Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid

Chapter 12

Chapter 123,665 wordsPublic domain

De manie van het flagellantisme kan zoowel hetero-sexueel zijn als homo-sexueel, wat trouwens met alle geslachtelijke perversies het geval is. Sommige navorschers der sexueele zeden, zooals Iwan Block en Lawes, zijn van meening, dat het vrouwelijk geslacht meer tot actieve zoowel als tot passieve flagellomanie geneigd is dan het mannelijke, iets wat trouwens a priori waarschijnlijk is--wat de passieve flagellatie betreft wijl onderwerping en dulding meer in den aard der vrouw ligt, dan in dien van den man; en wat de actieve flagellatie aangaat wijl machtsmisbruik een gewoon verschijnsel is bij den machtelooze, die in de gelegenheid komt macht uit te oefenen--en dit is in sexueel opzicht het geval als de door zinnelijkheid ontaarde man zich willoos en onmachtig aan de vrouw overlevert, bereid om in ruil voor geslachtsgenot alles van haar te dulden.

In den tegenwoordigen tijd wordt het flagellantisme waarschijnlijk niet of bijna niet meer beoefend met de zweep of de roede. Tegenwoordig zijn het de masseuses aan wier handen flagellomane individuën zich ter "verpleging" overgeven.

Minstens van even groote beteekenis als de gevoelszin is voor het sexueele leven de _gezichtszin_. Dit is tevens het zintuig, dat als aangewezen is om de zinnelijkheid te veredelen en te idealiseeren en de esthetische waarde van den gezichtszin voor het liefdeleven is grooter dan die van de overige zinnen tezamen. De gezichtszin wekt de begeerte tot bezit op door middel van schoonheidsprikkels--het oog roept de zinnelijkheid wakker door de bekoring der schoone vormen.

Het is de natuurlijke taak der vrouw, de bij den man sluimerende zinnelijkheid op haar persoon te vestigen. Dit kan op groote schaal het best en daarom met de meeste kans op succes geschieden door te werken op den gezichtszin. Deze manier van lokking levert de meeste kans een groot aantal te bekoren; zij verschaft dus een ruime keuze. En doordat de gezichtszin fijnere, edeler instincten wakker roept, levert de lokking, die zich wendt tot den gezichtszin, tevens de meeste kans op tot bekoring der beste, meest begeerenswaardige exemplaren; lokking, gericht op den gezichtszin, verschaft daardoor niet alleen een ruime keuze, maar tevens keus uit het beste. Om deze redenen trachten alle vrouwen in de eerste plaats schoon te zijn, d.w.z. te beantwoorden aan de heerschende _schoonheids-idealen_ voor de vrouw. Om haar schoonheid te verhoogen en gebreken daarin te verbergen vindt het vrouwelijk geslacht dan ook altijd weer nieuwe hulpmiddelen uit.

Tot die hulpmiddelen behoort in de allereerste plaats de kleeding. C. H. Stratz neemt als vaststaande aan, dat het oorspronkelijk doel der kleeding niet lichaamsbedekking geweest is, maar _lichaamsversiering_. Reeds vroeg zal de ondervinding de vrouwen hebben geleerd, dat bedekking en verberging der bekoorlijkheden de zinnelijkheid meer prikkelt, dan openlijk tentoonstellen daarvan. Tegenwoordig is bij de meeste volken het bedekken van het lichaam wel schijnbaar de hoofdzaak, vooral in de gematigde en koude luchtstreken, maar overal is niettemin voor het vrouwelijk geslacht verhooging der schoonheid ter verhooging der sexueele aantrekkingskracht de ware en eigenlijke hoofdzaak bij haar kleeding. Het is voor de vrouw bij het kiezen harer kleeding vrijwel onverschillig wat bedekt of niet bedekt wordt, mits de kleeding haar slechts goed, d. i. verleidelijk en verlokkend staat. Bij den man is dit geheel anders. In de mannenwereld dient de kleeding behalve tot lichaamsbedekking allereerst tot aanduiding van standsverschil; door zijn kleeding vestigt de man de aandacht op zijn stand in de maatschappij; hij demonstreert er zijn werkelijken of denkbeeldigen welstand mee, maar sexueele oogmerken spelen in de mannenkleeding geen noemenswaardige rol. Vandaar overal een veel grootere eenvormigheid in de mannen- dan in de vrouwenkleeding, Natuurlijk staat dit rechtstreeks in verband met de schijnbare activiteit en de even schijnbare passiviteit van man en vrouw in het leven der liefde.

De vrouw is in het liefdeleven de aantrekkende magneet, en alle middelen waarmee zij die aantrekking van nature vermag uit te oefenen, tracht zij--natuurlijk veelal zonder zich daarvan duidelijk bewust te zijn--kunstmatig te versterken. Daar zekere geuren de geslachtelijke aantrekking blijken te versterken, hult zij zich in wolken van erotische geuren. Daar opzichtigheid en opschik in nog hoogere mate sexueele aantrekking uitoefenen, hult zij zich tevens in wolken van opzichtigen opschik. Iedere vrouw, die zich opschikt en mooi kleedt, heeft daarmee de al of niet bewuste bedoeling hare natuurlijke geslachtelijke aantrekkingskracht te verhoogen.

Om het oog der mannen te bekoren en zoodoende hun zinnelijkheid op te wekken, versierden de vrouwen zich aanvankelijk met elk veelkleurig en fraai voorwerp, dat zij maar machtig konden worden. Daaruit ontwikkelde zich de kleeding, die ook daar waar bescherming van het lichaam tegen koude of warmte een gebiedende noodzakelijkheid is, toch, vooral wat de vrouwen betreft, in de eerste plaats wordt dienstbaar gemaakt aan schoonheid, ter verhooging van de sexueele aantrekkingskracht. De leiding gaat daarbij sinds onheugelijke tijden uit van een factor, die deze neiging tegelijkertijd aanwakkert, exploiteert en bevredigt: de mode. Wat deze op een gegeven oogenblik mooi verklaart, daaraan onderwerpen zich nagenoeg alle vrouwen, ook al gemakshalve, wijl dat haar ontslaat van de moeite, zelf uit te vinden, wat mooi is. Bij deze onderwerping blijkt steeds, hoezeer het schijnbare hoofddoel der kleeding: bescherming van het lichaam tegen koude of warmte, in werkelijkheid bijzaak is. Als de mode zulks voorschrijft, ontblooten alle vrouwen gewillig boezem, schouders, armen enz.

Bij vele dusgenaamde onbeschaafde volksstammen dragen alleen gehuwde vrouwen kleederen. De mannen beschouwen haar als een bezit, dat zij angstvallig en ijverzuchtig aan alle nieuwsgierige en begeerige blikken wenschen te onttrekken. Bij zulke stammen is het dan tevens regel, dat zelfs volwassen jongedochters geheel naakt loopen. Daarentegen zijn er ook stammen bij welke de ongehuwde vrouwelijke leden zich kleeden, met het bewuste doel, hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen en zich begeerenswaardiger te maken, terwijl de gehuwde vrouwen zulks niet meer noodig achten en ongekleed gaan. Hier gaat men derhalve uit van de--zielkundig juiste--opvatting, dat van verbergende, bedekkende kleeding, wijl zij de nieuwsgierigheid opwekt en de phantasie in werking brengt, machtiger bekoring uitgaat dan van de algeheele naaktheid, die niets meer te raden overlaat, en wier bekoring door de gewoonte zeer snel afneemt, zooals iedereen weet, die een tijdlang onder naaktlevende wilden vertoefd heeft. Datzelfde beginsel is thans ongeveer overal doorgedrongen, niet alleen in wat men noemt de beschaafde wereld, maar ook overal waar men die beschaving, zij het in nog zoo geringe mate, heeft leeren kennen.

Bekleeding en bedekking van het lichaam sluiten echter de mogelijkheid in, dat zich ook in het verleidelijkste en bekoorlijkste hulsel, inplaats van een begeerenswaardige Venus, een Megera verbergt. Deze mogelijkheid matigt en vermindert weer de aantrekkingskracht der bekleeding. De kleeding moet daarom niet slechts verbergen, maar tegelijkertijd zooveel mogelijk aanduidingen geven van wat zij verbergt, en het hoogste raffinement der vrouwenkleeding bestaat dan ook hierin: zoo weinig mogelijk te toonen, doch op een wijze dat er zooveel mogelijk valt te raden, volgens den paradox: _in kleederen naakt_. Een nauwsluitend tricotcostuum of een kleed van dunne, zich aan het lichaam leggende stoffen verbergt alles, doch laat tevens alles raden en oefent daardoor een machtige erotische werking uit, wat reeds de Ouden wisten. Dit feit, dat een doelmatige gedeeltelijke bedekking of ontblooting sexueel sterker behaagt en bekoort dan de volle naaktheid, is een onderdeel van een veel omvattender verschijnsel in het leven der sexen. De mannelijke zinnelijkheid wenscht geen dadelijke, lijdelijke overgave, zij verlangt integendeel verzet, tegenstand, zij wil de zege stuk voor stuk bevechten, wat zich aanbiedt wordt weinig of niet meer begeerd, wat zich al te licht prijsgeeft trekt niet aan, stoot eer af. Evenzoo is het met de zich vrijelijk aan den blik prijsgevende naaktheid. De berekende schijnbeschaamdheid der half bekleede Venus van Medici is verleidelijker en aanlokkender voor de mannelijke zinnelijkheid dan de onbekommerde naaktheid van de Venus van het Vatikaan.

Is het doel der bovenkleeding verlokking in het algemeen, dat der onderkleeding is in hoofdzaak persoonlijke verlokking van den begunstigden man. Hoe dichter de vrouwelijke kleeding de huid nadert, des te ingewikkelder en gecompliceerder en teven des te meer zinnenbedwelmend wordt zij. Kanten, borduursels, linten, strikken, de meest phantastische stoffen, de geraffineerdste kleurencontrasten. Natuurlijk ligt in dat alles een diepere bedoeling. De schatten van vinding en phantasie, die de linnenkast eener welgestelde dame vertegenwoordigt, verraadt te duidelijk, hoezeer men zich in die schijnbaar zoo onbeduidende bijzaak als de onderkleeding heeft verdiept. De artistieke pracht en de erotische doelmatigheid van elk onderdeel van het vrouwelijk dessous bewijzen voldoende, dat hiermee iets anders wordt beoogd dan lichaamsbekleeding. Het dessous is weer een dier middelen waarmee de vrouw zich kwijt van de taak haar door de natuur toegewezen: zich tegenover den man schijnbaar passief te gedragen en hem toch op het geraffineerdst te bekoren en te verlokken en hem bij voortduring door haar erotische overmacht aan zich onderworpen te houden. Zoo zien wij dan ook, dat geen vrouw die zichzelf respecteert zich bij de keus harer onderkleeding alleen door hygiënische overwegingen laat leiden; integendeel, de dame van heden kleedt zich, wat haar dessous betreft, 's winters vrijwel precies zoo als in den zomer, hoezeer zij zoodoende haar gezondheid in gevaar brengt. Heel het vrouwelijk dessous is een wolk van erotische verlokking. Moet de vrouw bij haar bovenkleeding zich om tal van redenen beperken, bij haar onderkleeding kan zij vrijelijk en ongehinderd haar lokkende zinnelijkheid uitleven; de onderkleeding immers ligt buiten het gebied der openbare zedelijkheid. Hierbij kan men alle beschikbare phantasie te hulp roepen en kan men zich alles veroorloven. En zoo is aan de vrouwelijke onderkleeding alles verleidelijk, pikant, een ware orgie van vormen en kleuren. Wij zullen het thema der kleeding in het volgend hoofdstuk uitwerken.

Behalve de kleeding zijn er nog tal van andere factoren, die der vrouw de mogelijkheid openen om door middel van den gezichtszin erotischen invloed uit te oefenen en overal en in alle tijden zien wij de vrouwen zich in ruime mate van die mogelijkheid bedienen. En tevens met voorliefde. De blikken te bekoren is voor de vrouw eenerzijds voor haar ijdelheid het meest streelend, en anderzijds is dit tegelijk het zekerst en het veiligst. De oogen een verrukkelijk schouwspel te bereiden is bovendien de eerste gunst, die de vrouw den man bewijst, het is de gebruikelijke ouverture van alle vrouwelijke flirt, en het gansche spel der vrouwelijke coquetterie bestaat voornamelijk hierin, door pikante poses, verleidelijke houdingen en schijnbaar achteloos aan den blik prijsgeven van intieme bekoorlijkheden den man te behagen. Door zoo op den gezichtszin te werken kan de vrouw, zonder haar schijnbaar passieve rol in het leven der liefde af te leggen, toch actief optreden, en dat met onweerstaanbare macht. De sexueele gevoeligheid van den gezichtszin biedt de vrouw de mogelijkheid, de mannelijke zinnelijkheid reeds op een afstand te doen ontvlammen en tot de begeerde uitbarsting te brengen.

De gezichtszin staat bij sommige, vooral mannelijke individuen dermate onder den invloed der zinnelijkheid, dat het zien alleen van een individu der andere sexe de verbeelding zoodanig prikkelt, dat bevrediging der geslachtsdrift plaats vindt. Hammond beschrijft dit als volgt: "Bijvoorbeeld een man ziet een vrouw, die zinnelijke bekoring op hem uitoefent. Hij concentreert al zijn aandacht op haar, laat zijn verbeelding werken, stelt zich voor dat hij haar nadert, trapsgewijze brengt hij dan met zijn phantasie alle stadiën van den coïtus voor zijn geestesoog, tot het tenslotte tot orgasme komt. Er zijn mannen, die alleen dezen vorm van zinnelijke prikkeling kennen, doch dan deze methode meermalen op een dag kunnen toepassen". In enkele gevallen is het zien van een afbeelding eener vrouw of het denken aan een vrouw, al voldoende, orgasme te veroorzaken. Tot de natuurlijke cohabitatie zijn zulke personen in den regel ten volle impotent. Dit verschijnsel is ongetwijfeld een gevolg van het feit, dat het schoonheids-ideaal, dat op de zinnelijkheid inwerkt, en deze in actie brengt, het individu overweldigt door middel van den gezichtszin. Alle zinnelijkheid verlangt in de eerste plaats te zien. De masturbant beschouwt bij zijn practijken veelal een vrouw of een afbeelding, of zijn verbeelding plaatst hem deze voor oogen. En ook bij het gewone en normale geslachtsleven speelt deze ideëele coïtus een belangrijke rol: men cohabiteert met een persoon en denkt daarbij aan een andere.

Het zintuig van het gezicht, het oog, speelt in het liefdeleven nog een andere rol. Liefde wordt allereerst verklaard met het oog. Het is de blik die de vonk schiet welke de hartstocht der liefde tot uitbarsting brengt, evenals een bliksemstraal de met electriciteit geladen onweerswolken. De blikken dergenen, die door duistere sympathiën zich tot elkaar voelen aangetrokken en tot elkander worden gevoerd, ontmoeten elkander en toonen elkander de diepte der ziel, waarin reeds de geheimzinnige en geurige bloem der liefde tot ontluiking is gekomen. Zoo is het dat de echte liefde wordt verklaard. Het overige is vooreerst maar het overige en komt later. Het oog vermag in de liefde onuitsprekelijke dingen te zeggen. Het is de blik die de eerste liefdesverklaring stamelt.

VIII.

DE KLEEDING ALS BONDGENOOTE DER ZINNELIJKHEID.

De kleeding heeft onder het voorwendsel het lichaam bescherming te verleenen tegen allerlei uitwendige invloeden, een geheel andere functie te vervullen. Kleeding is lichaamsversiering in dienst der zinnelijkheid en der ijdelheid.

Is voor den man in het algemeen de kleeding een der middelen om zijn maatschappelijke positie te demonstreeren, voor de vrouw is de kleeding gedurende een groot deel van haar leven een direct erotisch probleem, een vraagstuk, waarmee zij zich in den sexueelen strijd om het bestaan aanhoudend moet bezighouden. Vandaar dat wij ons hier uit den aard der zaak voornamelijk bij de kleeding der vrouw moeten bepalen.

Het allervoornaamste, zoo niet het eenige doel van het decoratief vertoon van de kleeding der vrouw is: verhooging der erotische bekoring van het vrouwelijk lichaam. De vrouw kleedt zich, niet om bekleed te zijn, maar om te bekoren en te behagen. De rest is bijzaak.

Tot op zekere hoogte is ook bij de mannen de kleeding een erotisch probleem, maar zij is dit in veel geringere mate en op geheel andere wijze. De man heeft in het liefdeleven de oogenschijnlijk actieve rol van aanvallende partij; daarbij kan de kleeding, die zijn stand en zijn welstand al of niet overeenkomstig de werkelijkheid te kennen geeft, hem behulpzaam zijn in den eersten stormloop. En ook streeft de man er bij de keuze van kleeding naar, dat ze hem zoo voordeelig mogelijk late uitkomen. Maar bij de vrouw is de kleeding het groote middel om hare natuurlijke sexueele aantrekkingskracht onberekenbaar te verhoogen en tot op gevorderden leeftijd intact te houden. En dit geldt niet alleen van de geraffineerde pronk en van den opzettelijken opschik, maar van elke lichaamsbedekking der vrouw in het algemeen.

Men weet thans, en de vergelijkende volkenkunde levert daarvoor dag aan dag nieuwe bewijzen, dat het een dwaling is, als men spreekt van een den mensch van den beginne af aangeboren schaamtegevoel, dat hem er toe zou hebben gedreven zekere deelen van het lichaam te bedekken. Wij weten verder, dat integendeel elke vorm van kleeding oorspronkelijk nooit eenig ander doel heeft gehad dan om te strekken ter versiering ten behoeve van oogmerken, die in laatste instantie bevrediging der zinnelijkheid beoogen.

De vrouw is, en wordt nog om haar hartstocht voor kleeding, waarmee de tegenwoordige vrouw als erfelijk is belast, veel gesmaad en bespot. De mannen maken zich gaarne vroolijk over al die linten en strikken, al dat kant en bont, al dien blinkenden en kleurigen opschik, die sinds duizenden jaren in het leven der schoone sexe een zoo voorname rol spelen, en zij zien er minachtend en geringschattend op neer en verbeelden zich daarboven verheven te zijn. Ten onrechte, want de vrouw neemt al die hulpmiddelen te baat, wijl ondervinding haar heeft geleerd en nog dagelijks leert, dat juist die hulpmiddelen op den man een onweerstaanbare uitwerking hebben. De vrouw kleedt en tooit zich en schikt zich op, niet in de eerste plaats, omdat zij zelf daar zoo op gesteld is, maar omdat zij den man daartegen zwak weet. Als de man den spot drijft met de zucht naar opschik der vrouw, bespot hij eenvoudig zijn eigen voorliefde voor de opgeschikte vrouw.

Gewoonlijk beschouwt men het geheimzinnige hulsel, waarin de vrouw hare natuurlijke bekoorlijkheden verbergt, als een lustig spel der grillige phantasie, waaraan de vrouwelijke ijdelheid zich te buiten gaat. Evenwel is hier allerminst sprake van een spel. De kleeding is voor de vrouw de oorlogsrusting in haar lijdelijk offensief in den strijd der liefde. Van de doelmatigheid dier wapenrusting hangt haar overwinning af. Zich opschikken is het zwak der vrouwen dat haar sterk maakt--het is voor haar een erotisch machtsmiddel.

Dat het erotisch probleem der kleeding op zoo uiteenloopende wijze is opgelost, is te verklaren als volgt. Bij het versieren van het lichaam gaat de mensch, op welken trap van beschaving hij zich ook bevindt--zoowel op den hoogsten als op den laagsten trap--steeds er naar uit, de speciale eigenschappen van het ras, die natuurlijk als voordeelen boven andere rassen worden aangemerkt, zoo scherp en zoo gunstig mogelijk te laten uitkomen. Voor een zoo volmaakt mogelijk exemplaar van zijn ras te worden aangezien, daarnaar streeft onwillekeurig ieder mensch. De meest in 't oog springende ras-eigenschappen der Europeanen, speciaal der Europeesche vrouwen, zijn: betrekkelijk lange beenen, een natuurlijke taillevorming met merkbare insnoering van den middel, verder een breed bekken, ronde heupen en stevige borsten, als halve bollen op de borstkas staande. Deze speciale eigenschappen der Europeesche rassen hebben de richting bepaald, waarin de kleeding zich in dit werelddeel heeft ontwikkeld. Uit het streven om de lengte der beenen te laten uitkomen, ontstond de rok, die het mogelijk maakt met een oogopslag de verhouding daarvan tot het bovenlichaam op te nemen. Evenzoo danken gordels en ceinturen hun ontstaan aan de zucht om er de aandacht op te vestigen, dat men in taillevorming niet achterstond. Toen de kleeding zich zoover had ontwikkeld, dat ze zich gesplitst had in een geheel afzonderlijke onder- en bovenkleeding, werden ten behoeve van ditzelfde oogmerk de achtereenvolgende vormen van het corset uitgedacht, als een hulpmiddel om de verdere vrouwelijke eigenschappen van het blanke ras--breed bekken en staande borsten--aan het geheel bekleede lichaam toch nog te kunnen tentoonstellen. Dat dit geen hypothese is, leert een vergelijking met een menigte andere rassen, bij welke een breed bekken, taille-insnoering en een opgerichte boezem niet tot de speciale raskenmerken behooren. Bij zulke rassen, het Chineesche bijvoorbeeld, is in de kleeding geen spoor te ontdekken van een streven om de taille in te snoeren of den boezem kunstmatig omhoog te persen.

Het corset is dus een hulpmiddel in dienst der erotische instincten der vrouwen van het blanke ras, en dit verklaart, waarom men deze vrouwen er tot dusver nog niet toe heeft kunnen krijgen, en er wellicht nimmer toe zal krijgen, van het corset afstand te doen, en waarom zelfs eenmaal van dit folterwerktuig bekeerde dames het onder een andere benaming al of niet onder eenigszins gewijzigden vorm, al spoedig weer binnen smokkelen.

In het algemeen is de kleeding ontstaan uit de ervaring, dat het verhulde lichaam meer en langduriger bekoort dan het naakte lichaam. Hierover is al nader uitgewijd in het hoofdstuk dat handelt over den invloed der zintuigen in het liefdeleven en in dat over de schaamte.

Een natuurlijk gevolg van de zucht om de bijzondere raseigenschappen te laten uitkomen en voor een volmaakt vertegenwoordigster van het ras te kunnen doorgaan, is gelijk van zelf spreekt: overdrijving. Wie een verlangde eigenschap in den hoogsten graad bezit of schijnt te bezitten, valt het eerst en het meest in het oog. Zoodoende zoekt de kleeding gewoonlijk een bijzondere ontwikkeling van de bovengenoemde raseigenschappen voor te wenden. Daarbij wordt in den regel weinig of geen rekening gehouden met de natuurlijke harmonie, grondslag en eerste eisch van elke ware schoonheid. Maar, esthetische overwegingen komen bij de kleeding zoo goed als niet aan het woord. Met de kleeding toch worden geen esthetische, maar practisch-erotische oogmerken beoogd. En nu moge het waar zijn, dat hoogstzelden vrouwen met de breedste heupen, den weelderigsten boezem en de omvangrijkste callipygische bekoorlijkheden als werkelijke schoonheden en esthetische idealen worden aangemerkt, toch leert de ondervinding maar al te duidelijk, dat in werkelijkheid toch diegenen de voorkeur genieten, bij wie deze raseigenschappen het krachtigst ontwikkeld zijn. De vrouw wil niet in de eerste plaats schoon genoemd zijn, maar zij wil bovenal gezocht en begeerd zijn, en zoo strekt de kleeding niet om de schoonheid der vrouw te verhoogen, maar om hare zinnelijke aantrekkingskracht te verhoogen.

De passieve rol van de vrouw in het geslachtsleven dwingt haar, als zij in haar passiviteit toch actief wil optreden--d.w.z. als zij schijnbaar lijdelijk wil blijven en toch erotische actie wil voeren--de kleeding als bondgenoote te aanvaarden.

Deze bondgenoote toch stelt haar meer dan iets anders in staat, verdekt offensief op te treden. Zij mag er met zekerheid meer effect van verwachten dan zelfs van de meest verleidelijke coquetterie, het andere groote actieve middel der vrouw; deze wordt tot een nauw verstaanbaar gefluister, vergeleken bij de beeldrijke lofrede, die de vrouw door haar kleeding op zich kan laten houden tot den man. De kleeding is, kort gezegd, de hoogste troef in het spel der verlokking. Door de pracht in haar kleeding en door steeds up to date daarmee te zijn, kan de vrouw bovendien haar welstand ten toon spreiden. Door daarbij een goede keuze en eenigen smaak aan den dag te leggen kan zij tenslotte met haar kleeding zelfs hooggespannen verwachtingen wekken omtrent hare geestelijke kwaliteiten. Zoo is de kleeding voor de vrouw een onuitputtelijk arsenaal en haar operatiebasis in den sexueelen strijd om het bestaan.

Het zou der vrouw geringe moeite kosten al datgene, wat zij met haar kleeding vermag, op de edelste en meest esthetische manier te doen, en haar natuurlijk schoon met behulp der kleeding eenige malen te verdubbelen. In plaats daarvan is als regel de bekleeding der vrouw, met esthetisch oog bezien, een toonbeeld hetzij van leelijkheid, hetzij van dwaasheid. De kleeding, die zou kunnen dienen het vrouwenschoon te verhoogen, doet eigenlijk niet anders dan dat schoon onkenbaar maken. Wat de bestaande schoonheid kon versterken en vermeerderen, verwoest haar. De natuurlijke schoonheid wordt bedekt met leelijkheid; om mooi te zijn, maakt men zich leelijk!

De oplossing van deze tegenstrijdigheid is eenvoudig.