Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven
Part 6
De edelman, die nu precies wist wat hij te doen had, bracht den broeder door overvloedige beloften en verzekeringen tot kalmte en ging heen. Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag sloop hij den tuin van de vrouw die zich zoo over hem beklaagde binnen, klom in den boom voor het venster, vond dit open, stapte naar binnen en vleide zich in de armen van de brave vrouw, die hem blijkbaar met groot verlangen verwacht had en vol vreugde zeide: Laten wij den goeden broeder danken, die je zoo goed den weg hierheen heeft gewezen.
En vervolgens, genietende van elkanders liefde, praatten zij druk over de snuggerheid van den eerwaarde, lachten om de weverskraam van haar man, gaven zich opgetogen over aan het genot. En daarna regelden zij het zoo, dat zij den broeder niet meer noodig hadden om nog vele malen genoegelijk samen te zijn.
Welke reden de mannenwereld ook aanvoert ter verklaring van het feit, dat de sterke man in den regel moet onderdoen voor de zwakke vrouw, waardoor het dusgenaamde sterke geslacht eigenlijk het zwakke moest genoemd worden en het zwakke het sterke, altijd slaat zij daarbij bij voorkeur den komischen toon aan. Zoo komisch is het verschijnsel in zichzelve, dat men er niet anders over kan spreken dan in spottenden toon.
Der vrouwen leven beweegt zich in het algemeen in de wereld van het kleine. En hare heerschappij over den man, die voor den erotischen humor een zoo rijke bron is, betreft ook ongeveer altijd de kleine dingen in het leven. De vrouw is het heerschende element in den microcosmos van het dagelijksch leven. En waar de erotische humor zich vermaakt met het verschijnsel, dat de man min of meer bij de vrouw "onder de plak" zit, duidt zij zulks den man toch niet ten kwade. De algemeenheid der zaak stemt ieder vergeeflijk jegens de anderen. Waar de erotische humor met de heerschzucht van de vrouw en met den daarvoor buigenden man den spot drijft, heeft die spot toch altijd een goedaardig karakter. Stilzwijgend blijft daarin steeds erkend, dat het zich gewonnen geven aan de vrouw in kleine dingen de waardigheid van den man als man en als mensch ten volle ongerept laat. De man weet bij dit alles trouwens te goed, dat in de groote dingen van het leven niet zij, maar hij regeert en de wet stelt
Eén mannentype echter is er, wordt er tenminste gephantaseerd, dat er in dit opzicht bij de erotische humoristen niet zoo gemakkelijk afkomt. Het is het type der pantoffelhelden, het ras der geslachtelijke mammelukken. Voor dit type heeft men niet anders dan een soort spot, die hen ten toon stelt als ontoerekenbare sukkels, als zwakzinnige lammelingen zonder de minste geestkracht.
De wijze waarop de humor met hen omspringt, schijnt er op berekend om twijfel te wekken omtrent hunne sexueele normaliteit. Zoo we den pantoffelheld leeren kennen uit den erotischen humor, maakt hij den indruk van iemand, die in de volle kracht des levens al is vervallen in den staat van kindschheid. Het is een man met een hondenaard, kruipend en bevend als hem de zweep wordt getoond. De erotische humor wijdt aan de klagelijk-komische figuur van den pantoffelheld wel veel, maar niet zijn fijnste en nog minder zijn scherpste geestigheid. Het kennelijk doel van den erotischen humor is hier met een zekere gemoedelijke en medelijdende spotternij minachting te wekken voor onsympathieke lafheid, zoo'n beetje den draak te steken en te gekscheren met een type, dat eigenlijk niemands belangstelling ook maar een oogenblik waard is. Het wapen is hier allerminst vernietigend sarcasme of vlijmende spot.
De pantoffelheld wordt door den erotischen humorist niet anders ten tooneele gevoerd dan--figuurlijk gesproken--in het narrenpak. De indruk dien men bij voorkeur van den pantoffelheld tracht te geven, is nog niet eens komisch, maar in den regel enkel maar potsierlijk. Dat blijkt al uit de vrouwenfiguur, die men hem gaarne terzijde stelt bij wijze van tegenstelling, n.l. een zeer mannelijk-geaarde en mannelijk-doende huisdraak, die van de lafheid van haar echtvriend gebruik maakt om hem aanhoudend te coejoneeren, waarbij hij geen ander verzet waagt dan zeer laffe listjes en streekjes, als het vóór-zetten van de klok enz.
De pantoffelheld wordt gaarne beschouwd als het type bij uitnemendheid van onmannelijkheid. In het bijzonder van publieke personen, politici enz., zijn er legio anecdoten, die hen doen kennen als danige pantoffelhelden. Dit is een geliefkoosde politieke schimp (fig. 106). Een blad te München bevatte onlangs het verhaal, dat in een gemeenteraadszitting in een Beiersche stad een der oudere leden bij den aanvang der zitting verzocht een woord te mogen richten tot de pers, en die, toen hem dat was toegestaan, de verslaggevers verzocht voortaan uit hunne verslagen weg te laten het stereotype slot: De zitting werd om zoo en zoo laat gesloten. Want, zoo zeide deze pantoffelheld, onze zitting is altijd voor 9 uur afgeloopen. Maar velen onzer gaan dan niet dadelijk naar huis, maar ze gaan eerst nog een biertje pakken, dikwijls zelfs twee biertjes. En ook gaan ze nog wel eens een billardje maken of een kaartje leggen. Zoo wordt het al gauw elf, twaalf uur. En om dan thuis geen drukte te hebben met de vrouw, laten we haar in den waan, dat het met de raadszitting zoo laat is geworden. Doch daar kijkt ze des anderen daags de krant in en vindt aan het slot de fatale mededeeling, dat de zitting om negen uur is gesloten. Hoevelen onzer hebben daardoor al geen huiselijk ongenoegen gehad. Ik verzoek dus de pers dat voortaan weg te laten. En mijn medeleden, die met dit verzoek instemmen, noodig ik uit ten teeken daarvan, op te staan. Hier rees de geheele gemeenteraad overeind.
Voor het overige zijn de moppen en uitvallen op den pantoffelheld gewoonlijk zoo ongeveer in den trant van het volgende voorbeeld:
--Ik heb me gisteren vergeten en ben tegen mijn vrouw uitgevaren, zei de pantoffelheld.
--En heeft het erg gespookt?
--Eerst wel. Maar naderhand drukte ze me de hand en wenschte me geluk met den moed, dien ik had betoond.
Niet minder, zij het op geheel andere wijze en in geheel anderen toon, vermaakt de erotische humorist zich met de exemplaren van het zwakke geslacht, die hare wederhelft tot pantoffelheld wisten te degradeeren. De vrouw "die de broek aan heeft", is voor de erotische humor een even dankbare--en even goedkoope--figuur als de pantoffelheld zelf. Wordt deze laatste belachelijk gemaakt als de verpersoonlijkte onmanlijkheid, zij, die den armen pantoffelheld ringeloort en hem het leven tot een hel maakt, wordt onder de handen van den erotischen humorist de verpersoonlijking van de onvrouwelijkheid. Zij regeert haar held van de droevige figuur volgens de geliefkoosde voorstelling niet met zacht beleid, maar met gekijf en oorvegen of stokslagen. Zij is een terroriste, een geweldenaarster; hoewel zij bij haar zwakhoofdigen, energieloozen, prullerigen held niet stuit op het minste verzet, acht zij het toch noodig hem aanhoudend te intimideeren. Steeds staat zij voor hem als een dreigend onweer, gereed om los te barsten. Hoewel haar pantoffelonderdaan als een ineengefrommeld vod aan haar voeten ligt, toont zij hem toch nog haar tanden.
In deze overdrijving, zonder uitzondering afkomstig van mannen, weerspiegelt zich duidelijk der mannen gekwetste ijdelheid. De vrouw, die meer energie heeft en meer geestkracht dan een man, zulk een vrouw stelt men zich gemakshalve maar voor als een baarlijk monster. Het behoeft hier nauwelijks betoogd, dat zoowel de willooze, kruipende, vodderige pantoffelheld als zijn vervaarlijke wederhelft pure scheppingen zijn der phantasie. In den karikatuurachtigen schimp op den pantoffelheld heeft de man het middel gevonden om aan te geven hoe ver hij niet kan gaan in onderdanigheid aan de vrouw, zonder alle mannelijke waardigheid te verliezen. De pantoffelheld is de phantastische grenspaal tusschen toelaatbare en ontoelaatbare onderworpenheid aan de vrouw--altijd naar der mannen opvatting.
De macht der vrouw en haar overheerschende invloed openbaren zich in het werkelijke leven trouwens op geheel andere wijze. Niet de onvrouwelijke vrouw beheerscht den man, maar juist de vrouw in al haar typische eigenaardigheid. Der vrouwen invloed berust op haar zinnelijke aantrekkingskracht. Haar zinnelijke bekoring is het die den man voor haar doet zwichten en hem willoos en hulpeloos, tot alles bereid aan haar voeten brengt. Het schijnt den man moeilijk te vallen dit eenvoudige feit te erkennen. Blijkbaar neemt hij liever zijn toevlucht tot karikatuurachtige verdraaiïng der werkelijkheid. Hij wil niet erkennen waar zijn zwakheid jegens de vrouw ligt, en tracht het feit te verdoezelen dat op sexueel gebied van nature de vrouw de meerdere is van den man. Het is of hij zich over zijn sexueele zwakheid schaamt.
Zoo is de phantastische figuur van den met zweep en stok geregeerden pantoffelheld ontstaan--eenerzijds om de aandacht van de ware reden van der mannen zwakheid af te leiden, anderzijds om aan te geven tot hoe ver de man in het zich schikken naar de vrouw niet mag gaan.
De vrouw regeert de mannen niet met physiek geweld, noch met intimidatie of iets van dien aard. Zij regeert den man met zijn eigen zwakheid. Haar strafmiddel, dat hen gedwee maakt, is onthouding van geslachtsgenot. De vrouw weet dat en maakt daarvan een gepast misbruik. Elke sexueele zwakkeling is voorbeschikt voor de rol van pantoffelheld.
Hoe de vrouwen de wereld regeeren, of liever: waardoor het zwakkere geslacht sterk is, dat leert ons in het klein de geschiedenis bijvoorbeeld van een Newton, en in het groot zien we het gedemonstreerd in de twee meest tragi-komische tijdperken der nieuwere geschiedenis: dat van den hoffelijken minnedienst en dat van den galanten tijd.
Isaac Newton, de grootmeester onder de natuurkundigen, kreeg na eindeloos solliciteeren etc., eindelijk een post die hem van stoffelijke zorgen verloste. Hij werd benoemd tot oppermuntmeester van Engeland. Maar hij kreeg die betrekking allerminst omdat z'n genie de wet van de algemeene zwaartekracht had ontdekt, of omdat hij de differentiaalrekening had uitgevonden, maar omdat hij een lieve nicht had. Het geluk had den grondlegger der theoretische astronomie behalve met een genialen geest ook met een schat van een nichtje begiftigd, dat niet al te preutsch weerstreefde, toen op zekeren dag een zeer machtig personnage dit nichtje ontdekte, en eenmaal binnen haar sfeer van aantrekking gevallen, zich daaraan evenmin vermocht te onttrekken als een planeet aan de aantrekkingskracht van de zon.
In het groot zien wij hetzelfde schouwspel vertoonen in den tijd van den minnedienst en in den galanten tijd. Niet dat dit in werkelijkheid in dit opzicht zulke bijzondere tijden zijn geweest. De vrouw heerschte in die tijdperken alleen wat openlijker en duidelijker zichtbaar, haar invloed en de grondslag daarvan bleef niet zooals anders verborgen, maar trad op het duilijkst aan het licht.
De samenleving vertoonde zich in sexueel opzicht zoo, gelijk zij in werkelijkheid eigenlijk altijd is--de mannenwereld, verteerd door zinnelijkheid, in het stof gebogen voor de vrouwenwereld, die uit hare sexueele machtpositie met gepaste onbescheidenheid alles haalt wat er maar uit te halen valt. De tijd van den minnedienst wordt in de laat-middeleeuwsche en latere literaturen bij voorkeur voorgesteld als een tijd van poëtisch zuivere zeden, van dichterlijk-verheven reinheid in het leven der sexen, kortom als een tijd van platonische deugden, waarin het sexueele dier in den mensch door de zachte hand van de vrouw was getemd, en waarin reinheid heerschte omdat de vrouw heerschte. Al dit moois is echter ondergeschoven. De tijd der minnezangers was, naar honderden contemporaine documenten in woord en beeld onweerlegbaar aantoonen, een tijd van uiterst verfijnd zingenot en dat wil--al schijnt het paradoxaal--altijd zeggen plat en grof zingenot.
De tijd toch van sexueele reinheid, waarin de machtige invloed der vrouw de wereld zou hebben herschapen in een Eden van zuivere zeden, die tijd vond het bijvoorbeeld noodig den kuischheidsgordel uit te vinden ter beveiliging van de echtelijke trouw dier zoo ingetogen vrouwen! En dit interessante werktuig ter bescherming der heiligste sexueele goederen (fig. 22) had geen barbaarsche vijanden en niets ontziende geweldenaars den toegang te versperren, maar het was het laatste redmiddel juist tegen huisvriend en dischgenoot, en bovenal een steunsel voor de zedige deugd der schoone edelvrouwen, een tegenwicht tegen haar teedere bereidwilligheid om de hulde haars ridders niet slechts met woorden te beloonen.
Waar de vrouw de sterkste is, daar is zij zulks als geslachtswezen en is de bron van haar macht de sexueele zwakheid van den man.
Nooit krijgt de vrouw door geweldenarijen den man in onderdanigheid aan haar voeten, zooals de tallooze pantoffelheld-humoresken ons dat willen doen gelooven naar het schijnt. In geweldpleging is de man verreweg de meerdere van de vrouw. Hoewel het in de geschiedenis zoomin als in het dagelijksch leven ontbreekt aan vrouwenfiguren met geweldenaarsneigingen, is het toch nimmer op sexueel gebied dat deze neigingen zich openbaren. En dat om de eenvoudige reden, dat de vrouw op dat gebied geen successen en triomfen kan behalen met geweld. De vrouw, die haar man regeert met den stok, bestaat niet. Evenmin bestaat de man, die uit vrees voor mishandeling voor haar kruipt. Integendeel, zeer gewelddadige en autoritaire mannennaturen zijn dikwijls hulpeloos zwak voor vrouweninvloed. De pantoffelheldkarikaturen uit vroegeren en lateren tijd, die het voorstellen alsof er wel zulke mannen en zulke vrouwen zijn, zijn mislukte karikaturen, want ook van alle overdrijving ontdaan geven zij geen werkelijkheid weer. Der vrouwen overmacht op de mannen ligt in precies tegenovergestelde richting. Het is dan ook niet waarschijnlijk, dat bedoelde karikaturen ooit bedoelden aan de mogelijkheid te doen gelooven van de door geweld over den man zegevierende vrouw. Vermoedelijk achten haar makers het buitengesloten dat men ze anders dan overdrachtelijk en figuurlijk zou kunnen opvatten, en kozen zij dien vorm om zeer aanschouwelijk te laten uitkomen in welk een positie vele mannen dreigen te komen tegenover de vrouwen. Het was hun alleen te doen om die positie van onderdanigheid te laten uitkomen, en zij stelden die daarom maar voor als gevolg van een oorzaak die al heel gemakkelijk en voor ieder begrijpelijk in beeld is te brengen: geweldenarij. Bij het beschouwen van zulke karikaturen moeten wij dus alleen de kruipende schuwe man zien; de intimideerende vrouw, die voor hem staat, wordt alleen in de rol van geweldenaarster voorgesteld omdat deze zoo aanschouwelijk in beeld is te brengen. En het doel van die karikaturen is in den regel den mannen door ze te bespotten tot wat meer energie en waardigheid in den sexueelen strijd te prikkelen.
De middelen waardoor de vrouw zegeviert over den man, zijn allerminst geweld, vreesaanjaging en terrorisme. De vrouwelijke zoowel als de mannelijke aard sluit de bestaanbaarheid dier middelen uit. De man knielt niet voor de vrouw wier vuist hem mishandelt. Wel voor de vrouw wier hand hem streelt en liefkoost. Knieval en voetkus mag zij van den man slechts verwachten als zij zich hult in haar volle verleidelijkheid (fig. 92) of zich onthult in haar volle vrouwelijke heerlijkheid (fig. 91), niet als zij zich tegenover hem stelt als gewapende furie (fig. 84 en 85). Iedere man is voorbestemd voor en begeerig naar de lastdierrol van Aristoteles, als maar de hand eener verleidelijke phyllis de teugels houdt. Haar geduchtste machtsmiddel is de weigering, de afwerende tegenstand. Door behendig daarmee te manoeuvreeren in beleidvolle afwisseling met aanhalige lieftalligheid en naïeve onnoozelheid, brengt de vrouw den man tot onderwerping en houdt zij hem aan zich onderworpen. De macht van de vrouw over den man schuilt bij den man; de vrouw heeft alleen vrouwelijk te zijn om de sterkste te zijn.
IV.
DE VIJGENBLADMORAAL.
De sexueele moraal is, het spreekt wel haast vanzelf, voor den erotischen humor in woord en beeld een ware goudmijn.
De sexueele moraal schrijft voor wat in het leven der sexen geoorloofd is en wat niet; wat mag en wat niet mag. Het is zooveel als een ongeschreven wetboek voor het geslachtsleven. Een wet is er om te worden ontdoken. En van geen wet geldt dit in die mate als van de sexueele moraal. Iedereen onderwerpt er zich aan en niemand houdt er zich aan.
Wat de sexueele moraal veroorlooft, dat is fatsoenlijk. Wat zij verbiedt, dat is onfatsoenlijk. Fatsoen wordt beloond met achting, respect en wat dies meer zij. Onfatsoen wordt gestraft met het tegendeel van achting, respect en wat dies meer zij. Het is dus begrijpelijk dat ieder voor fatsoenlijk wil worden gehouden. Daarvoor staan twee wegen open; het te zijn of het te schijnen. De eerste dier twee wegen lijkt vervelend, doodsch en eenzaam, de tweede vol afwisseling en verrassingen. Langs beide wordt hetzelfde doel bereikt.
Het groote meerendeel kiest dus den tweeden weg, die loon zonder arbeid belooft, de genoegens der ongehoorzaamheid doet smaken en het recht op de belooning voor gehoorzaamheid niet doet verbeuren.
De meeste menschen schijnen dus sexueel braaf, maar zijn het niet. En als men denkt dat dit een onafgebroken, terdege ingestudeerd komediespel vereischt, dan heeft men het precies bij het verkeerde eind. Zoo ingewikkeld is dit spel van schijn en wezen volstrekt niet. Want daar niemand door zulk komediespel zou worden om den tuin geleid, laat men het als nutteloos maar achterwege. Ieder weet dat ieder zich aan de sexueele moraal bezondigt en er is een stilzwijgende overeenkomst elkander niet te hard te vallen. Wat men intusschen toch wel doet, maar achter elkaars rug. Tegen elkander zwijgt men over elkanders overtredingen der sexueele moraal en behandelt men elkander met de achting waarop gehoorzaamheid aan de sexueele moraal recht geeft. Zoo ontstaat een hoogst fatsoenlijke samenleving, waarin niemand fatsoenlijk is, noch van de anderen gelooft dat zij fatsoenlijk zijn.
Deze komische toestand is voor de erotische humoristen van alle gading, een zeer dankbare materie. De grappige humorist vindt er stof in voor wat des grappenmakers is; den hekelgragen satirist biedt hij gelegenheid zich van zijn verontwaardiging te ontlasten; den wijsgeerigen ontleder is het een boom waarvan hij de even geestige als diepzinnige aphorismen en wijze orakeltaal als met handen vol kan afplukken. Allen zorgen daarbij met loffelijke nauwgezetheid voor niet te zuinige overdrijving. Eigenlijk is volgens hen alleen die persoon sexueel eerlijk, die openlijk leeft als een don Juan.
Het streven van elkeen in een fatsoenlijke samenleving is niet zich te laten binden door de hinderlijke banden der fatsoensmoraal, maar te zorgen dat tenminste de naaste omgeving niets kan bewijzen. Het fatsoen is een deugd met de mooie kant naar buiten. Haar doel is niet: fatsoenlijk te zijn, maar: niet onfatsoenlijk te schijnen.
Dat is de vijgebladmoraal. Bedekken, onzichtbaar houden wat iedereen toch wel weet, met de stilzwijgende overeenkomst over en weer net te doen of men niet weet.
Hoe komisch-angstvallig men zoekt te vermijden om voor onfatsoenlijk te worden gehouden, dat laat de Duitsche humorist Reznicek ons zien in zijn geestige anecdote van het zedige pasgetrouwde vrouwtje. Men is op de huwelijksreis en het jonge vrouwtje is zeer gesteld op haar fatsoen. Het is haar de laatste dagen gebleken, dat iedere hotelgast, die haar kamer passeert en daar de twee paren schoeisel ziet staan, een oogenblik staan blijft en in dikwijls zeer duidelijke mimiek te kennen geeft volkomen te begrijpen wat achter die deur, vóór welke die twee paar schoenen geschaard staan, zich afspeelt. Zij zou gaarne willen, dat niemand twijfel kon koesteren omtrent de wettigheid van een en ander. Zij zou het de lui wel willen toeroepen, dat ze op een echte eerlijke huwelijksreis is en niet maar op een snoepreisje of zoo iets. Maar hoe dat de lui te doen begrijpen? Haar laarsjes is het niet aan te zien, dat ze heusch ten stadhuize zijn geweest en dat het huwelijk zoo het hoort in de registers van den burgerlijken stand is ingeschreven. Maar ze heeft een inval. Als ze haar trouwring eens aan den veter vastbond? Dan kon niemand iets van haar denken. Die ring toch maakt alles fatsoenlijk wat daar zonder onfatsoenlijk en een gemeene schande zou wezen in het oog van alle fatsoenlijke menschen. En zoo besluit dan deze jonge vrouw haar trouwring 's avonds aan de schoenveter te bevestigen, alvorens zij haar laarsjes buiten de kamer zet. Dan kan iedereen zien dat achter die deur niets onbehoorlijks voorvalt.
Het doel van zulke sexueele moraal schijnt: de "zonde" te verbannen achter de gesloten deur en die deur een zoo onschuldig mogelijk aanzien te geven. Terwijl het niettemin voor niemand een geheim is, wat er achter die gesloten deur geschiedt. Dit is de vijgenbladmoraal, wier hoogste beginsel is, dat het niet worde gezien. En de trouwste aanhangers dezer leer laten het niet eens bij het bloote bewaren van den schijn, maar veroordeelen in het openbaar met de hevigste verontwaardiging en op de stelligste wijze datgene waaraan zij zich achter de gesloten deur naar hartelust te goed doen. Men handelt naar het oude monnikendevies: zooal niet kuisch, dan toch fatsoenlijk. En zoo valt bijvoorbeeld dan het interessante feit te constateeren, dat in elke hoogstfatsoenlijke stad over de geheele beschaafde wereld behalve een luidruchtige dusgenaamde vroolijke buurt een nog grootere stille buurt is, waar honderden of duizenden--al naar de bevolkingssterkte--vrouwen wonen die haar onbekenden onderhouder hebben, d.w.z. van stille prostitutie leven.
En het is de erotische humor in de eerste plaats, die die brave fatsoenlijkheid openlijk te kijk zet. In woord en beeld verraadt hij, hoe de brave Hendrikken de kat in het donker knijpen. En het komische element is in deze soort erotische humor juist het verschil tusschen den schijn en de werkelijkheid.