Sexueele Zeden in Woord en Beeld: De Humor in het Geslachtsleven

Part 3

Chapter 33,875 wordsPublic domain

Schopenhauer oordeelt: "De natuur heeft de vrouw maar één middel gegeven om zich te verdedigen en te beschermen: onoprechtheid. De onoprechtheid is haar allen aangeboren, de domsten zoowel als de verstandigsten, en het is voor een vrouw even natuurlijk leugens te vertellen, als het voor een dier is zich van zijn natuurlijke wapens te bedienen; en zij gevoelt zich daarbij eigenlijk geheel in haar recht; vandaar is het zoo goed als onmogelijk een door en door oprechte, waarheidlievende vrouw te vinden".

"De vrouwen, zegt Zola, zijn niet in staat de waarheid te spreken; zij beliegen iedereen, rechters, geliefden, haar omgeving en zelfs zichzelf".

"Er zijn vrouwen", zegt Seneca, "die altijd iets kwaadaardigs op de tong hebben, dat ze handig onder haar lieftalligheden weten te mengen; die vriendschap huichelen, waar ze tegenovergestelde gevoelens koesteren, en die haar haat weten te verbergen onder den sluier der vleierij; waar zij het minst trouw zijn, daar is haar vertoon van trouw gewoonlijk het grootst en zij plegen juist den man of geliefde dien zij bedriegen, de minste wenschen in de oogen te lezen."

Men herinnere zich de scène bij Molière tusschen Célemène en Arsinoë. Célemène zegt van Arsinoë: "In één woord, ik kan haar niet uitstaan en... (juist komt Arsinoë binnen). O, welke goede engel voert je hierheen? Eerlijk gezegd, verlangde ik juist met ongeduld naar je."

Tot dit type van erotische humor behooren ook de tallooze het geslachtsleven rakende bon-mots, kwinkslagen, komische uitvallen enz. van groote figuren op literair of ander gebied.

Toen Diogenes eens een paar vrouwen zag die zich hadden opgehangen aan een olijfboom, zeide hij: Ach, dat alle boomen zulke vruchten droegen!

Hoe slecht ook een man van de vrouwen denken moge, zoo is er toch geen vrouw, die niet nog slechter van ze denkt, meent Chamfort, van wien ook deze beminnelijke uitval is: De liefde is als een epidemische ziekte--hoe banger men er voor is, des te meer gevaar loopt men aangestoken te worden.

Een god, die mint, acht ik niet wijs, getuigt Publius Syrus.

De mannen ondervinden dagelijks, dat het makkelijker is van de vrouwen kwaad te spreken, dan zich niet met haar in te laten (Debay).

De vrouwen koesteren veel minder liefde jegens de mannen dan haat jegens de andere vrouwen. Hoe vaak nemen ze niet een minnaar alleen om te beletten dat een vriendin hem krijgt! (Alphonse Karr).

Een vrouw te nemen om gezondheidsredenen is eigenlijk hetzelfde als zich verdrinken om zijn dorst te lessen. (Mantegazza).

Op de vraag, of men trouwen moest of niet, gaf Socrates ten antwoord: Wat ge ook doet, het zal u rouwen. En Diogenes antwoordde op de vraag, wanneer men een vrouw moet nemen: Zoo lang men jong is, nog niet, en als men oud is, niet meer. Zoo dacht ook Thales erover. Toen men deze in zijn jeugd aanspoorde te trouwen, zeide hij: Daarvoor is het nog tijd genoeg! en later, toen hij oud was geworden: Nu is het te laat. Niet minder besluiteloos was Antisthenes. Deze zeide: Neemt men een mooie vrouw, dan heeft men haar met iedereen gemeen; neemt men een leelijke, dan is ze je maar tot ergernis. En dat ook in latere tijden vele mannen er nog ongeveer zoo over denken, dat althans voorgeven, blijkt uit dit gezegde van La Bruyère: Er zijn maar weinig zoo volmaakte vrouwen, die haar man niet minstens eenmaal per dag reden geven zich te beklagen dat hij getrouwd is, en anderen te benijden, die ongetrouwd zijn. En uit dit stukje ulevel-poëzie van Weber: Vader Adam legde zich in 't Paradijs te slapen. Toen werd uit zijn rib vrouw Eva geschapen--Och Adam, je hebt er van gelust: je eerste slaap was je laatste rust. Dezelfde betuigt: Wie niet onder het echtelijk juk is doorgegaan, kent de deugd van het geduld maar half, een deugd die de vrouwen beter anderen weten te leeren dan ze zich zelf eigen te maken.

Een zeer aparte en eigenaardige vorm van sexueele humor zijn de erotisch-humoristische sprookjes. Ook daaraan is de literatuur aller volken zeer rijk. Veelal wordt er een of ander moreel defect komisch in aan de kaak gesteld. Zooals bijvoorbeeld in het volgende van K. Simrock, dat tot titel draagt: Sluwer dan de Duivel, waaruit al bij voorbaat valt op te maken dat het gaat om een moreel defect der vrouw.

Er was eens een brave boer, die met zijn vrouw zoo eenvoudig en Gode welgevallig leefde, dat hij een voorbeeld en de trots was van den heelen omtrek. Alleen de Duivel was er verdrietig om; die had vruchteloos al zijn listen en kunsten te baat genomen om de liefde en de trouw der beide gelukkige echtelieden ten val te brengen. Toen hij eens mistroostig om zijn vergeefsche pogingen aan den weg zat, vroeg een oud wijf, dat juist voorbij kwam, waarom hij daar zoo ontevreden zat te druilen.--Och, wat geeft het of ik dat al vertel! antwoordde de Duivel.--Wie weet? zeide het oude wijf, bij mij is goede raad nog nooit duur geweest.--Toen klaagde hij haar zijn nood, hoe hij dat echtpaar maar niet van elkaar kon krijgen. Toen zij dat hoorde, kon zij niet nalaten hem een onnoozelen, onbeholpen ezel van een Duivel te vinden, wat zij hem dan ook zeide. Maar voor een behoorlijke belooning, voegde zij er aan toe, zal ik je wel helpen dat zaakje in orde te brengen. De Duivel beloofde haar een paar piksplinternieuwe schoenen. Toen zij het eens waren geworden, ging het booze wijf dadelijk naar de goede vrouw en vertelde haar met een meewarig gezicht en als een liefderijke vriendin, die het wel leed deed, maar die voelde niet langer te mogen zwijgen, dat haar man haar ontrouw was en zich in het geheim met andere vrouwen inliet. De goede vrouw wilde het echter niet gelooven, hoe de oude haar ook bezwoer, dat het de volle waarheid was.

Eindelijk zeide het booze wijf: Als u het niet wil gelooven, volg dan tenminste mijn raad, baat het niet, schaden zal het ook niet. Vannacht, als uw man ligt te slapen, snijdt ge hem met een scheermes een lok uit zijn baard; dan kan u er vast van op aan, dat hij geen andere vrouw meer zal aanzien en u trouw zal blijven. Het is een ouderwetsch middeltje, dat altijd helpt.

De goede vrouw beloofde dat zij het zou doen, hoewel ze niets geloofde van wat de oude haar had gezegd. En zij bedankte het oude wijf voor haar goeden raad.

De kwaadaardige heks ging toen naar den man, die bezig was het land te ploegen.--U zal wel denken, wat moet dat oudje hier, zoo begon ze, maar ik kan het niet langer verzwijgen, ik moet het u zeggen: uw vrouw handelt niet eerlijk met u, ze houdt er andere mannen op na, maar u bent een veel te braaf mensch, daarom wou ik u waarschuwen.

De goede man wilde de oude van het land af ranselen, omdat ze zijn brave vrouw zoo belasterde. Maar het wijf ging door: Ik hoorde haar strak haar anderen man beloven, dat ze u vannacht, als u ligt te slapen, den hals zou afsnijden. Blijf daarom wakker, maar doe net of u slaapt, dan zal u wel zien of ik de waarheid spreek of niet.

De bedrogen man, ofschoon hij niets geloofde van al wat de oude zeide, nam zich toch voor te doen zooals zij hem aangeraden had. En toen de goede vrouw meende, dat hij sliep, nam ze een scherp scheermes en probeerde een lok van zijn baard af te snijden. Toen sprong de man woedend overeind, en sloeg zijn vrouw zoolang tot ze voor dood op den grond liggen bleef.

Op datzelfde oogenblik kwam de Duivel tot het booze wijf en reikte haar over de beek met een langen stok de beloofde schoenen toe, en zei: "Hier oudje, pak aan, hier is je loon. Ik geef het je zoo maar, want vlak bij je komen zal ik maar niet--je zou den Duivel zelf nog misschien een streek spelen. Ik moet bekennen, dat ik het tegen je moet afleggen."

Hierbij sluiten zich aan de humoristisch-erotische vertellingen en meer breed-opgezette komisch-sexueele anecdotes, zooals wij er in de volgende hoofdstukken eenigen zullen citeeren.

Verder valt er nog te onderscheiden de gemoedelijke sexueele humor in woord en beeld. Deze bedient zich bij voorkeur van den vorm der poëzie en als zoodanig zijn hare hoofdvormen het bruiloftsvers en het sexueele leerdicht. De klassieke grootmeester in laatstgenoemden vorm, de didactisch-erotische poëzie, is in onze taal vader Cats. Als typeerend voorbeeld halen wij hier aan den komischen strijd tusschen het draagvermogen-bezittend Paradijs-gedierte, het paard, de ezel, de kameel enz., wie hunner de eer toekomt Eva op zijn rug te mogen torschen (in: Bruiloft van Adam en Eva):

Maer dit geweldig rot begon terstond te strijden, Op wiens verheven rug Mevrouw behoort te rijden, Een yder van de drie vermeynt te zijn gegront, Dat hem na vollen eysch het voorregt open stont. En t'wijl men besig is op haar verschil te letten, Soo koomt de Crocodil sich voor de rechters setten, Die seyd, in grooten ernst, en met een vollen mont, Dat hem de schoone kans behoort te zijn gegont. Hij seyde, dat het paert, en bey sijn met-gesellen, Alleen maer op het droog de voeten kunnen stellen; Maer als men aen een stroom of holle beeken koomt, Dat yder dan verschrikt, en voor het water schroomt: Dat niemandt van den hoop daerin begeert te rijden, Als die geen killig nat en zijn gewoonte lijden; Maer dat hy swemmen kan, en diepe waters meet, En des al niet-te-min op vaste gronden treet. Terwijlen dese vier aldus te samen streden, So koomt 'er uit het wout een schilt-pad aangetreden, En alsse voor de bruyt en by de dieren stont, Ontsloot het lastbaer dier sijn tandeloosen mont. Nadien een jonge vrouw haer niet en dient te wagen, Soo moet ick onse bruyt op desen rugge dragen. Wat dat sich hier vertoont is maer een rauwen hoop, Genegen tot gewoel en tot een woesten loop. Maer wien is niet bewust, die mijn gestalte kennen, Dat ick gantsch sedig ben, en noyt gewoon te rennen? En dat mijn kloecken rug een vlacken setel draegt, Of voor een jonge bruyt; of voor een teere maegt? Oock dat men sonder hulp kan op mijn lijf geraken, En dat men sonder sorg mijn rugge mag genaken? En schoon dat iemandt viel, dat hem het ongeval, Geen hinder doen en kan, of na-deel geven sal?

Ten slotte is waarschijnlijk ieder mensch op zijn tijd erotisch humorist. Het schijnt den mensch als van nature ingeschapen, het geslachtsleven komisch en vroolijk op te vatten. Ieder heeft oog voor de dwaasheden van anderer sexualiteit.

Het liefdeleven is de bron, waaruit ten allen tijde de humor het rijkelijkst gevloeid heeft. Erotische humor is een der massaproducten van den menschelijken geest. En in tegenstelling met den gewonen regel staat de kwaliteit niet in omgekeerde verhouding tot de kwantiteit. Ingendeel, niet slechts de meeste humor is ontsprongen uit het liefdeleven, maar ook de beste, de gezondste en krachtigste.

De beschavingsgeschiedenis kent geen tijdperk, waarin in alle humor het liefdeleven niet het overheerschende en meest op den voorgrond tredende element is. Er is geen cultuurvolk, bij hetwelk het geslachtsleven niet ten allen tijde het meest geliefdkoosde onderwerp was van allen humor en van alle satire. Er zijn verder maar zeer weinig satirieke kunstenaars geweest, die er niet aan hebben meegewerkt den schat der eeuwen aan erotischen humor te vergrooten; daarentegen zijn er talloozen, die zich daar zoo goed als uitsluitend aan hebben gewijd en voor wie het liefdeleven de eenige zon was, wier bevruchtende gloed hun gewrochten tot volle rijpheid kon brengen. In de komisch-satirieke behandeling van het geslachtsleven en wat daarmee in verband staat hebben genie en talent ons een deel van het beste geschonken dat zij ooit hebben voortgebracht. Op dit thema hebben zich steeds de schitterendste stralen van den menschelijken geest vereenigd, waarbij alles mat en onbelangrijk schijnt wat zich daarbuiten beweegt; rondom het leven der liefde heeft de menschelijke geest zijn vurigste, dol-dartele orgiën gevierd.

Het meerendeel der menschen is in het dagelijksch leven onuitputtelijk in aardigheden op al wat met het geslachtsleven in verband staat. De omgangstaal is als doorspekt met geestigheden op geslachtelijke dingen. Voor niets heeft men scherper oog dan voor anderer sexueele gebreken en de manier, waarop men de aandacht hierop vestigt is gewoonlijk die van den hekelenden spot. Niets is bij het groote publiek meer gezocht dan liederlijk-grappige beeldspraak, geestig-gemeene dubbelzinnigheden, vuile kluchten, dartel-ongebonden scherts. Niets is zoo geliefd en gaat zoo van mond tot mond als sexueele anecdoten. Als volwassenen lachen, is bijna als regel een geslachtelijk onderwerp de aanleiding. Een enkele sexueel-getinte kwinkslag brengt onmiddellijk een vroolijke stemming teweeg en elke stemming van vroolijkheid slaat terstond om in sexueel-getinte praat. De sexueele geestigheid is als de veiligheidsklep, waardoor de opgekropte dierlijkheid zich ontlast en daarbij verschilt de goor-grauwe gemeenheid van den ruwen mensch alleen in graad, niet in wezen van den geraffineerde erotischen humor der verfijnde beschaving.

In den loop des tijds zijn over alle geslachtelijke verhoudingen stroomen van spot uitgestort, stroomen van goedaardige scherts, stroomen van venijnig sarcasme, stroomen van humor in alle denkbare nuancen. De literatuur, de kunst, zelfs de wetenschap hebben om het hardst daaraan meegedaan. En in het dagelijksch leven kan men nauwelijks met ernstig gezicht over het geslachtsleven spreken, nauwelijks weet men er zich anders over uit te laten dan in schertsenden, spottenden, onernstigen toon. Voor den gemiddelden mensch is het geslachtsleven een klucht, iets vermakelijks en grappigs, iets dat als uitlokt er den draak mee te steken.

De erotische humor is voor verreweg het grootse gedeelte afkomstig van den man en het grootste gedeelte daarvan is weer hetzij een directe, hetzij een indirecte hulde aan de vrouw.

Nergens worden zoo luidruchtige, zoo ten volle gemeende en zoo enthousiaste lofliederen gezongen op de vrouw dan op het gebied van den erotischen humor. Zelfs waar deze de vrouw of een vrouw geeselt met de roeden van satire en sarcasme, ligt daarin toch altijd hulde voor het liefelijkst wonder der schepping verborgen. De sexueele humor is m.a.w. een natuurlijke uiting der mannelijke zinnelijkheid. Daardoor ook vindt niets ter wereld een zoo dankbaar gehoor--en een zoo willige markt--als de sexueele humor in woord en beeld. Dat dit weer moet leiden tot ongezonde speculatie op gemeene instincten, ligt voor de hand; behalve erotische humor wordt er misschien evenveel artistiek waardelooze marktwaar geproduceerd--het weelderige veld van den sexueelen humor is een vruchtbare bodem voor pornographie.

Pornographie is echter in geenen deele humor, niet eens ontaarde humor, hoogstens een surrogaat van humor--zij staat tot sexueelen humor in dezelfde verhouding als het gezonde geslachtsleven tot de prostitutie, en in dezelfde verhouding als waarin de natuurlijke en normale omgang der sexen staat tot de uitspattingen van het bordeel. Daarom kunnen en moeten wij hier de pornographie, als liggende buiten en beneden ons onderwerp, ten volle uitschakelen.

Wij stellen ons voor in de volgende hoofdstukken van dit deel eenige der hoofdmomenten van het geslachtsleven te bezien in het kleurige licht van den humor der sexueele humoristen van alle gading. Wij zullen daarbij trachten ons te stellen op zoo ruim mogelijk standpunt en wel nu en dan het woord laten aan de groote satirici van het liefdeleven, die de zware zonden en vergrijpen in het leven der sexen straffen met spot en sarcasme en de sexueele misstanden van hun tijd met het wapen der satirieke polemiek te lijf gaan--Rabelais, Fischart, Aretin, Multatuli etc.--maar vooral ook niet verzuimen te laten uitkomen hoe de ongekunstelde volkshumor de dingen ziet, en zoowel de stemmen uit het verre verleden als die van den huidigen dag beluisteren. Waarbij dan weer duidelijk zal blijken, dat er ook ten deze maar heel weinig of geen nieuws is onder de zon.

II.

DE LIEFDE IS BLIND.

Dat de liefde blind maakt is volgens de dichters en romantici der liefde regel, maar voor den nuchteren waarnemer zeldzame uitzondering. In elk geval is die blindheid iets, wat aan alle kanten stof biedt voor humor, spot, ironie, sarcasme, en wat dies meer zij. Eerstens in gevallen, waarin die blindheid werkelijkheid is, want dan wordt er ongetwijfeld dwaas gehandeld. En meer nog in gevallen waarin die blindheid zich niet voordoet--dan is de tegenstelling tusschen de veronderstelde romantiek in de liefde en de nuchteren werkelijkheid het komische element.

In de spreuk, dat liefde blind maakt, is de geheele romantiek der liefde samengevat. Wie lief heeft, zoo zegt men, is met blindheid geslagen. Men bedoelt daarmee, dat het verliefde gemoed haakt naar het romantische, het ongewone en excentrieke. Dat ongewone, waartoe zulke verliefden komen, bestaat dan in het algemeen hierin, dat zij anders handelen dan zoo, als nuchteren gemoederen zich voorstellen, dat een mensch, "die zijn verstand gebruikt", moet handelen. Blijkbaar mist men in de handelingen van romantisch-doende gelieven de berekening, het voordeel beoogende overleg, waardoor al 's menschen handelingen als regel worden beheerscht. Er wordt in een of andere richting anders gehandeld dan het natuurlijk egoïsme schijnt voor te schrijven. Waarin zulks in een concreet geval bestaat, hangt af van de heerschende opvattingen in den kring, waarin het geval zich afspeelt. Er opent zich hier weer een eindeloos verschiet van mogelijkheden. Dat wat als dwaze verblinding der liefde wordt aangemerkt, kan eerstens bestaan in een in het oog springend verschil in maatschappelijken stand, in financiëele positie, van beide partijen. Of in een opvallend verschil in leeftijd. Vooral deze beide blindheidsverschijnselen der liefde worden algemeen als zoodanig beschouwd. In het eene geval toch ziet men de liefde zegevieren over het standsgevoel en over geldtrots, over de zucht zich op prijs te houden; men ziet, commerciëel uitgedrukt, de sexueele koopwaar beneden marktprijs wegschenken--en men kan zich iets zoo ongehoords niet anders verklaren, dan als een gevolg van den toestand van verblinding, waarin de liefde de menschen brengen kan. En in het andere geval ziet men de liefde de sexueele natuurwet van aantrekking tusschen wat jong is en van afstooting van het oudere, opgeheven, en ook hier kan men ter verklaring geen andere oorzaak vinden dan een door de liefde teweeggebrachte verblinding, althans bij een der partijen.

Dan is daar verder nog het zoo van den regel afwijkend gedoe der verliefden, hunne eigenaardige gedragingen jegens elkander, hun negeeren van al het verdere en overige, hun wederkeerig prijsgeven van rechten en tegelijkertijd opeischen van voorrechten, hun "kinderachtig" aandoend gedartel, hun volkomen opgaan en zich verliezen in elkanders persoonlijkheid, dat alles doet zich aan den nuchteren toeschouwer voor als gedoe van verblinde dwazen. En dan de onwil van verliefden om te luisteren naar "verstandigen raad", hun onvermogen om elkanders gebreken te zien, hun schromelijke overschatting van de beteekenis hunner verhouding voor henzelf en voor anderen, heel hun beminnelijk collectief egoïsme, dat alles doet aan als bovenmate verblind. Evenzoo is het met hunne opvattingen en voorstellingen van het leven, dat zij vereenigd tegemoet gaan--alles luchtkasteel, maneschijn, morgenrood, rozengeur, alles zoo volstrekt in tegenstelling met de zekere, vaststaande en onvermijdelijke werkelijkheid, dat het voor onbevangen oogen onbegrijpelijk moet schijnen, dat dat alles in ernst wordt geloofd, en men verklaart het zich liever zoo, dat de geliefden verkeeren in een roes, die hun helder uitzicht op de toekomst volkomen verduistert.

Kortom, men ziet verliefden alles rondom zich vergeten, opgaan in illusies, zich alles anders voorstellen dan het in werkelijkheid is. Men vindt dat dwaas, komisch, men vermaakt zich met hun naïeve verblinding, en voorspelt dat zij wel spoedig tot bezinning zullen komen.

Maar de humor over deze blinde verliefdheid is altijd, en kan nauwelijks anders zijn, dan goedmoedig. Men erkent, zij het onbewust, dat er natuurlijkheid is in die dwaasheid. Men moet toegeven, zij het hoofdschuddend, dat de blijde illusie hier ook wellicht verkieslijker is dan de ontmoedigende zekerheid die men zelf heeft. Men vermaakt zich met de komische situaties, die zich bij zulk minnen ieder oogenblik voordoen, maar benijdt nu en dan die blijde verblinding. Men stuift bij zulk minnen niet op om het te overgieten met schimpend sarcasme, men hoont het niet met ironischen spot. Daartoe leent het zich niet. Hoogstens steekt men een weinig den draak met wat men dwaas daarin meent te zien. Men lacht om de verblindheid der liefde, maar niettemin verlangt men de liefde blind. De gansche omgeving van verliefden vermaakt zich met die blindheid, en zou het toch niet anders willen.

Hoe men zich ook met de verblinding der verliefdheid vermaakt, toch aanvaardt men die blindheid als iets volkomen natuurlijks en men maakt van anderer bron van geluk voor zichzelf een bron van vermaak.

In de formule: de liefde is blind, ligt geen afkeuring, geen kritiek, nog minder verontwaardiging of afkeer.

Dit alles wordt juist opgewekt en uitgelokt door het tegendeel. Als in een concreet geval de liefde in het geheel niet blind blijkt, als ze niet romantisch doet handelen, niet opgaat in illusie, heel niet ongewoon doet; als zij wèl wordt gedragen door berekening, door overleg dat voordeel beoogt, dan juist overlaadt men de sexueele verhouding, die wij hier ook maar, zij het bij wijze van spreken, liefde zullen noemen, met hoon en bespotting. Men grijpt dan daarnaar, wijl zij de scherpste en zekerste wapenen zijn tegen al wat men zedelijk wil afmaken en vernietigen. Hierin ligt weer het bewijs, dat men toch de liefde liefst blind ziet, ja blindheid van haar eischt.

De felste sarcasmen op het liefdeleven, de snerpendste hoon, de giftigste spot gelden dan ook altijd juist de liefde die niet blind is. Zulke liefde kwetst en wondt blijkbaar het natuurlijk gevoel op het hevigst.

En daarbij doet zich het eigenaardige verschijnsel voor, dat blinde liefde zeldzamer is naarmate de beschaving toeneemt en naarmate men zich volkomener door de conventies dier beschaving laat leiden. Het dartelend minnen der liefde die blind maakt is eigen aan al wat blindelings handelt naar natuurinstincten. Dat is het geval met de dierenwereld. Men mag daarom veronderstellen, dat het evenzeer eigen is aan dat deel van de menschenwereld dat het naast grenst aan de dierenwereld, bij de "wilden" en allen die men beschouwt als "onbeschaafd". En in de beschaafde wereld komt het blinde minnen weer het veelvuldigst voor in de kringen, die door de beschaving het minst worden beïnvloed--de dusgenaamde lagere klassen. Wederzijdsch intusschen met de de noodige uitzonderingen.

En bij den individueelen beschaafden mensch schijnt er in elk geval toch een zekere periode van het leven te zijn, waarin men nog ontvankelijk is voor blinde liefde. Een periode, waarin de beschaving nog niet voldoende op de natuur--die zich toch weer gelden doet bij elk individu, in welken kring ook geboren,--heeft kunnen inwerken om haar op den achtergrond te dringen of zelfs geheel te verstikken. Die periode is de jeugd.

Maar ook daarin heeft de beschaving voorzien. Zooveel mogelijk tenminste. De beschaving namelijk heeft een stelsel van sexueele opvoeding geschapen, dat er op is berekend het jonge gemoed de vatbaarheid voor blinde verliefdheid te ontnemen, die gevreesde vatbaarheid uit te roeien. Volgens dat stelsel van sexueele opvoeding moet men in de liefde niet blind zijn, maar scherp toezien, met verstand te werk gaan. Daaronder verstaat men dan, dat de liefde allereerst voordeel moet aanbrengen--de liefde moet wat inbrengen, wat opbrengen. Men moet er op uit zijn, een goede, dat wil altijd zeggen, een voordeelige partij te doen.