Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven

Part 7

Chapter 73,766 wordsPublic domain

Men bespot dan niet het fatsoen, maar het simuleeren van fatsoen, het vertoon van braafheid. Men stelt de onfatsoenlijkheden der fatsoenlijke menschen bij voorkeur ten toon in de meest drastische vormen en laat daartoe gaarne eenzelfden persoon een daad tegelijkertijd in anderen afkeuren en zelf bedrijven. Hoogst komisch in dien trant is bijvoorbeeld het geval, dat in fig. 118 in beeld is gebracht. Een bewaker der openbare orde, tot wiens plicht het behoort ook oog te houden op de openbare zedelijkheid, permiteert zich in het park een vrijpartijtje met zijn Marie, doch ziet zich genoodzaakt deze aangename bezigheid een oogenblik te onderbreken, teneinde in de nabijheid een ander paar voor hetzelfde te gaan bekeuren. Van gelijke strekking is het geval dat fig. 114 te zien geeft. Een ander komisch element in het fatsoensvertoon is het zich onnoozel houden, en onkunde veinzen in dingen, die men maar al te goed kent. De preutschen en onnoozelen zijn gewoonlijk het best op de hoogte van en vertrouwd met de dingen waarvoor zij zoo zedig de oogen neerslaan. De koddige zijde van gemaakte zedigheid laat Thomas Rowlandson zien in zijn humoreske van de ontstelde tante (fig. 116). Wandelend met nichtje Sophie langs de Theems zien zij plotseling een troepje zwemmende jongelieden. Het gezicht van al dat naakt doet tante hevig aan. O, schandelijk van die mannen; kom Sophie, ik durf niet te kijken, vertel me straks maar wat je allemaal gezien hebt, maar dadelijk hier vandaan. En het nichtje, heel niet ontsteld, werpt een onverschilligen blik op het tooneel, dat haar tante zoo beschaamd maakt en vindt er blijkbaar weinig bijzonders in. Wie hier sexueel zuiver op de graat is en wie niet, is niet moeilijk uit te maken. Van geheel anderen aard is de ontsteltenis van den catechiseermeester van fig. 115, die een vrouwelijke kennis in sportcostuum ontmoet en op het gezicht van zooveel lichtzinnigheid en zoo diep zedelijk verval wanhopig uitroept: O, moeder, dierbare moeder, gelooft ge dan niet meer aan God? Deze satire hekelt de Droogstoppelzedigheid, voor wie alles wat zweemt naar een vrijeren toon uit den booze is en die zich de deugd niet anders kan voorstellen dan in hermetisch gesloten zwarte verpakking; een zedigheid, die zoo wankel op de beenen staat, dat zij zichzelven tegen den minsten aanstoot niet bestand weet, en zoo onsolied is dat zij bij het minste haar evenwicht verliest.

De quintessence van alle vijgenbladmoraal is: het hoogste woord voeren over sexueel-reinen levenswandel, maar incognito zich ruimschoots schadeloos stellen--zich bezondigen aan sexueele buitensporigheden en den schijn aannemen van ingetogenheid--in werkelijkheid zich overgeven aan alle liederlijkheid, en uiterlijk toch fatsoenlijk blijven.

De erotisch-humoristische literatuur wijst de Engelschen en de Amerikanen, Engeland en Amerika, als de volken en landen aan, waar de preutschheid, het met neusophalende minachting bejegenen van al wat zweemt naar sexueele problemen, het sterkst is. Waar de sexueele humor de pruderie wil bespotten, kiest hij als object meestal Engelschen of Amerikanen. En zelden wordt daarbij dan verzuimd om op het sterkst te laten uitkomen, dat zich juist bij die volken achter die preutschheid de felste sexualiteit verbergt. De sexueele humor doet ons de genoemde volken kennen als de fatsoenlijkste in het openbare leven en als de meest liederlijke in het particuliere leven. Het thema van het Engelsche en Amerikaansche zedigheidsvertoon wordt zelden anders behandeld dan op spottende of sarcastische manier. Van de tallooze staaltjes, die als blijken van de verregaande Amerikaansche zedelijkheid worden opgedischt, vermelden wij hier dit eene: In den staat Maine werd een recruut afgekeurd, wijl hij op zijn arm het beeld eener naakte Eva droeg. Twee dagen later meldde hij zich weer ter keuring en werd goedgekeurd--hij had de Eva een hemd laten aantatoeëeren. Intusschen zouden het juist de Amerikanen en Engelschen zijn, die in het geheim, bijvoorbeeld als zij buitenslands vertoeven, zich aan de grootste sexueele buitensporigheden overgeven. En dit geldt niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen, die beiden zeer reislustig zijn, en liefst alleen reizen. De prude miss, die in Londen of New-York als een voorbeeld van strenge ingetogenheid en van haast sexelooze zedigheid geldt, zou alleen daarom zoo verzot zijn op alleen-reizen, om in verre streken haar al-te-menschelijke passies eens den vrijen loop te kunnen laten.

Eenige jaren geleden ging er door de Europeesche pers een klacht uit Caïro, dat daar het prestige van het blanke ras groot gevaar liep door het gedrag van vele alleen-reizende Engelsche dames, die met inlandsche opperhoofden tijdelijke vriendschapsbetrekkingen aanknoopten, over wier aard niemand, die deze gentlemen nader kende, twijfel kon koesteren. Tallooze anecdoten omtrent erotische avonturen van vrouwelijke globe-trotters met Zwitsersche en Italiaansche berggidsen etc. dichten de streng-fashionable misses dezelfde belustheid op erotische sensaties toe, mits deze maar incognito te genieten zijn.

Deze en dergelijke dwaasheden--die intusschen allerminst uitsluitend bij Engelschen en Amerikanen te zoeken zijn--tuchtigt de erotische humor met rusteloozen ijver. En de spot is hier een strafmiddel, dat tevens als geneesmiddel werkt. Hier vooral is van toepassing het woord van Friedrich Schlegel: De maatschappij is een chaos, die alleen met spot is op te voeden en tot harmonie te brengen.

De spottende glimlach der openbare meening weerhoudt de menschen meer van onmaatschappelijke zonden dan de strengste strafwet.

V.

VERBODEN VRUCHTEN.

De sexueele neigingen zoeken hare bevrediging niet altijd op geoorloofde wegen. Geoorloofd zijn alleen die wegen, die de heerschende sexueele moraal openlaat. In de tegenwoordige beschaafde wereld is de eenige onvoorwaardelijk geoorloofde vorm van geslachtsverkeer die van het huwelijk. Alle buitenechtelijk geslachtsverkeer is of overspel, of prostitutie, of wat anders, maar in elk geval in strijd met de sexueele moraal, dus verboden. Een verbod, dat zich gerespecteerd wil zien, moet kunnen beschikken over strafmiddelen. De sexueele moraal heeft als middel ter kastijding voor die overtredingen, welke niet vallen onder de strafwet, de licht ontvlambare verontwaardiging van alle fatsoenlijke menschen, dus van alle menschen. De fatsoenlijke lieden zijn zooveel als de onbezoldigde scherprechters der beleedigde sexueele gerechtigheid; hun taak is het elken sexueelen onverlaat te tuchtigen met opspraak, onthouding van achting, verbanning uit de zedelijke fatsoensgemeenschap, en zoo voort.

Nu kan men elke wet eerbiedigen op twee manieren. Eerstens door haar werkelijk te eerbiedigen. Men beloopt dan geen kans op straf, maar smaakt ook de zoetheden der verboden vrucht niet. Ten tweede door haar in schijn te eerbiedigen en haar in het geheim, ongezien, zoo gezegd aan z'n laars te lappen. Deze manier opent, afgezien van een miniem risico, de aanlokkelijke mogelijkheid van het verbodene te kunnen smaken zonder vrees voor den bitteren nasmaak; of, commercieel uitgedrukt, de mogelijkheid van te kunnen koopen zonder betalen. Zij ontheft van straf en schenkt vrijheid van beweging. Men behoeft de eene niet te duchten en toch de andere niet te ontberen.

Op welke van deze twee manieren wordt nu de sexueele moraal geëerbiedigd? Wellicht door eenigen op de eerstgenoemde manier. Maar zeer zeker door bijna allemaal op de tweede manier. En dan is er nog een restant, dat de sexueele moraal eerbiedigt op geen enkele manier.

De sexueele moraal heeft dus te doen met drie categorieën: een categorie van menschen die doet wat ze voorschrijft; een die den schijn aanneemt alsof; en een die haar openlijk braveert. Houvast heeft die arme sexueele moraal alleen aan deze laatste; alleen op deze kan ze staat maken. De beide andere categorieën zijn onbetrouwbaar en twijfelachtig--allen die deze categorieën vormen houden zich of ze behooren tot de eerste, en van niemand hunner is het volstrekt zeker. De sexueele moraal heeft dus eigenlijk maar te doen met twee categorieën: met eerlijke vijanden, aan wier gezindheid blijkens hun woorden en daden niet valt te twijfelen, en met vrienden van oncontroleerbare goede trouw. De sexueele moraal wordt alleen door haar vijanden niet bedrogen. Door al hare aanhangers vermoedelijk wel. Zij kan alleen staat maken op wie maling aan haar hebben. Hare getrouwen zijn onbetrouwbaar.

Men heeft al begrepen, dat deze interessante situatie aan de sexueele humor niet kan zijn ontgaan. En dan ziet men ook gemakkelijk in, dat hier voor alle vormen van humor en satire weer een onmetelijk terrein te ontginnen ligt. Inderdaad, zoowel de openlijke sexueele opstandigheid als de leidzame gehoorzaamheid en de snoode schijntrouw bieden humor en satire in ruime mate stof. Maar het meest doet dat toch natuurlijk, om niet ver te zoeken redenen, de laatste. En onder de schijngetrouwen der sexueele moraal natuurlijk weer diegenen, die haar het geraffineerdst bedriegen en om den tuin weten te leiden. De intensiteit van den erotischen humor neemt toe met de sluwheid waarmee de sexueele moraal bij haar figuurlijken neus wordt genomen.

Dit blijkt al dadelijk uit de manier, waarop de sexueele humor omspringt met de beide hoofdschotels van het menu der verboden vruchten: de prostitutie en het overspel.

De prostitutie, in haar wezen trouwens meer tragisch dan komisch, biedt den erotischen humor maar weinig aangrijpingspunten. En dat wijl zij met de sexueele moraal op voet van openlijke vijandschap leeft. Komische elementen zijn in de prostitutie eigenlijk alleen de teleurstellingen, die allen wachten die heul en troost bij haar zoeken (zie de plaat: In den Venustempel, of geld op, geen liefde meer) en die in het algemeen hierop neerkomen, dat men in plaats van bij de prostitutie de gehoopte en voorgespiegelde genoegens te smaken, alle kans loopt eerst uitgeplunderd en vervolgens afgeranseld te worden. Verder weet de sexueele humor uit de openlijke prostitutie niet veel bruikbaar materiaal te halen (fig. 12, 43, 50, 79, 127). Iets meer heeft de humor aan de geheime, zich verbergende prostitutie, die zich bedient van maskers, dus schijnconcessies doet aan de sexueele moraal (fig. 31. 51). Maar steeds is het komische in den humor, die ontleend is aan de prostitutie, zeer voelbaar geforceerd. Evenzeer als alle prostitutie slechts een surrogaat is van geslachtsleven, is alle humor, daaraan ontleend, slechts een surrogaat van humor.

Geheel anders is het gesteld met het overspel. Zoo armelijk en troebel als bron van humor de prostitutie is, zoo onuitputtelijk saprijk is ten deze de verboden vrucht die overspel heet. Daarbij toch is allereerste eisch: de sexueele moraal behendig te misleiden. Daardoor is in overspel altijd een komisch element. Zelfs waar men als moralist het overspel tegemoet treedt, valt daarin veelal een komische toon te beluisteren.

"De vrouwen zijn gemeenschappelijk eigendom, dat is de wet van de natuur", zeide een losbol, die op overspel was betrapt, tot den wijsgeer Diogenes, die hem daarover onderhield. Diogenes antwoordde: "Het vleesch dat men aan tafel op zijn bord krijgt, was eerst gemeenschappelijk eigendom, zeer zeker. Maar als het eenmaal in porties is gedeeld en verdeeld, dan--gij zult dit toegeven--zou het lomp en ongemanierd zijn, de portie van uw buurman van diens bord te nemen en op te eten. De schouwburg is voor alle burgers; maar als de plaatsen eenmaal zijn bezet, dan heeft niemand het recht een ander van zijn plaats te gooien en er zelf te gaan zitten. En zoo zijn ook de vrouwen gemeenschappelijk eigendom; maar zoodra ze op de manier van het land haar man hebben gekregen, heeft niemand anders meer recht op haar. Wie zich niet tevreden stelt met de zijne, maar jacht maakt op die van anderen, is een aap of een vraatzieke wolf."

Van alle verboden vruchten uit het sexueele paradijs lokt het overspel het meest de erotische humoristen aan. Van welken aard de humor is, die zij uit deze verboden vrucht weten te halen, daarvan geven de humoresken fig. 77, 96, 97, 106 eenig denkbeeld. De beide voornaamste komische elementen van den overspelshumor zijn de slimheid waarmee de bedrogen partij (de man of de vrouw) om den tuin wordt geleid, en de betrapping op heeterdaad. De waarschijnlijkheid is in dit soort sexueele humor in den regel ver te zoeken en er valt uit dezen humor alleen op te maken hoe de phantasie der humoristen dit probleem ziet en behandelt.

Een onuitputtelijk motief is voor de sexueele satire op het overspel de dienstbode. Waar zij het opneemt voor de dienstbode, daar draagt zoodanige satire gewoonlijk een scherp sociaal karakter en brengt zij met gloeiende verontwaardiging het feit aan het licht, dat deze maatschappelijke zwakke door de mannelijke gezinsleden niet zelden wordt beschouwd, althans behandeld als sexueele lijfeigene, die men het recht heeft met taalvuil te overstelpen, die zich oneerbare aanrakingen moet laten welgevallen, en die er niet alleen is om des daags mevrouw te dienen, maar ook om daarna de heeren ter wille te zijn. Scherp wordt deze toepassing van het recht van den maatschappelijk sterkste gehekeld door den Franschen humorist Forain in zijn plaat "Nog geen rust" (fig. 124). Tot laat in den avond is het meisje op de been geweest om de huishouding te verzorgen; als zij eindelijk doodmoe op den rand van haar bed zit, komt de heer des huizes er haar aan herinneren, dat ze ook bij hem in dienst is.

Deze opvatting is intusschen door en door modern. Wel heeft het dienstmeisje der laatste eeuwen niet over te weinig belangstelling van de zijde der humoristen etc. te klagen; maar het voor haar op te nemen was iets waar de vroegere satire zich niet mee ophield. Zoo is in de literatuur zoowel als in de prentkunst en meer nog in van mond tot mond gaande anecdoten de dienstbode de heldin van galante avontuurtjes--de geraffineerde verleidster, die bij voortduring den onschuldigen heer des huizes in haar netten lokt of de deugd van den zoon lagen legt. Op de overige zonden, die op ander dan sexueel terrein haar door de humoristen der oude scholen ten laste werden gelegd, kunnen wij hier natuurlijk niet ingaan.

Een typeerend voorbeeld van deze eenzijdige opvatting van de gevaarlijkheid der dienstbode voor de deugd der mannelijke gezinsleden geven wij hier in een tamelijk banaal prentje van H. Zasche uit het Weener spotblad "Sekt" (fig. 123). Het is hier de oude geschiedenis: Vrouwlief, die haar man betrapt op familiariteiten met het coquette dienstmeisje, en manlief, die zich van den domme houdt. Niet onaardig wordt in het onderschrift een variant geleverd op den Engelschen professor die door zijn echtvriendin op heeterdaad werd betrapt dat hij het dienstmeisje zoende, en op haar betuiging, dat zij "hoogst-hoogst-onaangenaam was verrast" met grappigen ernst verklaarde: "Pardon, Louise, ik ben verrast".

Trouwens ook nu nog is in de spies-burgerlijke humoristische bladen, die de heerschende meeningen van de groote massa der eerzame, zij het niet overdreven intelligente burgerij weergeven, het dienstmeisje de loszinnige pierewaaister, die zich maar liefst zoo gauw mogelijk laat verleiden en elke intentie in die richting met de meeste inschikkelijkheid tegemoet komt. Het wantrouwigst is natuurlijk mevrouw met haar kring van intieme vriendinnen en de deugdzaamheid van het meisje wordt in den regel te sterker gewantrouwd naarmate het verschil in leeftijd met mevrouw grooter is.

Er zijn echter ook weer erotische humoristen, die ten deze het dienstmeisje wreken; bijvoorbeeld door stekeligheden als deze:

--En nog iets, meisje. Je getuigschriften zijn goed, maar dit wou ik nog weten: heb je een vrijer?

--Zeker, mevrouw. En een erge knappe jongen. Maar ik laat hem toch niet hier komen..... mijn vorige mevrouw is ook al haast met hem schoot gegaan.

Waar humor en satire zich zoo algemeen en zoo onvermoeibaar met het dienstmeisje als middelpunt van sexueele situaties bezighouden, daar ligt het voor de hand aan te nemen, dat het werkelijke leven hun daarvoor aanhoudend stof levert.

Humor en satire toch putten altijd uit de werkelijkheid, het zijn de enfants terribles, die verklappen wat er achter het gordijn van de eerzame samenleving al zoo te koop is. Wat zij ons te zien geven, daar is gewoonlijk wat van aan. Wie geen vreemdeling is in het brave Jeruzalem onzer maatschappij weet trouwens, dat het dienstmeisje inderdaad het middelpunt is van ongeoorloofde sexualiteit, en dat zoowel Forain als Zasche en Kuhn c.s. gelijk hebben. Beiden laten ze een tegenovergestelde zijde van de waarheid zien. En dieper in de werkelijkheid verbergt zich achter dat oogenschijnlijk zoo komische een wereld van aangrijpende levenstragiek. De levensomstandigheden drijven scharen van levenslustige, dartele jonge vrouwen, dorstende naar wat levensgenot, maar zonder middelen om zich ook het minste te kunnen veroorloven, in omgevingen, waar niet zelden het voornaamste levensprobleem is: hoe het leven te vullen met genietingen.

Het frissche jonge leven, met een meest kleurloos verleden achter zich en zonder veel zorg voor de toekomst, komt in aanraking met het door onafgebroken genot geblaseerde, dat juist alleen nog maar voor dat jonge en frissche kan ontvlammen. Wat uit zulke situaties lichtelijk kan voortkomen, is niet twijfelachtig--armoede, coquetterie en genotzucht zijn fatale raadgeefsters, de eene grijnst, de andere vleien; de jonge meisjes uit het volk leenen hun maar al te gaarne het oor. Zoo komen zij ten val en niemand ontziet zich de eerste te zijn om steenen op haar te werpen--on les accable, zegt Victor Hugo, avec la splendeur de tout ce qui est immaculé et inaccessible. Veel interessants aangaande het dienstmeisje als sexueele prooi en als sexueele vrijbuitster heeft Octave Mirbeau onthuld in zijn boek "Le journal d'une femme de chambre".

De algemeene moraal van allen humor op ongeoorloofde sexueele verhoudingen schijnt deze te zijn: dat het zoo erg niet is en dat ze het allemaal doen, dat de een openlijk zondigt, de ander in het geheim, de een zus de ander zoo, maar dat per saldo niemand heelemaal zuiver is--een opvatting waarop het maar het best schijnt niet te diep in te gaan, maar ze eenvoudig te laten voor rekening van den sexueelen humor, daarbij in het oog houdende dat deze gewoonlijk overdrijft en dat overdrijven is: vergroot voorstellen van--de waarheid.

VI.

DE SEXUEELE OPVOEDING.

De geslachtelijke neigingen en wat daarmee in verband staat nemen eerst van het intreden der puberteit af in het leven van den mensch een overwegende plaats in. De jeugd is kennelijk door de natuur bestemd als de tijd van rustige voorbereiding ook voor de levensfunctie der voortplanting, en op de ouderen rust derhalve een natuurlijke verplichting de jongeren ook ten deze doelmatige leiding te geven.

Hoe komen de ouderen deze verplichting na? De sexueele humor aarzelt niet op deze vraag te antwoorden: op de meest dwaze, zotte en onverstandige manier. En, het moet erkend, de erotische humor, zijn methode getrouw, laat het niet bij beweringen, maar overstelpt ons tegelijkertijd met onweerlegbare bewijzen.

De hoogste wijsheid van alle sexueele pedagogiek is zooal niet in theorie dan toch in de practijk: onwetend houden. Volstrekte onwetendheid in sexueele dingen, dat schijnt het grondbeginsel te zijn van alle practische sexueele opvoeding en volgens die opvatting is de onwetendste de deugdzaamste. Voor zoover men zich de moeite geeft hierover na te denken, redeneert men, dat de onwetendheid de beste bescherming is tegen de gevaren, die op het sexueele levenspad van alle kanten dreigen--een redeneering die natuurlijk gelijk staat met te beweren dat om niet te verdwalen men onbekend moet zijn met den weg. Van dergelijke logica levert de practische opvoedkunde vele en zeer vermakelijke staaltjes.

Men laat het opgroeiend geslacht wellicht niet alleen hierom onkundig van sexueele dingen wijl dit zoo goed en nuttig is, maar ook omdat het zoo makkelijk is. Gemakzucht speelt daarbij minstens een even belangrijke rol als het geloof aan de preservatieve werking van de onkunde. En ook is het groote meerendeel der volwassenen op sexueel gebied te onernstig, om ook maar in staat te zijn over die dingen ernstig te spreken.

Men kan sexueele onderwerpen niet anders behandelen dan op frivole wijze. En daarom spreekt men met diegenen, tegenover wie men gevoelt dat die manier niet op haar plaats is, er liever heelemaal maar niet over, en geeft met name het naar leiding snakkende kind ontwijkende en absurde antwoorden, steenen voor brood.

Natuurlijk is de opvatting, dat sexueele onkunde een veilig voorbehoedmiddel is tegen de sexueele gevaren, een erbarmelijke dwaling. De onkunde bevordert juist, dat de rijpende phantasie de bron wordt, waaraan de natuurlijke sexueele weetgierigheid zich tracht te laven. En deze leermeesteres leidt bijna altijd op verkeerde wegen, zij voert weer naar andere ongeschikte bronnen om sexueele kennis op te doen, als onzuivere gesprekken, prikkellectuur en wat dies meer zij. En zoo is het een zeer algemeen verschijnsel--waarop vooral ook de erotische humor op zijn wijze de aandacht vestigt--dat zij, die men sexueel onwetend, dus onnoozel en onschuldig waant, reeds belast zijn met een diep-bedorven phantasie en met hun sexueele ervaringen hun sexueele kennis ver vooruit zijn. Volstrekte sexueele onwetendheid bestaat niet. En terwijl men aan den eenen kant alles verzuimt, doet men aan den anderen kant wat beter was na te laten.

Want tegelijkertijd dat het kind onwetend wordt gelaten op sexueel gebied, wordt het toch al afgericht op de sexueele rol, die het later heeft te spelen. Dit geldt vooral van het meisje. Dit wordt in kleeding, in toilet, in gedrag jegens het andere geslacht, al vertrouwd gemaakt met de kunsten der coquetterie lang voor het zich van het doel daarvan in het minst bewust kan zijn. Africhting op speculatief woekeren met erotische effecten wordt op sexueel gebied blijkbaar het eerst, zoo niet het eenig noodige geacht waartoe men bij de sexueele opvoeding verplicht is. In den concurrentiestrijd om den man wordt de vrouw al van kindsbeen zorgvuldig gedresseerd, hoewel ook hierbij weer de "opvoeders" dikwijls al even weinig klaar besef hebben van wat ze doen, als de geestelijk mishandelde objecten dier opvoeding.

Natuurlijk doet bij de sexueele opvoeding ook de dubbele moraal voor man en vrouw zich duchtig gelden. Het meisje moet tot den dag van haar huwelijk toe sexueel onbesproken blijven. Dat beteekent tegenwoordig geheel iets anders dan het een paar eeuwen geleden, ook hier te lande, deed. Tegenwoordig wordt van de ongehuwde vrouw volstrekte sexueele geheelonthouding verlangd. Tegelijkertijd wordt de jonkman in dit opzicht alle vrijheid gelaten. Naar wat hij vóór zijn trouwdag op sexueel gebied al heeft uitgevoerd, wordt niet gevraagd. Maar het meisje moet als zij het huwelijksbed bestijgt, nog rein en ongerept zijn als een pasgeborene. Aan de mannelijke partij wordt in dit opzicht geen enkele eisch gesteld, men houdt zich zelfs of men wel gaarne ziet, dat de man een bont sexueel verleden achter zich heeft. Degenen, die vóór hun huwelijk sexueel zijn uitgeraasd, worden, zoo bazelt men, de beste mannen en de voorbeeldigste huisvaders. In de waardeering staat hij die openlijk het leven van een Don Juan heeft geleid, eigenlijk hooger aangeschreven, dan degene van wien in die richting niets of het tegenovergestelde bekend is. Van deze laatsten vreest men, dat het na het huwelijk wel komen zal--het kwaad moet er uit, vroeg of laat. Levenswijze grootmoeders en dito oudtantes zien kleindochters of nichtjes met meer gerustheid in de huwelijksschuit stappen met een schuinsmarcheerder, die sexueel al nagenoeg op is, dan met iemand, die "de wereld nog niet heeft bekeken" en nog niet heeft genoten. Die toch komen, zoo meent men, later los.