Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid

Chapter 11

Chapter 113,652 wordsPublic domain

Natuurlijk hebben ten allen tijde de eenmaal ten sexueelen val gekomen vrouwen getracht, dit feit te verbergen. En ten tijde, dat bovengeschetste bruidshemdsgebruiken in zwang waren, hebben zulke vrouwen gezocht naar middelen om in den bruidsnacht den man de illusie van de maagdelijkheid zijner bruid te doen behouden. Wat verloren was gegaan trachtte men kunstmatig te herstellen. Daaruit heeft zich in den bloeitijd van dit soort sexueele gebruiken een heele reparatiekunst ontwikkeld, waarvan apothekers, handelaars in wonderdoende kruiden en kwakzalvers de voornaamste beoefenaars waren. En met behulp van allerlei samentrekkende zalven en preparaten schijnt men er werkelijk in te zijn geslaagd de verloren maagdelijkheid telkens in voldoende mate te vernieuwen om den eerstvolgenden geliefde of den echtgenoot niet alleen de illusie te laten, dat hij de eerste was die de bloem der onschuld plukte, maar hem daarvan ook de zichtbare bewijzen in den vorm van duidelijke en onmiskenbare sporen te leveren. Zoo kon men met behulp van wat schijnheiligheid en der niet al te dure middelen der kwakzalvers zoo lang maagd blijven als men verkoos, zoodat dit soort vereering der maagdelijkheid allerminst de maagdelijkheid hoog hield.

De vereering der maagdelijkheid draagt derhalve allerminst een verheven karakter. Integendeel, in de geschiedenis der sexueele zeden treft men steeds weer het eigenaardig verschijnsel aan, dat in tijden van algemeene losheid van zeden de virginiteit het hoogst staat aangeschreven en het vurigst wordt begeerd. Hetzelfde doet zich voor in alle zedelooze kringen en ook valt zulks op te merken bij loszinnige individuën. De vrouwelijke zoowel als de mannelijke sybariet verlangt iets, wat maar eenmaal en door één kan genoten worden. Hun begeerte haakt naar niets zoo sterk als naar het nog ongerepte. En voor dezulken is de maagdelijkheid niet iets, wat met heiligen eerbied vervult, maar als het kostelijkste gerecht dat voor den genotmensch bestaat. Dit soort verheerlijking van de maagdelijkheid der vrouw kan zelfs leiden, en leidt dan ook dikwijls, tot een ziekelijke ontaarding, waarvoor men den naam van ontmaagdingsmanie heeft uitgevonden, een manie, die in de nieuwere geschiedenis vooral in Engeland heeft gewoed, gelijk bij de Pall Mall-onthullingen, waarop wij later terugkomen, is gebleken.

Wat den man in de maagdelijk-onschuldige schoonheid nog extra bekoort, is de onwetendheid daarvan bij de vrouw. Jeugdige onschuld, opgeluisterd door argeloosheid heeft een onuitsprekelijke bekoring, en niets is heerlijker en meer betooverend dan een schitterende onschuld, die in haar handen de sleutel heeft van een hemel.

De verdere natuurlijke lokmiddelen der vrouwelijke sexe zijn de jeugd en uiterlijk lichaamsschoon. Deze zijn van minder algemeenen aard, wijl daarin de individueele smaak meespreekt. Ten opzichte der maagdelijkheid bestaat geen verschil van smaak, ten opzichte van jeugd en schoonheid wel en in zeer sterke mate. De rol der schoonheid van lichaamsvormen in het sexueele leven hebben wij reeds behandeld in een afzonderlijk hoofdstuk in dit deel.

Tot de bijkomstige erotische lok- en machtsmiddelen der vrouw behoort in de eerste plaats de tegenstand. Tegenstand prikkelt in hooge mate de mannelijke begeerte. De vrouw weet dit en doet er haar voordeel mee. Als zij de zinnelijkheid van den man op zich gericht weet, dan hult zij zich in het masker der schaamachtigheid, neemt den schijn aan van onverschilligheid en onwil en ontvlucht de gehoopte omhelzing. Juist deze tegenstand, zij moge echt zijn of gespeeld, prikkelt de erotische veroveringszucht van den man en blaast in vele gevallen de aanvankelijk slechts vluchtige begeerte aan tot een niet meer te beheerschen hartstocht. Het strookt geheel met den actieven aard van den man, dat juist het stuiten op tegenstand de waarde van het bezit voor hem verhoogt. In het spel der liefde is dit stuiten op tegenstand voor den echt-mannelijken man een ware behoefte; hij verlangt en behoeft tegenstand, en geen tegemoetkoming van de vrouw. En zoo gedraagt de vrouw zich in het sexueele leven in den regel terughoudend, tegenstrevend, beschaamd en defensief, en wordt daardoor de veroveraarster van den man, dien zij in schijn de rol ven aanvaller en veroveraar laat. Doch zoo als ongeveer alles in het leven der liefde, kan ook dit lokmiddel der liefde weer leiden tot allerlei misverstand. Want er is in de liefde een lokkende tegenstand, die ontwijkt om te prikkelen tot meer intensieve vervolging, en er is een ernstig gemeende, wezenlijke tegenstand, die inderdaad bedoelt af te wijzen. Daar de vrouw in het spel der liefde en der zinnelijkheid altijd begint met hare naar haar gunst dingende erotische krijgsgevangen af te wijzen, behoort er in vele gevallen groote kennis van den vrouwelijken aard toe om zich omtrent den aard der afwijzing niet te vergissen.

De vrouw bezit in hooge mate het vermogen om door zelfbeheersching hare overwinningen tot volkomenheid te brengen. Den in sexueel opzicht zoo oneindig veel zwakkeren man ontbreekt dit vermogen nagenoeg geheel. Om een man te veroveren heeft de vrouw alleen maar te beschikken over wat uiterlijke knapheid, zelfs het enkele vrouw-zijn is voor de vrouw al voldoende een man sexueel te binden. Het allerminste kamermeisje kan de Apollo van Belvédère of een gepurperden koning in vijf minuten veroveren, zegt Mantegazza, terwijl Apollo door de minste deerne kan worden afgewezen. Daarin bestaat de eigenaardige macht der vrouw. De mannen zijn in den strijd der liefde evenals vliegen met alles te vangen--het is nog steeds Mantegazza, die hier aan het woord is--en het is veel moeilijker een muis te vangen dan een man, want voor een muis heeft men tenminste nog een slim ingerichte val noodig, terwijl dikwijls de pantoffel eener vrouw voldoende is om een man te vangen. Het is dan ook gemakkelijker een vesting bij overrompeling in te nemen, dan een vrouw. Als men gelooft, dat de verovering door overrompeling is gelukt, dan heeft men wel den schijn, maar niet het wezen, wel de vrouw, maar niet haar liefde bezeten. Alle zintuigen der vrouw staan voortdurend als schildwachten en luisterposten uitgezet en slaan bij het minste onraad alarm; en nu kunnen deze schildwachten wel eens door list of sluwheid om den tuin worden geleid, maar nooit het hart der vrouw, dit wordt door te veel versterkingen verdedigd en beschermd, het is niet te nemen, noch door list, noch door verrassing; het moet zichzelf overgeven en dit doet het nooit anders dan na een langdurig beleg. En wanneer het eindelijk op het punt staat te bezwijken, dan moet er nog een laatsten, geweldigen stormloop worden ondernomen om het te nemen. Het geeft zich eerst over, als het al zijn kracht tot verzet en verweer volkomen heeft uitgeput en de laatste verschansingen heeft zien bezwijken. De overgave der vrouw is altijd eervol, fier ontrolt zij bij het bezwijken de vanen en treedt in volle wapenrusting den veroveraar tegemoet, die dan weldra in werkelijkheid haar krijgsgevangene blijkt. Geen der vele onneembare vestingen van Europa kan zich beroemen nog nimmer door bestorming, uithongering of verraad te zijn ingenomen; maar vele zwakke vrouwen hebben de zwaarste aanvallen afgeslagen, en de man wreekt zich over zijn vele nederlagen tegenover de vrouw, door haar een zwak, hulpbehoevend, onzelfstandig schepsel te noemen."

De vrouw is met hare natuurlijke lokmiddelen niet te vreden. Steeds zoekt zij ze kunstmatig te versterken en er nieuwe aan toe te voegen. Alle zintuigen bieden haar daarvoor aangrijpingspunten. Wij zullen daarom allereerst een blik werpen op de rol der zintuigen in het liefdeleven.

VII.

DE ROL DER ZINTUIGEN IN HET LIEFDELEVEN.

De zintuigen vervullen in het liefdeleven de rol van koppelaars; zij staan allen in meerdere of mindere mate in directen dienst van de zinnelijkheid, de smaak misschien uitgezonderd.

Elk der zintuigen heeft in het liefdeleven een zeer bepaalde functie. Gezamenlijk dienen zij de natuur in het tot elkander voeren der sexen.

Zeer bescheiden is daarbij de taak van den _smaakzin_. Tot deze nemen echter dikwijls impotente individuen de toevlucht, om door smaakprikkels geslachtsprikkels op te wekken of te versterken. Het geloof in het bestaan van genotmiddelen, die het vermogen bezitten erotische gevoelens wakker te roepen, is nu en dan in de geschiedenis zeer algemeen geweest, waarbij echter steeds het bijgeloof een zekere rol speelde. Wij herinneren hierbij aan de vele eeuwenlang algemeen in zwang geweest zijnde minnedranken, waarmee men deels door middel van den smaak, deels door tooverwerking bij een bepaald persoon liefde jegens zich meende te kunnen opwekken. Natuurlijk waren van zulke minnedranken die genotmiddelen, welke geslachtsdrift gezegd werden op te wekken, dusgenaamde _aphrodisiaca_, steeds de hoofdbestanddeelen. Van een bepaalde natuurlijke functie van den smaak in het leven der liefde blijkt echter weinig of niets. Waar men den smaak in dienst tracht te stellen van de zinnelijkheid, heeft dit in elk geval steeds iets opzettelijks en gewilds, waarbij men tracht natuurlijke gevoelens kunstmatig op te wekken.

Geheel anders staat het reeds met de beteekenis van het _gehoor_ in het zinneleven. Dit blijkt reeds uit het feit, dat met het intreden der geslachtelijke rijpheid de menschelijke stem zich wijzigt, waarmee de natuur als het ware dit feit hoorbaar kenbaar maakt. Verder blijkt dit uit het verschil tusschen de mannen- en de vrouwenstem, een verschil dat nog de sexe verraadt waar die zich opzettelijk verborgen tracht te houden. Talrijke geluiden oefenen voorts een krachtige erotische werking uit. De stem, zang en muziek zijn in de eerste plaats lokmiddelen der liefde. In het dierenleven, deze spiegel van het menschelijk leven in natuurlijke dingen, vindt men dit terug in de loktonen beider seksen bij een menigte diersoorten. En ook getuigen van de macht van het gehoor op de zinnelijkheid, de gemakkelijke zegepralen in de liefde van groote zangers en zangeressen, ook al zijn deze door de natuur stiefmoederlijk bedeeld met lichaamsschoon. De oude Atheners beschouwden muziek, inzonderheid fluitspel, als het machtigste hulpmiddel tot opwekking en prikkeling der zinnelijkheid; en bij hen bestond eeuwenlang een afzonderlijke klasse van prostituees: de fluitspeelsters, die gewoon waren ware orgiën van geslachtelijke buitensporigheden aan te richten.

Sterker misschien nog is de invloed van den _reukzin_ op de zinnelijkheid. Deze vermag, hoewel bij verschillende individuen in zeer verschillende mate, rechtstreeks onopzettelijk den geslachtslust op te wekken en te prikkelen. Häckel beweert zelfs, dat de reuk de quintessence van alle geslachtelijke liefde is. Zwaardemaker heeft ontdekt dat alle erotisch werkende geuren behooren tot een en dezelfde groep van scheikundige stoften, n.l. tot de caprylen. Bij vele dieren spelen verschillende natuurlijke geuren in hun geslachtsleven een zeer belangrijke rol, bijvoorbeeld bij het muskusdier en den bever. Bij den mensch kunnen, vooral bij zeer zinnelijke naturen, de erotisch werkende caprylgeuren van allerlei lichaamsafscheidingen krachtig op de geslachtelijke instincten inwerken.

In het sexueele leven spelen de erotische geuren dan ook een groote rol. Tegenover de lichamelijke uitwasemingen van de andere sekse bezitten vooral mannen maar een zeer gering weerstandsvermogen. Vele anders moeilijk te verklaren sexueele connecties berusten op den onweerstaanbaren invloed van geslachtsgeuren. De meeste plotselinge liefdesbetrekkingen tusschen in stand of in leeftijd zeer uiteenloopende individuen zijn aan de erotische prikkelbaarheid van den reukzin toe te schrijven. Vele mannen schijnen ongevoelig voor het uiterlijk schoon of andere eigenschappen der vrouwen, terwijl zij zich in sterke mate voelen aangetrokken door de vrouwelijke atmosfeer. En evenals er erotische reukprikkels zijn die aantrekking uitoefenen, zijn er ook geuren die afstooten; m.a.w. er zijn sympathieke en antipathieke geslachtsgeuren.

Het ligt in den aard der vrouw alle ter harer beschikking staande erotische machtsmiddelen over den man tot den hoogsten graad van volkomenheid op te voeren. Alles in haar drijft haar aan om hare magnetische aantrekkingskracht op den man te versterken en hem aan zijn natuurlijken plicht van aanvallen--aanvallen waarin steeds zij overwinnares zal zijn--met alle kracht te herinneren. Het ligt dus voor de hand, dat ook der mannen zwakheid tegen erotische geuren door de vrouw wordt benut om hem te dwingen tot het geslachtelijk offensief, dat haar de sexueele zegepraal moet brengen. En zoo zien wij dan ook ten alle tijde en overal de vrouwen zich hullen in wolken van kunstmatige erotische geuren, teneinde te trachten de natuur te verbeteren, ze aan te vullen, te versterken. Hoe bewuster met dit rondom zich spreiden van prikkelende geuren beoogd wordt den man aan te lokken, des te sterker en overvloediger wordt van zulke geuren gebruik gemaakt, zoo dat de aanwending daarvan dan ook haar hoogtepunt bereikt bij de prostituees, die ter bereiking van hare oogmerken in de eerste plaats zoeken naar snelwerkende zinnelijke prikkels.

De vrouw bedient zich zeer algemeen van zulke geuren, de man daarentegen zelden en dan nog in veel mindere mate. Dit bewijst, dat de vrouw weet van het aanwenden van geuren effect te kunnen verwachten, en dat de man evenzoo weet, dat erotische geuren op de vrouw weinig of geen uitwerking hebben. De vrouw parfumeert zich niet wijl zij zelf zooveel behagen schept in welriekende geuren, maar in de eerste plaats om hare geslachtelijke aantrekking te verhoogen, den man te lokken en te boeien. Met het zich hullen in de geuren van muskus, amber, patschouli, ylan-ylan, heliotroop, reseda, viooltjes, beoogt de vrouw, bewust of onbewust, hetzelfde als met haar opschik en haar toilet, haar kleeding en hare verdere lokmiddelen. De vrouw parfumeert zich om te behagen. En daar zij zelf weinig of niet vatbaar is voor de zinnelijke bekoring door middel van den reukzin, kunnen erotische geuren door den man niet met vrucht worden toegepast. Vandaar parfumeeren mannen zich niet met het doel, bij de vrouw erotische voorstellingen op te wekken.

Men meent te hebben waargenomen, dat elk parfum verschillende sexueele voorstellingen opwekt; dat de eene erotische geur het geslachtsinstinct in andere richting leidt dan de andere. Ook schijnt op elk individu een bepaald sexueel parfum krachtiger erotische prikkeling uit te oefenen dan de overige.

De erotische voorstellingen, opgewekt door den reukzin, zijn in het algemeen van lager orde. Zinnelijkheid, daardoor opgewekt, begeert gewoonlijk niets dan onmiddellijke bevrediging der geslachtsdrift. Vandaar dat erotische geuren tot de gebruikelijke lokmiddelen der prostituees behooren. De aard van den geur, die de zinnelijkheid heeft opgewekt, is veelal van invloed op de hevigheid der zinnelijke bekoring. Bij wie daarvoor ontvankelijk zijn, werken bijvoorbeeld directe lichaamsuitwasemingen der andere sexe veel krachtiger op de animale begeerten, dan de kunstmatige erotische parfums dit doen op dezulken bij wie daardoor geslachtelijke voorstellingen worden wakker geroepen. Esthetisch is de zinnelijkheid, opgewekt door geuren, nimmer.

Het zintuig der zinnelijkheid bij uitnemendheid is het _gevoel_. Het gevoel heeft zijn zetel in de huid, en zoo is de geheele huid in zekeren zin geslachtsapparaat, zij is, zooals Bölsche opmerkt, "de groote koppelaarster, de allesbeheerschende middelaarster in liefdeszaken." Bij onesthetische naturen bestaan de blijken van liefde allereerst in bevoeling, aanraking, betasting. Maar ook in het algemeen oefent aanraking der huid, in het bijzonder elke liefkoozende en zacht wrijvende of krieuwelende aanraking, een sterk sexueele werking uit.

De huid is intusschen niet overal in gelijke mate geslachtelijk prikkelbaar. De gedeelten die dit vermogen in hooge mate bezitten heeten de erogene (geslachtelijk in hooge mate prikkelbare) zones. Deze prikkelbaarheid is uit den aard der zaak geconcentreerd in de geslachtszone en daar weer het sterkst in de eigenlijke zetel van het wellustgevoel, n.l. de eikel bij den man en de clitoris bij de vrouw, bij wie tevens het slijmvlies van vagina en vulva een hooge mate van sexueele sensibililiteit bezit.

In het liefdeleven der sexen spelen intusschen die erogene zones de hoofdrol, wier prikkelbaarheid minder intens is, en ook is haar esthetische waarde hooger. Iedere aanraking van personen tusschen wie een geslachtelijke connectie bestaat is een merkwaardige sexueele zede op zichzelf, zooveel het ineenstrengelen der handen en het gearmd gaan, als de kus en de omhelzing. Alle zinnelijke liefde uit en openbaart zich allereerst in den drang, de geliefde of begeerde tegenpartij in het minnespel aan te raken--het wezen der menschelijke geslachtsliefde bestaat in een neiging tot alzijdige lichamelijke aanraking, en niet zelden is bij sterk zinnelijke naturen aanraking voldoende voor geslachtelijke bevrediging--bij sommigen kan reeds een hartstochtelijke kus die bevrediging teweegbrengen.

De invloed van het gevoel op de zinnelijkheid is zoo sterk, dat ter opwekking van erotische voorstellingen en sexueele verlangens het volstrekt geen vereischte is, dat de aanraking plaats heeft tusschen de individuen welke die voorstellingen of verlangens gelden. Aanraking van een geheel onbekend persoon, onverschillig of deze van gelijke of andere sexe is, kan de minnende plotseling aan het geliefde wezen herinneren en dit in al zijn begeerlijkheid voor oogen stellen. Zelfs de aanraking van het eigen lichaam kan met behulp van de phantasie geslachtelijke opwinding veroorzaken, een feit, waarop de mogelijkheid der onanie berust. Tenslotte kan de huid ook door allerlei stoffen zooals bont, wol, fluweel en zijde geslachtelijk worden geprikkeld, een verschijnsel, hetwelk berust op een geheel complex van factoren, die wij hier niet nader kunnen nagaan, maar die blijkens de romans van Sacher-Masoch en de verdere Masochistische literatuur in het zinneleven van vele individuen een groote rol spelen.

Het gevoelszintuig werkt evenwel niet alleen door liefkoozende en streelende aanraking op de zinnelijkheid. Integendeel, ook pijnlijke aanraking kan een erotische uitwerking hebben. En wel zonder dat er een reden is om aan abnormaliteit te denken.

In de geschiedenis der sexueele zeden speelt de dusgenaamde _flagellatie_ een zeer groote rol. Flagellatie bestaat in slaan of geeselen van het ontbloote lichaam met erotische oogmerken. Dit is de letterlijke beteekenis van dezen term, terwijl het opzettelijk zich daaraan overgeven _flagellantisme_ genoemd wordt. Bij uitbreiding spreekt men gewoonlijk echter van flagellatie in al die gevallen, waarbij uit lichamelijk leed erotisch genot wordt geput. Dit verschijnsel doet zich zoowel actief voor als passief. Bij de actieve flagellatie werkt het slaan erotisch op dengene die slaat; dit is veel waargenomen bij degenen voor wie slaan gewoonte is geworden, bijvoorbeeld onderwijzers. Passieve flagellatie is die, waarbij de geslagene erotisch genot ondervindt, en dit leidt tot het op het eerste gezicht abnormale en ongerijmde verschijnsel dat lichaamssmart niet gemeden en geschuwd, maar integendeel begeerd en gezocht wordt.

Havelock Ellis, die dit verschijnsel het eerst en ook het grondigst heeft onderzocht, somt tal van voorbeelden op om te bewijzen, dat de vrouw een zekere neiging bezit smart te zoeken en door smart te genieten, een opvatting die evenwel weinig ingang heeft gevonden. Vermoedelijk berust de gewaarwording van erotisch genot bij slaan enz. eenvoudig op de prikkel, die daardoor wordt uitgeoefend op de huidzenuwen; dit heeft bloedsaandrang naar het getroffen lichaamsgedeelte ten gevolge, wat via de ruggemergscentra een prikkel uitoefent op het zenuwstelsel der geslachtsorganen. Hiermee wordt aan het geheele verschijnsel alle romantische kleur en alle geheimzinnigheid ontnomen en onderscheidt het flagellantisme zich alleen in graad van de erotische gevoeligheid voor liefkozingen en streelende aanrakingen.

Niettemin zijn er tijden geweest, waarin de flagellatie het meest geliefkoosde aphrodisiacum was, dat nog baat scheen te geven als alle andere zonder effect bleven. Eigenlijk treft men de flagellatie aan in alle tijden in wier intiem leven men tot dusver heeft kunnen doordringen. Blijkbaar behoort zij dus tot het gebied der sexueele zeden.

Het meest algemeen schijnt de flagellatie in zwang te zijn geweest in de 18e eeuw. Zij was toen ongetwijfeld een normaal hoofdbestanddeel van het geheele geslachtsleven. In alle rangen en standen der samenleving werden roede en zweep in dienst gesteld van de liefde, en men sprak daarvan openlijk met de meeste vrijmoedigheid. Men zag er een bijzondere delicatesse van het sexueele genieten in. Vele mannen bezochten geregeld inrichtingen, waar gelegenheid bestond zoowel om zichzelf met de roede te laten behandelen, of als om zich te laven aan het schouwspel dat anderen, en dan bij voorkeur meisjes en kinderen, op die wijze werden bewerkt. In alle ook maar eenigszins naar de eischen des tijds ingerichte bordeelen waren bovendien dusgenaamde erotische folterkamers, voorzien van alle instrumenten, die dezen zonderlingen vorm van genot en deze paradoxale voorbereiding tot genot, konden dienen.

Waar men echter het flagellantisme aantreft als een gezocht en gebruikelijk bestanddeel der sexueele zeden, vindt men vrijwel altijd tevens een in zinnelijkheid geheel opgaand, erotisch ontaard milieu, dat de zinnelijkheid zoekt op te drijven tot een niet te verzadigen en niets-ontziende begeerte, die aan vermogen meer eischt dan de natuur in staat is vrijwillig te schenken. Dan wordt de natuur, wijl slaan op zekere lichaamsdeelen de geslachtscentra prikkelt, met de zweep gedwongen meer te geven dan zij eigenlijk kan. Evenwel is dit blijkbaar slechts een der oorzaken, die tot het flagellantisme leiden. Vermoedelijk doet zich, waar het tenminste mannen betreft, daarbij ook gelden een zeker pervers genot in eigen vernedering. De diepste vernedering voor den man nu in sexueele dingen is zijn mannelijken aard af te leggen en zich door de vrouw als physiek de mindere te zien behandelen, zich physiek aan de vrouw te onderwerpen en zich weerloos door haar geweld te laten aandoen. Hierop doelt blijkbaar een Engelsche schrijver over de sexueele zeden der 18e eeuw, waar hij zegt: "Vele lieden, die maar een gebrekkige kennis hebben van de menschelijke natuur, gelooven, dat de hartstocht voor de flagellatie alleen voorkomt bij grijsaards en bij dezulken, die door sexueele uitspattingen zijn uitgeput. Dit is echter volstrekt niet het geval. Er zijn evenveel jongelingen en mannen in de volle kracht des levens, die door dezen hartstocht zijn aangegrepen, als ouden van dagen en verzwakte personen".

Gewoonlijk wordt Engeland beschouwd als het land, waar deze ontaarding der gezonde zinnelijkheid ten allen tijde het meest werd aangetroffen. Een feit is het, dat vooral Engelsche schrijvers zich met dit verschijnsel hebben beziggehouden. Ook is er geen land waar het gebruik van de roede en van lijfstraffen in het algemeen zoo wordt verheerlijkt als in Engeland. Niettemin schijnt het minstens voorbarig, op deze twee gronden de flagellatie als een specifiek Engelsche geslachtszonde aan te merken. En dit te minder, waar het bekend is, dat in de 17e en 18e eeuw vooral deze ontaarding der zinnelijkheid ook in andere landen zeer algemeen voorkwam en men er zich speciaal in tallooze kloosters van het verste Zuiden tot in het hoogste Noorden aan overgaf. Alles wijst er op, dat het flagellantisme alleen daar bloeien kan, waar de natuurlijke prikkels beginnen te verstompen, zoodat de natuur alleen nog maar door de zweep er toe kan worden gebracht de overspannen begeerte te bevredigen. Hiervoor spreekt ook het bekende feit, dat prostituees zich gaarne en met pervers genot door hare souteneurs laten mishandelen.