Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid
Chapter 16
Wel is er van tijd tot tijd ernstig naar gestreefd, de losbandigheid der door kuischheidsgeloften gebondenen te beteugelen. Maar het bloed en de natuur zijn sterker dan willekeurige verordeningen. De strengste straffen zelfs bleven vruchteloos. Waar natuurlijke bevrediging der zinnelijke behoefte onmogelijk of te gevaarlijk werd, daar gaf men zich over aan gelijkgeslachtelijke en onnatuurlijke zinnelijkheid. Te bewijzen is dit alweer uit de maatregelen die de kerk zelf daartegen van tijd tot tijd heeft genomen. Zoo werd op een concilie te Parijs verboden, dat nonnen bij elkander sliepen, dat kloosterbroeders bij elkander sliepen, enz. enz. Natuurlijk hielp dit niets, want al deze maatregelen richtten zich tegen de gevolgen, maar lieten de oorzaken onaangetast. Wijl dit telkens en opnieuw bleek, moest men steeds grootere concessies doen. En voorwendsels daarvoor, die alle partijen bevredigden, waren gemakkelijk te vinden, daar het celibaat reeds oorspronkelijk volstrekt niet de beoefening van de kuischheid betrof, maar alleen onthouding van het huwelijk. In het celibaat bezat de kerk het middel om haar vermogen voor versnippering te behoeden en zoodoende haar macht te behouden en steeds uit te breiden. Vandaar heeft zij nooit willen toestemmen in opheffing van het celibaat, hetwelk haar macht aan het wankelen zou brengen (gelijk zulks wel voldoende gebleken is bij het protestantisme, dat het celibaat verwierp). Maar om de geestelijkheid tegemoet te komen, werd nu eens zijdelings, dan weer rechtstreeks, het houden van concubines toegestaan. De kerk heeft zich daaruit zelfs een nieuwe bron van inkomsten weten te scheppen, waarvan boven aangehaalde berekening uit een aflaattarief een der vele voorbeelden is. De grootste dogmatici der kerk hebben aan dit punt al hun scherpzinnigheid gewijd, teneinde geschikte en aannemelijke formules te vinden. Toen in de 16e eeuw de strijd om het recht der priesters op het huwelijk opnieuw ontbrandde, en vele priesters zelf dit recht opeischten, verdedigde de beroemde en invloedrijke Fransche prelaat Gerson het liederlijk leven van het meerendeel der priesters en monniken als volgt: "Schendt een priester zijn gelofte van kuischheid, als hij ontucht bedrijft? Neen. Want door de gelofte van kuischheid doet hij alleen afstand van het huwelijk. Een priester, die zich aan de zwaarste vergrijpen tegen de zedelijkheid schuldig maakt, breekt zijn gelofte van kuischheid niet, zij zou alleen worden verbroken, wanneer de priester huwde." Hij maakte alleen dit voorbehoud, dat alle opspraak moest worden vermeden, en geslachtelijke omgang niet op Zondag mocht plaats hebben, niet aan heilige plaatsen en uitsluitend met ongehuwden. Op deze en dergelijke manieren werd de celibaatskwestie in den geest der kerk en tevens overeenkomstig de pecunaire belangen der kerk opgelost--den priester werd de ongehuwde staat vergemakkelijkt en verlicht, en het vermogen der kerk bleef in de doode hand en kon gestadig aangroeien; tevens bracht de zaak ook rechtstreeks baten op, want de in concubinaat levende priester moest daarvoor een cijns opbrengen. Deze cijns is tallooze malen geregeld.
Voor zoover voor het celibaat verlichting werd gezocht door geslachtelijk samenleven buiten huwelijk, valt tegen dezen vorm van geslachtelijk verkeer weinig aan te voeren. Te veroordeelen valt daarbij eigenlijk alleen de atmosfeer van leugen en huichelarij, die deze oplossing van de zaak schept rondom den door belofte van kuischheid gebondene. Buitenechtelijke samenleving, beoordeeld naar zedelijke begrippen die vrij zijn van vooroordeel, kan reiner zijn en hooger staan dan het naar alle regelen van gewoonte en gebruik tot stand gekomen huwelijk. Elke sexueele verhouding, die op vrije keuze en vrije neiging van beide partijen berust, is zedelijk, en elke sexueele verhouding, die andere motieven heeft, is onzedelijk.
Maar in de kloosters werkten alle omstandigheden de grofste geslachtelijke ontaarding in de hand. En zoo zijn uit tallooze bronnen, oorkonden, kronieken enz. de onomstootelijke bewijzen aan te voeren, dat in de oude kloosters liederlijkheid en uitspattingen regel waren. Geslachtelijke bandeloosheid kent geen grenzen en geen teugel. Haar wezen is sexueele overdaad en behoefte aan steeds snellere afwisseling; en bij de spoedig intredende oververzadiging grijpt zij naar elken denkbaren vorm van onnatuurlijke en tegennatuurlijke bevrediging. Zoo werden duizenden kloosters broeinesten van ontucht en geslachtelijke buitensporigheid. Er zijn tijden geweest dat Priapus en Venus nergens, zelfs niet in de gewone bordeelen, zoo vurig werden vereerd als in de kloosters. Hier herleefde ten laatsten male de gastvrije prostitutie. In vele streken toch waren de vrouwenkloosters de geliefkoosde nachtverblijven der ridderschap, waar zij dezelfde genoegens vonden als in het bordeel, met dit verschil, dat zij niets kosten--men betaalde met zijn potentie. De kloosters waren de plaatsen, waar de meest woeste geslachtelijke orgiën werden gevierd, en ook de meest buitensporige begeerten onbeteugeld konden worden bevredigd. En het was in die tijden algemeen bekend dat de kloostermuren meer van kindergeschrei dan van psalmgezang weergalmden.
Opmerkelijk zijn daarbij vooral ook de maatregelen, waarmee de monniken de concurrentie van de leeken in den omgang met de nonnen zochten te weren. Meestal zocht men dit doel te bereiken, door de voorstelling te wekken, dat zondigen met gewijde personen een minder groot kwaad was dan zondigen met leeken. Een document, waaruit zulks kan blijken, is de volgende verklaring van Magister Hendricus van de Mendicanterorde te Straatsburg, uit het jaar 1261: "Aangezien een non, die door den aandrang des vleesches en door menschelijke zwakheid overweldigd, haar kuischheid schendt, minder schuldig is en meer verschooning verdient als zij zulks doet met een geestelijke, dan met een leek", enz.
De natuur geweld aandoen moet steeds onvermijdelijk leiden tot ontaarding. En de eene ontaarding leidt weer onvermijdelijk tot de andere. De gelofte van kuischheid leidde tot de ergste uitspattingen, en de noodzakelijkheid, om dit voor de geloovige menigte verborgen te houden dwong tot de ergste gruwelen; vruchtafdrijving en kindermoord waren in de nonnenkloosters aan de orde van den dag, en vele kloosters waren besmettingshaarden van de afschuwelijkste geslachtsziekten. Zoo werd het onnatuurlijk middel tot reiniging der zeden de bron van de afschuwelijkste zedenverwildering.
Ook het ascetisch leven der kluizenaars levert tallooze bewijzen op voor de stelling, dat overdreven onthouding lichtelijk overslaat in overdreven uitspattingen. Onderwijl de eerste kerkvaders en propagandisten van het Christendom de oude godsdiensten bestreden en steeds het antieke zedenbederf als een donkeren achtergrond bezigden, waartegen de vlekkelooze reinheid van het Christendom op het scherpst moest uitkomen, schoot om hen heen, onder hun eigen volgelingen, datzelfde zedenbederf, met hetzelfde program van uitspattingen, de gewijde en de gastvrije prostitutie inbegrepen, al weer allerwege wortel met de weelderige groeikracht van onuitroeibaar onkruid.
Waar ooit een leer of een denkbeeld uitroeiïng der zinnelijkheid heeft geëischt, heeft dit altijd geleid, niet tot kuische reinheid, maar tot geslachtelijke verwildering. Zulks leert vooral het Christendom. Zoo moest de H. Cyprianus reeds in de derde eeuw n. Chr. getuigen, dat er geen vroomheid meer was onder de Christenen, dat de vrouwen zich poederden, en dat men Jezus Christus' lichaam prostitueerde aan de Heidenen. Ten opzichte van de sexueele zeden was het Christendom weinig meer dan een herrijzenis van het antieke Heidendom--de eeuwige eerediensten van Venus, Bacchus en Priapus bleven onder andere vormen ook in het Christendom voortleven.
De zinnelijkheid in den mensch laat zich niet dooden. Waar zulks beproefd wordt barst zij te eeniger tijd los met vulcanisch geweld. De zinnelijkheid is alleen te veredelen en te verfijnen en dat alleen door de liefde.