Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid

Chapter 13

Chapter 133,663 wordsPublic domain

De kleeding is voor de vrouw geen doel, maar middel. Het doel is niet schoon te zijn, maar begeerd te worden. Niet de roem der schoonheid is het doel in den sexueelen wedstrijd, maar de verovering van den man. En daarbij staan de kansen niet het gunstigst voor het schoone en harmonische, maar voor het opzichtige en buitensporige. De vrouw moet in de eerste plaats den bruidssluier machtig worden. Daartoe is het niet voldoende schoon te zijn. Integendeel, het welslagen is zeer weinig gewaarborgd, als de oplossing van dit vraagstuk wordt gezocht in de richting van het esthetisch zuiver schoone; zekerheid bijna van slagen daarentegen is er, als men de kunst verstaat de aandacht op zich te vestigen, en door iets opvallends boven de eindelooze massa van mededingsters weet uit te steken. Het zwakste punt van de te veroveren vesting, den man, is diens zinnelijkheid. Op dit punt moet hij dus bij voorkeur worden aangetast. Aanvallen in dezen zin, zoo, dat de schijn van lijdelijkheid blijft bewaard, kan de vrouw het best met haar kleeding. Daarin dus zoekt zij zonder te spreken de verleidelijkste zinnelijke beloften te doen. Het slagen is zeker voor wie daarin slaagt. Ieder costuum moet aan de mannenwereld de verzekering geven: ik ben datgene, of ik ben _nog_ datgene, wat de vrouw in de eerste plaats zijn moet--instrument der zinnelijkheid. Alles moet daarbij voor de brute logica van der vrouwen strijd om het bestaan wijken.

Geen der schijnbare dwaasheden in de vrouwenkleeding is dan ook dwaasheid. Integendeel, alles is daarbij altijd verwonderlijk doelmatig ingericht op het verlangde effect.

De leiding heeft daarbij de mode!

De mode is het, die het bovengeschetste probleem op telkens nieuwe wijze oplost. Deze voert de vrouwen, die haar uniform aannemen, naar een vrijwel zekere overwinning. In dienst der mode bereiken de vrouwen bijna zeker haar doel--zij het verminkt.

De mode is tegelijk de machtigste vriendin en de boosaardigste vijandin van de vrouw en de bekendste en daarom de meest en het luidst gesmade misdadigster tegen de heerlijke schoonheid der vrouw. Het is volstrekt geen phrase als men zegt, dat de meeste modes meer vrouwen te gronde richten dan eenige oorlog mannen het leven gekost heeft. Wel vergiet de mode geen bloed, zij doodt niet direct, maar des te meer gewonden en verminkten vallen er op hare slagvelden. Maar juist daarom is de mode barbaarscher nog dan de oorlog. Want de nakomelingen, die uit de verminkte en verzwakte slachtoffers der mode geboren worden, moeten mede boeten. Aan tienduizenden onschuldigen worden door een vergald leven de zonden der ouders gewroken. En het schijnbaar zonderlingste daarbij is, dat er waarschijnlijk nog nimmer een mode geweest is, die niet, behalve tegen de gezondheid, tevens tegen de schoonheid zondigde. De mode is doorgaans met alle begrippen van schoonheid volkomen in strijd en heden ten dage is de naar de regelen der mode bekleede vrouw zoover als maar mogelijk schijnt van eenig natuurlijk schoonheidsideaal verwijderd. Woorden als "chique" vervangen bij de aangekleede vrouw het begrip schoon; een chique vrouw, ontkleed, is niet zelden de meest afschrikkende tegenstelling van het vrouwen-schoonheidsideaal, zooals ons dat in de Aphrodite's der oudheid nog altijd op het heerlijkst belichaamd is. En een evenbeeld eener Aphrodite, naar de regelen van welke mode ook aangekleed, volkomen onherkenbaar zijn.

Het schijnt ten allen tijde de opzettelijke bedoeling van de mode te zijn geweest, alles wat de natuur aan vrouwenschoon laat ontstaan, te misvormen en te vernielen. En ook heeft de mode de vrouw verlaagd. Iedere mode toch streeft er alleen naar, de vrouw als geslachtswezen kunstmatig meer presentabel te maken. Zij vestigt daarom als met schreeuwende reclame de aandacht op alles wat de vrouw tot vrouw maakt. Niet de innerlijke en uiterlijke harmonie, het psychische en geestelijke wezen in de vrouw komt in de kleeding tot uiting, maar wel beijvert de mode zich de intieme lichamelijke _bekoorlijkheden_ der vrouw aan te prijzen en te laten uitkomen, zoo, dat ieders aandacht er dadelijk bij wordt bepaald, dat zij lichamelijk over de middelen beschikt, die haar als geslachtswezen bruikbaar maken. De mode verlaagt de vrouw door dit alles tot een levende reclamezuil der zinnelijkheid.

En doordat de mode om haar doel te bereiken gedurig moet zoeken naar iets nieuws dat opzien verwekt, maakt zij de vrouw van tijd tot tijd tot een afzichtelijk monster, dat eer schrik aanjaagt dan bekoring uitoefent.

De mode heeft de vrouw nooit anders dan misvormd en daarvan ook in ruime mate blijvende sporen nagelaten. Iedere modegril is een nieuwe zonde tegen de natuurlijke schoonheid. Altijd zoekt de mode het in het abnormale, dwaze en onredelijke. Dit geldt zoowel van de constante plaatselijke of nationale modedrachten--met eenige weinige uitzonderingen--als van de zeer veranderlijke grootsteedsche en mondaine modes. Wat de mode dicteert is als regel onnatuurlijk en in zijn zotte onzinnigheid belachelijk.

Niets bijvoorbeeld is schooner en heerlijker dan de blos der gezondheid, het frissche bloeiende rood der wangen. De mode veracht die natuurlijke schoonheid, en verklaart haar voor ordinair, boersch, de eerste de beste boerin ziet er immers ook zoo uit! En bovendien, de dame, die in de wereld verkeert, zich angstvallig wacht voor elke inspanning, in de salons haar leven slijt en meer kunstlicht dan daglicht ziet, kan onmogelijk anders dan vale, bleeke wangen hebben. De mode weet echter raad, zij verklaart de bleeke, vale tint, waarmee boudoir, salon en balzaal het aangezicht kenteekenen, voor voornaam, deftig en interessant. Zoo wordt het ziekteverschijnsel tot schoonheidsregel verheven en de kleur der gezondheid wordt veracht, geschuwd, zelfs kunstmatig verwijderd en vervangen door de doodsch-vale modekleur. Bleekheid wordt interessant en pikant, zij schijnt te spreken van smachtend verlangen en aan de liefde gewijde nachten. En als de bleekheid niet vanzelf wil komen, dan wordt zij kunstmatig op het aangezicht gebracht.

Op dezelfde wijze heeft de mode bij elk deel van het vrouwelijk lichaam als met voorbedachten rade gestreefd naar ontaarding en misvorming. Van den schedel tot aan de voeten heeft zij de vrouw verminkt, van haar natuurlijk schoon beroofd en voor het geroofde ergerlijke reclame-achtige surrogaten in de plaats gesteld.

Bepalen wij ons een oogenblik bij den voet. De voet is een der meest delicate schoonheden van het vrouwelijk lichaam. De heerlijke volmaaktheid van dit lichaamsdeel maakt het tot een klein scheppingswonder op zichzelf. De voet is echter niet uitsluitend sieraad, hij heeft een functie, en deze is, het geheele lichaam een bevallige en vlugge bewegelijkheid te verleenen--zonder krachtigen voet geen gracieusen en zekeren gang. Nu geldt terecht een kleine voet als schoon. Maar de mode, wier wezen bestaat in karikatuur-achtige overdrijving, is niet tevreden met klein; schoonheid moet niet twijfelachtig zijn, maar zich duidelijk manifesteeren. De voet moet derhalve niet slechts klein zijn, maar zeer klein, abnormaal, wanstaltig klein. Zoo luidt de wet der mode voor alle vrouwen en naar het schijnt voor alle tijden. En negen tienden der vrouwen wringen haar leven lang haar voeten in te kleine schoenen, waarin de voeten zoo onnatuurlijk worden samengeperst, dat het eenvoudig onmogelijk is behoorlijk rechtop te staan, om maar niet te spreken van een paar uur flink loopen. Zoo verandert de sierlijke rythmus van het gaan in een onbeholpen, erbarmelijk gewaggel in eendachtige lompheid. En deze inbreuk op de harmonische schoonheid is nog het _geringste_ nadeel, want de onmogelijkheid, behoorlijk te kunnen loopen, is vrij wat ernstiger. Maar, zoo fluistert de _verdwaasde_ mode, waarom behoeft een dame eigenlijk te loopen? En zij troost haar verminkte slachtoffers met de dwaasheid, dat toeren te voet voor een dame ongepast en onbetamelijk zijn. Er zijn zelfs tijden geweest, dat loopen voor een vrouw ronduit onfatsoenlijk werd genoemd. Abnormaal kleine voeten getuigen er tevens van, dat de bezitster zich de weelde heeft kunnen verlooven zich van het vermogen van het gaan te berooven--daarom zijn zulke verminkte voeten tevens het symbool geworden van maatschappelijke voornaamheid, waardoor men zich nog met des te vuriger ijver aan deze zelfverminking overgeeft.

Zoo zijn er nog tallooze mode-dwaasheden, waardoor het vrouwenschoon voor altijd wordt vernietigd. Het lichaam van iedere vrouw, die bij voortduring concessies doet aan de Draconische wetten der mode, vertoont onuitwischbare sporen van de aangerichte verwoesting--ze is in den volsten zin des woords voor haar gansche leven geteekend. Aan de voeten liggen de teenen niet meer regelmatig naast elkander, maar ze zijn tot een afzichtelijk kluwen over elkaar gewrongen. En dan de taille-snoering! Deze vult dag aan dag de ziekenkamers en de zalen der vrouwenklinieken met een talloos leger van slachtoffers, die allen met de afschuwelijke insnoering van het corset, het Kaïnsteeken der mode, zijn gestriemd.

Hierbij schijnt het inderdaad, of een booze geest een afschuwelijk spel van dwaasheden drijft met de vrouw. De grootste trots en het schoonste sieraad van het opgroeiend meisje zijn hare borsten. Honderden hoogstaande vrouwen hebben ons dit geheime welgevallen geschetst. Vol schuchterheid ontwaart zij de eerste ronding, met onschuldig welbehagen volgt zij den langzamen aanwas, en met klimmende verrukking ziet zij de beide halfronden van vrouwelijke heerlijkheid zich verheffen in maagdelijke volheid. Ze weet instinctief, dat dit het verhevenste sieraad is van de jonge vrouw, dat het haar dagelijks begeerlijker maakt voor den geliefde. En hoewel ze dit alles gevoelt en weet, toch snoert zij zich in en perst zich ineen, dag aan dag, week aan week. Het onvermijdelijk gevolg blijft niet uit en doet zich weldra gevoelen. Zij voelt de vastheid en elasticiteit van den mishandelden jongen boezem verminderen en verdwijnen, nog vóór hij zich in volrijpe schoonheid heeft kunnen ontplooien. Maar zij gaat door met zich in te snoeren--de mode gebiedt het. En zij troost zich met de drogreden, dat men het immers toch niet ziet. De ergerlijke, ja misdadige zotternij van de mode springt hier wel het duidelijkst in het oog: om den schijn van schoonheid van een jongen boezem te fingeeren, wordt de werkelijk bestaande schoonheid verwoest. Dit staat inderdaad gelijk met den leugen te verkiezen boven de waarheid, uit louter lust tot liegen. Het is de werkelijkheid prijsgeven en opofferen voor iets wat diezelfde werkelijkheid verzwakt nabootst.

Zoo is de mode de boosaardigste vijandin, die de vrouwenwereld heeft en tevens de meest bedriegelijke schijnvriendin.

Maar in weerwil van dat alles schijnt de heerschappij van de mode nog ongeschokt, neen, zich nog altijd hechter te vestigen.

De reden daarvan is, dat zij de vindingrijkste en meest succesvolle bondgenoote is van de vrouw in haar strijd om het bestaan. Daardoor kan de mode de gansche vrouwenwereld slaafsch aan zich onderwerpen en oppermachtig over haar heerschen als een despotieke gebiedster, die geenerlei inbreuk op haar tiranieke wetten duldt.

Het hoofddoel der kleeding is voor de vrouw zinnelijk begeerlijk te zijn. Zinnelijk nu werken op den gezonden doorsnee-man van nature die vormen, die getuigen van bijzondere geschiktheid voor de functie, die aan de vrouw is toebedeeld: een breed bekken en weelderige borsten. Een breed bekken verzekert een krachtige ontwikkeling van het wordende kind, en een goed-ontwikkelde boezem belooft voor dat kind een overvloedige voedselbron te zijn. De kleeding moet de vrouw daarbij te hulp komen, zij moet de vormen in de gewenschte richting corrigeeren. Om die reden is de vrouwenkleeding in hoofdzaak een erotisch probleem, dat de mode ten koste desnoods van alles, helpt oplossen.

De mode streeft volstrekt niet, wij zeiden het reeds, naar schoonheid; zij streeft alleen naar het telkens weer op nieuwe manier versterken der zinnelijke bekoring van de vrouw. Het is een dwaling te meenen, dat de mode dwaas is; zij doet alleen dwaas voor zoover dit ter bereiking harer oogmerken noodig is. Hare dwaasheid is berekend. Hare buitensporigheden zijn wel overwogen. Er heerscht in het rijk der mode allerminst willekeur, niet de caprice roept modes in het leven, maar de eisch der strengste doelmatigheid. De mode is dwaas uit overleg, en met volmaakte kennis van de zwakke punten van den tegenstander. De dwaasheden der mode blameeren minder de vrouw, dan den man; zij getuigen niet van voorliefde voor het dwaze bij de vrouw, maar bij den man. Want de mode kleedt de vrouw alleen hierom dwaas, wijl dit het welslagen van het beoogde doel verzekert.

In de mode heerscht niet het toeval, evenmin de gril van het oogenblik; alles in de mode is nuchteren berekening, vooral hare vermeende onbestendigheid. In die onbestendigheid toch ligt voor een belangrijk gedeelte het geheim van haar succes. De mode immers bedoelt aandacht te trekken. Het meest trekt de aandacht het nieuwe. Daarom, ieder oogenblik wat nieuws, ieder seizoen nieuwe vormen, om het der vrouw mogelijk te maken in steeds nieuwe combinaties al hare bekoorlijkheden en al hare lichamelijke, geestelijke en materieele eigenschappen en bezittingen ten toon te spreiden. Zoo is de mode veranderlijk niet uit grilligheid, maar uit berekening. Als de zinnelijke bekoring eener modedracht begint te verminderen, dan heeft de mode al weer een nieuwe gereed, Zoo vult zij de "beschaafde" wereld aanhoudend met nieuwe vrouwen, die er geheel anders uitzien dan die van gisteren, en waarvan weer opnieuw het maximum van zinnelijke lokking uitgaat.

Hoe ten volle mode en kleeding in directen dienst staan der zinnelijkheid blijkt allereerst uit het antwoord op de vraag, waar de modes eigenlijk vandaan komen. Hieromtrent worden wij voldoende ingelicht door de zedemeesters van alle tijden. Steeds hooren wij dezen in alle toonaarden jammeren en met de grootste zedelijke verontwaardiging ontsteld verzekeren, dat de meeste en succesvolste scheppingen der mode door de beroepspriesteressen van Venus zijn uitgedacht. Deze bewering is volkomen juist, het bewijs er voor is zonder eenige moeite te leveren. Maar in het feit zelf ligt niets verwonderlijks, het is een zeer natuurlijk en volkomen logisch gevolg van het bovengeschetste doel van de kleeding. Het is de dagelijks en ieder uur beoefende taak der bedoelde priesteressen van Venus: geslachtswerktuig en niets anders dan dat te zijn; om goede zaken te maken zijn zij gedwongen op het geraffineerdst te werk te gaan. Omdat haar geest zich daar voortdurend bij moet bepalen, vinden zij natuurlijk de beste oplossingen van de vraag: hoe met de kleeding de krachtigste bekoring uit te oefenen en zij zijn steeds de eersten om de uitwerking van nieuwe vindingen te beproeven. Het succes dat deze klasse van vrouwen daarmee heeft, blijft bij de rest niet onopgemerkt en ook der op eerbaarheid gestelde vrouw blijft niets over dan het voorbeeld te volgen, willen zij niet riskeeren in de niets ontziende concurrentie ten onder te gaan, d. w. z. over het hoofd gezien en terzijde geschoven te worden.

Het is de taak der mode, haar eenige taak eigenlijk, de geslachtsverschillen te laten uitkomen, op hunne aanwezigheid opmerkzaam te maken, alle lijnen, die sexeverschillen markeeren, als te onderstreepen en zoo noodig te corrigeeren.

Voor het blanke menschenras is de boezem het voornaamste uiterlijke geslachtskenmerk der vrouw. Daarvan gaat naar den man de krachtigste bekoring uit. Stratz merkt terecht hieromtrent op: "Bijzonder sterk en eigenaardig is de bekoring, die de vrouwelijke borsten op ons uitoefenen. Terwijl de natuurvolken daarvoor ten eenenmale onverschillig zijn en zelfs bij de Japanners en Chineezen, die toch ook geheel bekleed gaan, de boezem geen zinnelijke beteekenis schijnt te hebben, zijn de borsten bij de op hoogeren trap staande volken van het Kaukasische ras het zinnebeeld der vrouwelijke aantrekkingskracht geworden en zij gelden, als zij goed zijn ontwikkeld, als het hoogste sieraad van het vrouwelijk lichaam."

Naar een teekening van Hans Holbein den Jongere (1497-1543), Museum, Bazel. Natuurlijk is dit de mode niet onbekend. Zij maakt integendeel het meeste werk van den boezem. Hare vernuftigste en meest geraffineerde scheppingen gelden altijd den boezem. Zij doet de middelen aan de hand om deze al of niet voorhanden schoonheid op het duidelijkst te laten uitkomen, en waar ze geheel ontbreekt, ze voor te wenden. Dit begint al bij het jonge meisje, want een vroege krachtige ontwikkeling van de buste heeft ten alle tijde gegolden voor een benijdenswaardig geschenk der natuur. Het tot puberteit komende meisje vestigt met haar kleeding dan ook het eerst de aandacht op haar boezem; daarmee opent zij haar lijdelijk offensief tegen de mannenwereld; met den boezem begint het tentoonstellen der vrouwelijkheid. En van dat oogenblik blijft steeds de boezem de stelling van waar uit de erotische strijd wordt gevoerd, het geheele leven door, tot in den ouderdom toe. Nog altijd een mooien gevulden, weelderigen boezem te hebben, dat is de grootste triumf der volrijpe vrouw. En wijl het de mode nooit te doen is om werkelijkheid, maar alleen om schijn, en zij met de werkelijkheid zelfs geen rekening wenscht te houden, verwoest zij, naar we boven zagen, eerst de werkelijkheid, om vervolgens met schijn het door haar vernielde weer aan te vullen. Zij handelt als een berekenend speculant, die kunstmatig gebrek schept om zich een vlotter afzetgebied te verzekeren. Alle mode is voor de ontwerpers trouwens niets dan koopmanschap.

Vandaar is dus het verlokkend presenteeren van den boezem ten allen tijde het voornaamste probleem geweest, dat de mode zich ter oplossing zag voorgelegd. En zij heeft dat probleem in den loop der tijden op honderden verschillende manieren weten op te lossen. Het liefst, wijl het meeste effect verzekerend, bedient zij zich daarbij van gedeeltelijke ontblooting, de decolletage. Het decolleté bedoelt niets anders, dan bekoring uit te oefenen op den man. Wel oefent het bekleede lichaam krachtiger erotische aantrekking uit dan het naakte lichaam. Maar bij het decolleteeren staat men voor een dier gecompliceerde gevallen, die aan toepassing der homeopathie doen denken. Zoo blijft er voor den leugenaar als laatste middel over om te misleiden: de waarheid te zeggen, wijl niemand die dan van hem gelooft. Langs een gelijksoortigen omweg gaat de erotische bekoring met behulp van decolleté. Het bekleede lichaam werkt op den Europeeschen mensch veel zinnelijker, dan het naakte lichaam. Door de bekleeding is in de plaats van de onverschilligheid der wilden voor het alledaagsche naakte een brandende nieuwsgierigheid gekomen voor het zich in kleederen verbergende lichaam. Treffend zou dit blijken als een vrouw in negligé, maar geheel bekleed, zich op straat zou begeven in gezelschap van een andere met ontbloote armen, beenen enz.--aller blikken zouden zich wenden naar het negligé, de slechts gedeeltelijk bekleede gezellin zou ternauwernood worden opgemerkt.

Het bekleede lichaam prikkelt de phantasie, die, eenmaal aan het werk, zich het verborgene en onbekende in de gloeiendste en heerlijkste kleuren afmaait. De steeds weer opnieuw opgewekte nieuwsgierigheid en de steeds opnieuw in werking gebrachte verbeelding verschaffen het bekleede lichaam een nimmer verzwakkende zinnelijke bekoring. Het decolleteeren nu schijnt een tegemoetkoming aan deze nieuwsgierigheid. Niet echter om die nieuwsgierigheid te bevredigen--daarmee ware niets gewonnen--maar integendeel om haar nog sterker te prikkelen.

Zoo blijkt uit het decolleté hoe diep en hoe grondig de mode zich in het haar ter oplossing gegeven thema heeft ingedacht. Zij maakt met de strategie van een wereldveroverend veldheer geniaal gebruik van elke voor de hand liggende en meer nog van elke niet voor de hand liggende gunstige omstandigheid. Met de decolletage benut zij het feit, dat gedeeltelijke en beperkte tegemoetkoming niet leidt tot bevrediging der nieuwsgierigheid, maar tot nog grootere nieuwsgierigheid: zij exploiteert met de ten deele ontbloote boezems met weergalooze handigheid het verschijnsel, dat een enkel woord van een geheim de nieuwsgierigheid om alles te weten opvoert tot de uiterste grens van spanning.

Dat het decolleteeren geen ander dan het hier geschetste doel beoogt, en dat men dit ten allen tijde ook zeer goed geweten heeft, valt direct te bewijzen met tal van verbodsbepalingen dienaangaande. Zoo waren er in tijden, waarin het decolleté niet alleen binnenshuis maar ook daarbuiten mode was, veelal allerlei voorschriften, hetzij wettelijke verordeningen, hetzij decreeten van den goeden toon, die de aanwending van dit lokmiddel aan zekere regelen onderwierpen. Herhaaldelijk komt men daarbij voorschriften tegen die aan ongehuwde vrouwen een lager decolleté toestaan dan aan getrouwde vrouwen. Weduwen worden dan in dit opzicht als gehuwd aangemerkt totdat de wettelijke termijn, binnen welke zij geen nieuw huwelijk mochten aangaan, verstreken was. Daarna mochten zij zich weer decolleteeren als jonge meisjes. Met deze regeling werd natuurlijk zonder meer erkend, dat het decolleté mannenvangst beoogde, en dat dit recht eigenlijk alleen aan ongehuwde vrouwen toekwam.

De bedoeling van het decolleté is ontegenzeggelijk alleen deze, den boezem prijs te geven aan de blikken der mannen teneinde zinnelijke bekoring uit te oefenen. Of daarbij precies doelbewust dan wel werktuigelijk en uit navolgingssleur wordt gehandeld, is natuurlijk vrijwel om het even.

Nu laat de zinnelijkheid zich het allerminst bekoren door openlijk vertoon, zonder meer. Er is een vorm van decolleté, die slechts weinig bekoort en waarbij de bekorende kracht in elk geval slechts van korten duur is: het toonen van den boezem in zijn eenvoudige naaktheid, zooals men het gezicht en de handen bloot laat. Er zijn tijden geweest, waarin dit de mode was. En steeds bleek dan, dat er in een ommezien van tijd ook van dit, als kostbaarste sieraad der vrouw en als het heerlijkst erotisch wonder der schepping zoo vaak bezongen uitgangspunt van zinnelijke aantrekkingskracht, niet meer bekoring uitging, dan van gezicht of handen. Naaktheid heeft geen blijvende bekoorlijkheid. Deze vorm van decolleté beantwoordde dan ook allerminst aan het gestelde doel en is dan ook waarschijnlijk zelden of nooit als direct middel ter bekoring bedoeld. Daarvoor zijn een menigte andere manieren van ontblooting uitgedacht--gedeeltelijke ontblooting, waarbij het zichtbaar gedeelte de nieuwsgierigheid naar de rest had te prikkelen; en de bedekte ontblooting, waarbij het kleed los den boezem bedekte en op elk gewenscht oogenblik opengeworpen kon worden, evenals de rok kan worden opgenomen om het been te toonen.

Zoo heeft het decolleté zoolang de mode de vrouwenkleeding beheerscht, regelmatig heen en weer geschommeld tusschen een minimale en een maximale ontblooting. Bij dat maximum werd het kleed zoover opengelegd, dat vrijwel de geheele voorkant van het bovenlichaam aan de blikken werd prijsgegeven. Koningin Isabella van Beieren bracht in de 16e eeuw een mode in zwang, waarbij het kleed van den hals tot aan den middel openhing, en aan haar hof moet deze mode onmiddellijk met een waren hartstocht zijn aangenomen. In de 16e eeuw heerschte deze mode herhaaldelijk en er werden toen nog allerlei middelen bedacht, om het erotisch effect nog te verhoogen: rondom de borsten werden schitterende versierselen gelegd; ook werden wel beide tepels verbonden door met diamanten bezette borstketens.