Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven

Part 5

Chapter 54,145 wordsPublic domain

--Waarom ben ik nu toch eigenlijk de vrouw van dat wezen, dat mijn geld verteert? en waarom niet van dien gezelligen, vroolijken jongen die zoo aardig tegen mij is? Kom, hij--mijn man--neemt toch ook zijn pleiziertjes.... Want luister, mama: zulk een echtgenoot is gewoonlijk wat men veelbeteekenend noemt: een eerste stap!

Het spreekt vanzelf, dat de echtgenoot van uw dochter dan al lang tot zichzelf heeft gezegd: "Nu dat ik weer geld heb, zal de kleine deugniet die en die me niet meer ontgaan", en met die woorden gegaan is naar Gredinette, die, naar men van haar weet, zoo goed zekere passages van Rabelais in praktijk weet te brengen.

Zoo ziet ge, mamatje, in plaats van één paartje, hebt ge twee paartjes tot elkaar gebracht! Heerlijk, is 't niet? Gij hebt uw dochter een man gezocht, nu gaat ze zichzelf een minnaar zoeken. En de man, dien ge haar hebt gekocht, keert met het geld uwer dochter naar zijn minnaressen terug. Zijt ge niet trotsch op al die heerlijke gevolgen van uw verstandige zorg en uwe liefderijke bemoeiïngen?

En uw onschuldige Henriëtte krijgt kindertjes, die zij zal haten, wijl ze haar aan de eene of aan de andere schande zullen herinneren.

Ge hebt doen eten waar geen honger was. Voelt ge uw treffende overeenkomst met de slang uit het Paradijs? Met uw geld kocht ge uw dochter een man, maar het is zeer twijfelachtig of uw portret een plaatsje vindt in haar woning. Uw dochter was honderdmaal beter af geweest als ze getrouwd was met den eerste den beste, mits naar haar eigen keuze, dan ze nu is, nu ge haar hebt doen trouwen met een man naar uw keuze.

Instinctmatig koestert de mensch een onoverwinnelijken afkeer van alles wat in het leven der sexen zweemt naar berekening, naar voordeel trekken uit geslachtelijke verhoudingen. Onbewust gevoelt ieder--hoe hij zelve ook te dien opzichte handelt--dat alle sexueele overgave ter wille van voordeel kortweg prostitutie is. En wel vermaakt men zich met de onschuldige domheden der echte, der blinde liefde, maar in de vroolijkheid die zij wekt, ligt gul-blij meeleven. De "liefde" daarentegen, die niet blind is, die nuchter rekent en zich verlaagt tot koopwaar, vergiftigt het leven met de schrikkelijkste ontgoocheling, met de ondragelijkste teleurstelling, en wordt bovendien nog vervolgd met vernietigenden spot en overladen met hoon.

III.

HET STERKE EN HET ZWAKKE GESLACHT.

Wie vormen het zwakke geslacht, de mannen of de vrouwen? Wie het zwakke, de vrouwen of de mannen?

Dat de mannen lichamelijk krachtiger van bouw zijn en steviger spieren bezitten, is wel een voor de hand liggend, maar daarom nog volstrekt geen afdoend antwoord op deze interessante vraag. Als een kind een paard leidt, wie is dan de sterkste?

De mannen beschouwen zich gaarne als de sexe, die bestemd en aangewezen is om te heerschen. In de wetten van alle volken zijn de veronderstelde heerschersrechten van den man over de vrouw neergelegd met een klaarheid en duidelijkheid, die men in wetten anders tevergeefs zoekt. In alle godsdiensten is het onbeperkte heerschersrecht van den man over de vrouw verheven tot een goddelijk gebod. Doch dit alles leert ons alleen hoe de mannen, die de wetten en godsdiensten maken, het gaarne willen hebben. Het bewijst nog in geenen deele dat de man ook in werkelijkheid de vrouw in het algemeen regeert, en nog minder bewijst het, dat elke man een vrouw weet te regeeren.

In uitspraken van wijzen en denkers, en in den spreekwoordenschat aller volken zijn integendeel tallooze aanwijzingen, dat het niet alleen niet zoo is, maar dat het precies andersom is--dat, al regeeren de vrouwen de mannen niet officieel, toch de vrouw als regel het exemplaar van het mannelijk geslacht regeert, waarmee zij speciaal te maken heeft, nl. haar eigen man. En het schijnt, naar die uitspraken, die in korte formules de ondervinding der eeuwen samenpersen, dat de mannen wel de vrouwenwereld aan zich hebben onderworpen, in wet en godsdienst en philosofie namelijk, maar dat slechts bij hooge uitzondering de man die vrouw, of die vrouwen, waarmee hij persoonlijk te maken heeft, weet te regeeren.

Een vrouw, zegt de kerkvader Hieronymus, heeft Adam, Simson, David en Salomo ten val gebracht--wie zal dan tegen haar bestand zijn? Hieronymus wil laten uitkomen, dat waar de eerste, de sterkste, de dapperste en de wijste man tegen de vrouw het onderspit hebben moeten delven, de rest van de mannenwereld maar alle hoop moet opgeven de vrouw aan zich te onderwerpen. Reeds den ouden Grieken was het trouwens niet ontgaan, dat er meer Xantippe's dan Socratessen geboren werden.

In de zegswijzen, die de volkshumor de vrouw in den mond legt, worden al dezelfde opvattingen gehuldigd, opvattingen die voor het prestige van de mannen, die zich zoo gaarne tot heerscher uitverkoren wanen, allerminst vleiend zijn. De man is het hoofd, erkent graag iedere vrouw, doch ze haast zich er bij te voegen: dat de vrouw het nekje is dat het hoofd doet draaien. Zulke spreekwijzen, die met de eene hand terugnemen wat met de andere gegeven wordt, en waarin het heerschersrecht van den man wordt erkend, maar zijn heerschersmacht wordt bespot, zijn er vele. Bijvoorbeeld deze: De man mag en moet de baas zijn, als hij de vrouw maar laat doen wat ze wil. En deze: Vaart mijn man voor schipper, dan is mijn plaats aan het roer. En deze: Aan den man komt 't bestuur van de boerderij toe, als hij de zorg voor de boter maar aan de vrouw overlaat. Een gehoorzame vrouw beveelt haar man. Vrouwen willen in den man een leidsman hebben, dien zij kunnen leiden. Vrouwen kunnen alles, zegt een Fransch spreekwoord, want zij regeeren de mannen, die de wereld regeeren. Vondel zingt:

Het vrouwvolk ringeloort en knevelt mannenkracht.

Afgaande op deze en dergelijke uitspraken en spreekwijzen schijnt de toestand zoo, dat de man de officieele heerscher is in de wereld, en dat de vrouw in de praktijk, zoo niet de mannen, die toch haar man regeert. Anders gezegd: hem de schijn, haar het wezen. Waar deze toestand ter sprake komt geschiedt dit altijd in komischen, humoristischen toon. De komische elementen van dien toestand zijn dat man, eenerzijds lichamelijk de sterkere, anderzijds de door alle geestelijke en moreele machten tot heerscher over de vrouw aangewezene, in werkelijkheid de zwakste is. De tegenstelling, dat het sterke, groote en logge geleid, bestuurd, geregeerd wordt door het zwakkere, werkt drastisch op den zin voor het komische. En wijl het vooral de mannen zelf zijn, die met hun afhankelijkheid van het schepsel dat zij voorgeven te moeten beheerschen, den spot drijven, is hier wellicht tevens een poging te zien om in de situatie tenminste een houding aan te nemen! De houding n.l., dat men het daarmee eigenlijk niet zoo ernstig neemt. Behalve dan nog dat spot en humor der mannen middelen zijn om hun ergernis lucht te geven en zich op aangename manier te wreken over hun onmacht jegens de machtelooze.

De oude Romeinen dachten over de moeilijkheid een vrouw te regeeren al precies als wij en zij hebben hun gedachten in tallooze drastisch-komische bon-mots geformuleerd. "Wie zich met alle geweld veel drukte en beslommeringen op den hals wil halen," zegt Plautus, "die moet zich maar een schip en een vrouw aanschaffen. Want er is niets ter wereld waarmee men meer moeite heeft en meer last, dan met vrouwen en schepen." Op een andere plaats, zegt deze zelfde dichter: "onder de vrouwen valt geen keus te doen, er zijn geen goede en slechte, er is geen enkele die deugt."

Even weinig vleiend was het antwoord dat Cicero gaf aan degenen die hem rieden een andere vrouw te nemen toen hij zijn eerste had weggejaagd: "Weet ge dan niet, mijn vrienden, dat het onmogelijk is zich tegelijkertijd met vrouwen en met wijsbegeerte in te laten?" Het wordt zonder meer als een onbestreden waarheid erkend, dat eerstens alle vrouwen heerschzuchtig zijn, en ten tweede, dat alle vrouwen er tenslotte in slagen het daarheen te leiden, dat zij haar heerschzucht kunnen botvieren.

Plaire, charmer, séduire Est leur bonheur dans leur printemps, Mais gouverner, avoir l'empire Est leur plaisir dans tous les temps.

Wel zijn er misschien vrouwen wier fijn vrouwelijk instinct haar zegt, dat het mooier is een man van talent te gehoorzamen dan een dwaas te leiden, en die inzien, dat een echtgenoote, die verplicht is als echtgenoot te denken, te bestieren, op te treden, eigenlijk noch vrouw noch man is, maar de beminnelijkheid harer sexe verliest, zonder meer dan een karikatuur der eigenschappen van het sterke geslacht te verwerven. Maar als er zulke vrouwen bestaan, dan is haar aantal ongetwijfeld gering. Het meerendeel der leden van het zwakke geslacht wil heerschen, minstens over het exemplaar van het sterke geslacht, waarmee zij door het toeval hoe dan ook voor het leven verbonden zijn geraakt.

Voert de man den strijd met de vrouw om de oppermacht altijd zoo, dat zij, hoewel ten slotte overwinnares, toch eerbied moet hebben voor 's mans moreele weerkracht? Of staat het misschien zoo, dat de vrouw zoo weinig strijdbaarheid bij den man ontmoet, dat het zwakke zelfs dit negatieve motief niet heeft om het dusgenaamd sterke nog min of meer te achten? Zoowel voor het eene als voor het andere zijn voorbeelden aan te voeren, zoodat het geraden is ook op deze vragen een definitief antwoord voorzichtig te ontwijken.

Ongetwijfeld heeft iedere vrouw van nature iets in zich van den tegenstrevenden strijdlust, die geen blinde volgzaamheid, maar integendeel krachtig verzet begeert en dat alleen om het genot te smaken die te overwinnen--zooals dit wordt geteekend in de volgende, als komisch bedoelde persiflage eener "moderne" of "vrije vrouw", die intusschen niets moderns heeft, maar slechts een der integreerende deelen van het Ewig Weibliche wat duidelijk naar voren laat komen:

"Het moderne meisje hoorde het huwelijksaanzoek van den modernen jonkman aan en zei: U is bereid het voorschrift: de vrouw is haar man gehoorzaamheid verschuldigd! uit uw woordenboek te schrappen?--Ten volle bereid.--En mag ik mijn eigen huissleutel hebben?--Daarin zie ik geen bezwaar.--En zou u me toestaan te gaan waarheen ik wil en zoo laat thuis te komen als ik goedvind?--Zeer zeker.--Als we kinderen krijgen, wilt u ze dan verzorgen?--Met genoegen, als het moet.--En wilt u ook met de dienstboden omgaan, ze huren, nagaan en ontslaan?--Natuurlijk.--Dan moet ik van een huwelijk met u niets hebben, mijnheer.

--Waarom niet, stamelde de huwelijkscandidaat teleurgesteld, ik stem toch in alles toe wat u verlangt.--Dat is het juist. Ik wil een man hebben, die mij alles weigert. Alleen dan verwacht ik genoegen van het huwelijk.--Wil u dan geen man, die uw zin doet in alles wat u verlangt?--Neen, ik wil een man, die me juist alles weigert wat ik verlang. Dan zal ik er hem toe brengen het toch te doen. Mijn ideaal van een gelukkig huwelijk is nooit zoo maar mijn zin te krijgen van mijn man, nooit vrijelijk te mogen doen wat ik wil, maar hem te dwingen te doen wat hij niet wil. Als hij het uit eigen beweging wel wil doen, heeft het voor mij geen waarde meer. Ik moet er hem toe gedwongen hebben."

Ook uit sommige boekdeelen sprekende verzuchtingen van mannen, schijnt op te maken, dat zij in den strijd tegen de vrouwelijke heerschzucht maar heel weinig lauweren hebben weten te behalen.

't Is in een huis geheel verdraaid. Waar 't haantje zwijgt en 't hentje kraait.

Deze klacht illustreert maar al te duidelijk de positie van 't haantje, dat hier zijn berijmde verzuchting slaakt. Het is de taal van dengene, die het hoofd schudt, over wat niet meer valt te veranderen, doch tegelijkertijd den strijd tegen het onvermijdelijke afgemat en uitgeput maar opgeeft. Dezelfde geestestoestand spreekt uit de volgende verzuchting: Er zijn toch nog twee zachte, lieve vrouwen op de wereld, maar de eene is nergens te vinden en de andere is zoek. Waarvan de gelijkgestemde pendant luidt: Er is maar één kwaad wijf op de wereld, en ieder meent dat juist hij haar heeft. Wie een kwaad wijf krijgt, zegt de boer, die heeft zijn mannetje gevonden. Van veel overwinningsgewisheid in den strijd met de vrouw om de hegemonie getuigen ook niet exclamaties als deze, die naar men wil een gebruikelijke verzuchting is van de bruidegoms in het schoon Italië: Wanneer ge een paard koopt of een vrouw neemt, sluit uw oogen en beveel Gode uw ziel.

De vraag rijst natuurlijk, hoe het dan toch komt, dat de lichamelijk zwakkere vrouw zulk een tirannie kan uitoefenen over den sterken man? Over welke onfeilbare wapens beschikt zij dan toch, om den man met zoo groote zekerheid er onder te krijgen en er onder te houden?

Men heeft op deze vraag allerlei antwoorden klaar. De geliefkoosde wapens die men de vrouw toedicht, en waar de man niet tegen bestand zou zijn, zijn haar listen. Het arsenaal der vrouw bevat als voornaamste wapens list en sluwheid. De diepste oorzaak van der mannen onmacht om der vrouwen heerschzucht op den duur weerstand te bieden ligt natuurlijk in de zinnelijkheid van den man. Waar de man zwicht voor de andere sexe, zwicht hij niet voor de vrouw, maar voor het wijfje.

De sexueele philosoof ziet de oorzaak van de tegenstelling tusschen de sexen in de wettelijke en economische overheersching van de vrouw door den man. Deze overheersching bestaat overal en zoolang zij bestaat, zal er tusschen man en vrouw strijd zijn. Den eigen man te regeeren, in de eigen woning den schepter te voeren en te heerschen, dat zal de natuurlijke wraak van de vrouw blijven wegens hare officieel gedecreteerde onderworpenheid aan den man. In den strijd om de heerschappij in de echtelijke woning heeft zij velerlei omstandigheden in haar voordeel, met het gevolg, dat zij meestal overwinnaar blijft in dien strijd, in weerwil van alle verzuchtingen der mannenwereld.

Dat zij overwinnaar is en daarvan een gepast gebruik weet te maken, dat leert ons in de eerste plaats de erotische humor. Daarin is wel geen thema zoo afgezaagd als juist dit.

De heerschzucht van de vrouw in spot en satire te brandmerken is weer de wraak van den man, die zich in zijn nederlaag in zijn heiligste rechten beleedigd voelt en toch niet in staat is het droeve feit te verhelpen.

Om zijn nederlagen te bemantelen, stelt de man het gaarne zoo voor, dat hij die lijdt wijl er zulke oneerlijke wapens tegen hem worden gebezigd: sluwheid, arglistigheid en tallooze streken, die hem aantasten op zijn zwakke punten, in zijn zachtere gevoelens. De vrouw, zoo maakt de man zich gaarne wijs, zegeviert door met haar tranen en haar streken te speculeeren op zijn goed vertrouwen, op zijn zachtmoedigheid jegens het zwakkere, op al wat er goeds en menschelijks in hem is. Zoo haalt de man zelfs uit zijn onmacht jegens de vrouw nog weer bewijzen voor zijn superieuriteit en zijn meerderwaardigheid. Tevens schenken zulke redeneeringen hem eenigen troost in zijn nederlagen.

Intusschen wreekt hij zich zonder genade door de vrouw voor te stellen als een sluw, listig, bedriegelijk, leugenachtig wezen. Volgens de gebruikelijke voorstelling van den man is ieder woord, ieder gebaar van de vrouw een valstrik, een krijgslist, om haar zin te krijgen, den man te verleiden, haar macht te vermeerderen of te bevestigen. Over der vrouwen list is de mannenwereld nooit uitgepraat. Om de menschheid toch maar goed ervan te doordringen hoe listig de vrouwen zijn, verzinnen de mannen de onmogelijkste verhalen. Als voorbeeld daarvan citeeren wij hier, in hoofdzaak, Filomena's vertelling van de listen eener verliefde vrouw, uit Boccaccio's Decamerone.

Er was in een stad, waar meer bedrog dan trouw te vinden was, eens een schoone vrouw, begiftigd met geestkracht en schranderheid, doch uitgehuwelijkt aan een wever, dien zij niet achtte. Zij werd hevig verliefd op een edelman. Deze wist daarvan natuurlijk niets af en zij durfde het niet te wagen het hem te laten blijken. Zij bemerkte dat hij veel omgang had met een vromen geestelijke, en zij besloot deze zijns ondanks als tusschenpersoon te gebruiken. Zij ging bij hem biechten en zei daarna:

--Vader, er is iemand, zijn naam is mij onbekend, op het oog is hij een achtenswaardig man, die het er op toe schijnt te leggen, het mij, eerbare vrouw, lastig te maken. Ik kan mij niet aan deur of venster vertoonen en niet uitgaan, of ik merk dat hij in de nabijheid is. Ik ben bang dat ik daardoor ten laatste in opspraak zal komen. Om schandaal te vermijden heb ik tot nu toe gezwegen, en ik heb ten slotte besloten het aan u te zeggen, omdat het mij bekend is dat u zijn vriend bent. En ik verzoek u hem hierover te berispen en hem te vragen er mee op te houden. Hier boog zij het hoofd en scheen op het punt in schreien uit te barsten.

De geestelijke begreep spoedig wien zij bedoelde en beloofde de vrouw hem zoo onder handen te zullen nemen, dat zij geen last meer van hem zou hebben.

--Mocht hij het soms ontkennen, zeide zij nog, zeg hem dan dat ik zelf er bij u over geklaagd heb.

De vrome broeder deed wat hij beloofd had en de edelman, slimmer dan hij, begon al gauw de list van de klaagster te doorzien. Hij antwoordde, schaamte veinzende, dat hij er zich voortaan van onthouden zou. Maar hij ging regelrecht naar de woning der klagende dame, die als gewoonlijk aan haar venster zat en dus zag dat hij voorbij ging. Zij groette hem zoo vriendelijk, dat hij in zijn vermoedens werd versterkt. En van dien dag af ging hij zeer dikwijls haar huis voorbij. Toen de vrouw dit bemerkte begaf ze zich, om hem wat aan te vuren, opnieuw naar den vromen geestelijke en zeide:

--Vader, wat ik te zeggen heb betreft weer dien van God verlaten vriend van u.

--Wat, heeft hij niet opgehouden u lastig te vallen?

--Volstrekt niet, antwoordde zij. Nadat ik me bij u beklaagd heb, is hij, zeker om mij te tarten en zich te wreken, voor elken keer dat hij eerst voorbijkwam wel zevenmaal gekomen. En hij is zoo driest en onbeschaamd geworden, dat hij gisteren zelfs zijn dienstmeisje naar me toe heeft gestuurd met allerlei praatjes en met een beurs en een ceintuur, alsof ik die niet genoeg heb. Ik heb niets willen doen voor ik u alles gezegd had. De beurs en de ceintuur heb ik meegebracht en ik wil u vragen ze hem terug te geven en hem te zeggen dat ik niets van hem noodig heb.

Dit zeggende haalde zij beide door haar genoemde voorwerpen, hevig schreiende, van onder haar kleed en gaf ze den geestelijke, die ze aannam met de woorden:

--Mijn dochter, ik heb hem vermaand en hij heeft beloofd het na te laten, maar naar ik zie heeft hij zijn belofte slecht gehouden. Ik zal nu zorgen dat hij u wel verder met rust laat. Spreek er evenwel tot niemand over, want dat zou voor hem te ernstige gevolgen kunnen hebben.

Niet begrijpende hoe hij om den tuin werd geleid liet hij zijn vriend bij zich roepen en deze merkte aan zijn verstoord gezicht terstond, dat er iets nieuws voor hem was. De geestelijke herhaalde wat hij den eersten keer had gezegd, en berispte hem in scherpe woorden opnieuw voor wat hij zulk een fatsoenlijke vrouw aandeed. De edelman, die de zaak nog niet ten volle begreep, ontkende flauwtjes, vooral wat betreft de beurs en de ceintuur droeg hij zorg zich niet bloot te geven.

--Wat, durf je nog ontkennen ook? Schreiende heeft de vrouw deze dingen hier gebracht. Kijk goed of je ze herkent.

De edelman, veinzende zich zeer te schamen, antwoordde: Ja ik herken ze, en ik beken dat ik slecht heb gehandeld; maar ik zweer u dat het nu uit is, nu ik zie welk een vrouw zij is.

Er werd nog in den breede over het geval gesproken en ten slotte gaf de broeder beurs en ceintuur aan zijn vriend, met vele vermaningen er nu toch mee op te houden, wat de andere ten stelligste beloofde. De edelman ging zeer verheugd heen, eerstens over de zekerheid, die hij nu meende te hebben van de liefde der schoone vrouw jegens hem, en ten tweede over het fraaie geschenk. Hij plaatste zich zoo voor haar huis, dat hij, zonder teveel de aandacht van anderen te trekken, haar kon laten zien, dat de beide voorwerpen in zijn bezit waren gekomen. Zij van haar kant verblijdde zich daar ten zeerste over, ook omdat het voor haar een bewijs was dat haar list ten volle slaagde. En zij wachtte nu alleen nog maar op een gunstige gelegenheid om den beslissenden stap te doen. Deze deed zich weldra voor. Haar man moest voor zijn zaken naar Genua en nauwelijks was hij 's morgens te paard gestegen en weggereden, of zijn vrouw ging naar den vromen broeder en met veel zuchten en tranen zeide ze hem:

--O vader, nu kan het toch niet langer zoo; ik heb u beloofd niets te zullen doen zonder er u in te kennen, en ik kom bij u om van die belofte ontheven te worden. Als ik u vertel wat uw vriend als een helsche duivel van ochtend jegens mij heeft bedreven, dan zal het u duidelijk zijn dat ik reden heb om bedroefd en wanhopend te zijn. Het schijnt, dat hij door een of ander ongelukkig toeval vernomen heeft, dat mijn man de stad is uitgegaan naar Genua. In elk geval is hij vanmorgen den tuin binnengedrongen en in een boom geklommen, vlak bij mijn kamer, die aan de tuinzijde ligt. Hij had het venster al open gemaakt en wilde de kamer instappen, toen ik wakker werd en om hulp begon te roepen. En ik zou net zoo lang geroepen hebben tot er hulp was gekomen, als hij mij niet gesmeekt had genade met hem te hebben. Hij zeide meteen wie hij was en noemde daarbij ook uw naam. Uit liefde jegens u heb ik toen niet meer geroepen, maar ik ben uit het bed gesprongen en heb het venster voor zijn neus dichtgeslagen. Ik geloof dat hij toen kwaad is weggegaan, want ik heb hem niet meer gezien of gehoord. Oordeel nu zelf, of dat nog langer zoo mag doorgaan, ik heb in elk geval geen plan nog meer van hem te verduren, ik heb uit eerbied voor u al te veel van hem verdragen.

--Mijn dochter, zei hierop de geestelijke, ik kan niet anders zeggen dan dat het nu werkelijk al te driest en al te slecht wordt van dien man. Maar volg nog eenmaal mijn raad en zeg niets aan uw verwanten. Laat mij ook dezen keer nog begaan en ik zal zien of ik dien losgebroken duivel, dien ik voor een braaf man hield, niet kan bedwingen. En als het mij dezen keer mag gelukken hem van zijn beestachtige neiging tot inkeer te brengen, laat het dan daarmee uit zijn. Maar lukt het mij niet, dan geef ik u mijn zegen en mijn toestemming om datgene te doen wat uw gevoel u zegt dat welgedaan is.

--Nu, zeide zij, ook dezen keer wil ik u niet ongehoorzaam zijn. Maar doe uw uiterste best dat hij er mee ophoudt mij langer lastig te vallen. Want nogmaals bij u terugkomen voor hetzelfde doe ik niet meer. En zonder een woord meer er bij te voegen ging ze als ontevreden heen.

Nauwelijks was ze weg of de edelman trad de kerk binnen. De geestelijke nam hem terzijde en begon hem op de strengste en krenkendste wijze te bestraffen. De edelman hield zich van den domme, en vroeg: Waarom zoo boos, eerwaarde?

--Zoo'n onbeschaamde, riep de broeder uit. Hij houdt zich of hij het niet meer weet, of hij het is vergeten, alsof het al jaren geleden is. Kan je je niet meer herinneren, hoe je van morgen iemand beleedigd hebt? Waar ben je bij het aanbreken van den dag geweest?

--Dat weet ik niet, antwoordde de edelman, maar u hebt er wel heel gauw bericht van gekregen.

--Dat heb ik, zei de geestelijke. Je dacht zeker, nu de man van die brave vrouw afwezig is, dat ze je zoo maar met open armen ontvangen zou, jij tuinsluiper en boomenklimmer. Je bent haar tuin binnengedrongen, in een boom voor haar venster geklommen, hebt haar zoo willen overvallen. Dat is je niet meegevallen. Onthoud nu, dat ze van niets ter wereld zoo'n afschuw heeft als van zulk een handelwijze. Aan mijn berispingen noch aan haar afwijzingen schijn je je te storen. Maar ik wil alleen nog maar dit zeggen, tot nog toe heeft ze de zaak voor zich gehouden, doch alleen op mijn dringend verzoek, maar nu is het uit, nu zal ze niet langer zwijgen, ik heb haar toegestaan naar goeddunken te handelen als je haar nogmaals lastig valt. En bedenk wat het zijn zal als ze het aan haar man en haar broers vertelt!