Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven
Part 4
De natuurlijke liefde echter laat zich niet zoo beperken. Zij weet van geen banden, laat zich niet leiden of africhten. Liefde moet blind zijn of zij zal niet zijn. Opvoeding tot minnen uitsluitend of voornamelijk om voordeel is--als die opvoeding tenminste niet langs het voorwerp er van afglijdt of er op afstuit--uitroeiïng van de vatbaarheid voor werkelijk minnen. Ontstaat er dan een sexueele verhouding, die den opvoeder bevredigt, die dus voordeelig is en standesgemäss en wat dies meer zij, dan is liefde daaraan in den regel volkomen vreemd. Zoo ontstaan er onder de heerschappij der beschaving tallooze sexueele verhoudingen--huwelijken--die alle daarbij direct of indirect betrokken partijen en alle verdere belangstellenden volkomen bevredigen, en die toch een sexueele mislukking zijn, wijl juist de eenige factor, die een duurzame sexueele bevrediging waarborgt--liefde en zinnelijkheid--ontbreekt. Waar liefde niet blind is, daar is zij niet echt, daar is geen liefde. En elke sexueele verbintenis, die niet op liefde berust, is onteerend. Maar bovendien is zulk een verbintenis een bron van spot en hoon, zelfs van dezulken, die persoonlijk niet anders zouden hebben gehandeld, die eigenlijk wel de goede partij, welke die of die heeft gedaan benijden, maar zich toch aan het vergrijp tegen de natuur ergeren. Achter elke sexueele verhouding zonder liefde, alleen om de baat en het voordeel, louter uit berekening en overleg gesloten, omdat het een goede partij was enz., verheffen zich spottende stemmen, die rusteloos en zonder erbarmen hun hoon en verguizing over die verhouding uitstorten en ze met den vurigen ijver van den haat rusteloos vervolgen en prijsgeven aan verachting.
Ook niet-blinde liefde of wat in dit opzicht voor liefde doorgaat, is dus een bron van humor, evenals de wèl blinde liefde. Zij is dit zelfs veel meer. Maar er welt een heel andere soort humor uit op. Met de blinde liefde vermaakt men zich, maar men eert haar. Men lacht goedmoedig om de komische kanten er van, maar men verheugt en verblijdt zich over die komische kanten; men duidt die niet ten kwade, maar verontschuldigt ze en billijkt ze.
Geheel anders is het met de sexueele verhoudingen, die niet aan blindheid lijden en waarbij heel niet dwaas wordt gehandeld, maar die gesloten zijn als uitkomst eener nauwkeurige berekening. Bij instinct veracht zelfs degene, die niet anders zou handelen als de gelegenheid zich aanbood, zulke verhoudingen, bespot en beschimpt ze. De dwaasheden der blinde liefde zijn gelukschenkende belooningen voor gehoorzaamheid aan de natuur, de erger dwaasheden der berekenende schijnliefde zijn de straf voor het verlaten van de wegen der natuur. En de waarnemende mensch met scherp sexueel onderscheidingsvermogen ziet aan die schijnliefde veel meer komische, dwaze, belachelijke en bespottelijke kanten, dan aan de blinde liefde. En al dat komische, dwaze enz. wekt geen gemoedelijken, in werkelijkheid meelevenden glimlach, maar diepgevoelde ergernis. Men ziet immers een menschenpaar niet dwaas en bespottelijk handelen in gehoorzaamheid aan een wet der natuur, maar een karikatuur maken van het beste wat voor den mensch is weggelegd. Dit wekt ergernis en op de lippen komt bij het aanschouwen daarvan geen instemmende glimlach, maar de grijns van verachting en zij stooten spotternij en hoon uit, om te wonden, te grieven, te kwetsen. Waar verstandsliefde komisch wordt voorgesteld, daar zit altijd de bedoeling voor om fel te wonden, wrekende strafoefening te houden over de gepleegde majesteitsschennis jegens de liefde.
Iedere sexueele verhouding, die op eenigerlei wijze een karikatuur is, kan er zich van verzekerd houden, dat zij van alle kanten, openlijk of in stilte, gehoond, belachelijk gemaakt en verguisd wordt, bijvoorbeeld op de manier vervat in de volgende karikatuur op de gekochte vrouw.
--Mijnheer, zei de jonge, mooie, pas getrouwde vrouw, tot den man, die sinds een paar uren haar man was, een al vrij bejaarden bankier,--met wien ze door koppelaarster of huwelijksmakelaar in connectie was gekomen, waarna ze het door welberekende tactiek inplaats van alleen maar tot maîtresse tot echtgenoote had gebracht,--Mijnheer, we zijn hier in ons bruidsvertrek, geloof ik, het bed, waarin ik hier lig, is bestemd als bruidsbed, en mij wacht, niets wijst op het tegendeel, het gebruikelijke lot van een bruid in den bruidsnacht. Maar alvorens ge uw verwachting te hoog spant, mijnheer, een paar woorden, die zeker van invloed zullen zijn op onze toekomstige verhouding jegens elkaar.... Neen, blijf daar zitten... Ik weet wel, de wet geeft je het recht op een plaats hier naast mij, maar welbegrepen eigenbelang--een geliefkoosde uitdrukking van je, niet waar?--dwingt een mensch vaak van zijn recht geen gebruik te maken. Nu, ik erken het recht, waar ik van sprak, en ik ga je nu bewijzen dat het in je welbegrepen belang is, van dat recht geen gebruik te maken.
Stom van verbazing staarde de met zoo zonderlinge woorden ontvangen bruidegom de mooie spreekster aan, die daar overeind zat met den elleboog op het kussen, waarop het weelderig blonde haar neergolfde, met half ontblooten schouder in een wolk van kant, heerlijk in haar glorie van jonge vrouw.
--Als ik je zeide, mijnheer, dat ik voor je persoon iets anders gevoel dan den meest diepen afschuw, dan zou je het recht hebben me een laffe huichelaarster te noemen. Dat verwijt wil ik voorkomen. Wees er zeker van, dat ik al den tijd dat ik je ken eenvoudig van je gruw, en mijn afkeer is nog van uur tot uur toegenomen, tot op dit oogenblik toe. En ongegrond is die afkeer zeker niet. Want welk een dunk je van jezelf moogt hebben, mijnheer, het is je toch zeker bekend, dat je het tegendeel bent van een Adonis met je kalen schedel en je behaarde neusgaten, je gele loensoogen en je lippen die doen denken aan de mummies in het museum. Je zult dus zelf wel niet meenen, dat je een meisje van twintig jaar kunt bekoren.
De zoo toegesproken bruidegom liet zich met een halfgesmoorde vloek in een fauteuil vallen.
De bruid vervolgde:
--Maar ook in een wanstaltig lichaam kan een schoone ziel huizen. Hoe staat het in dit opzicht met jou, mijnheer? Laten we je moreele hoedanigheden eens bekijken. Ik moet zeggen, ik heb nog geen andere bij je aangetroffen dan lage en gemeene. Je moreele eigenschappen zijn in overeenstemming met je uiterlijk voorkomen, in dit opzicht vertoon je een zeldzame harmonie. Wie er lust in heeft te spreken tegen een keisteen, die moet zich richten tot jouw geweten. En dingen als liefde, toewijding, edelmoedigheid, mildheid, medelijden met het zwakke, deze ken je zelfs niet bij name. Mijnheer, je bent nu mijn man, je hebt, behalve andere rechten, ook het recht te weten hoe je vrouwtje over je denkt; nu, luister: ik vind je lichamelijk een wangedrocht en moreel een ploert. Ik weet bijvoorbeeld zoo ongeveer hoe je aan je vele geld bent gekomen. En bovendien ben je stompzinnig als een idioot. 't Is waar, we kunnen allemaal geen genieën zijn. Maar er zijn graden in de geestelijke botheid--je staat beneden den laagsten graad. Onder de heerlijkste muziek heb ik je beursnoteeringen zien nazien of in slaap vallen, en ik heb nog niets anders van je gehoord dan grofheden, domheden en lompheden.
--Voor den donder, barstte de bruidegom hier los, als ik zoo ben, waarom ben je dan met me getrouwd?
--Mijnheer, alleen omdat je geld hebt. En na een oogenblik ging ze voort:
--Werkelijk, alleen omdat je geld hebt. Het valt niet te ontkennen, dat geld iets heerlijks is. Met geld kan men alles krijgen wat men maar wil, dat heb je weer ondervonden met mij. Maar dat men van alles wat men kan krijgen, ook pleizier moet hebben, dat volgt daar nog niet uit: ook dit zal je ondervinden met mij. Ik laat daar, hoe je aan je geld bent gekomen, door welke woekerpractijken, bedriegerijen en schandelijkheden je het hebt bij elkaar geharkt, ik weet dat geen vorm van oneerlijkheid je vreemd is en dat je talloze menschen in ellende hebt gebracht. Ik wend me met afkeer af van de middelen die je hebt toegepast, ik aanvaard en waardeer echter het resultaat. Ik heb eens deze schoone spreuk gelezen: "Geld bewaart niet den stank van zijn herkomst, het verspreidt slechts den zoeten geur van wat het zijn zal." Non olet, mijnheer, dat was mijn leuze waaronder ik je vrouw ben geworden. Ik arm mooi meisje wilde niet arm blijven, maar rijk zijn. Er bestonden voor mij maar twee wegen: de maîtresse of de vrouw te worden van een rijkaard. Het toeval heeft me een derden weg aangewezen. Ik heb nu jou zonder dat jij mij hebt en daarover wil ik nu met je praten. Ik heb willen trouwen om alles te kunnen weigeren en alles te kunnen eischen. We zijn nu getrouwd--en ik ben zoomin je vrouw als je maîtresse. Daarin moet je berusten.
--Hou op, dreigde de bruidegom.
--Ik begrijp, mijnheer, dat mijn woorden je wat vreemd in de ooren klinken. Ik zal het kort maken. Wees zoo goed, mijnheer, en kijk eens uit het raam, of er aan de overkant niet iemand heen en weer loopt, die nu en dan naar boven kijkt naar dit verlichte venster.
De bruidegom verroerde zich niet.
--Nu, zeide de bruid, moet ik het nog eens zeggen?
De bruidegom stond op, ging naar het raam, schoof het gordijn ter zijde en deed wat hem gezegd was.
--Er loopt aan de overkant iemand heen en weer, een manspersoon.
--Juist, mijnheer, een jongeman, even mooi als een zekere iemand hier leelijk is, even edel als bedoelde iemand laaghartig, en even intelligent als die persoon stupide, even arm ook als mijn man rijk. En die persoon, mijnheer, is het, die in dit bruidsbed mijn bruidegom zal zijn. Hem heb ik lief, .... doe niet zoo onrustig. Ge hebt zoo vaak opgestreken wat anderen toekwam, schik je voor een keer ook eens in de tegenovergestelde rol. We hebben dat zoo afgesproken, en hij wacht nu maar tot hij een teeken krijgt, en ik, als vrouw van een bankier, moet bediend worden. Wees dus mijn bediende en geef zoo meteen het afgesproken teeken.
De bruidegom maakte een beweging als om zich op de spreekster te werpen, haar te worgen, te verscheuren, neer te slaan.
--Raak me niet aan, mijnheer, waarschuwde ze zacht, maar beslist. Ik zou zoo gillen, dat het huizen ver was te hooren.
Hij viel terug in zijn fauteuil.
--Laten we kort zijn, vervolgde de bruid. Ik heb je getrouwd, omdat je geld hebt, maar je vrouw, zoo men dat noemt, wil ik niet zijn, omdat je uiterlijk een gedrocht en innerlijk een fielt bent. Ik behoor toe aan dien jongeman, die daar buiten wacht. Hem wil ik hier hebben, in deze bruidskamer, in dit bruidsbed. Ik weet, je kunt probeeren dat te verhinderen, je kunt op een of andere manier met geweld nemen wat je niet ten onrechte als je recht beschouwt. Maar ik zal me op elke denkbare manier verweren en me op honderd manieren wreken. Eerst zal ik me verzetten met tanden en nagels, en zorgen dat je gezicht de sporen draagt van mijn verweer, en ook zorgen dat de heele wereld verneemt, hoe zich dat heeft toegedragen. En nog op alle andere manieren zal ik me verweren, het zou hier een slagveld worden inplaats van een bruidsbed. Ongetwijfeld zouden uw huisknechts en dienstboden te hulp komen of tenminste alles komen afluisteren. En morgen den dag zou ik me openlijk, hier in huis, geven aan den eerste den beste,--aan den huisknecht, aan den tuinman, aan iedereen, voor ieders oogen. In minder dan een week zou je de meest bespotte man uit de stad zijn, men zou je op straat naroepen. Ik zweer je, dat alles precies zoo gebeuren zou. Als je mijn geheimen minnaar hier toegang belet, heb je morgen openlijk twintig.... medeminnaars zal ik maar zeggen. Wees dus verstandig, voor zoover je dat mogelijk is. Laten we elkaar het leven niet noodeloos vergallen. Als je nu meteen het raam opent, en driemaal in de handen klapt, en dan zorgt, dat men van straat af kan binnenkomen, en je hier niet meer vertoont voor morgenochtend negen uur, dan is alles in orde. Wat er hier gebeurt, zal dan niemand ooit vernemen, het zal ons geheimpje blijven. Ik ben en blijf dan voor de wereld je lieve vrouwtje. Doe je niet wat ik verlang, dan heb je morgen je vrouw al te deelen met twintig anderen; doe je het wel, dan blijft alles onder ons; ik ben dan tevreden en je kunt staat maken op mijn dankbaarheid, en die zal me misschien morgen of overmorgen bewegen het recht, dat de wet je op mij geeft, te erkennen. Maar voor van nacht wil ik het zoo, zooals ik gezegd heb. En doe nu het licht uit doe wat ik gezegd heb en doe verder precies of ik er niet ben.
Een kwartier later klonk uit het geopende venster van het bruidsvertrek driemaal een zacht handgeklap....
Rondom elke karikaturige sexueele verhouding worden dergelijke persiflages gefluisterd en in dit opzicht is de vindingrijkheid van de straffende sexueele gerechtigheid grenzenloos.
Haar strafmiddel is de spot, en om zoo pijnlijk mogelijk te treffen, wordt het karikatuurachtige in het geval nog karikatuurachtig overdreven. Is echter in een karikatuurachtige sexueele verhouding slechts een der partijen schuldig, dan zegeviert ook ten deze weer het rechtsgevoel, en wordt de onschuldige partij of ongemoeid gelaten of verschoond, of als beklagenswaardig slachtoffer voorgesteld. En dan wordt de voorstelling van het geval bijvoorbeeld als volgt.
--Op het lijk van den zelfmoordenaar werd het volgende schrijven gevonden: "Ik ben de minnaar geweest van mijn vrouw, ik heb twee jaar in ontucht en overspel geleefd met mijn eigen vrouw, mijn vrouw was mijn maîtresse en dit is de oorzaak van mijn dood. Ziehier mijn geschiedenis.
Twintig jaar geleden ben ik met haar getrouwd. Het was mij bekend, dat ze, hoe jong ook nog, een liederlijk verleden achter zich had. Ze was volstrekt niet mooi, eer leelijk; verslaafd aan de ondeugd, maar zonder hartstocht, ik geloof half uit boosaardigheid en half uit gewoonte. Zij was bezoedeld met alles waartoe een vrouw kan vervallen. Maar ik had haar lief, welk een uitvaagsel-wezen ze ook was. Zij oefende een perverse bekoring op mij uit, in haar donkerbruine oogen vlamden vreemde begeerten, hare lippen schenen de verleidelijkste beloften te doen. Zij was het kind eener vijftienjarige moeder, die haar altijd aan haar lot had overgelaten. Zoo was ze opgegroeid en toen ik haar trouwde wist ze alleen van dingen waarvan ze niets behoorde te weten. Als kind was ze al vrouw geweest en na het huwelijk deed ze weer als kind. In den bruidsnacht speelde ze de onnoozele onschuld. Maar ik aanbad haar. Ik weet niet waarom. En zij, doortrapt in alle kunsten der coquetterie, wist mij steeds meer te boeien, terwijl ze met mij speelde. En ik voelde mij gelukkig. Al wat ze verlangde deed ik, blindelings. Zij verkwistte onnoemelijk veel geld--ik vond den moed niet haar hierover hard te vallen en liet haar begaan. Ze was een speelster, bezocht bij voorkeur de gemeenste schouwburgen, en achtte zich gelukkig als ze in een of ander vuil stuk de vuilste figurantenrol mocht vervullen, waarvoor ze me dikwijls aanzienlijke sommen liet toebetalen. Zij bracht zichzelf en mij elken dag opnieuw in opspraak door haar gedrag, stoorde zich aan niets, deed wat ze verkoos en verkoos bij voorkeur het ergste. Ik stond haar alles toe, altijd hopende op verandering en dankbaar voor de weinige gunsten, die ze mij verleende. Totdat ik haar op een avond, onverwacht thuiskomend, aantrof op den schoot van mijn huisknecht. Toen heb ik haar de straat opgejaagd, mijn vrouw, de maîtresse van een huisknecht. Ik heb haar weet ik hoeveel geld nagesmeten om te voorkomen dat ze mij door stelen of oplichten verder in opspraak bracht. Ik hoorde kort daarna, dat ze zich bij een reizenden tooneeltroep van den zooveelsten rang had aangesloten en daarmee door het land zwierf. En toen ze eenmaal weg was en ik zekerheid had dat ik geen last van haar zou hebben, overviel me een kille zwaarmoedigheid. En dat was niet om mijn leeg tehuis, niet om de schande die mij was aangedaan door dat schepsel, maar--o, wat zijn wij mannen toch lafaards--ik miste haar zelf en begeerde haar terug. Ik deed een paar keer zelfs een poging daartoe, die telkens echter op niets uitliep. Jaren gingen voorbij, ik slaagde er tenslotte in te vergeten, en leefde geheel voor de twee kinderen, die het schepsel mij had geschonken, een zoon en een dochter. Twee jaren geleden verloofden beiden zich, spoedig hoorde ik van huwelijksplannen. Daartoe was de toestemming noodig ook van de moeder, bij aldien nog in leven, en vandaar moest ik onderzoek doen naar mijn vrouw. Na lang zoeken werd zij gevonden. Ik naar haar toe, met een stuk, waarop ze alleen maar haar naam had te zetten, dan was de zaak in orde; en natuurlijk ook voorzien van een paar bankbilletjes, om alle bezwaren en tegenwerpingen te ontzenuwen. Ik gevoelde op dat tijdstip volstrekt niets meer voor haar, was volkomen onverschillig en zoo zag ik haar weer. O, wat zijn wij mannen toch lafaards en dwazen! Zij was pas veertig, doch sterk verouderd, vervallen, in heel haar doen een gewone prostituée, bestreken met schmink, afschuwelijk. En toch kwam, zoodra ik haar weerzag, de oude begeerte met onweerstaanbare hevigheid terug. Ik vond haar nog altijd begeerlijk, ja begeerlijker dan ooit. Ongelukkige, die ik was. Bij dat eerste wederzien na achttien jaren liet ik haar niet het papier teekenen voor het huwelijk van mijn dochter, maar verliet haar als haar minnaar, ik, haar man. En des anderen daags bezocht ik haar weer, en alle dagen. En ik kwam er toe haar voor te stellen weer in mijn huis te komen, weer mijn vrouw te zijn en wederkeerig al wat geschied was te vergeten en te vergeven, een nieuw leven te beginnen. Ze lachte mij uit. Neen, zooiets verkoos ze niet. Weer getrouwde vrouw worden, rondsjouwen met al huwbare kinderen, zich heel den rompslomp van een huishouden en al zulke dingen weer opnieuw op den hals halen, neen, daar kwam ze niet in, dat deed ze niet. Maar aangezien ik haar niet heelemaal had vergeten, en niet kleingeestig of schriel was en wist wat een vrouw toekomt, wilde ze mij wel toestaan haar van tijd tot tijd te komen bezoeken, niet als echtgenoot, maar als vriend, dat, zei ze, was tegelijkertijd minder, evenveel en meer dan als man. Ik had dat verachtelijk voorstel met afschuw moeten afwijzen, en met walging de vlucht moeten nemen van zoo'n wezen. Ik erken, dat ik dat had behooren te doen. Maar ik deed het niet. Een week later was ik haar vriend, zooals zij dat bedoelde--de vriend van mijn vrouw! Toen begon een afschuwelijk leven, dat twee jaar geduurd heeft, dat geduurd heeft tot vandaag en geëindigd is zooals het behoorde. Ik was bijna voortdurend bij haar, ik moest haar gunsten dikwijls betwisten aan het laagste geboefte van de straat, aan het schuim van de kroegen, aan het goorste bezinksel van het menschenras. En dat was maar mogelijk op één manier--met geld, en altijd weer met geld. Ieder oogenblik stelde ze mij nieuwe eischen, had ze nieuwe grillen. Gebroken, willoos, onmachtig er een eind aan te maken, gaf ik haar al wat ze begeerde, liet haar morsen met mijn geld, betaalde altijd weer hare schulden en die van haar aanhang, die mij bovendien nog bestal, terwijl zij zelf mij dagelijks met den eerste den beste bedroog. In twee jaar was ik volkomen op, geruïneerd, doodarm. Niets meer voor mij zelf, niets meer voor mijn kinderen. En toen haar dat duidelijk werd, kon ik gaan. Ze wilde mij niet meer ontvangen, en toen ik aanhield en aandrong, heeft ze mij het huis uit laten gooien. Dat was eergisteren. Bleef mij iets anders over dan te doen wat ik gedaan zal hebben als men dit droevig testament op mij zal vinden?
De spotters weten ook ouders, die berekeningshuwelijken op hun geweten hebben hun verdiende loon te geven. Ook daarvoor vindt men tallooze manieren en middelen. Messire Arlequin (1865) hekelt en sart een moeder die haar 18-jarige dochter Henriëtte, die wel geld heeft maar geen naam, gekoppeld heeft aan een uitgeleefden bonviveur van 40, die geen geld meer heeft maar wel een klinkenden naam, dien hij gaarne veil heeft voor een frisschen bruidschat met een jong meisje op den koop toe:
--U mevrouw, u, moeder van Henriëtte, heb ik deze vraag te stellen:
--Gelooft u, dat uw dochter, uw kind van 18 jaar, een greintje gevoel van eerbaarheid, schaamte, fatsoen bezit?
Neen, niet draaien; rechtstreeks antwoorden. Ja of neen? Ook niet zeggen dat ge daar nooit over hebt nagedacht. Daarmee zoudt ge erkennen, dat ge geen recht hebt op den naam moeder, dat ge behoort tot dezulken die per ongeluk, zonder het te willen, moeder worden en het ongewenschte kind verwachten zooals men het doorbreken van een zweer tegemoet ziet. Ge hebt daar dus wel over nagedacht... en wat hetzelfde is, uw dochter geleid in de eene richting of in de andere, haar opgevoed in eerbaarheid en fatsoen, of in het tegendeel; gij hebt hare natuurlijke vrouwelijke waardigheid zorgvuldig ontzien en gesterkt, of ge hebt die haar opzettelijk ontnomen, ze in haar gedood.... Deze laatste veronderstelling wekt uwe verontwaardiging? ge hebt dat laatste dus niet gedaan? Dan hebt ge dus het eerste gedaan ... ge gelooft dus,--ik wil niet eens zeggen: ge weet zeker!--dat uw Henriëtte vrouwelijk schaamtegevoel heeft, een eerbaar meisje is en geen...
Goed, beseft ge dan wat ge gedaan hebt met haar te laten trouwen met een persoon, dien ze nog nauwelijks drie weken kende, en nog maar vier keer had gezien? Ge hebt haar een deftigen naam bezorgd, meent ge? Ik zeg u, ge hebt haar ter marteling overgegeven, ge hebt haar zelf op de pijnbank gebracht. Ik durf het niet noemen, wat het onschuldige, onwetende kind zich moet voelen, als ze, echtelijk ontkleed, zich bevindt bij een vreemden man.
Maar, laten we verder gaan. Ge hebt erkend, dat uw Henriëtte een meisje is en geen meid. Goed, brave, beste mamatje, die zoo bezorgd waart dat uw Henriëtte een naam kreeg, dien men zou benijden... Och, leg even uw oog aan deze kleine opening hier in den wand en kijk goed...
Ge ziet daar een jong meisje en een veel ouderen kerel nietwaar? die elkander blijkbaar niet kennen, is 't niet?
Die kerel omhelst dat meisje, kijk, hij haalt haar aan, zie wat hij allemaal doet... het meisje laat hem begaan en zij schreit! Kijk, hij maakt knoop en strik los, ontbloot haar schouders, zij weerstreeft, bedekt zich weer, kijkt angstig rond... hij gaat door, hij fluistert haar wat toe en lacht en wordt driester, zie, hoe daar oogen en handen het onschuldige en nog reine ontwijden... ge voelt wat die onschuld moet lijden... zie, daar stuift het kind met een schreeuw achteruit, krimpt ineen, bedekt zich het aangezicht...
Wat is dat, lieve mama, ge wordt doodsbleek? ge wilt toesnellen? omdat ge dat kind daar gillend ziet worstelen, wat haar belager onbeschrijfelijk schijnt te vermaken?
Doe dat in 's hemelsnaam niet, lieve mamatje. Die man daar zou u een papier lieten zien en u de kamer uitzetten ... dat kind daar is uw Henriëtte, die man daar heeft dat kind gekocht, gij, gij hebt het hem verkocht. Hij heeft het bewijsstuk in handen. Wat hij daar doet, dat is zijn recht, en dat recht hebt gij hem verkocht. Hij heeft het gekochte betaald met zijn naam, uw Henriëtte behoort hem toe, evenals juffrouw Omnibus voor een uur toebehoort aan den eersten den besten beschonkene, die haar de som betaalt, die onder het licht van de straatlantaarn is overeengekomen. De prijs verschilt, de zaak staat gelijk.
Wist ge dan niet, dat liefde het eenige excuus is voor het huwelijk?
Ik zal u zeggen, wat ge hebt gedaan--want de zaak is hiermee niet uit, begint pas. Na verloop van eenigen tijd, als Henriëtte zich in het onvermijdelijke heeft geschikt--men schikt zich in alles en men went overal aan. vraag het maar aan juffrouw Omnibus, de lotgenoote van uw dochter--dan zal zij tot zichzelf beginnen te zeggen: