Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven
Part 9
Kortom: vrouwen zeggen graag neen om nogmaals gevraagd te worden. Later komt, zoo heel bij toeval, wel eens uit hoe gemeend die eerste afwijzingen en aarzelingen zijn--wie veel liegt moet nu eenmaal een zeer sterk geheugen hebben om zich nooit eens te verspreken. En dan vallen er wel eens ongewilde bekentenissen, zooals in het volgende idylletje:
--Jong echtgenoot: Weet je nog, schatje, dat wij bij dit boschje door je mama werden verrast, toen ik je den eersten kus gaf?
--Jong vrouwtje: Ja--en daar heeft die arme moe toen twee uren moeten staan wachten.
Dat het zoo is, dat wisten al de ouderwetsche ulevel-poëeten, blijkens onderstaand gewrocht van zoo'n ulevel-genie:
De meisjes zeggen neen, maar meenen meestal ja; Wie net doet of ze vlucht, loopt u in waarheid na.
Het neen antwoorden op verliefde voorstellen is zoo ernstig gemeend, dat dames verontwaardigd zijn en het als een onvergeeflijke lompheid opnemen, als bedoelde voorstellen worden voorgedragen op een wijze en onder omstandigheden die haar dwingen, voor het oogenblik althans, tot een neen, dat werkelijk neen beteekent. Een heer, die twee dames volgde, kreeg het volgende verwijt te hooren: Het is toch geen manier, mijnheer, twee dames aan te spreken. Laat ons met rust of zorg dat u ook met u tweeën bent.
Als het minnen om echt poëtisch te zijn leugen noodig heeft, dan heeft het natuurlijk ook diplomatie noodig. Want diplomatie is leugen door studie volmaakt tot een vak. Waar dus vaststaat, dat minnen bestaat in liegen, daar staat tevens vast, dat minnen bestaat uit diplomatie, d.i. de hoogste vorm van liegen. Die diplomatie begint al dadelijk bij de eerste kennismaking. Wederkeerig wordt er niet anders dan gediplomateerd, van de zijde der vrouwelijke partij het sterkst. Hij doet alles om een goeden indruk te maken, zich van den besten kant te laten zien en het te laten voorkomen of die beste kant zijn gewone kant is, hij doet zijn Zondagsche gezicht voor en tracht hooge gedachten te wekken omtrent zijn persoonlijke waarde, zelfs in de onbelangrijkste nietigheden, zooals b.v. zijn maatschappelijke positie, die in engagements-, verlovings- en dergelijke zaken nu toch heelemaal geen factor van belang is. Zij diplomatiseert door niet te begrijpen waar hij heen wil en niet te zien wat iedereen ziet--hij mocht anders eens denken dat hij haar laatste hoop was. Dat gaat dan zoo een tijdje door. Doordat zij diplomatiek hem ontwijkt, om niet den schijn op zich te laden van hem na te loopen, worden de ontmoetingen steeds talrijker. En zijn uiterlijke uitrusting wordt steeds statiger. Tot het tenslotte komt tot een verklaring. Die dan ook weer een interessant spel vormt van diplomatieke zetten over en weer. Na het engagement gaat dat zoo door. Blijkt hij oog te hebben voor nog andere knappe meisjes, dan veroorzaakt dat alleen bij in de liefdes-diplomatie zeer slecht onderlegde vrijsters tranen, verwijten, een gebroken hart en zoo meer. Een bijdehandte diplomate geeft toe dat die of die knap is en brengt het gesprek ongemerkt op wederzijdsche heerenkennissen--een paar vleiende opmerkingen aan het adres van zulke kennissen zijn haar toovermiddel waarmee ze tegelijkertijd zichzelf wreekt en hem straft en tevens tot beterschap brengt.
Verlovingsgesprekken van bijvoorbeeld het verloofde meisje met haar moeder, zijn ook al doortrokken van poëzie. Luisteren wij maar even.
--Ja, moe, aan tante Betsy moeten we vast een verlovingskaart sturen. 't Mensch heeft een paar weken geleden nog gezegd, dat ik wel zou blijven zitten. Natuurlijk zei ze dat omdat 'r eigen dochters niks kunnen krijgen. Maar nicht Sophie krijgt geen kaart--'t schepsel kijkt ons niet meer aan sinds haar man van klerk adjunct is geworden. En oom Willem en zijn vrouw houden wij er natuurlijk ook buiten. Sinds vader eenzelfde zaak is begonnen als hij, hebben ze geen voet meer over onzen drempel gezet. En u begrijpt dat ik het niet erg prettig zou vinden, als mijn aanstaande schoonouders op de receptie kennis maakten met zoo'n lomperd als oom Willem, die van niets weet te praten dan van den tijd dat hij matroos was. Nog al wat fijns, matroos! Ik zou me doodgeneeren. Verbeeld je, als je die kennis liet maken met mijn schoonouders. Neef Gerard, daar denken we natuurlijk ook niet aan om die uit te noodigen. Die weet nooit zijn maat te houden, en als hij wat op heeft slaat hij een taal uit dat je je doodschaamt voor nette menschen. Oom Johannes laten we stilletjes thuis, die wil altijd ceremoniemeester spelen als er wat te doen is, en dan verveelt hij het heele gezelschap met zijn geschreeuw van: attentie heeren en dames! en met zijn flauwe moppen. Neen, die moeten we dezen keer er ook maar buiten laten. Want mijn aanstaande schoonouders zijn van veel te nette familie. U en vader moeten bij het kennis maken ook maar het beste beentje voorzetten, dat ik me niet hoef te geneeren. Moe, u zal er van opkijken, als ze hier komen. Zijn vader is een echte heer, met een deftig voorkomen, en een ring met zoo 'n diamant. Hij is, geloof ik twee en vijftig, maar je zou zeggen hoogstens veertig. Op z'n kantoor, ziet u, is hij zooveel als de patroon zelf--procuratiehouder heet dat; hij teekent, zegt mijn beminde, briefjes van wel duizend gulden. En Frits z'n moeder, u zal eens zien hoe die er uitziet, hoe 'n deftige dame, heelemaal in 't zij, o zoo fijn. En Frits z'n eene zuster krijgt piano-les van een rijksdaalder in het uur en zij is geëngageerd met een inspecteur van politie. En mijn Frits is binnen het jaar chef-de-bureau, heeft hij gezegd. U begrijpt, dat we nu ook een beetje om ons fatsoen moeten denken en dat het bij mijn verlovingsfeest maar niet de zoete inval moet wezen voor iedereen. En bent u nu ook niet blij en in uw schik met uw dochter, die het zoo getroffen heeft--zoo'n nette familie en een aanstaande met zoo'n nette positie?....
En dan al die idyllische vrijages! Een en al poëzie. Het volgende stukje cultuurgeschiedenis uit Jan Holland's Darwinia geeft hiervan een te treffend beeld om het hier niet te citeeren.
Karel had een goed oogje op Lina. Want Lina had gevulde vormen en flikkerende oogen. En Lina was ook lang niet onverschillig voor Karel. Want Karel was een goed gebouwd en krachtig jonkman.
Karel was op bals in de gelegenheid geweest om op te merken, dat Lina's gevulde vormen geen boerenbedrog waren. Lina had door Karel's onvermoeid dansen en door de kracht waarmee hij haar omvatte en optilde bespeurd, dat hij stalen spieren bezat.
Derhalve beminden Karel en Lina elkander.
Maar Karel's middelen veroorloofden hem nog niet om er een vrouw op na te houden, Lina's vader vond, dat hij zijn geld beter kon gebruiken dan aan z'n dochter een bruidschat te schenken. Zij had hem buitendien met van alles studeeren al geld genoeg gekost.
Karel moest dus arbeiden om evenals Jacob z'n Lea eerst te verdienen. Maar hij ging dat niet doen door schapen te hoeden. Neen, hij richtte met eenige kornuiten van goeden naam een maatschappij van levensverzekering op. En hij werkte ook niet zeven jaren. Neen, slechts zeven maanden. Toen ging de maatschappij volgens de regelen der kunst failliet en redden de oprichters zich met een flink kapitaal.
Karel had zich dus door wijs overleg en energie tot een gelukkig sterveling gemaakt. Nog in den bloei der jaren kon hij onbekommerd het loon van zijn inspanning genieten. Dadelijk stuurt hij een uitnoodiging aan Lina tot een onderhoud op zijn kamer over een voor beider toekomst hoogst gewichtige aangelegenheid. Lina aarzelt niet om aan die uitnoodiging gehoor te geven, doch is zoo voorzichtig een geladen revolver aan haar maagdelijken boezem te verbergen, om te voorkomen dat haar geliefde zich vrijheden veroorlove voordat een deugdelijk contract is gesloten.
Lina, lieve Lina, roept Karel, haar bij het binnentreden toe en wil haar in zijn armen sluiten en--vlak in de buurt staat de sofa. Doch Lina haalt de revolver voor den dag en zegt: Neen mijn liefste, zoover zijn we nog niet. Laten we ordentelijk gaan zitten en onze zaken bespreken; gij daar achter de tafel op de sofa, ik hier over u op een stoel. Wat wilt gij?
U trouwen. Wat anders, voorwerp van al mijn wenschen, zoet beeld mijner droomen?--Maar ge zijt arm.--Neen, mijn schat, sedert gisteren ben ik rijk.--Laat zien, trouw hart.
Uit de verte toonde Karel haar kostbare papieren, terwijl hij een wantrouwenden blik op de revolver sloeg. Lina werd verteederd en zeide: Gij hebt mij zoolang een trouwe liefde toegedragen, dat ik wil aannemen, dat ze niet valsch zijn.--Nu, wat zegt ge? vroeg Karel zegepralend, zelf verdiend voor u en voor u alleen aangebeden meisje... mag ik nu den notaris laten komen?--Ja, lispelde Lina, terwijl zij de schuchtere oogen schaamachtig op de revolver liet neerglijden.
De notaris verscheen. De heer en dame, sprak hij, wenschen door den band des huwelijks vereenigd te worden? En hij zette zich onmiddellijk aan den arbeid voor het opmaken der huwelijksche voorwaarden met denzelfden ijver waarmee zulke ambtenaren den uitersten wil van een reeds stervende plegen op te schrijven.
Zie zoo! zeide hij, uwe namen en uw verlangen in het algemeen staan er. Gelieft mij thans omtrent de nadere voorwaarden in te lichten. Zoo, bijvoorbeeld--de geachte bruid duide mij deze onkiesche vraag niet ten kwade--onverhoopt een spruit uit uwe echtelijke vereeniging mocht voortkomen, wie zal dan de zorg daarvoor op zich nemen?
Lina's kiesch gevoel werd pijnlijk door zulk een vraag getroffen. Zij werd beurtelings bleek en rood en fluisterde nauw hoorbaar: Neen mijnheer de notaris, dat is onmogelijk, dat wil ik niet en dat gebeurt ook niet.--Ja, mejuffrouw, ik begrijp..., maar de mogelijkheid bestaat, de natuur is soms sterker dan de kunst. En buitendien, de wet wil, dat uitdrukkelijke bepalingen op dit punt gemaakt worden.
Ik kan mij met het oog op mijn verdere carrière niet met kinderzorgen belasten, verklaarde Lina toen op beslisten toon, die sterk in strijd was met haar gewonde kieschheid van daareven.
Vindt de bruidegom dan goed, dat wij bepalen, dat als het huwelijk van rechtswege ophoudt te bestaan, hetzij door den dood van een uwer, hetzij door echtscheiding, een eventueele telg of telgen uit dit huwelijk geheel voor rekening zullen komen van den man?
Karel gaf met een benauwd gezicht zijn toestemming, doch werd eenigszins gerustgesteld, toen de goddelijke Lina hem blozend een bemoedigend knikje toewierp. Nadat nog tal van zulke kleinigheden geregeld waren en de onderteekening had plaats gehad, ging de notaris heen. Nauwelijks had de ambtenaar zich verwijderd of Lina, de schuchtere, wierp haar revolver weg, naderde met een betooverenden glimlach de sofa, sloot Karel in haar armen en drukte hem een vurigen kus op de lippen, haalde de bundel papieren van waarde uit zijn binnenzak, bladerde ze door en fluisterde verrukt: Mijn innig geliefd mannetje!
Het meest dichterlijk-idyllische element in de poëzie van het minnen is de bruidschat. Maar niet ieder heeft oog daarvoor--voor de poëzie daarvan wel te verstaan. Zoo durfde een Fransch schrijver zich aldus uitlaten: "Het is ongetwijfeld zeker, dat een teef met een tiental reuen achter zich aan, een minder onverkwikkelijk, althans natuurlijker schouwspel oplevert dan een Amerikaansche milliardairsdochter met haar sleep van huwelijkssollicitanten, die zich om haar verdringen met gefingeerde galanterie en voorgewende verliefdheid".--Die man had blijkbaar geen oog voor de bruidschatspoëzie--of behoorde tot degenen die tevergeefs een greep naar zoo'n milliardairsdochter hadden gedaan. En gelijksoortige redenen zullen wel Martial hebben bezield toen hij hooghartig verklaarde: Men vraagt me, waarom ik geen rijke vrouw trouwen wil? Wel, omdat ik niet de meid van mijn vrouw verkies te zijn. De man moet de meerdere zijn van de vrouw, anders behooren ze niet bij elkaar.
Madame de Sévigny, de Fransche schrijfster, had al wat beter kijk op deze dingen.--Het schijnt ongehoord, zeide ze, toen zij haar aanstaanden schoonzoon den overeengekomen bruidschat uittelde, het lijkt eenvoudig bar, dat er zooveel geld voor noodig is om er mijnheer de Grignan toe te krijgen mijn dochter mee te nemen naar de alcoof. Maar aan den anderen kant, het is niet voor één dag, ook morgen, overmorgen en zoo voort, hemel neen, dan is het toch niet te veel!
Er hebben ten allen tijde wanbegrippen geheerscht omtrent dit zoo poëtisch-liefelijke rozenwolkje aan den hemel der verliefden.
Plutarchus vermeldt, dat de wetgever van Sparta verbood aan de dochters iets hoegenaamd ten huwelijk mee te geven, opdat niet degenen die niets konden inbrengen ongehuwd zouden blijven en er geen huwelijken zouden gesloten worden enkel en alleen om de bruidsgift; maar dat bij het kiezen van een vrouw uitsluitend hare persoonlijke eigenschappen de keus zouden bepalen.
Solon bepaalde, dat huwende meisjes niets in de woning van haar echtgenoot mochten meebrengen dan drie stel kleeren en eenig meubilair van geringe waarde; verder niets. Hij wilde voorkomen, dat de meisjes zich een echtgenoot zouden koopen en wilde de mannen de gelegenheid benemen zich te verkoopen; het huwelijk mocht geen zaak van koopmanschap zijn, waarbij men zichzelven verhandelde als een stuk koopwaar, om er wat aan te verdienen. Hij wilde, dat de vereeniging van man en vrouw als eenig motief zou hebben wederzijdsche genegenheid. Wat een onzin!
De groote treurspeldichter Euripides slaakt in een zijner treurspelen de volgende, hoogst-zonderlinge verzuchting: O, opperste der goden, hoe zijt ge er toe gekomen vrouwen het aanzijn te schenken, dat ras van boosaardige feeksen! Er waren toch zeker wel andere middelen te bedenken om de aarde met menschen te bevolken, daarvoor was het toch niet juist noodig vrouwen te scheppen--ge hadt in uw tempel van tijd tot tijd uitdeeling van kinderen kunnen houden aan de mannen, die u daar goud, ijzer of brons kwamen offeren; dan hadden de mannen op die wijze zich kinderen kunnen verschaffen, ieder naar verhouding van de geofferde gaven, en verder in vrede kunnen leven, zonder vrouwen. De vrouwen toch zijn een plaag en een last. Dit blijkt duidelijk hieruit: de vader die een dochter heeft, en haar heeft groot gebracht, moet nog een bruidschat toegeven om haar kwijt te raken en haar in een andere familie opgenomen te krijgen. De man, die deze woekerplant in zijn huis krijgt, is dan dikwijls nog verheugd! Hij overlaadt zijn verachtelijke afgod met kostbare sieraden, begraaft haar onder dure kleeren en verspilt, de ongelukkige, om harentwil al wat hij bezit. Hij moet wel aldus handelen, hij kan niet anders, terwille van zijn naam, want anders maakt of zijn vrouw het hem lastig, of haar ouders doen het. Hij moet bovendien nog alle bitterheid van zijn huwelijk en alle daaruit voortkomende verdrietelijkheden verbergen onder den schijn van tevredenheid en geluk.
De bruidschat, zoo oreert weer een ander, uit veel lateren tijd, heeft intusschen ook zijn minder aangename zijde. Zij bedreigt de verhouding, die ten allen tijde als de meest natuurlijke tusschen
man en vrouw is aangemerkt, en die hier op neer komt, dat de man de baas is in huis(?). Welk gevaar de bruidschat oplevert voor deze verhouding, wist reeds de Romeinsche dichter Plautus, die ergens opmerkt: Een vrouw zonder huwelijksgift hangt zoo het hoort geheel af van haar echtgenoot, weet en erkent zich de mindere en de afhankelijke. Maar de vrouw, die haar man een rijke huwelijksgift heeft aangebracht, is door een geheel andere geest bezield, zij wil de mindere niet zijn, en beschouwt haar man als haar knecht, behalve nog dat ze zich bij elken wensch op haar bruidschat beroept om hem er toe te brengen haar het gewenschte te verschaffen. Menigeen is zoo door een rijken bruidschat doodarm geworden.
Zulke dwaze uitspraken zijn er zeer vele, maar wat in zichzelf zoo uitnemend is als de bruidschat, dat wordt door geleuter van lui die voor wijs en geleerd willen doorgaan, in het minst niet aan het wankelen gebracht. De bruidschat staat dan ook nog tot op dezen dag in welverdiende eere.
Het hof-maken en de vrijage hebben nog tallooze andere poëtische kanten en zijn een bron van duizend-en-een idyllische geneugten. Daar is bijvoorbeeld de eeuwig en altijd blauwtjes-loopende minnaar. Ook dit verschijnsel aan den dichterlijken hemel der liefde wordt door velen verkeerd opgevat. Die redeneeren als volgt: Niemand heeft medelijden met hem, niemand acht het noodig hem te ontzien. Zoo weinig is het meerendeel der menschen in staat in sexueele dingen ernstig te blijven, dat men, zonder overigens in het minst hardvochtig of gevoelloos te zijn, zich kostelijk vermaakt met anderer teleurstellingen in de liefde, hoe diep zulk een teleurstelling de arme ziel misschien ook grieft en leed doet. Voor den afgewezen minnaar heeft heel de wereld slechts leedvermaak. Dat leedvermaak is echter van gemoedelijken aard en het geval is zeer wel denkbaar en doet zich dan ook veelvuldig voor, dat de gedropen sollicitant om de stekelige aardigheden die aan zijn adres worden gelanceerd, ten slotte hartelijk meelacht. Ook vinden de spotters nog wel gelegenheid minder de afgewezene dan de andere partij te treffen.
Wat een misverstand weer, wat een misverstand. De altijddurende blauwtjeslooper is volstrekt niet te beklagen, hij is te benijden, want hij smaakt de zoete onzekerheid van liefde's kansspel, de spannende hoop, al die zielsontroeringen van het nog onuitgesproken minnen niet maar eenmaal, zooals zoo vele minder gelukkigen, die men bovendien nog voor gelukkiger houdt.
De blauwtjesmensch ondergaat alle verrukkingen, alle exaltaties, alle opwindingen van 't vóór-jawoordsche minnen, de romantische droomerijen van het minnen in zijn eentje, telkens en telkens weer, in zalige herhaling. Hoeveel gelukkiger is niet zijn lot dan dat van dien broer Willem, die geen blauwtje liep, maar direct het jawoord kreeg, en op de vraag: Heb je vroeger ooit liefgehad? van zijn uitverkoren Marie ten antwoord ontving: Neen, ik heb dikwijls mannen bewonderd om hun kracht, moed, knapheid, verstand of iets dergelijks, maar met jou, Willem, is het louter liefde en niets anders.
Een andere beminnelijke figuur, die de domme spotzieke menigte, die geen oog heeft voor de poëzie van het minnen, maar niet met rust kan laten, is de dusgenaamde oude coquette, de nog manzieke oude vrijster, die banger is voor één muis dan voor een heel regiment huzaren. Men spreekt van haar minachtend als van een vrouw, die in sexueel opzicht heeft afgedaan, maar zich toch verbeeldt nog te kunnen behagen, er blijkbaar geen begrip van heeft dat op dat terrein haar rol is uitgespeeld. En voor de spotters is zij zooveel als een vogelvrij-verklaarde. Zij wordt onder allen, die met sexueele zwakheden behept zijn, niet alleen het onbarmhartigst bespot, maar ook het veelvuldigst, het regent op haar onophoudelijk schimpscheuten; haar heele omgeving neemt daar aan deel. Want om deze zwakheid te ontdekken, daarvoor is geen scherpziende blik noodig, integendeel, zij springt onmiddellijk in het oog, ook de geestelijk kortzichtigen doorzien deze zwakheid. Zoo wordt de oude coquette onvermijdelijk het mikpunt van de spotternij van den grooten hoop, die altijd bij voorkeur de meest drastische middelen kiest en het minst delicaat is, en in dit geval bovendien geen oog heeft voor het eerbiedwaardige in het heroïsch verzet tegen de natuur, de heldenmoedige opstand tegen het onvermijdelijke, die de oude coquette tot een figuur maakt, die meer dan menige heele vaderlandsche geschiedenis verdient dat men haar een omvangrijk heldendicht wijdt.
Hoe poëtisch is verder niet het minnen van twee harten, die elkander eindelijk hebben gevonden en wederzijds de vereischte formaliteiten hebben vervuld! Het zielig gedoe van verliefde harten, iedereen bekend, is toch altijd weer nieuw, altijd weer opnieuw interessant. Het eene oogenblik in den zevenden of nog hoogeren hemel, voelt men zich het volgende oogenblik ten doode toe bedroefd. En hoe weten de in dien toestand geraakte lieden, onverschillig of ze jong zijn of oud, alle verhoudingen om te keeren, van het algemeene het bijzondere en van het buitengewone het doodgewone te maken--wat anderen belangrijk vinden trekt hun aandacht niet eens, wat iedereen voor onoverkomelijk houdt is voor hen kinderwerk; daarentegen schijnen nietige kleinigheden hun dikwijls onoverkomelijke hinderpalen. Het verliefd zijn doet oudjes van zeventig dartele sprongen maken als een jong bokje, vooral als het een nog groen blaadje betreft; en de verliefde vrijster van de oudste lichting leert weer blozen als een schaamachtig bakvischje. Wat spotters daaraan te lachen vinden is niet duidelijk, en zelfs den spotters zelf niet, die om zich te rechtvaardigen dan maar aan het verdraaien gaan. Nu eens heet het dan, dat dat verliefde gedoe maar fictie is en aanstellerij, dan weer, dat het zoo niet hoeft, dat men zich om te verstaan te geven dat men van elkander houdt, niet per se de allures hoeft aan te nemen van volslagen gekken; dat echte liefde ernstig en ordentelijk kan en behoort te zijn en men daarbij niet noodzakelijk den zotskap hoeft op te zetten. Voor die spotters zijn er alleen komieke typen van verliefden, zooals de zooeven al besproken blauwtjesloopers en de manzieke oude vrijster, verder nog de verliefde bakvisch, de jaloersche minnaar, die overal medeminnaars ziet, en zoo voort.
En dan al die uitwendige hulpmiddelen van minzieke harten, de kunstgewrochten der mode bijvoorbeeld, waarover wij hier alleen de teekenaars maar aan het woord zullen laten. Zie fig. 172 etc.
Hoe dichterlijk is verder de bloemrijke terminologie van de vrijende menigte. Wat al lieve en vooral eigenaardige naampjes--met hun vaak zoo duistere herkomst. Daar is bijvoorbeeld de bakvisch. Ieder weet wat dat is en niemand weet waar het woord vandaan komt. Het woord bakvisch behoort als zoovele tot de woorden wier oorspronkelijke samenstelling en beteekenis verloren zijn gegaan. Des te meer gissingen worden er gemaakt. Naar de wel wat zonderlinge aanduiding van den jonge-meisjes-leeftijd als bakvisch wordt nog altijd gezocht, en alle verklaringen klinken even gezocht. Zoo heeft men er eenvoudig van gemaakt: gebakken visch. Een Franschman moet in een vertaling inderdaad bakvisch letterlijk hebben weergegeven met poisson frit. Het lijkt niet onaardig een mama naar het bal te laten gaan met haar drie gebakken visschen.
Een andere verklaring, die gegeven wordt is, dat de visschers kleine visch, die te nietig is om verkocht te worden, weer "over bak" gooien; d.w.z. over boord (men denke hierbij aan bakboord). In hoeverre er inderdaad eenige samenhang bestaat tusschen zulke visch en jonge meisjes is niet overduidelijk, tenzij men zich tevreden wil stellen met gewrongen verklaringen.
Het woord bakvisch komt niet alleen in het Nederlandsch voor, maar o.a. ook in het Duitsch. In welke taal het 't eerst is gebruikt, valt alweer niet na te gaan, zeker is, dat de Duitschers er al evenmin een aannemelijke verklaring voor hebben weten te geven, als wij. Het woordenboek v. Grimm geeft aan, dat bakvisch beteekent: visch wel al geschikt om te worden gebakken, maar nog niet om te worden gekookt. Anderen brengen het woord in verband met den bak, de plaats in het schip, waar de visscher zijn maaltijd gebruikt, waartoe in den regel ook de visch behoort, die geen marktwaarde heeft. Nog een andere verklaring is, dat het woord bakvisch afstamt van het Engelsche "back", dat wel gebezigd moet worden van de jonge visch, die achter de moeder aanzwemt. Ook deze verklaring munt niet uit door aannemelijkheid.