, glinsterend van onverzadigbare paardrift. Waar men den blik wendt ontwaart men naar bevrediging hunkerend liefdesverlangen. Waar maar een wijfje is, is een mannetje, huilend van begeerte of hijgend van uitputting. In de wateren zijn het de dartele visschen, die hun versch-bevrucht kuit toevertrouwen aan de broedende koestering der zon. In sloot en in plas klinkt het minziek gekwaak der kikvorschen bij hun dagenlangen wellust. Op donkere plekken liggen paarsgewijs in elkander gekronkeld sissende slangen, schier bezwijmend van genot en rillend van verrukking. Onder ieder blaadje wordt een insect bevrucht, onder elk grasje vermenigvuldigen zich familiën, alles ademt voortplanting en teeldrang--de gansche natuur is één algemeene levenverwekking.
De liefde laat den mensch in een mensch van de andere sexe zijn beter en hooger ik aanschouwen. Zij voert twee wezens met differente krachten en hoedanigheden tot elkander, om gezamenlijk de taak der bestendiging van het leven te vervullen. Zij is daarbij de bovennatuurlijke wijding der door de natuur gewilde ontwijding, de geestelijke voorbereiding tot de stoffelijke gemeenschap. De liefde is de wolk van poëzie rondom de verrichtingen der dierlijkheid--zij dekt het laagste met het hoogste.
Zonder liefde leeft de mensch gemakkelijker, maar nutteloozer. Waar het wonder der liefde tot volle ontplooiing komt, daar is zij de schitterende kroon des levens. In de liefde worden man en vrouw elkanders verlosser en heiland, elkanders haven der rust in de stormen van het woelige leven.
Maar de liefde, om niet in doelloosheid te verzinken, behoeft als levenwekkende factor het vuur van de zinnelijkheid. In zinnelijkheid, uit liefde geboren, is niets onreins meer. De in liefde begeerende mannelijke zinnelijkheid ziet in de vrouw niet meer louter het wijfje, minder nog enkel een voorwerp van wellust-voldoening, maar zij is hem opgegaan als een verheven zinnelijke macht, de moeder van komende geslachten--zij is den zoo begeerende geen erotisch verbruiksartikel, maar het liefelijkst wonder der schepping. En hierin komt dan bij het schijnbaar dierlijke de engel weer boven, die volgens Pascal is in den mensch.
Liefde zonder zinnelijkheid is onbestaanbaar of zoo al bestaanbaar, doelloos. Zinnelijkheid zonder liefde is een surrogaat of een karikatuur van de liefde.
Liefde is het middel der natuur om de zinnelijkheid geconcentreerd te houden op een bepaald individu. De vatbaarheid voor zinnelijke liefde is, evenals de begeerte naar het zinnelijk genot, bij beide geslachten verschillend. Voor zinnelijkheid zonder liefde is de man veelal wel vatbaar. De vrouw zelden. De zinnelijkheid der vrouw ontvlamt in den regel eerst door liefde, en is daarvan bijna onafscheidelijk. Hare zinnelijkheid is in hooge mate subjectief, die van den man daarentegen objectief. De zinnelijkheid der vrouw gaat als regel uitsluitend uit naar den geliefden man; de zinnelijkheid van den man richt zich op de vrouw in het algemeen; vandaar dat de man zich gemakkelijker tevreden stelt met surrogaat, in den vorm van bordeelbezoek als anderszins. Nog in tal van andere opzichten verschilt de zinnelijkheid van beide geslachten in zeer sterke mate, gelijk wij in het volgend hoofdstuk nader in het licht stellen.
Het bovenbedoelde verschil in de zinnelijkheid van man en vrouw schijnt mede een der redenen, waarom de vrouw, in de jeugd tenminste, meer neiging bezit tot dwepende, reine, onzinnelijke liefde, dan de man. "In tegenstelling met de mannen, zegt Stendhal, zijn nagenoeg alle vrouwen vatbaar voor dwepende liefde. Van den eersten roman af, dien het jonge meisje van vijftien jaar in het geheim leest, wacht zij in stilte op de komst van den liefdes-hartstocht, zonder zich in het minst bewust te zijn van het zinnelijk element harer verwachting. Alleen een groote hartstocht heeft waarde voor haar. Dit dwepend verlangen wordt nog sterker tegen het twintigste jaar, als zij de eerste teleurstellingen des levens heeft ondervonden, en nooit sterft dat liefdes-verlangen geheel weg uit haar ziel, terwijl de man op zijn dertigste jaar de liefde voor iets kinderachtigs, onmogelijks of belachelijks houdt."
Wat ten slotte de zinnelijkheid van den man zich doet richten op een bepaald individu der andere sexe, dat zijn de uiterlijke bekoorlijkheden, die dat individu bezit, en die zich aan zijn zinnelijkheid voordoen als schoon en begeerlijk. In alle belangstelling van den man jegens een vrouw is als regel van het eerste oogenblik af een hoog percentage bewuste zinnelijkheid. De ontroering, welke den man overvalt bij den aanblik eener vrouw wier uiterlijke persoonlijkheid hem aantrekt, en hem gemeenschap met haar voorspiegelt als het hoogste geluk, is niets dan ontvlammende geslachtslust, "niets dan een wellustige waan, zegt Schopenhauer, die den man doet gelooven, dat hij in de armen van juist die vrouw, op wier uiterlijk schoon zijn zinnelijkheid reageert, intenser genot zal vinden dan in die van welke andere ook, of dat het bezit van juist dat vrouwelijk individu hem een bijzonder geluk zal verschaffen. Het is alleen het instinct dat hier werkt."
De gansche levende natuur is naar wij boven reeds hebben geschetst doortrokken van zinnelijkheid. Ook de menschenwereld, neen, vooral de menschenwereld. Elke verhouding tusschen een man en een vrouw bevat eenige procenten zinnelijkheid. Er is geen enkele intieme betrekking tusschen twee normale personen van verschillende sexe, die geen erotischen ondergrond heeft, of waarbij zich niet vroeg of laat de geslachtelijke aantrekking doet gelden--afgezien dan van betrekkingen tusschen bloedverwanten en tusschen personen die in leeftijd zeer ver van elkander staan. De Platonische, reine, onzinnelijke liefde, waarmee romantische zielen zoo gaarne dwepen, is geïdealiseerde zinnelijkheid, die de natuur aan enkele bevoorrechte wezens voor korten tijd vergunt, maar zij wil niet en duldt niet, dat die liefde van blijvenden aard zij. Voor het natuurlijk doel der liefde is die phase eigenlijk tijdverlies. De zinnelijkheid is als onweerstaanbare neiging gelegd in alles wat leeft, teneinde de eeuwigheid van het leven te verzekeren. Zinnelijkheid is toekomstig leven. Onzinnelijke liefde, consequent volgehouden, beteekent uitsterving. De natuur wil bestendiging van het leven, zij wil geen uitsterving--zinnelijkheid is daarom natuurlijkheid en onzinnelijkheid verheven-romantische onnatuur.
In de meeste gevallen duurt in de menschenwereld het romantisch voorspel der Platonische liefde maar zeer kort; of wel het blijft geheel achterwege. Niet zelden ook is het dwepend minnen zonder zinnelijkheid zelfbedrog of humbug, waarbij de sexueele terughoudendheid, velen van nature eigen, voor sexueele reinheid doorgaat.
In het leven der sexen is liefde, die volstrekt ontoegankelijk blijft voor zinnelijk begeeren, uitzondering; en liefde, die bewust wordt gedragen door verlangen naar lichamelijke gemeenschap, regel.
Het overgroote meerendeel der menschen beschouwt het andere geslacht niet met den dweepzieken blik der Platonische liefde, maar met het vurig oog der dadelijk-begeerende zinnelijkheid. Alle zinnelijkheid met voorkeur voor een bepaald individu is reeds liefde in natuurlijken zin en voor het doel der natuur volkomen voldoende. Deze liefde komt dan ook het meeste voor. Vooral is dit het geval in die kringen, die vrij zijn gebleven of zich vrij hebben gemaakt van de conventies der beschaving en in het vrijelijk zich uitleven niet door den schijn dier beschaving worden gehinderd. Bij dezulken pleegt de geprikkelde zinnelijkheid zich te uiten in de duidelijkste woorden en daden en men geeft vrijwel onmiddellijk op de ondubbelzinnigste wijze te kennen waarnaar de begeerte uitgaat. Hier zoekt men niet te verbergen, dat de lichamelijke heerlijkheden van het andere geslacht het middelpunt zijn van alle denken en voelen, en dat het ideaal, dat men zoekt in de liefde, is het zinnelijk genieten. En dit geldt niet alleen van den man, maar, zij het in anderen, in verzachten vorm, ook van de vrouw, wier natuurlijke rol in het liefdeleven, waarover later, haar als van zelf tot meer vertoon van ingetogenheid dwingt--zelfs de schijnbare tegenstand van de vrouw is als regel een natuurlijk lokmiddel harer zinnelijkheid.
Dat trouwens ook de vrouw ten deze openhartig kan zijn, indien er geen reden aanwezig is die het tegenovergestelde verkieselijker maakt, daarvoor zijn de bewijzen maar voor het grijpen. Een treffend en min of meer officieel voorbeeld hiervan willen wij hier aanhalen uit het in 1785 verschenen, thans zeer zeldzame werkje van den Engelschman R.P. Knight over den Priapusdienst. Daarin tracht de schrijver aan te toonen, dat de heidensche eeredienst van Priapus, den griekschen god der vruchtbaarheid, voor wien men in wijnbergen, tuinen enz., beelden placht te plaatsen, in het Christendom onder andere vormen is herleefd. En hij beschrijft ten bewijze daarvan een processie, die hij in 1780 te Isernia bij Napels heeft bijgewoond. Hij voegt er aan toe, dat de burgemeester van het plaatsje voor de waarheid van het verhaal instaat. Bij die processie dan, die den heiligen Cosimo gold, aan wien de kerk daar ter plaatse was gewijd, verkochten kooplui langs den weg aan de deelnemende vrouwen en meisjes phallusfiguren in was, om deze aan den heilige te wijden. Evenals men anders wasfiguren van handen, voeten en verdere lichaamsdeelen, waarvoor men genezing komt afsmeeken, aan den beschermheilige opdraagt, offerden de vrouwen en meisjes hier phallusfiguren, om verlossing van onvruchtbaarheid, herstel van potentie of krachtiger potentie voor hare mannen af te smeeken. Een jonge vrouw offerde den heilige een bijzonder grooten phallus. Blijkbaar bestond voor deze jonge vrouw het eenige ideaal, dat zij in de liefde zocht, in den wensch den geliefde in staat te vinden hare zinnelijkheid op de krachtigste wijze te bevredigen.