Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid
Chapter 15
In den jongsten tijd is b.v. het gedecolleteerde balkleed beschouwd als de uitrusting, waarop uitsluitend de hoogere standen recht hebben. Het zou de hevigste verontwaardiging wekken, als het dienstmeisje gedecolleteerd naar bals zou gaan, terwijl men het heel natuurlijk vindt dat zelfs jonge meisjes uit eigen kring zich in de meest schaamtelooze drachten voor de mannen te pronk stellen. George Hirth schrijft hieromtrent in zijn werk: _Wege zur Kunst_: "De kunst, jonge meisjes in gedachten te ontkleeden en te genieten, leert men het best op hof- of dergelijke bals, waarbij voor de vrouwen ontblooting van een groot deel van het bovenlichaam obligatoir is. En het is verbazend, hoe gauw jonge vrouwen der hoogste standen zich met deze voor ons mannen zoo prikkelende tepronkstelling verzoenen. Niettemin zouden diezelfde vrouwen met verachting den neus ophalen, als op bals van het mindere volk de vrouwen een even diepen blik lieten slaan in haar erotische verborgenheden."
Dat bij de minder welgestelde klassen het decolleté en zoovele andere erotische manoeuvres met de kleeding bijna niet voorkomen, heeft natuurlijk een andere oorzaak, dan dat zij het uitsluitend recht der bemiddelden op het toepassen van deze erotische kunstmiddelen zouden erkennen. De ware oorzaak is, dat deze modes een zeer hoog minimum van luxe in de kleeding vereischen, een luxe die verre boven haar pecunaire draagkracht gaat. De mode is echter een industrie, en als elke industrie streeft zij er voortdurend naar, haar afzetgebied te vergrooten en uit te breiden. En weinige industrieën hebben het zoozeer in haar macht, haar afzetgebied zoo oneindig en nog altijd meer uit te breiden, als de mode. Zoo zij hare wonderproducten slechts financieel binnen het bereik brengt der massa, dan is die massa onmiddellijk bereid die producten te koopen. Veel heeft de mode al in die richting gedaan. Met een variant op een stelling van een vermaard philosoof kan men zeggen, dat met de goedkoopte van de scheppingen der mode alle Chineesche muren van standsverschil, voor het uiterlijk tenminste, zijn weggevallen. Sinds het meisje uit het volk zich goedkoop naar de mode kan kleeden, is zij een even gedweëe slavin dezer tiranieke heerscheres gebleken, als haar beter met geldelijke middelen toegeruste sexegenooten. Haar offervaardigheid jegens dezen afgod is zelfs nog grooter, want veelal moet zij zich in diens dienst verder nagenoeg alles ontzeggen. Gewillig offert zij hem haar eersten en laatsten stuiver.
De kleeding als uiterlijk kenmerk der sexe is reeds vroeg een onderwerp geweest, waarmee ook de wetgever zich inliet. En daarbij doet zich het eigenaardig verschijnsel voor, dat de wetten zich meer inlieten met den aard der kleeding, dan met het gekleed-zijn zelf. Blijkbaar heeft zich maar hoogstzelden de noodzakelijkheid voorgedaan--en dan nog slechts in enkele alleenstaande gevallen--dat een gemeenschap haar leden de verplichting moest opleggen zich te kleeden. De voordeelen der kleeding in sexueel zoowel als in ander opzicht, zijn ten allen tijde zoo ten volle begrepen, dat alleen dwepers, krankzinnigen en andere geestelijk-abnormalen de voorkeur hebben gegeven aan naakt loopen. Anders schijnt het echter gesteld met de kleederdracht, die voor de eigen sexe de algemeen gebruikelijke was. Ten alle tijde schijnt het noodig te zijn geweest, den mannen te verbieden zich te verkleeden als vrouw, en omgekeerd. Reeds Mozes vaardigde een dusdanig verbod uit: Het kleed eens mans zal niet zijn aan eene vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is den Heere uwen God een gruwel (Deut. 22: 5).
IX.
KUISCHHEID.
Kan de mensch de zinnelijkheid onder bedwang brengen van zijn wil? De zinnelijkheid is nevens de begeerte naar voedsel de krachtigste neiging door de natuur in ieder individu gelegd. Wijl de zinnelijkheid een natuurdrift is, kan zij op zichzelf niet onzedelijk zijn. De aandrang der zinnelijkheid volgen op de wijze door de natuur gewild en aangewezen, staat in zedelijk opzicht niet hooger of lager dan honger stillen en dorst lesschen.
In weerwil van het voor de hand liggende dezer eenvoudige waarheid, zijn er ten allen tijde personen geweest, die krachtens een of ander beginsel zich van de zinnelijkheid trachtten te ontdoen en die haar met alle kracht in zich zochten te keer te gaan en te dooden.
Als men zoodanig streven eenvoudig beoordeelt naar de natuurwetten, dan is zulk pogen om de zinnelijkheid in zich uit te roeien niet verdienstelijker dan het zijn zou den drang naar voedsel te onderdrukken. De consequentie van het streven de zinnelijkheid te dooden zou zijn: uitsterving van het menschelijk geslacht, iets wat de natuur juist met alle middelen zoekt te voorkomen.
Op verstandsargumenten steunt deze strijd tegen den sterkste aller menschelijke hartstochten dan ook zelden. Meestal zijn het gevoelsredenen, die tot dezen kamp tegen de natuur leiden. Voor het overige zijn deze redenen van even uiteenloopenden als dikwijls zonderlingen aard en daardoor vormt deze strijd tegen de zinnelijkheid een der interessantste hoofdstukken in de geschiedenis der sexueele zeden.
Er zijn ten allen tijde zedemeesters en zelfs levensbeschouwingen geweest, en zij bestaan heden ten dage misschien in ruimer mate dan ooit te voren, die het geslachtsleven en inzonderheid zijn vleeschelijke zijde eenvoudig voor onzedelijk verklaarden en het voorstelden als iets minderwaardigs, verachtelijks en verlagends voor den mensch. De katholieke kerk bijvoorbeeld legt haar geheele geestelijkheid het celibaat op. Hoewel het huwelijk een der heilige sacramenten is, wordt toch het geslachtsleven door deze kerk als iets onreins beschouwd. De onthouding van het huwelijksleven wordt door de katholieke kerk gewoonlijk aangemerkt als een apostolische verordening en in elk geval neemt men aan, dat de onthoudingsstaat, de maagdelijke toestand, meer bij de hooge roeping van den geestelijke past dan de huwelijksstaat--een maagdelijk priesterschap alleen mag de geheimen vieren van den Zoon, die geboren werd uit een Maagd. Zoover gaat weliswaar geen der andere variaties van het Christendom, maar opvattingen die het geslachtsleven als onrein en van lager orde aanmerken, vindt men overal terug, ook in andere religies en in tallooze andere ethische wereldbeschouwingen.
Ook individueel is de meening vrij algemeen verbreid dat het sexueele leven in wezen minderwaardig is en er zijn menschen, bij wie dit gevoel zoo sterk leeft, dat het leiden kan tot geslachtelijke impontentie.
Uit de heidensche Oudheid zijn zoodanige opvattingen evenzeer bekend. De dochter van Zeus' zuster Hestia of Vesta, werd, omdat zij een eed zwoer van ongehuwd en altijd maagd te willen blijven, door den oppergod verheven tot godin van den huiselijken haard. Ter harer eere werden in vele steden door maagden, die gelofte van kuischheid hadden gedaan, altijd-brandende vuren onderhouden. In haar groot heiligdom te Rome werd door zes priesteressen, de Vestaalsche maagden, een eeuwig vuur gebrand. Deze Vestaalsche maagden stonden als reine wezens in hoog aanzien. Als meisjes van ten hoogste 10 jaar werden zij voor den Vestadienst uitgekozen en zij moesten 30 jaren in rein-maagdelijken staat de kuische godin dienen. Op inbreuk op de gelofte van kuischheid stond de doodstraf. Ook hier dus een bijzondere beteekenis gehecht aan de vrijwillige sexueele onthouding.
Wanneer men in het zinnelijke en dus in het geslachtsverkeer iets minderwaardigs ziet, het beschouwt als zonde, dan treft deze opvatting in den regel allermeest, zoo niet uitsluitend, de vrouw. In zulke voorstellingen wordt de vrouw als vanzelf de verleidster van den onschuldigen man; zij is de eenige oorsprong van het kwaad, een voortbrengsel der hel, de bondgenoote in menschengedaante van den satan, enz.
Dat de strijd tegen de zinnelijkheid zich vooral aan het gevoel van den man voordoet als verdienstelijk en van hooge zedelijke waarde, is een bewijs te meer voor de grootere zinnelijkheid van den man. In de voorstelling van den door zinnelijkheid als verteerden en voortgezweepten man moet het bestrijden van dien fellen en hevigen hartstocht zich als vanzelf als iets bijzonder verdienstelijks voordoen en in het bewustzijn der minder zinnelijke vrouw moet die verdienste ook evenveel minder worden gevoeld--ook in de wereld der ideeën hangt de waarde af van de inspanning die het verkrijgen kost.
Strijd tegen de zinnelijkheid, met het doel die volkomen te dooden, gaat in alle godsdiensten die dien strijd tot een verdienstelijke zaak verheffen, gepaard met een principiëele onreinverklaring van de vrouw. Het sterkst komt dit uit in den christelijken godsdienst. Reeds in de leer van de erfzonde wordt de vrouw kortweg tot de bron van alle zedelijke onreinheid verklaard. Door de vrouw is de zonde in de wereld gekomen, de vrouw is het symbool aller onreinheid, zoo ongeveer luiden de grondstellingen van het Christendom betreffende de vrouw. De kerkvaders hebben dit thema in den loop der tijden uitgewerkt, daarbij geleid door hun individueele neiging tot ascese. Met zulke opvattingen tot uitgangspunt is het maar een stap om te komen tot de overtuiging, dat de schoot der vrouw ongeveer de poort is van de hel.
Met de opvatting, dat de vrouw de verpersoonlijking is van de zonde in de wereld, verbond zich nog een andere voorstelling. De man, willooze slaaf zijner zinnelijkheid, die hem de vrouw ten allen tijde in zijn verbeelding doet rondspoken, zoekt de oorzaak van zijn onmacht tegenover de bekoring, die van de vrouw tot hem uitgaat, niet in eigen zinnelijkheid, maar hij geeft er de voorkeur aan zulks toe te schrijven aan een geheime macht, die de vrouw zou bezitten, waardoor zij in den sexueelen strijd steeds de meerdere blijft. Zoo ontstond de voorstelling, die omschreven wordt door de formule: de vrouw is een raadsel. En door dat raadselachtige neemt de vrouw in de opvatting van den man als vanzelf de gedaante aan van een demon, welke te bestrijden een verdienstelijke zaak moet zijn, die opvoert tot hoogere zedelijke volkomenheid.
In de meeste godsdiensten, die voortgekomen zijn uit het Jodendom, is de eerste zonde en daarmee de oorzaak van alle zonden het geslachtsverkeer van het eerste menschenpaar, Adam en Eva. Dit verhaal is in het eerste bijbelboek van Mozes gehuld in het dichterlijk kleed van den zondenval in het Paradijs, het eten van de verboden vrucht. En het is de vrouw, die daarin optreedt als de verleidster van den man. Nadat de zonde gepleegd was zagen zij hunne naaktheid en schaamden zich.
In dit verhaal wordt en passant het onmiddellijk verband tusschen zinnelijkheid en schaamte erkend. Inderdaad, zonder zinnelijkheid geen schaamte. En omgekeerd, waar schaamte is, daar is zinnelijkheid.
Het gronddenkbeeld van het dooden der zinnelijkheid ligt voor de hand. Als alle heil gelegen is in het hiernamaals, dus in de geestelijke wereld, dan vloeit daar rechtstreeks uit voort, dat al wat daarbuiten ligt, al het aardsche, onheilig moet zijn, en inzonderheid datgene, wat zich het krachtigst doet gelden: de zinnelijkheid, het vleeschelijke. Vandaar moet dat vleeschelijke het allereerst gedood worden.
De grondslag der ascese is derhalve een eenzijdige overschatting van het dusgenaamd geestelijke. Het dooden van het vleeschelijke, om geheel te kunnen leven voor het geestelijke, doet zich aan elk hartstochtelijk-godsdienstig gemoed voor als het hoogste en het eerst noodige. Men vindt dan ook de ascese in een of anderen vorm bij ongeveer alle godsdiensten terug en zelfs in vele wijsgeerige stelsels van den jongsten tijd. De profeten bij uitnemendheid der moderne ascese zijn Schopenhauer en Tolstoi. Beiden, zij het op geheel verschillende gronden, ontkennen alle zedelijkheid der sexualiteit.
De ascese heeft echter een keerzijde. Door den voortdurenden strijd tegen de zinnelijkheid en de sexueele verzoeking wordt de phantasie juist bovenmate geprikkeld, en op oogenblikken, dat de wilskracht onder den opstand van het vleesch bezwijkt, wreekt zich de mishandelde natuur en drijft den vromen asceet dan niet zelden tot de ongehoordste natuurlijke en onnatuurlijke uitspattingen.
Toch is aan te nemen, dat het dooden der zinnelijkheid naar het ideaal der ascese mogelijk is. "Zoo worden, zegt Hammond, in de verschillende religies, waarin de sexueele geheelonthouding als een verdienstelijke zaak geldt, de priesters, die het celibaat hebben aanvaard, met den tijd volkomen vrij van elke zinnelijke aanvechting en allengs impotent. Hetzelfde geldt voor heele secten, wier godsdienstleer sexueele geheelonthouding voorschrijft." Maar alvorens de zinnelijkheid ten volle is gedood, de geslachtsdrift is opgeheven, is er een lang tijdperk van de hevigste kwellingen te doorworstelen, gelijk blijkt uit het leven van tal van vrome kerkvaders, inzonderheid van den heiligen Antonius, wien de volkomen vrijmaking van elk geslachtsinstinct een Gode welgevallig werk toescheen.
Ook verschillende wijsgeeren der Oudheid, Seneca en anderen, hebben nu en dan tot sexueele onthouding en vooral tot oefening in zelfbedwang in zinnelijke dingen, aangemaand. Zij gingen bij dit laatste uit van zuiver verstandelijke overwegingen en voor zoover zij zich wisten te onthouden van overdrijving, hebben hunne vermaningen hooge zedelijke waarde. Veel invloed op de sexueele zeden van hun tijd hebben zij echter niet kunnen uitoefenen, daarvoor waren hunne leeringen te bloot verstandelijk en richtten zij zich te weinig tot het gevoel, dat ten slotte de machtigste factor is om uit de bespiegeling te komen tot een daad.
De Oudheid had ook haar personificatie der kuischheid: Puditia, die te Rome in een afzonderlijk heiligdom werd vereerd, doch haar eeredienst was nooit zeer algemeen, en ontaardde weldra en verdween spoedig geheel.
Het is een eigenaardig kenmerk van tal van godsdiensten dat zij een sterke neiging bezitten om de kuischheid, in het bijzonder de levensgelofte van kuischheid, te verheerlijken als een daad van zeer bijzondere beteekenis voor het aardsche leven zoowel als voor het hemelsche. En natuurlijk vloeit daar als vanzelf uit voort, dat het gehoor geven aan de stem der natuur als iets van lager orde wordt beschouwd, dat, hoewel niet bepaaldelijk te veroordeelen en tot op zekere hoogte geoorloofd, niettemin blijk geeft van zedelijke minderwaardigheid en onvolkomenheid. Naarmate men de kuischheid vereert, moet men noodzakelijkerwijze de niet-kuischheid--het zwichten voor den drang der vleeschelijke zinnelijkheid--zien als iets minderwaardigs, dat van de bovenaardsche dingen afleidt en daarmee eigenlijk onvereenigbaar is.
Men heeft het celibaat der priesters, monniken en nonnen in de Katholieke kerk een verdwazing en een idiotisme van den menschelijken geest genoemd, een vorm van krankzinnigheid, waarbij de andere sexe het verafschuwde idee fixe was. Deze verklaring van een zoo ingrijpend en tevens zoo massaal opgetreden verschijnsel, voorzeker een der merkwaardigste in de geheele geschiedenis der sexueele zeden, is misschien wel de eenvoudigste, maar in geenen deele de meest aannemelijke. Een instelling, die zoovele eeuwen lang zich vrijwel ongeschokt heeft kunnen handhaven, moet andere redenen van bestaan hebben. En in dit geval laten die redenen zich ook wel aanwijzen.
De twee groote drijfveren, die in de menschheid en in ieder mensch individueel werken en alle handelingen in eerste instantie beheerschen en besturen, zijn de stoffelijke belangen en de zinnelijkheid. Tezamen doen deze beide drijfveren, door de natuur als machtige neigingen in den mensch gelegd, hem streven naar instandhouding van zijn individueel bestaan en naar instandhouding van de soort. Het eene zoowel als het andere is dan ook genoegzaam daardoor gewaarborgd.
Al 's menschen handelingen zijn uit deze twee neigingen, hetzij rechtstreeks te verklaren, hetzij er sterk door beïnvloed. En hoe algemeener en gelijkmatiger een verschijnsel in de menschheid optreedt, met des te meer zekerheid kan men het als een uitvloeisel van een dezer of van beide neigingen beschouwen. De individueele mensch toch wordt bij zijn handelingen ook nog gedreven door verschillende andere neigingen, die zijn bijzondere eigenaardigheden uitmaken. Hoe algemeener daarom een verschijnsel zich voordoet, des te grooter wordt de waarschijnlijkheid, dat de oorzaak daarvan niet in bijzondere neigingen, maar in de beide genoemde algemeene neigingen is te zoeken.
Het celibaat nu is geen verschijnsel dat zich bepaalt tot eenige weinige individuen. Millioenen en millioenen mannen en vrouwen hebben in den loop der eeuwen zich door de kuischheidsgelofte tot het celibaat verbonden. De oorzaak mag op boven aangegeven gronden dus veilig in de beide voornaamste neigingen, die 's menschen handelingen regeeren, worden gezocht. Waar de eene, de zinnelijkheid, hier uit den aard der zaak als zoodanig niet in aanmerking kan komen, daar het celibaat daar juist rechtstreeks tegen gekeerd is, blijft als vermoedelijke oorzaak slechts de andere over, die van het stoffelijk levensonderhoud.
Ongetwijfeld heeft de instelling van het celibaat een economischen ondergrond. De voorliefde voor den ongehuwden staat, het streven naar emancipatie van de zinnelijkheid bewijst niet, dat de kloosterbewoners krankzinnigen of idioten waren, maar alleen, dat onder bepaalde omstandigheden de economische belangen, het materieele zijn, voor den mensch sterker kunnen wezen dan de zinnelijkheid; en dat als noodwendig een van beide natuurlijke neigingen moet wijken, de zinnelijkheid het onderspit delft.
De eerste kloosters, zooals het Christendom ze heeft voortgebracht, waren niets anders dan gemeenschappen van zeer arme lieden, die zich vereenigden om zich te zamen beter door het leven te kunnen slaan, dan zulks voor ieder afzonderlijk mogelijk was. Reeds in de allereerste kloosters der Christenheid werden dan ook allerlei beroepen uitgeoefend en de gemeenschappelijke arbeid van allen was het middel van bestaan van het geheel. Het was een vorm van communisme, waar ieder inbracht naar vermogen en ontving naar behoefte. Alleen op deze wijze zagen in de eerste tijden van het Christendom de Christenen een mogelijkheid, zich economisch tegen het Heidendom, dat hen vijandig gezind was en hen uitsloot en vermeed, te handhaven. De aard dezer kloosterinstellingen vereischte gemeenschappelijk bezit zoowel van de middelen van voortbrenging als van de voortbrengselen, want bij een gemeenschappelijke huishouding is private eigendom onbestaanbaar, gelijk de geschiedenis aller communistische stichtingen bewijst. Vandaar leefde men in de kloosters noodgedwongen communistisch, deed afstand van allen privaten eigendom. Om dezelfde reden moest men ook afstand doen van het huwelijk in een tijd, waarin het eigendoms- en het erfrecht zich reeds volkomen hadden ontwikkeld. Om het voortbestaan der kloostergemeenschap, die alle leden het stoffelijk bestaan waarborgde, te verzekeren, mochten er geen banden des bloeds ontstaan. Terecht vreesde men, dat die sterker zouden blijken, dan de kunstmatige kloosterinstellingen. Aan het verzekerd stoffelijk bestaan dat 't gemeenschapsleven bood, moest noodzakelijk het familieleven worden opgeofferd.
De kloosters en het celibaat zijn dus volstrekt niet ontstaan uit godsdienstig idiotisme, maar eenvoudig uit den drang der economische omstandigheden. Het afzweren van het huwelijk, al of niet gepaard met sexueele onthouding, had echter oorspronkelijk met kuischheid niets uitstaande. Het beteekende aanvankelijk niet in de eerste plaats afstand doen van geslachtelijk verkeer, maar alleen van den toenmaals algemeen gebruikelijken en geijkten vorm van geslachtelijk verkeer. Van de eerste monniken reeds namen duizenden hun toevlucht tot andere manieren van bevrediging der geslachtelijke behoefte. Dat niettemin de strengste kuischheid van begin af aan zoo krachtig mogelijk werd gepropageerd, was in geenen deele uitsluitend en ook niet voornamelijk om de kuischheid zelf, maar om andere redenen, die allen het voortbestaan van de kloostergemeenschap en het ongerept behoud van haar goeden naam en haar waardigheid op het oog hadden.
Als men het kloosterleven in dit licht beschouwt, dan wordt het ook duidelijk, hoe deze instelling zoo heeft kunnen ontaarden. Naarmate de economische omstandigheden veranderden, sloeg het klooster om in zijn tegendeel--van een factor van ontwikkeling werd het een rem voor de ontwikkeling, om ten slotte, hoewel schijnbaar nog levend en levenskrachtig in ontbinding over te gaan en de geheele Christenheid met zijn bederf te vergiftigen. Wijl namelijk deze communistische vorm van samenleving belangrijke economische voordeden bood in vergelijking met het gewone gezinsleven, zoodat er veel meer kon worden voortgebracht dan er voor de gemeenschappelijke behoefte noodig was, kwam het oorspronkelijk doel van het klooster weldra te vervallen. De kloosters werden rijker en rijker en daarmee steeds machtiger. Rijkdom en macht beteekenen, dat men beschikken kan over den arbeid van anderen. De kloosters zagen zich, rijk en machtig geworden, ontheven van de noodzakelijkheid om van eigen arbeid te leven; de mogelijkheid was hun geopend, van anderer arbeid te leven, en zij maakten van die mogelijkheid natuurlijk gebruik. Met al de gevolgen, die hieruit noodwendig moeten voortvloeien. Deze gevolgen zijn gewoonlijk van tweeërlei aard--eenerzijds verfijning van het leven, door de gelegenheid zich te kunnen wijden aan wetenschap en kunst, anderzijds ontaarding, door het voortleven in weelderige doelloosheid. Beide gevolgen hebben zich in de rijk en machtig geworden kloosters voorgedaan. Toen de kloosterbewoners niet meer werden gekweld door stoffelijke zorgen, begonnen zij zich te wijden aan de beoefening van kunsten en wetenschappen en daardoor zijn de kloosters in de middeleeuwen de brand- en uitgangspunten geweest van alle hoogere beschaving. Maar hoe meer de rijkdommen, zonder inspanning verkregen, aanzwollen, ontstond in vele kloosters in diezelfde mate het tweede der beide bovengenoemde gevolgen van in weelde niets-doen, de minder edele en verheven vormen van genieten: luiheid, eten en drinken en wellust. Zoo werd het klooster van een hefboom der ontwikkeling een nuttelooze, niets inbrengende en veel verbruikende parasiet.
Precies zooals het gegaan is met de kloosters, is het ook gegaan met de geheele kerkelijke hierarchie.
Te midden der grootste ontaarding bleef het celibaat ongeschokt gehandhaafd. De belofte van kuischheid bleef de opperste deugd. Maar met kuischheid had het kloostercelibaat reeds in de vroege middeleeuwen weinig meer uitstaande. Het celibaat werd integendeel een vrijbrief voor de meest ongehoorde uitspattingen. Een en ander blijkt daarvan uit de middeleeuwsche aflaattarieven. Zoo moest in Italië een geestelijke voor het houden van een concubine 7 grossi betalen; wie jaarlijks deze som stortte had het recht er voortdurend een bedgenoote op na te houden. Wie zich in de kerk met een vrouw afgaf, moest de absolutie daarvoor betalen met 6 grossi. En hoe de kerk zich in deze dingen verdiepte, hoezeer zij in zinnelijke dingen wist te nuanceeren, blijkt nog uit dezen post uit dezen interessantste aller prijscouranten: wie een vrouw of meisje verkrachtte onderweg uit de kerk naar haar woning, moest meer betalen dan in gewone gevallen, want dan was zij rein.