Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid
Chapter 10
Wij willen hier het even liefelijke als dramatische spel der wederzijdsche toenadering van nog een paar andere kanten beschouwen.
Van nature gevoelen de beide sexen zich tot elkander aangetrokken. Dit is een algemeene wet der natuur. Geheimzinnige krachten voeren de sexen tot elkander. Het is als een zesde zintuig, dat den mensch voortdurend de andere sexe doet zoeken, begeeren en vinden.
De zinnelijkheid is voor het individu veelal eenvoudig doel, maar in de ordening der natuur is zij het middel tot bestendiging van het leven, en zij werkt bij alle menschelijke wezens, zonder uitzondering. En de zinnelijkheid werkt zoo, dat ze den mensch met onweerstaanbare aandrang er toe aandrijft, gemeenschap met de andere sexe te begeeren. Dit doet den mensch hunkerend rondzoeken naar bevrediging, en zijn begeeren, aanvankelijk gericht op de gansche andere sexe, vestigt zich tenslotte op een bepaald persoon, en wel op die, welke het meest overeenkomt met zijn erotisch ideaal, m.a.w. op de persoonlijkheid, die het meest voldoet aan zijn zinnelijken smaak--verondersteld blijft hierbij natuurlijk, dat geen andere factoren de keus bepalen. Is het individu, welks keus is bepaald, een man, dan is het volgende wat hem te doen staat, het voorwerp van zijn keuze op een of andere wijze van dit feit in kennis te stellen. Bij den man is de keuze en het kenbaar maken daarvan vrij en van zijn min of meer tactvol optreden kan dan afhangen of zijn keus de verlangde gemeenschap tengevolge heeft of niet. De vrouw daarentegen gevoelt in hetzelfde geval zich genoopt haar keus te verzwijgen. Zij mag alleen kiezen uit wat zich haar aanbiedt. Zij heeft ten deze niet de vrijheid, die de man heeft. Van haar wordt een afwachtende houding verwacht. Vandaar is er bij de vrouw van een vrije geslachtelijke keuze geen sprake. Wijl dit verschijnsel in het zinneleven der dieren ook kan worden waargenomen, schijnt het normaal en door de natuur gewild. Hoe dit zij, in de sexueele zeden van alle tijden en volken vinden wij den man het recht toegekend--en in toepassing brengen--zijn keus kenbaar te maken en openlijk naar het bezit van het voorwerp zijner keuze te dingen; terwijl de keus der vrouw beperkt is tot het recht om een desbetreffend aanbod te accepteeren of van de hand te wijzen. Bij beide sexen heeft zich deze verhouding ontwikkeld tot de hoogste wet in het sexueele leven. De vrouw, die haar keus op dezelfde wijze als de man kenbaar zou maken, zou daarmee tegen alle sexueele gebruiken zondigen. En wat haar wellicht nog het meest in haar passieve rol doet berusten, dat is dit andere verschijnsel, dat het bezit van de zich aanbiedende vrouw in den regel door den man weinig of niet wordt begeerd, en in elk geval niet hoog wordt gewaardeerd. Zoo werkt alles er toe mede dit zoo in stand te houden.
De vrouwelijke passiviteit in het liefdeleven openbaart zich in velerlei vormen en graden en soms is, oogenschijnlijk tenminste, het verschil met de mannelijke activiteit zeer gering. Er zijn vrouwen, die als Mohammed tot den berg weten te gaan, als de berg niet tot Mohammed komt. Tal van vrouwen erkennen dit openlijk en eischen het recht daartoe voor de vrouwenwereld op. Zoo schrijft Frieda von Bülow in _Einsame Frauen_: "Men zegt: de man moet kiezen en der vrouw het hof maken, de vrouw moet afwachten. Dit generaliseeren is domme onzin, zooals zooveel wat zich voor wijsheid uitgeeft. Er zijn mannen die beslist het hof gemaakt en ook gekozen moeten worden en uit zichzelf nooit den moed zullen vinden zich aan een vrouw te verklaren. Daarentegen zijn er vrouwen, met wier aard lijdelijkheid geheel en al in strijd is en die zich daar volstrekt niet in zouden kunnen schikken. Ik zelf bijvoorbeeld ben gewoon mij altijd zelf mijn tafelburen en mijn cavalier bij den dans uit te kiezen. Mannen, wier omgang mij van te voren niet aanstaat, laat ik ook niet de gelegenheid mij te naderen."
Intusschen, al moet men toegeven, dat er vrouwen zijn, die de kunst verstaan gracieus de rollen om te keeren en toch ten volle vrouw te blijven, valt toch niet te ontkennen, dat dit uitzonderingen zijn op den algemeenen regel. De meeste vrouwen geven er de voorkeur aan zich het hof te laten maken en weten zich uitmuntend in hare dusgenaamde passiviteit, die in werkelijkheid zeer actief is, te schikken en daarin te berusten.
Uit den aard der zaak is de rol der vrouw in het liefdeleven gecompliceerder, dus interessanter, dan die van den man. Om deze reden zal elke studie van den sexueelen omgang zich meer met de vrouw bezig houden dan met den man. De rol der vrouw is wel schijnbaar passief en afwachtend, maar in werkelijkheid is zij even actief en offensief als de rol van den man. Maar bij de vrouw is de erotische activiteit van geheel anderen aard--zij trekt den man, bewust of onbewust, tot zich, zij wekt den zinnelijken honger der mannen op en prikkelt die door te dralen met de bevrediging en op honderd andere manieren en zoo is de passieve vrouw in het liefdeleven de eigenlijke hoofdpersoon. De man is de betooverde, die handelt onder den invloed van sexueele dwanggevoelens.
De toenadering der beide sexen voltrekt zich, wanneer het door de natuur aangewezen pad wordt bewandeld, niet plotseling, maar integendeel zeer langzaam en geleidelijk. Vóór het komt tot de handeling die de natuur wil, en die beide sexen al of niet klaar bewust willen, doorloopen beide partijen velerlei phases, die elk voor zich de bron kunnen zijn van aangename gewaarwordingen en van die zielstoestanden, die men in het algemeen noemt geluk. Langzaam en geleidelijk brengen geheimzinnige krachten met onuitputtelijk geduld beide helften van het geslachtelijk geheel in elkanders sfeer van sexueele aantrekking, laden ze beide met de levenwekkende electriciteit van den hartstocht, en voeren ze zoo tot elkander als twee wolken die den bliksem dragen. Tot tenslotte op een gegeven moment plotseling het contact tot stand komt en het tusschen beide partijen tot een verklaring komt, die over beider toekomst beslist.
Aanvankelijk is er bij beide sexen schuwheid jegens elkander, de ontluikende bloemen schijnen elkander eer te ontwijken dan te zoeken; tusschen beide bestaat een onbewuste schroomvalligheid, die zich uit in onhandige verlegenheid.
Het eerste ochtendgloren van het mysterie der liefde hult zich in onbestemde nevelen, en jonge onbedorven zielen worden aanvankelijk gescheiden gehouden door een zwijgend misverstand. Het eerste ontluiken der liefde is als een half-onbewuste worsteling, waarbij de jongeling beschroomdheid aan den dag legt en het meisje stoutmoedigheid--in deze eerste phase, waarin beide sexen elkander pogen te naderen, nemen zij als het ware elkanders hoedanigheid aan. Er is eerst vereering op een afstand, zwijgende aanschouwing, onbegrepen vergoding, waarvan men het niet waagt te spreken, waarvan men zich alleen bewust is, dat het iets is en dat men het moet verbergen. Zoo kan het liefdeleven in zijn eindelooze verscheidenheid een aanzienlijk deel van het bestaan der individuën vullen, alvorens de natuur _haar_ doel met dit alles ziet bereikt. En vooral dit voorspel, dat dit gezamenlijk bezwijken voor den machtigen drang der natuur voorafgaat, is voor ons in dit werk van belang en hiermede zullen wij ons dan ook in hoofdzaak bezighouden.
Bij het tot elkander voeren der geslachten bedient de natuur zich van ongeveer alle zintuigen, gelijk wij in een afzonderlijk hoofdstuk, hierover handelend, zullen trachten aan te toonen. Ieder individu is met al zijn zintuigen gevoelig voor de bekoring die tot hem uitgaat van het andere geslacht. Deze bekoring neemt gewoonlijk den vorm aan eener opzettelijk aangewende lokking. Dit lokken geschiedt niettemin slechts tot op zekere hoogte opzettelijk, het zetelt niet in den overleggenden wil, evenmin als dit het geval is met de aantrekking die van de magneet uitgaat naar het ijzer. De lokking, die het eene geslacht uitoefent op het andere, is een bloot natuurlijke functie, die echter, evenals iedere natuurlijke functie, door den mensch min of meer kan worden beheerscht, geoefend en versterkt.
Het groote natuurlijke en daarom op zichzelf onbewuste lokmiddel der vrouw is de _maagdelijkheid_. De bekoring der maagdelijke onschuld op de sexueele psyche van den man is onweerstaanbaar, en de jacht van de mannelijke zinnelijkheid geldt in de eerste plaats de virga intacta. "De maagdelijkheid", zegt Hippel in _Ueber die Ehe_, "is de Meimaand van het jaar, de bloesem der boomen, de dageraad van den dag; de maagdelijkheid is een zoo teere zaak, dat men er ternauwernood van kan spreken, zonder ze te bezoedelen".
Onder de Alexandersagen komt een sprookje voor van heerlijke bloemen in het woud, uit wier roode en witte kelken, als in de lente de sneeuw gesmolten is, liefelijke feeën te voorschijn treden, die den ganschen zomer bij vogelenzang en bloemengeur hun heerlijke jeugd genieten. Maar als de herfst komt, als de bronnen ophouden te vlieten, bloemen en bladeren verwelken en verdorren, dan verdwijnen deze liefelijke kinderen der bloemen en hun kort leven vergaat. De wonderkinderen van dit sprookje zijn de maagdelijke vrouw, zooals de mannelijke phantasie zich die gaarne droomt.
De maagdelijke vrouw straalt een onuitsprekelijke bekoring uit. In de voorstelling veler volken en godsdiensten is de maagd een wezen van bovenmenschelijke reinheid, toegerust met bovennatuurlijke krachten. Er is nauwelijks iets, dat in de sexueele zeden een zoo groote rol speelt als de maagdelijkheid.
De eeredienst der maagdelijkheid, zegt Ploss in _Das Weib in der Natur- und Völkerkunde_, is een esthetisch dogma, dat uitgaat van de opvatting, dat de sexueele ongereptheid der jonge vrouw een zeer bijzondere zedelijke waarde heeft. In deze waardeering van de intacte sexualiteit der vrouw valt door de gansche beschavingsgeschiedenis heen een naturalistische en een idealistische opvatting waar te nemen. Zelfs bij de natuurvolken vallen sporen van een zekeren graad van eerbied en zedelijk ontzag voor de maagdelijkheid te bespeuren. Bij de beschaafde rassen geldt het als iets natuurlijks, in de ongereptheid en reinheid van den maagdelijken toestand het ideaal der kuische en heerlijke vrouwelijkheid te vereeren. Reeds in het oudste Germaansche recht werd de maagdelijkheid als iets eerbiedwaardigs beschouwd, en de Christelijke godsdienst kende aan een kuisch maagdelijk leven een zoo hooge beteekenis toe, dat vele gehuwd geweest zijnde vrouwen later tot heiligen zijn verheven, omdat zij ook in den echtelijken staat haar maagdelijkheid ongeschonden hadden bewaard. En hoewel bij de Germanen, sinds zij tot het Christendom overgingen, de oorspronkelijke eerbied voor de vrouw in het algemeen allengs verminderde, wijl de geestelijke met het oog op den zondeval in het Paradijs hen leerde de vrouw als een onrein wezen, als de verleidster van den man te beschouwen, toch bleef bij hen de eerbied voor de maagdelijke reinheid ongeschokt. In den Christelijken godsdienst, hoewel die de _vrouw_ als de oorzaak van de eerste zonde en daarmee van alle zonde beschouwt, heeft de vereering der moeder Gods als de onbevlekte maagd Maria de _maagdelijke vrouw_ omgeven met een wolk van hemelschen luister. En nog allerlei andere dingen hebben er toe bijgedragen, dat de ideale beteekenis van het begrip maagdelijkheid in onze hedendaagsche beschaving behouden is gebleven.
De legende van de heilige Ursula en haar elfduizend maagden, zegt Mantegazza, is door de geleerden en de geschiedvorschers slecht uitgelegd. Zij beteekent, dat de maagdelijke vrouw een gansch legioen kleinere maagdelijkheden in zich omdraagt, die de een na de ander bemind en veroverd willen worden. Zelfs in het oogenblik des doods blijft er in de vrouw nog veel maagdelijks over.
De oude beschavingen kenden aan de maagdelijkheid allerlei mystieke beteekenissen toe. Aan den hemel der oudheid reeds schitterde het sterrenbeeld van de Maagd als personificatie van Dice, de strenge godin van de straffe, onbuigzame gerechtigheid, die in de gouden eeuw als Astrea, Sterrenmaagd, op aarde leefde en in de ijzeren eeuw als de laatste der godheden naar den hemel ging.
Door de Maria-vereering kreeg vooral in de sexueele zeden der Christenheid de maagdelijkheid der vrouw een verheven-mystieke beteekenis. In de eerste tijden van het Christendom hebben de kerkvaders zich beijverd om de opvattingen omtrent de virginiteit der christenvrouw een heiliger en verhevener karakter te verleenen, dan zij had bij de concurreerende heidensche religies. Ook in dit opzicht moest met alle middelen het Christendom worden voorgesteld als een geheel nieuwe leer, van hooger orde en direct van bovenaardschen oorsprong. En zoo werd bij elke gelegenheid, die zich voordeed, de christelijke maagdelijkheid voorgesteld als bij uitstek rein en verheven, stralende met den luister van hemelsche heerlijkheid. De kerkvaders hebben geen woorden genoeg om de reinheid der christelijke maagden te verheerlijken en op de Vestaalsche maagden der Romeinen te smalen en deze verdacht te maken en hare echtheid of wel hare belangeloosheid te betwijfelen. "Hoe zou men de Vestaalsche maagden kunnen prijzen?" vraagt Ambrosius; "maagdelijkheid als kostwinning is geen maagdelijkheid, alleen die, welke ontspruit uit liefde voor de deugd; het is geen maagdelijkheid, die in het openbaar wordt gekocht of gehuurd". En aan keizer Valentinianus II schreef hij: "Gij bezit hoogstens een zevental Vestaalschen, en die waren nog jonge kinderen, toen zij zich aan Vesta wijdden. En dat zijn dan alle maagden, waarop het heidendom bogen kan. Zeven ongelukkigen, die men met het vooruitzicht op pracht, weelde, tallooze slaven en groote inkomsten heeft verleid tot haar maagdelijkheid, en die daarin alleen staande blijven door de hoop dat zij in weerwil van haar gelofte toch niet als maagd zullen behoeven te sterven".--"Kan men", zoo vraagt dezelfde Ambrosius in het eerste boek van zijn werk _De Virginitate_, "de Vestaalsche maagden en de priesteressen van Pallas Athene vergelijken met onze christelijke maagden? Wat beteekent een maagdelijkheid zonder zuiverheid van zeden, wat is de waarde van een maagdelijkheid die als een drukkenden last tegen belooning wordt aanvaard voor een bepaalden termijn, inplaats dat men uit innerlijken aandrang haar vrijwillig zich oplegt? Maagdelijkheid, die men zich heeft voorgenomen op een zeker tijdstip te verbreken, staat niet hooger dan gewone lichtzinnigheid. En wat te denken van een godsdienst, die op die manier van de jeugd schijn-kuischheid koopt en bij de ouderen onkuischheid toelaat! Neen, de Vestaalsche maagden zijn niet waarlijk maagdelijk, want zij zijn het gedwongen, en evenmin eerbaar, daar zij haar maagdelijkheid verlagen tot een beroep, en wijl zij zich elken dag prijsgeven aan de onreine blikken van het bedorven en losbandige volk".
Door deze mystieke opvatting der maagdelijkheid werd deze in de christenkerk weldra een hooge en verdienstelijke wijding. De kerk werd de reine bruid, aan wie men zich wijdde, Christus werd de hemelsche bruidegom, met wien men zich door een mystiek huwelijk wenschte te verbinden. De maagdelijkheid werd daardoor minder begeerd om haar zelf, dan wel als een verheven toestand, die recht gaf uit de hoogte neer te zien op anderen. Zij werd een heroïeke deugd, die hare beoefenaarsters recht verleende om te worden beschouwd als wezens van hoogere orde. Inderdaad droegen de christelijke vrouwen der eerste eeuwen, die zich tot levenslange maagdelijkheid hadden verbonden, een onderscheidingsteeken, n.l. een kap, die vrijwel overeenkwam met de Romeinsche mitra.
Naast de esthetische en idealistische vereering der maagdelijkheid is er nog een andere, een louter zinnelijke vereering, die weinig of niets moois heeft en niets anders is dan een naturalisme van de grofste soort. Deze vorm van vereering is intusschen de meest algemeene, wijl hij eigen is aan de grof-aangelegde en zeer zinnelijke naturen, die in aantal overal en altijd verreweg in de meerderheid zijn. Ook deze naturen stellen maagdelijkheid op hoogen prijs, doch hunne motieven daarvoor zijn van zeer nuchteren aard en alles behalve idealistisch. Wel blijft daarin dikwijls een min of meer esthetische afkeer van de reeds door anderen bezoedelde vrouw meespreken, maar de eigenlijke en wezenlijke grond van hun voorliefde voor den maagdelijken staat van de vrouw, die zij met huwelijksoogmerken het hof maken is, dat zij gaarne zekerheid hebben, dat er niet reeds met anderen uitersten al of niet met gevolgen zijn voorgevallen waarbij dikwijls nog komt de onbehagelijke vrees, steeds met de voorgangers vergeleken te worden.
De hooge waarde, die er op idealistische en naturalistische gronden aan de maagdelijkheid wordt gehecht, brengt mede, dat verlies daarvan voor de vrouw gelijk staat met verlies van haar voornaamste natuurlijk lokmiddel. De ontmaagde vrouw daalt sterk in sexueele waarde. Vandaar zijn er reeds tamelijk vroeg in de geschiedenis bepalingen gemaakt, die de vrouw het recht gaven vergoeding te eischen van dengene, die haar zonder haar te trouwen van dezen schat had beroofd. In de volgende deelen van dit werk zullen wij daarvan tal van interessante gevallen en niet minder interessante verwikkelingen, daaruit soms voortvloeiende, leeren kennen.
Een verder gevolg van de buitensporige beteekenis die er gehecht wordt aan den maagdelijken staat der vrouw is, dat zij verlies daarvan zoo mogelijk zoekt te verbergen. Dit leidt er toe, dat er zeer veel maagdelijkheid wordt gesimuleerd. Er zijn altijd meer maagden, dan er maagdelijkheid is; de vrouw blijft maagd, niet totdat zij in werkelijkheid den maagdelijken staat komt te verliezen, maar zoolang het tegendeel niet kan worden bewezen, d.i. zoolang er zich geen gevolgen voordoen.
Dit feit is aan de mannenwereld niet onbekend, en in de geschiedenis der sexueele zeden wemelt het van gebruiken, voorzorgsmaatregelen enz., die er op zijn berekend zich aangaande het bestaan der maagdelijkheid zekerheid te verschaffen. Zoo rustte in vele landen eeuwenlang op het huwende meisje de verplichting, het bewijs te leveren, dat zij als ongerepte jonkvrouw het huwelijksbed had beklommen. In vele streken bestond dat bewijs hierin, dat des daags na het huwelijk het bruidshemd met de bloedige sporen der ontmaagding zegevierend uit het venster moest worden gehangen. Alleen dit gold als een bewijs, dat de laatste gunst het eerst aan den echtgenoot was verleend en wel eerst in den bruidsnacht. En hoe overvloediger de sporen in het linnen aanwezig waren, met des te meer trots werd het kennissen en buren getoond, want des te grooter was de roem der kuischheid van de bruid.
In de Pentateuch geeft Mozes herhaaldelijk tal van voorschriften en ritueel-hygiënsche beschouwingen ten aanzien der maagdelijkheid der meisjes van het volk Israël. De man had volgens de Mozaïsche wetten het recht bij zijn bruid maagdelijkheid te verlangen. En uit Deuteronomium XXII : 13 v.v. blijkt ten duidelijkste, dat hij reeds methoden aangaande het constateeren der maagdelijkheid heeft aangegeven, die wij later in de verschillendste oorden der wereld als een gevestigd gebruik terugvinden, nl. het vertoonen van het met bloed bevlekte bruidslinnen. De methode door Mozes aangegeven komt neer op het volgende. Ingeval een man na het huwelijk zich beklaagde haar niet meer maagdelijk te hebben bevonden, dan hadden haar ouders het recht het tegendeel te bewijzen en wel door aan de raad der oudsten het met bloed bevlekte bruidslaken te toonen. Waren zij daartoe in staat, dan werd de klagende echtgenoot gekastijd en beboet, hij moest de vrouw in kwestie bij zich houden en haar ouders kregen de opgelegde boete. Kon het verlangde bewijs echter niet worden vertoond, dan werd de klacht van de echtgenoot als gegrond beschouwd en de vrouw werd gesteenigd, "omdat zij eene dwaasheid in Israël gedaan had, hoereerende in haars vaders huis". Uit dezen rechtsgang valt af te leiden, dat de ouders het bewuste linnen, waarvan te eeniger tijd het leven van hun dochter zou kunnen afhangen, langen tijd als een belangrijk document zullen hebben bewaard. En ook dit valt er uit af te leiden, dat een zich schuldig wetende bruid alles zal hebben gedaan om haar bruidegom in den bruidsnacht aan haar ongerepte maagdelijkheid te doen gelooven. Verder blijkt uit de Mozaïsche methode, dat zij zich niet in het minst verheft boven het primitieve weten van dien tijd en op geheel onjuiste voorstellingen berust omtrent de anatomische bijzonderheden van den maagdom.
Dit gebruik bestaat in onzen tijd nog in verschillende Slavische landen en o.a. ook in Rumenië in sommige plattelandstreken, waaromtrent een auteur, met de zeden van dat land grondig bekend, het volgende mededeelt: "De man houdt de ontdekkingen, die hij in den bruidsnacht gedaan heeft ten aanzien van de eerbaarheid zijner bruid, voorloopig voor zich. Eerst na verloop van drie dagen, wanneer er bezoeken worden afgelegd bij de verwanten der vrouw, mag de zaak ter sprake worden gebracht. Deze tocht op den derden huwelijksdag heet de "groote weg", wijl hij den ouders eer of veel schande brengt. Is het meisje ongerept bevonden, dan heerscht daarover in den familiekring de uitbundigste vreugde, waarbij het bevlekte linnen als teeken van het onbevlekt verleden der bruid op een schotel wordt rondgereikt; elk der aanwezigen bewijst daaraan eer door een geldstuk in de schaal te leggen. In deftiger kringen wordt de bezichtiging van het bruidshemd alleen toegestaan aan de wederzijdsche schoonouders".
Door Brantôme, Aretin en tal van andere novellisten en schrijvers wordt gewag gemaakt van het bestaan van deze en soortgelijke gebruiken in Spanje, Italië, in verschillende Duitsche landen en elders. Steeds blijkt daarbij, dat bij den minderen man het tepronkstellen van het bebloede bruidshemd zoo openlijk mogelijk en met allerlei feestelijkheden plaats had, terwijl bij de voorname lieden deze ceremonie in den huiselijken kring werd verricht, uitsluitend in het bijzijn van de ouders en verdere nauwe verwanten en vrienden. Daarbij tegenwoordig te mogen zijn gold dan ook als een groote eer.
In de meeste streken hebben dit soort gebruiken mettertijd meer en meer een symbolischen vorm aangenomen, vooral toen de anatomische bijzonderheden der lichamelijke maagdelijkheid meer en meer algemeen bekend werden. De eerste stap tot symboliseeren van het grof-naturalistische maagdelijkheidsbewijs bestond in den regel hierin, dat men wel het werkelijk bruidshemd vertoonde, maar met sterk geretoucheerde sporen van het bloedbad, dat men zoo gaarne wilde hebben aangericht. Daartoe moest men trouwens ook om andere redenen al dikwijls zijn toevlucht nemen. Het geheele gebruik toch berust op een dwaling en het moet toch reeds vroeg algemeen bekend zijn geweest, dat het verlies der maagdelijkheid volstrekt niet noodzakelijk gepaard behoeft te gaan met het nalaten van de zoo vurig begeerde sporen, en dat uitblijven daarvan nog hoegenaamd geen recht geeft de maagdelijkheid in twijfel te trekken. Het gebruik zelf verraadt algemeene losheid van zeden--de wensch naar zichtbare bewijzen ten deze veronderstelt twijfel aan de gegeven verzekering en acht de mogelijkheid van verzwegen voorechtelijke geslachtsgemeenschap niet buitengesloten!
Intusschen komt in de hooge vereering der vrouwelijke ongereptheid bij volkomen onverschilligheid voor de maagdelijkheid van de mannelijke partij de dubbele moraal, die er in het sexueele leven gesteld wordt voor man en vrouw, scherp uit. Met die vereering toch wordt aan de vrouw geslachtsverkeer vóór het huwelijk ontzegd, en als het plaats heeft gehad, zeer zwaar aangerekend, terwijl voor den man ten deze de grootste vrijheid als vanzelfsprekend wordt beschouwd.